DE SPEECH VAN MENENlUS AGRIPPA
LIVIUS, AUC II, 32, 8-12
1
(Dit artikel is verschenen in KLEIO, jg. 22, nr. 1, okt.-dec. 1992)

Wie ein erratischer Block liegt die weltberühmte Fabel des Menenius Agrippa mitten auf dem Felde altrömischer Geschichte.
(Wilhelm NESTLE)2

Marjorie Hoefmans



De openingszin van het veel aangehaalde artikel van Wilhelm Nestle is ronduit poëtisch te noemen: Menenius Agrippa's speech ligt als een zwerfkei in de Romeinse geschiedschrijving. Deze metafoor geeft zeer goed de indruk van bevreemding weer die de meeste lezers krijgen bij de passage in Livius' Ab Urbe Condita, waarin de ultra­Romeinse Menenius een parabel vertelt, die niets typisch Romeins bevat3.
De inlassing van deze parabel van de Maag en de Ledematen in de context van Livius' relaas over de ernstige sociale en politieke conflicten van de 5e eeuw v.C. heeft al heel wat pennen in beweging gebracht4. Een grondige Quellenforschung, zowel naar Livius' historische bronnen als naar de oorsprong van de parabel, heeft een raam opgeleverd waarbinnen Livius' persoonlijke verwerking van het parabelmateriaal begrijpelijk wordt. Andere punten van onderzoek waren het al dan niet authentieke gebeuren van de secessio plebis en het chronologisch verband tussen dit gebeuren, de figuur van Menenius Agrippa en de parabel. Ook vanuit literair oogpunt heeft men een aantal analyses uitgevoerd: immers, de speech heeft interessante aspecten, doordat hij twee genres vertegenwoordigt, redekunst en parabel.
De volgende bladzijden willen een overzicht geven van de verscheidene studies die over deze tekst verschenen zijn en trachten een lijn te ontdekken in de veelheid van opinies en aspecten. Het materiaal levert een veelzijdig beeld op van een van Rome's turbulente tijden van sociale onrust. De 'link' met de Griekse ὁμόνοια-stroming geeft een idee van de verbondenheid van de Romeinse geschiedschrijving met de toen heersende filosofische stromingen. Uit studies over de receptie van Livius' parabel sinds zijn eigen tijd tot heden blijkt hoe populair deze Liviuspassage steeds geweest is. Deze populariteit weerspiegelt de populariteit van Livius als historicus en benadrukt de essentie van zijn geschiedschrijving: het menselijk perspectief.

1. DE CHRONOLOGISCHE CONTEXT

De Menenius die de speech uitspreekt tijdens de eerste secessio plebis in 494 is Agrippa Menenius Lanatus, consul van het jaar 503. Livius plaatst zijn dood in 493. De gens Menenia komt voor in de fasti consulares van de 5e eeuw, wat impliceert dat zij patricisch is. Na de Licinisch-Sextische wetten (ca.366) verdwijnt de gens volledig uit de kronieken (afgezien van een tribunus plebis, die nog twee jaar na de wetten opgetekend staat.)5.

