Democratie

Inhoud:

1. Democratie voor kinderen

2. Democratie voor volwassenen

    Inleiding

    Geschiedenis van de democratie

    Typen democratie

Democratie voor kinderen

Het woord ‘democratie’ is afgeleid van de Griekse woorden ‘demos’ (volk) en ‘krakos’ (macht) en betekent dus ‘het volk aan de macht’. De allereerste democratie werd in Athene (Griekenland, tiens) ontwikkeld. Niet iedereen was vertegenwoordigd (slaven, vrouwen en kinderen hadden geen stemrecht). Nu zijn er geen slaven meer (althans zo zou het moeten zijn) en mogen de vrouwen stemmen. Kinderen nog altijd niet, maar ze kunnen wel hun STEM laten klinken. Spreek en je zal gehoord worden. Als je dat niet echt durft, kun je het nog altijd via het kinderparlement doen.

Toen ging het zo: de Raad stelde wetten voor (dacht er over na), de Volksvergadering keurde die wetten goed of keurde die af en de strategen ( = generaals) voerden de wetten uit. De rechtspraak (als een wet niet gevolgd werd) gebeurde in het gerechtshof met een jury samengesteld via loting.

Demosthenes (een bekende Griek) zei ooit: “In Athene is er een groep mensen, mannen die bijzonder overtuigend de rechten van anderen voor het voetlicht kunnen brengen. Ik zou hen het volgende willen aanraden: het belang van Athene moet voorop staan wanneer ze tot anderen spreken. Pas dan beginnen ze hun eigen plicht te doen.”

Voor de KinderParlementariërs zou dit als volgt klinken:

“In Avelgem is een groep mensen, kinderen die heel goed weten waar kinderen recht op hebben. Ik zou hen het volgende aanraden: jullie moeten laten weten wat de kinderen willen en niet willen. Pas dan doen jullie waarvoor jullie verkozen zijn.”

Democratie voor volwassenen

Inleiding

Is onze democratie een erfstuk van de Oudheid, en met name van het klassieke Hellas?

Nu is allereerst het woord democratie zuiver Grieks, en werd, wat nog meer zegt, ook door de Grieken zelf voor ‘regering door het volk’ gebruikt.

Laten we nu eens het moderne begrip democratie omschrijven als:

Een staatsvorm waarin de meerderheid van de gehele volwassen bevolking wetgeving en bestuur bepaalt, met inachtneming van fundamentele rechtsbeginselen en redelijkerwijs van de verlangens der minderheid, die telkens op haar beurt de kans krijgt om meerderheid te worden; waarin voorts vrijheid van geweten en meningsuiting bestaat.

De antieke democratie was niets anders dan een veredelde oligarchie. Het mee mogen regeren bleef een angstvallig bewaard voorrecht, dat alleen uitgebreid werd tot een groter aantal inwoners, die men dan ‘burgers’ noemde; maar bleef een minderheid. Dit valt inderdaad niet te ontkennen, maar er staat wel wat tegenover. Bij ons zorgt een geperfectioneerd stelsel van vertegenwoordiging ervoor dat de rechtstreekse invloed van de burger op het bestuur zeer beperkt is. Wij voelen dat als een probleem, en zien er een oorzaak van veel politieke lauwheid in. Voor Pericles’ tijdgenoten bestond dit probleem niet. zij regeerden zelf, ook de gewone burgers, en moesten leren op hun beurt door hun buurman geregeerd worden. Dat kan natuurlijk ook alleen maar in een vrij kleine gemeenschap.

De antieke democratie was verre van volmaakt, de onze ook, wie de meeste gebreken heeft, is nog de vraag, maar de gebreken van de Oudgriekse democratie lagen meer op maatschappelijk dan op zuiver politiek terrein.

Hun ideeënwereld leeft in de onze voort als een vruchtbaarmakend element.

Politiek, politie,… zijn woorden afgeleid van ‘polis’, het Griekse woord voor ‘staat’. Maar het Griekse woord betekent ook ‘stad’. Aristoteles zegt dat de mens een ‘zooön politikon’ is, en de beste vertaling daarvoor is: ‘een levend wezen dat van nature in een polis thuishoort’.

