2. De boor.

 

2.1. Omschrijving.

 

De boor is een verspanend gereedschap om ronde gaten te verkrijgen in werkstukken. De boor waarmee men in de metaalindustrie werkt, noemt men een spiraalboor.

 

De spiraalboor is een cilindrisch snijgereedschap met twee snijkanten en over ongeveer 2/3 van zijn lengte van twee spiraalgroeven voorzien.

 

Tijdens het boren maakt de boor twee bewegingen nl . een ronddraaiende snijbeweging en een voedingsbeweging of aanzet.

 

 

2.2. Onderdelen.

 


1.de kolf

2.de spiraal

3.de leirand

4 .de punt

5 de ziel

 

 

 

 

 

 

 

 

·        -boorpunt:

neemt het materiaal weg en moet juist aangeslepen  zijn.

·        -spiraal: 

-         voor het afvoeren van de spanen,

-         aanvoeren van het koelmiddel 

-         vormen van de snijkanten.

·        -leirand : 

vermindert de wrijving van de boor tegen de boringwand.

·        -schacht of kolf:

om de boor vast te klemmen in de boormachine.

 

 

 

2.3. Soorten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.3.1. Indeling volgens vorm:

 

spiraalboor met conische kolf Een conische kolf vindt men bij boren met een dikke kolf die men niet in een zelfcentrerende boorhouder krijgt. Men plaatst ze rechtstreeks in de boorspil (vanaf 13 mm).
spiraalboor met cilindrische kolf

Opspannen in een zelfcentrerende boorhouder.

verzinkboor
Een boor met een punt van 60° of 90° zodat schroeven in de boring kunnen verzonken  worden.
kamerboor of penboor
Voor het uitboren van reeds geboorde gaten voor inbusbouten.

plaatboor
De plaatboor wordt gebruikt bij dun plaatmateriaal.

 

 

 

 

           2.3.2. Indeling volgens te boren materialen.

 

 

metaalboor

 

koper- en aluminiumboor

 

messingboor

 

 

 

 

 

2.4.Gebruik

 

 

·  Vooraleer men kan boren, moet men het werkstuk aftekenen en een centerpunt slaan. Dit is nodig om op de juiste plaats op het werkstuk te boren.

·  Bij grote boordiameters moet men eerst voorboren met een kleinere boordiameter.

·  Om de boor te gebruiken moet men deze in een boorhouder plaatsen. Zorg ervoor dat de boor niet slingert.

·  Controleer de grootte van de boor steeds met een schuifmaat.

 

 

·  Een goed geslepen boor snijdt bij  het boren van staal ge­lijk­tijdig twee krullen. Botte boren gaan moeilijk in het materiaal en beginnen te piepen. Ze worden ook warm en  slij­ten onnodig af.

 

·  Als je tijdens het boren te hard drukt, is er grote kans dat de boor breekt of verloopt.

 

·  De snelheid van de boor is afhankelijk van de boordiameter en het soort materiaal dat men gaat boren. De snelheid is te regelen op de boormachine zelf.

 

·  Het werkstuk moet men steeds inspannen in een boorklem om rondslingeren van  het werkstuk te voorkomen.

 

·  Het werkstuk zo plaatsen dat het centerpunt onder de punt van de boor komt.

 

·  De druk op de boor moet zo zijn dat ze regelmatige spanen vormt. Dus geleidelijk en met gevoel boren. Op het einde van de boring minder drukken om doorschieten te voorkomen.

 

 

 

 

 

2.5. Onderhoud.

 

·  De boren regelmatig laten slijpen. Een goed geslepen boor dringt veel

    gemakkelijker in het materiaal.

·  Laat de boren nooit vallen. Boren kunnen snel breken.

·  Zet de boren steeds terug op hun plaats zodat ze niet verloren gaan.