De episode van de afscheiding van het plebs is onlosmakelijk verbonden met de instelling van het volkstribunaat: als men aanneemt, dat er geen instelling van het volkstribunaat was in 494, dan betekent dat impliciet dat er ook geen secessie was. Als er wel een was, is deze waarschijnlijk niet genoteerd door de pontifex maximus omdat het een 'volkse' aangelegenheid was. Volgens Ogilvie6 was er wel degelijk een secessie-cum-tribunaat: hij brengt zo'n secessio in verband met een onmiskenbaar historisch verschijnsel, de emigratie van plebejische, Etruskische, families uit het Rome van vóór 450. Zij waren hoofdzakelijk handelaars en zakenmensen, die erg te lijden hadden van de wetgeving rond de schulden (II,31,7-9). Immers, als immigranten in Rome, hadden zij niet dezelfde machtige bescherming van een patronus als een patriciër die in schulden zat. Dus verlieten ze Rome. Het volkstribunaat, met de mogelijkheid van auxilium, betekende een oplossing voor dit probleem van 'protectie'. Wat betreft de waarschijnlijkheid, dat de instelling van het tribunaat niet opgetekend stond in de 'officiële' annalen: dit is volgens Ogilvie nog geen bewijs dat er geen authentieke documenten over voorhanden waren toen de Romeinse historiografie in de 3e eeuw v.C. vorm aannam. Hij vermoedt dat het opgetekend gestaan heeft in de (voor ons eveneens verloren) kronieken van de tempel van Ceres, waarin wel belangrijke plebejische gebeurtenissen vermeld werden7. Ceres was nl. de godin in wier naam de plebejers een plechtige eed zwoeren, toen zij zich verbonden om op eigen krachten de plebejische zaak te verdedigen tegenover de patriciërs. Dit zou de betekenis zijn van de zinsnede legem sacratam (II,33,3). Een confederatie van dit soort, steunend op een plechtige eed, is volgens Ogilvie een gewoon verschijnsel in de geschiedenis van de Osco-Sabellische volken. Het zou het 'Italisch' karakter van de secessie beklemtonen8.

2. LIVIUS' BRONNEN

De verschillende theorieën en hypotheses in verband met Livius' bron(nen) voor de parabeltekst en zijn context lezen als een speurdersroman. Het relaas ervan zou niet misstaan als illustratie bij de problemen rond de studie van de vroege Romeinse geschiedschrijving.

Livius' bron voor de episode van de parabel is, volgens Nestle, Quintus Aelius Tubero (1e eeuw v.C)9. Deze geschiedschrijver had een ouder familielid met dezelfde naam, aan wie de stoïcijn Hecaton zijn werk De Officiis opdroeg. Uit dit werk (in familiebezit) zou Tubero een vergelijking met het menselijk organisme gebruikt hebben in zijn eigen Historiae, waarin Livius de parabel dan gevonden heeft. Dat Hecaton inderdaad zo'n vergelijking gebruikte in zijn werk meent Nestle op te kunnen maken uit een passage in Cicero10.
A.Momigliano vindt Nestle's argument niet sterk genoeg en haalt Dionysius van Halicamassus aan: de parabel
φέρεται ἐν ἁπάσαις ταῑς ἀρχαιαῑς ἱστορίαις(VI,83,2). De parabel zou dus al veel eerder bekend geweest zijn in Rome, al in de vroege 4e eeuw, toen de Menenii nog invloed hadden. De inhoud ervan komt, volgens Momigliano, in ieder geval overeen met de heersende opvattingen van vóór 366 over de sociale verhoudingen: hij houdt de plebejers onderdanigheid tegenover de patriciërs voor11.
Ook Ogilvie doet een gooi naar de datering van de introductie van de parabel in de Romeinse geschiedschrijving: hij situeert haar in de generatie van Fabius Pictor en zijn navolgers (2e eeuw v.C.)12.
Nestle ziet een duidelijke concordantie tussen Livius en Dio-Zonaras in de parabeltekst13. Als we in dit verband de opmerking van Lehmann-Haupt aanvaarden, dat Coelius Antipater (2e eeuw v.C.), in geval van concordantie tussen beide schrijvers, als historische bron beschouwd wordt, hebben we weer een andere kandidaat als de bron van de parabel14. De bewondering van Antipater voor en imitatie van Theopompus' voorliefde voor fantastische verhalen, doorspekt met allerlei parabels, is bekend15. Op grond hiervan zou men kunnen aannemen, dat hij ook wel een parabel van de maag en de ledematen kan hebben opgenomen. De vraag is alleen: in welk werk? Het is namelijk onzeker of hij wel een Historiae geschreven heeft16.

Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen, dat niet Antipater Livius' bron geweest is voor de eerste decade, maar Valerius Antias en Licinius Macer (1e eeuw v.C.)17. Ogilvie merkt op dat bij Livius één van de tribuni plebis, die na de verzoening tussen het plebs en de patriciërs aangesteld werden, een C.Licinius is, wat zou kunnen wijzen op Licinius Macer als bron18. Voor de historische context van de speech lijkt Macer dus de beste gok. Maar het blijft onduidelijk wie Livius' bron geweest is voor de parabeltekst19.

Ter afsluiting van dit overzicht van de Quellenforschung rond Livius' passage met de parabel van Menenius lijkt een overweging van J. Briscoe op zijn plaats: men mag niet te dogmatisch zijn in de vuistregel, dat, als een Liviaanse passage een voorkeur lijkt te suggereren voor een politieke tendens of politici van een bepaalde familie, de bron inderdaad dan ook een annalist van die strekking geweest is. "Livy's account of the struggle of the orders contains language which is both favourable and opposed to the plebeian cause. In his account of the first secession of the plebs both attitudes are found in one continuous section, and in this case a change of source is very unlikely, [-] It may still be true that for the factual details of an episode Livy follows one main source. But much of the context and colouring is Livy's own"20.

3. DE OORSPRONG VAN DE PARABEL

De inhoud van de speech behoort tot het literaire genre van de parabel. De oudst bekende politieke parabel is er een van Stesichorus, geciteerd door Aristoteles als een voorbeeld van het genre, samen met een esopische parabel21. De parabel van de Maag en de Ledematen is waarschijnlijk wat later ontstaan, in de 5e eeuw, wat valt op te maken uit het hoofdthema, concordia. Dit thema wijst naar de vermoedelijke plaats van oorsprong: de Griekse polis22. Het wordt ook expliciet door Livius vermeld.

De reden namelijk waarvoor Menenius naar het volk gestuurd wordt is dat nullam profecto nisi in concordia civium spem reliquam ducere; eam per aequa, per iniqua reconciliandam civitati esse (II,32,7). Na de speech agi deinde de concordia coeptum (II,33,1). Menenius wordt de interpres et arbiter concordiae civium genoemd (II,33,11). In de speech zelf wordt nog een allusie gemaakt naar dit thema met 'consentiant' (II,32,9), wat een letterlijke vertaling is van het Griekse woord voor concordia: '
ὁμόνοια'. μόνοια was het onderwerp van de debatten in het Griekenland van de 5e eeuw, toen de idee van de organische staat ontstond als een reactie op het extreme individualisme van de sofisten en de animositeit tussen oligarchen en democraten23. Het idee dat een polis slechts kan overleven als alle leden van de gemeenschap aan hetzelfde touw trekken is in overvloed terug te vinden in de literatuur van de tijd24. De meest populaire vorm waarin dit idee werd uitgedrukt was de allegorie van het menselijk organisme25. Deze allegorische voorstelling zal, met de achteruitgang van de polis, plaats maken voor de 'politieke utopie' (met Plato als 'trendsetter')26. De Hellenistische literatuur zal het homonoiathema terug opnemen, maar er een bredere context aan geven.
4. LIVIUS EN DE TRADITIE

Bij Livius trekt het plebs zich terug op de Mons Sacer. Piso (2e eeuw v.C.) echter plaatste de secessie op de Aventijn, een meer waarschijnlijke site omdat het de plebejische heuvel was. De verwisseling kon volgens Ogilvie gemakkelijk veroorzaakt zijn door een verkeerde etymologie voor leges sacratae27. Een andere mogelijkheid is, dat Livius welbewust de Heilige Berg gekozen heeft, ook al wist hij van de discussie over de site, omdat het aition in leges sacratae / mons sacer hem aantrok: dit blijft in de geest van zijn vroegste Romeinse geschiedenis, die voor een groot deel etiologisch is opgevat28.