De polis is ontstaan in de ‘donkere eeuwen’ tussen 1000 en 800 v.C. Op sommige plaatsen groeide zij uit tot een acropolis die veiligheid kon bieden, met daaromheen een nederzetting (‘astu’) van handelars en handwerklieden.

In de 7e eeuw was de polis volgroeid. De burgers woonden in de stad, of als zij hun huizen op het land hadden, dan oefenden zij hun burgerrechten en –plichten in die stad uit. Het ideaal van die polis was vrijheid, autonomie en autarkie, het ‘in zich zelf genoeg zijn’. Dit streven om vooral ‘eigen baas’ te zijn, noemt men particularisme; het werd in de hand gewerkt door de sterke aardrijkskundige geleding van het land, en door de verdeling van het volk in stammen; ook door het feit dat iedere polis een eigen godenverering had. Toch werd dit doorkruist door een panhelleense idee (taal, de Spelen, grote algemene heiligdommen, zelfde kijk op ‘barbaroi’ (vreemdelingen).

Oudtijds werd een polis door koningen bestuurd, die echter geen absolute monarchen waren.

Deze monarchie werd omstreeks 800 v.C. afgeschaft en vervangen door een republikeinse staatsvorm. De politieke organen waren nu doorgaans: een Volksvergadering, een Raad (boulè) en magistraten (archonten). Hun onderlinge machtsverhouding varieerde naargelang de polis een aristocratische (oligarchische) of democratische staatsvorm had.

Door het almaar groeiende Perzische Rijk werd een andere manier van politiek leven gezocht.

Geschiedenis van de democratie

De Atheense democratie

Ook in Athene hadden koningen geheerst. Ook hier was de monarchie vervangen door een aristocratische republiek, niet lang na de vereniging van Attica tot één polis. De Atheense aristocraten, de Eupatriden, maakten de dienst uit totdat in 585 v.C. door Solon de weg werd gebaand naar een meer democratisch bestel. Na een (voor de Atheense samenleving overigens belangrijk) intermezzo van tyrannis werd de grondslag voor een echte democratie gelegd door Clistenes (508 v.C.). Behalve het sociale prestige, gebaseerd op grondbezit, en ook op vermogen verdiend in handel en industrie, bezat de aristocratie vooral twee plechtankers: de Areopagus, een raad, waarin de oud-archonten werden opgenomen, die hele staatsbestuur controleerde en de indeling in op erfelijkheid berustende stammen (phylen). Sinds de tijd dat waarin de Grieken het land binnentrokken was iedere gemeenschap in phylen ingedeeld. Een Dorische polis had er als regel drie, een Ionische vier. In deze phylen domineerden de adellijke geslachten volkomen. Clisthenes nu brak dit stelsel volledig af. Geheel Attica werd verdeeld in ongeveer 170 ‘gemeenten’ (zo’n gemeente heette ‘demos’). Daar was iedere burger ingeschreven in een register, hij voegde vaak de naam van zijn demos achter zijn eigennaam. Verder werd het land verdeeld in drie stukken: de stad, de kuststreek en het binnenland. Uit ieder van die drie stukken werd een groep demoi genomen, die samen een phyle vormden; zo kreeg men tien nieuwe phylen, die niets meer met erfelijke geslachten te maken hadden, en waarin mensen van uiteenlopende woonplaats en belangensfeer verenigd waren: vissers van de kust, handwerklieden in de stad, olijfbouwers uit het binnenland,… Ongeveer 50 jaar later werd het tweede plechtanker, de Areopagus, van zijn macht beroofd door Ephialtes en diens jongere medestander Pericles. Inmiddels was nog een andere instelling hervormd. Van oudsher was de uitvoerende macht in handen van de negen archonten, gekozen uit de vermogende burgers. Sinds de vijfde eeuw werden deze echter door het lot aangewezen (uit een groot aantal door de gemeenten gekozenen). Dit maakte het ambt tot een erefunctie. Nadien berustte het feitelijk bestuur bij de 10 strategen, één uit elke phyle; dit bleef altijd een keuzeambt. Men was dus altijd verkozen door de gewone man. Er ontbrak echter nog één element. Zolang iedere dienst aan de staat zonder vergoeding verleend moest worden, kwam in feite alleen de gegoede man aan het actieve staatsleven te pas. Daarom vormde eerst de invoering van honorisering voor staatsdiensten na 450 v.C. een bekroning van het democratiseringsproces. Centraal in dit bestel stond de soevereiniteit van het Atheense volk, verenigd in de ekklesia, die minstens twee maal per maand bijeenkwam op de Pnyx. Ook hierin moesten fundamentele rechtsbeginselen gerespecteerd worden. Deze waren in Athene belichaamd in de Wet (nomos), een polis die deze Wet centraal stelde, noemt men ook wel nomocratie. Vooral de wetten van Solon werden in hoge ere gehouden. Daarnaast kon in concrete gevallen bij eenvoudige meerderheid een nieuwe wet als volksbesluit (psephisma) worden aangenomen. Gevaar hierbij is dat de volksmassa, opgezweept door onverantwoordelijke leiders, er nieuwe besluiten konden doorjagen die de fundamentele rechtsbeginselen verkrachten. In zo’n geval ontaardt de democratie in een ochlocratie (heerschappij van de massa).