Livius' Menenius is een plebejer: ... quod inde oriundus erat plebi carum" (II,32,8). Münzer denkt het tegenovergestelde en haalt hiervoor o.m. het argument aan dat de gens Menenia haar naam aan een tribus gegeven heeft. "Sie ist aber schon im frühen 4.Jhdt. zur Plebs hinab gesunken un bald ganz ausgestorben"29. Dit laatplebejische karakter van de Meneniërs kan de aanleiding geweest zijn dat Livius aan Agrippa Menenius de status van plebejer toegekend heeft; het kwam in ieder geval beter uit in de dramatische compositie van dit relaas over een klassenstrijd.

Het feit dat Livius Menenius juist deze parabel laat uitspreken geeft een duidelijke aanwijzing voor zijn interpretatie van de secessie en de verzoening. De plebejers wordt op ondubbelzinnige wijze duidelijk gemaakt dat zij zich dienen te plooien naar de patriciërs als ze willen overleven. Dit lijkt een tamelijk onplebejisch advies in de mond van de 'plebejer' Menenius. Men zou kunnen opperen dat deze speech Livius' eigen politieke opvatting weerspiegelt, die eerder optimas dan popularis is. Briscoe waarschuwt voor een te overtrokken beeld in dit verband: "Livy's own attitude to domestic polities is that there should be moderation and concord. The patricians should not obstruct justified demands of the plebeians, whilst the plebeian leaders must make only moderate demands and not become revolutionaries"30. De teneur van de parabel is in overeenstemming met de gevestigde waarden van de tijd die Livius oproept: in 494 zijn de Romeinen nog ver af van het idee van gelijkheid voor alle burgers. Volgens Momigliano is het waarschijnlijk dat de parabel aan Menenius toegeschreven is toen zijn reputatie en zijn (authentieke) optreden in een conflict tussen plebejers en patriciërs nog vers in het geheugen lagen31.

Momigliano tracht het karakter van de verzoening van 494 te definiëren door Menenius' concordia te contrasteren met Camillus' concordia32. De overeenkomst die in 367, in Camillus' tijd, gerealiseerd werd (waardoor één van de consuls steeds een plebejer moest zijn), is een uitbreiding van privileges van de ene klasse naar de andere, volgens Momigliano typisch voor de Romeinse' concordia-praxis33. De 'Griekse' concordia kan gedefinieerd worden als een overeenkomst die erop gericht is een eerder bestaand evenwicht te bewaren34. De speech van Menenius weerspiegelt deze statische toestand en het resultaat is inderdaad een stabilisering van de oude verhoudingen. Livius schenkt weinig aandacht aan de bijdrage die Camillus zou geleverd hebben tot de concordia ordinum: de rol van Verzoener van de Klassen kwam Menenius Agrippa toe35. Als we dus Momigliano's argumentatie aanvaarden zitten we met de paradoxale conclusie, dat Livius' exemplum van de Verzoener der Klassen een on-Romeinse concordia aanprijst.

Ook P. Schmidt beschouwt de parabel van Menenius niet als strijdmiddel van onderdrukten en rechtelozen, zoals sommigen vanuit een politieke maatschappijvisie wel beweren36. Veeleer laat zich "aus der problematischen Analogie einer Interdependenz aller am (Staats-)Körper beteiligten Glieder [-] ein Konsens-Modell zur politischen Disziplinierung ableiten". Zo zou volgens Schmidt in het relaas van het verkrijgen van het tribunaat een Liviaanse allusie verborgen zitten op de ideologie van Augustus' hervormingen: Augustus moest namelijk 'de macht van de senatoriale klasse, zijn potentiële rivalen, kortwieken om de wonden te kunnen helen die de burgeroorlog had aangebracht'37.
5. LIVIUS' LITERAIRE AANPAK

a. Het thematische en architectonische 'framework'38

Libertas is het motief van het tweede boek. De episode van de eerste secessie van het plebs past in het raam van het tweede boek als een voorbeeld van de bedreiging van de vrijheid, wat het thema is van de laatste helft van het boek39.Livius werkt dit thema uit in vier stadia: interne onenigheid bedreigt de vrijheid en wordt veroorzaakt door aanmatigende patriciërs (cap.2l), door agitatie van plebejers (cap.32), door een aanval op de stad door burgers komende van buiten (cap.34) en door een 'coup' binnen in de stad (cap.4!). Het is duidelijk dat Livius bij het schikken van de stadia een contrasterende stijl heeft toegepast, waardoor hij een evenwicht bewaart in de gezichtspunten van waaruit het patricisch-plebejische conflict geëvalueerd kan worden. Dit is exemplarisch voor Livius' moderatio als historicus en literator40.