Vóór 1688

Na de antieke democratieën in Athene en andere Griekse stad-staten kan men de primitieve boerendemocratieën vóór het feodale tijdperk rekenen tot de oudste democratische staatsvormen van het Westen. In de middeleeuwen werden de oude volksvrijheden door de opkomende geprivilegieerde machten van adel, geestelijkheid en kroon teruggedrongen; zij wisten zich slechts in enkele gebieden (Zwitserland, Scandinavië) te handhaven. Pas het protestantisme, hoewel het in zijn oorsprong zeker niet democratisch was, deed door zijn respect voor het individu, diens geloof en geweten, en de aanspraken op het recht van vrije vereniging bij verschillende richtingen democratische gevoelens en denkbeelden ontkiemen. Zo ontwikkelden de hugenoten (in tegenstelling tot de lutheranen) mettertijd het verzetsrecht tegen de staat, wanneer deze zijn bevoegdheden overschrijdt en het geweten niet eerbiedigt. Democratische tendensen constateren wij ook met name bij de Hollandse calvinisten in hun strijd tegen Spanje en bij de Engelse en Amerikaanse puriteinen in hun huldiging van de volkssoevereiniteit.

Na 1688

Een mijlpaal in deze ontwikkeling vormde de Engelse Bill of Rights (1688). De denkbeelden van Locke over natuurlijke rechten, maatschappelijk verdrag, volksvertegenwoordiging en tolerantie beïnvloedden het Franse politieke denken der Verlichting, dat op zijn beurt invloed had op het eerste historische experiment met een democratische staat in de nieuwere tijd. In de Declaration of independence van de Verenigde Staten (1776) komt het denkbeeld van de volkssoevereiniteit tot volle ontplooiing: alle mensen zijn gelijk geschapen en bezitten onvervreemdbare rechten op leven, vrijheid en het nastreven van het geluk. De regeringen zijn ingesteld om deze rechten te waarborgen en leiden hun macht af van de instemming der geregeerden, door wie zij bij inbreuk op deze rechten afgezet kunnen worden. De grondwetten van de afzonderlijke staten gaven een nadere omschrijving van de natuurlijke rechten: vrijheid van godsdienst, meningsuiting, vereniging en vergadering, recht op persoonlijke veiligheid en recht van eigendom. Dit voorbeeld had grote invloed op de Franse Revolutie. De Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (26 aug. 1789) was naar de geest een product van de Franse Verlichting, maar mede een navolging van de verklaringen over de mensenrechten in de constituties der Amerikaanse staten.

Negentiende eeuw

Na de dictatuur van Napoleon ontstond uit de worsteling tussen progressieve en conservatieve stromingen in geheel Europa de overgangsvorm van de constitutionele monarchie. Voor de eerste fase in deze strijd was het charter van Lodewijk XVIII (1814) het model: het koningschap bij de ‘gratie Gods’ verleent goedgunstig een constitutie, de uitvoerende macht blijft bij de Koning en zijn raadgevers, de Volksvertegenwoordiging heeft slechts een vetorecht over de wetten, haar Eerste Kamer is door de vorst aangesteld, haar Tweede Kamer volgens censuskiesrecht gekozen. In de loop van de eeuw kwam de politieke macht aan het volk, werd het kiesrecht uitgebreid, werd verantwoording van de uitvoerende macht aan de volksvertegenwoordiging ingevoerd en werd benoeming door de kroon van de leden van Eerste Kamer of Senaat of erfrechten in dezen afgeschaft. In Engeland, Nederland, België en de Scandinavische landen ging dit geleidelijk, in Frankrijk na revoluties (1830, 1848 en 1870), in Italië werd de ontwikkeling door het fascisme onderbroken.

Twintigste en eenentwintigste eeuw

Na de Eerste Wereldoorlog werden democratische constituties uitgevaardigd in Duitsland (1919), Tsjechoslowakije (1920), Estland (1920), Polen (1921), Litouwen (1922), Letland (1922), terwijl in de oude democratische landen het algemeen enkelvoudig stemrecht werd ingevoerd. Nadat het vrijheidsbewustzijn in de Tweede Wereldoorlog een vreselijke tol had betaald, kreeg het met de stichting van de Verenigde Naties nieuwe kansen. Op 10 dec. 1948 werden de ‘rechten van de mens’ opnieuw geformuleerd en met nieuwe uitgebreid. Deze én de kinderversie van de ‘rechten van het kind’ (20 nov. 1989) vindt U in de engagementsverklaring van ’t KiP.

In de jaren tachtig werd in verschillende Oost-Europese landen met een volksdemocratie de roep om politieke en burgerlijke vrijheden steeds duidelijker hoorbaar. Mede onder druk van de economische omstandigheden leidde dit in de Sovjet-Unie tot een politiek van Gorbatsjovs glasnost (openheid) en perestrojka (politieke en economische hervormingen). In 1989 kwamen de ontwikkelingen in een stroomversnelling. In Polen werden in 1989 verkiezingen gehouden die voor het vakverbond Solidariteit een groot succes waren. Er werd een regering gevormd, waarin Solidariteit sterk is vertegenwoordigd, met aan het hoofd een niet-communistische premier. In Hongarije was er al geruime tijd een duidelijke hang naar economische en politieke hervormingen. Het land wenste zich meer in de richting van een vrijemarkteconomie te ontwikkelen. In 1989 werd de Communistische Partij ontbonden en vervangen door de Socialistische Partij, maar de eerste vrije verkiezingen in 1990 werden gewonnen door de burgerlijke partijen. Vergelijkbare ontwikkelingen vonden plaats in Tsjechoslowakije en de DDR, die in dit laatste land uiteindelijk resulteerden in een hereniging met de Bondsrepubliek Duitsland. Ondertussen is al heel wat versnippering opgetreden in Oost-Europa en dat veelal na bloedige oorlogen. De landen die daar dan het gevolg van waren, zijn Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Joegoslavië (Servië en Montenegro), Macedonië en van de Gorslanden onthouden we voor Europa: Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland.

Koploper België

Het ontstaan van de parlementaire democratie

In de 19e eeuw maken een reeks revoluties …

  • Groot-Brittannië ca. 1780              Rusland ca. 1890
  • “BELGIË” ca. 1825                     Canada ca. 1895
  • Frankrijk  ca. 1830                      Australië ca. 1939
  • USA  ca. 1845                           Argentinië ca. 1939
  • Duitsland  ca. 1850                      Mexico ca. 1939
  • Zweden ca. 1870                         India ca. 1950
  • Japan  ca. 1875                           China ca. 1950

… een einde aan het absolutisme in verschillende landen. Sommige staten, waaronder België, worden parlementaire democratieën: een grondwet verdeelt de macht over verschillende personen en instellingen. Men spreekt dan van scheiding van machten: de uitvoerende macht bestuurt het land en de rechterlijke macht spreekt recht. De wetgevende macht (het parlement) wordt door het volk verkozen, stemt de wetten en controleert de twee andere machten.

In een democratie gelden ook een paar vrijheden: vrije mening, persvrijheid, godsdienstvrijheid, (zie ook 2.4)… Maar in het begin is het stemrecht veelal alleen voor de rijken. Na de Eerste Wereldoorlog komt daar verandering in: men is wellicht bang voor opstanden van ex-soldaten en zo krijgt de gewone man ook stemrecht.

In de jaren dertig van de 20e eeuw verliest de parlementaire democratie veel van haar populariteit. Een zware economische wereldcrisis zorgt voor een enorm aantal werklozen. Totalitaire partijen beweren een oplossing te kunnen bieden en worden met veel aanmoedigingen toegejuicht. Het bekendste totalitaire regime is wel het nazisme van Hitler. In België hadden we o.a. Rex, Verdinaso en Vlaams Nationaal Verbond.