Walsh ziet in Livius' episode van de eerste secessie de laatste scène in een reeks van drie die de ontwikkeling van het conflict schilderen: het begint met de opschudding die de verschijning van een ex-centurio, die in de slavernij terechtgekomen is, verwekt. Na een discussie onder de patriciërs worden er enkele concessies gedaan aan het volk. De tweede scène bevat de hernieuwde patricische onderdrukking. De daaruit voortvloeiende anarchie maakt dat er een dictator moet worden aangesteld. De climax vormt de derde scène met de secessie en de instelling van het tribunaat41. Walsh besluit:"The three acts are incontestably sections of an artistic whole, the Aristotelian '
ὅλη καὶ τέλεια πράξις'42.

b. De retorische kenmerken van Menenius' rede

Toespraken zijn een essentieel onderdeel van de Romeinse geschiedschrijving.
Over Livius kan in dit verband gezegd worden dat Livy is an exponent of Isocratean theories of 'rhetorical' history, in which historiography is regarded as 'opus oratorium maxime'43. Livius' speeches hebben heel de oudheid door grote bewondering gewekt en zijn het voorwerp geweest van studie, onafhankelijk van hun historische context. Dat waren voornamelijk de speeches van het directe type (geschreven in de oratio recta). De rede van Menenius Agrippa is echter van het indirecte type, geschreven in oratio obliqua44.

Livius gebruikt meestal indirecte rede waar het niet wenselijk is de vaart van zijn betoog te onderbreken door directe rede45. Een meer positieve interpretatie voor het gebruik van de indirecte rede in Menenius' speech biedt Ogilvie: de inhoud ervan, een parabel, zou Livius' keus van de oratio obliqua beïnvloed hebben. Hierop zal verder nog ingegaan worden.

Ook al ontbreken er een aantal retorische elementen in de speech, toch heeft Livius duidelijk de kenmerken van een redevoering aangebracht: allereerst is er een captatio benevolentiae, niet in de speech zelf, maar door de keuze van de figuur van Menenius. Het volk is hem gunstig gezind (hij wordt als plebi carum bestempeld), hij kan goed spreken (facundum virum) en hij is van hun soort (quod inde oriundus erat). Als de speech in de directe rede gestaan had, zou Livius zeker Menenius dit laatste argument hebben laten gebruiken in zijn exordium. Dit eerste onderdeel behoort, in Cicero's indeling van een oratio, tot de afdeling delectare. Het tweede deel van een oratio is bedoeld om te docere , welke functie in dit geval door de parabel vervuld wordt. Het laatste onderdeel van een oratio, movere, komt niet in de speech zelf voor. Ook daarna beschrijft Livius niet de gevoelens die Menenius' toespraak bij zijn toehoorders teweegbrengt, maar geeft gewoon het resultaat: flexisse mentes hominum. Dit is een duidelijke aanwijzing voor het soort speech dat hier uitgesproken is: het is een speech van het genus deliberativum, dat wil opwekken of afraden. Het doel van zo'n speech is verandering teweegbrengen in de opvattingen van de toehoorders (flectere mentes). En dit gebeurt inderdaad: het plebs laat zijn afscheidingsplannen varen en staat nu positief ten opzichte van een verzoening.

c. De parabel

In het voorgaande zijn de gewone karakteristieken van Livius' episode van de eerste plebejische afscheiding aan de orde geweest: de plaats ervan in de structuur van het tweede boek en meer in het bijzonder de speech als een voorbeeld van een soort oratio die zeer frequent voorkomt in Livius46. De inhoud van de speech echter, een parabel en niet meer dan dat (Menenium Agrippam ... nihil aliud quam hoc narrasse dicitur), is heel ongewoon47. Livius schijnt zijn lezers op deze onverwachte inhoud voor te willen bereiden door te verklaren dat Menenius de speech uitsprak prisco illo dicendi et horrido modo ('in de oude ongesofisticeerde trant'). Dit schijnt in tegenspraak met wat men dan te lezen krijgt: een verzorgd stukje literatuur, dat in alle opzichten de kenmerken vertoont van het parabelgenre48.