Na de Tweede Wereldoorlog krijgt de parlementaire democratie in West-Europa een nieuwe kans.

De evolutie van het stemrecht in België

    • 1831 – cijnskiesrecht: Belgische mannen vanaf 25 jaar die voldoende belasting (cijns) betalen. Enkel de rijken voldoen hieraan.
    • 1893 – Algemeen meervoudig stemrecht: iedere Belgische man vanaf 25 jaar krijgt één stem. Rijken en mensen met een hoog diploma krijgen meer stemmen (in totaal maximum drie stemmen). Er geldt dan stemplicht.
    • 1919 – Algemeen enkelvoudig stemrecht: iedere Belgische man vanaf 21 jaar. Belgische vrouwen mogen enkel op enkele uitzonderingen na niet stemmen voor het parlement. Zij mogen wel stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen.
    • 1948 – Het stemrecht voor het parlement wordt uitgebreid tot Belgische vrouwen vanaf 21 jaar.
    • 1981 – Algemeen stemrecht voor iedere Belgische man en vrouw vanaf 18 jaar.

De tweede Belgische revolutie: de staatshervormingen (1970-1993)

- Grondwetsherziening van 1970

    Het ‘nieuwe België’ omvatte 4 taalgebieden (N, F, D en tweetalig), 3 cultuurgemeenschappen (N, F en D) en 3 gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel)

- Grondwetsherzieningen tussen 1980 en 1992

Door het ontstaan van federale partijen (b.v. VU, Vlaams Blok) uit vrees voor verfransing van Brussel krijgt men volgende evolutie:

      • 1980: nieuwe structuren voor gemeenschappen en gewesten, beperkt domein waarop ze werken en beperkte financiële middelen
      • 1988-’89: structuren voor de gemeenschappen en gewesten worden duidelijker en meer financiële middelen voor nieuwe instellingen
      • 1991: eerste zwarte zondag (24 november)
      • 1992: Sint-Michielsakkoord regering Dehaene: België omgebouwd tot een federale staat
  • Citaat
  • Hoewel het jonge België in 1830 de meest progressieve grondwet van Europa kreeg, was de republiek als staatsvorm nooit echt een optie. Het Nationaal Congres besloot het Duitse vorstenhuisje van Saksen-Coburg op de troon te zetten.

    Niemantsverdriet,T., republiek België, De groene Amsterdammer, 29 maart 2000 (internet)

     

    Typen politieke democratie

    Directe-representatieve democratie

    In de westerse denktraditie wordt onderscheid gemaakt tussen de directe en de representatieve democratie. In een directe democratie kunnen de burgers zelf, zonder tussenkomst van anderen, beslissen over de zaken die hen aangaan. Deze gedachte grijpt terug op Rousseaus leer van de volkssoevereiniteit. In een directe democratie is voor vertegenwoordiging of een vertegenwoordigend bestuursorgaan geen plaats. In een representatieve democratie daarentegen worden de beslissingen genomen door de gekozen vertegenwoordigers van het volk, en wel volgens het meerderheidsbeginsel. Om in een door het volk gekozen parlement voor bepaalde zaken een meerderheid te krijgen is het in de regel noodzakelijk dat politieke partijen zich, door middel van coalitievorming, organiseren. De meerderheidsregel moet als een organisatorisch principe worden gezien, niet als een wezenlijk kenmerk van democratische besluitvorming. Deze regel dwingt vaak tot compromissen en daarmee tot gematigde oplossingen.

    Presidentiële – parlementaire democratie

    De representatieve democratie kent twee verschijningsvormen: de presidentiële en de parlementaire democratie. In de presidentiële democratie, zoals in de Verenigde Staten en Frankrijk, bestaat een strenge scheiding van machten en taken, in het bijzonder tussen executieve (uitvoerende) en legislatieve (wetgevende) macht. De ambten van staatshoofd en regeringsleider zijn meestal in één persoon verenigd; hij wordt door het volk gekozen en bezit dus naast het parlement een eigen legitimatie. In de parlementaire democratie is de regering ministeriële verantwoordelijkheid jegens het parlement verschuldigd. Het ambt van regeringsleider en dat van staatshoofd zijn gescheiden. De regeringsleider wordt door het parlement gekozen en steunt met zijn regeringsbeleid op een meerderheid in het parlement, dat hem eventueel kan afzetten.

    Volksdemocratie

    De Europese landen met een communistisch staatsbestel in de periode van na de Russische Oktoberrevolutie van 1917 tot aan de omwentelingen in 1989–1990 toen de meeste van deze landen hun staatsbestel veranderden, beschouwden zich als een volksdemocratie. Zoals de term al aangeeft berust de politieke macht naar de letter geheel bij het volk, vertegenwoordigd door één partij, de Communistische Partij. In zo'n één-partijsysteem vindt er een machtsconcentratie plaats in de Partij en het bureaucratisch partijapparaat. Een dergelijk systeem kenmerkt zich door starheid en immobiliteit, waarbij politieke leiders moeilijk vervangen worden. In een aantal volksdemocratieën bestonden formeel ook andere partijen, maar zij waren meestal ondergebracht in een nationaal of volksfront onder leiding van de communistische partij.

    Politieke democratie

    De politieke democratie heeft zich ontwikkeld in aansluiting op een reeks emancipatiebewegingen. Waar bepaalde groepen, de bourgeoisie, de arbeidersklasse, vrouwen, minderheidsgroepen, rechten en vrijheden verwierven, omvat de politieke democratie de volgende gerealiseerde vrijheden:

     

    • Politieke vrijheden: de keuze van vertegenwoordigende lichamen op grond van een meer-partijenstelsel, verkiezingen en algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen; de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering en persvrijheid; een onafhankelijke rechtspraak, waarin iedere beklaagde verzekerd is van rechtsbijstand. De erkenning van de politieke vrijheden wordt in verband gebracht met een aantal belangrijke historische gebeurtenissen als de Glorious Revolution in Engeland (1688) en de Franse Revolutie van 1789, waarin met het staatsabsolutisme gebroken werd (zie hierna: geschiedenis van de democratie).
    • Sociale vrijheden: bijv. de vrijheid van beroeps- en arbeidskeuze en de vrijheid van beweging en vestiging.
    • De economische vrijheid: de vrijheid om particuliere ondernemingen op te richten. Met het pluriformer worden van de westerse democratische samenleving krijgt, nadat politieke en sociaal-economische vrijheden zijn verworven, de idee van de sociale en economische gelijkheid een grotere nadruk; in dit verband klinkt steeds duidelijker het recht op gelijke kansen voor iedereen en een gelijke beloning voor verricht werk ongeacht sekse of etnische afkomst. Een (politieke) democratie veronderstelt derhalve dat er binnen de staats- of organisatievorm ruimte is voor democratiseringsprocessen

    Actiegroepen en partijen

    Voor een goed functioneren van de politieke democratie is het belangrijk dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Er moeten duidelijke politieke controversen zijn; hierover moet door de burgers niet alleen gediscussieerd kunnen worden, maar men moet zich kunnen organiseren in actiegroepen en bewegingen, die een politiek proces op gang moeten brengen. In een politieke democratie zijn de politieke partijen en de wijze waarop deze functioneren van groot belang. Willen ze hun betekenis voor de politieke democratie behouden, dan is het noodzakelijk dat de ideologische verschillen tussen de partijen duidelijk zichtbaar blijven, dat partijpolitieke verschillen steeds voldoende accent krijgen, waardoor de kans op ‘ontideologisering’ klein is. De politieke democratie, waarvan politieke partijen en hun leiders alsook actiegroepen een wezenlijk bestanddeel vormen, heeft het gevaar in zich dat de massa ondergeschikt is aan de wil van de leiders (oligarchisering); een gevaar waar de Duitse socioloog Michels op heeft gewezen.

    Regering – parlement

    Een eis voor een goed functionerende politieke democratie is dat recht wordt gedaan aan het dualistisch karakter van de verhouding tussen regering en volksvertegenwoordiging. De volksvertegenwoordiging behoort, met behulp van de haar daartoe ten dienste staande middelen, controle op het gevoerde beleid uit te oefenen en indien nodig een regering of afzonderlijke minister(s) te vervangen.

    [Home] ['t KiP] [Hobby's] [Grabbelpas] [Links] [Contact] [GUATEMALA] [School]