Ogilvie tracht de aspecten van deze contradictie in perspectief te zetten: "In retailing it (sc. de parabel) Livy was faced with a difficulty. The parable was elegant and sophisticated, but Menenius is a plebeian and supposed to speak 'prisco illo et horrido modo'. To represent such archaic uncouthness directly would offend against the canons of writing history and would do violence to what is a pre-eminently couth tale. Livy sidestepped the problem by reporting the speech indirectly"49. Men kan hierbij opmerken, dat Livius in ieder geval indirecte rede gebruikt zou hebben, aangezien hij Latijn dat het Augusteïsche oor kwetst door zijn horridum atque inconditum karakter slechts in contexten van ceremonies en religieuze plechtigheden gebruikt50. Livius de asianist verwierp het atticisme met zijn neiging om archaïsmen te incorporeren. In een brief aan zijn zoon spreekt hij met afkeer over redenaars die verba antiqua et sordida gebruiken51.
Schmidt heeft nog een andere interpretatie voor Livius' uitspraak over de prisco et horrido modo: het Rome van Augustus had de parabel nog niet geaccepteerd als een volwaardig genre, maar beschouwde het als buitenlands (Grieks) en iets voor oude vrouwen52. Dus moet het gebruik van een parabel, i.p.v. een echte politieke argumentatie, gebotst hebben met de smaak van de gecultiveerde Romeinen uit die periode53. Voor Schmidt nu, en dit in tegenstelling tot Ogilvie's interpretatie, wijst de uitdrukking 'de oude trant' naar het parabelgenre en niet naar een archaïsch taalgebruik. Het lijkt inderdaad weinig waarschijnlijk, dat Livius zou suggereren dat de parabel in een archaïsch vocabularium verteld werd, terwijl iedereen die haar las kon merken, dat het een 'pre-eminently couth tale' was.
6. DE RECEPTIE VAN LIVIUS ' PARABEL

Verschillende studies hebben de receptie van Livius' parabel van de Oudheid tot nu gevolgd54. Er bestaat geen twijfel over: de parabel is in alle tijden enorm populair geweest. Het is onmogelijk in het bestek van dit artikel in detail in te gaan op de vele herschrijvingen en hun auteurs. Auteurs zoals St.Paulus, Shakespeare, Milton, Brecht, Grass hebben de parabel gebruikt voor hun eigen literaire doeleinden. Maar ook andere dan literaire toepassingen zijn in overvloed te vinden. Er kunnen een aantal conclusies in verband met de receptie genoteerd worden.

Peil onderscheidt vijf hoofdcategorieën in de literatuur die Livius' parabel in een van zijn vele vormen bevat: parabelverzamelingen, parabeltheoretische werken, politieke literatuur, geschiedkundige literatuur en bijbelcommentaren55. De parabel van de maag en de opstandige ledematen wordt beschouwd als een voorbeeld van het traditionele verband dat er bestaat tussen de mikrokosmos 'mens' en het 'lichaam' van de politiek. Als hij echter voorkomt in parabelverzamelingen valt de nadruk meer op vriendschap of samenwerking. Dit beschouwen de onderzoekers als de 'elementaire' benaderingswijze, daar deze te maken heeft met de vier elementen of humores. Als de parabel los van een verzameling voorkomt, preekt zij meestal de conservatieve politieke doctrine van gehoorzaamheid aan de regeerders. Dit noemt men de structurele benaderingswijze, omdat zij zich bezig houdt met de aard en de hiërarchie van de delen van het politieke apparaat56.

Deze dichotomie in de interpretatie van de parabel is al te vinden in de
ὁμόνοια­literatuur van de Griekse 5e eeuw v.C. Sprague onderscheidt een concrete politieke toepassing van het begrip en een abstracte filosofische, die gericht is op samenwerking tussen individuen en op interne harmonie binnen het individu57. Aesopus' versie van de parabel (teruggevonden in een Griekse prozaverzameling van de 3e eeuw n.c.) is een voorbeeld van de laatste toepassing. Livius' parabel is duidelijk een politieke toepassing: bij hem is de maag niet een 'vriend' maar een tegenstrever58.

Er bestaat een zekere ambiguïteit in de receptie in verband met de 'hoofdpersoon' van de parabel: sommige versies hebben een hoofd i.pl.v. een maag. Interessant is dat dit ook weerspiegeld wordt in de Griekse en Latijnse terminologie. De Grieken gebruiken de term
ὁμόνοια en situeren op die manier het begrip eendracht in het hoofd (-νοια ~ νοῡς = verstand). De Romeinen noemen het concordia, wat afgeleid is van cor, hart. Dit lichaamsdeel was voor de Romeinen de zetel van zowel het verstand als het gevoel. Met de betekenis die bij dichters voorkomt voor cor, 'mond van de maag', lijkt het verband tussen concordia en het hoofdpersonage van de parabel zelfs letterlijk te kloppen59.

Peil wijst erop, dat de receptie van Livius' parabel opvallend complex is, met een reikwijdte van interpretatie die veel breder is dan bij andere parabels. Iemand die een patroon tracht te vinden in de traditie heeft het daardoor bijzonder moeilijk, ook al werkt de rijkdom van het materiaal stimulerend. De populariteit van de parabel is intrigerend en een verklaring hiervoor zal waarschijnlijk even complex zijn als het voorhandene materiaal. De conclusie van dit artikel zal dus geen oplossing bieden in dit opzicht, maar wel een suggestie in die richting doen door Livius' parabel te vergelijken met een tekst die uit een totaal andere discipline komt.

7. CONCLUSIE

Livius is al sinds zijn eigen tijd herhaaldelijk gebrandmerkt als een 'onwetenschappelijke' geschiedschrijver. Deze negatieve waardering gold steeds de factuele kant van zijn werk. Anderen hebben dan weer betoogd, dat het factuele aspect voor Livius slechts secundair was in zijn concept van geschiedschrijving: primair voor hem was de psychologie achter de historische gebeurtenissen60. Zijn literaire procédé's zijn volledig gericht op het doel zijn lezer duidelijk te maken wat individuen en groepen met het geschiedenisgebeuren te maken hebben, en dit te doen in een taal die de lezer begrijpt.
Hoe de parabel-speech van Menenius Agrippa past in Livius' menselijk perspectief wordt misschien duidelijker door vergelijking met volgende tekst:

" ... try this: pick up a cup of tea! Your GRASPING agents want to keep hold of the cup. Your BALANCING agents want to keep the tea from spilling out. Your THIRST agents want you to drink the tea. Your MOVING agents want to get the cup to your lips. Yet none of these consume your mind as you roam about the room talking to your friends. You scarcely think at all about Balance; Balance has no concern with Grasp; Grasp has no interest in Thirst; and Thirst is not involved with your social problems. Why not? Because they can depend on one another. If each does its own little job, the really big job will get done by all of them together: drinking tea"61.

Wegens de duidelijke parallel tussen deze tekst en de parabel leek het interessant om te onderzoeken wat de gemeenschappelijke factor was die Livius en een van de leidende figuren van de artificiële intelligentie, Marvin Minsky, ertoe heeft aangezet om deze allegorie in hun betoog te gebruiken.

Minsky vermeldt geen traditie waaruit hij zijn inspiratie geput zou hebben, maar veel elementen in zijn boek, waaruit de bovenstaande passage komt, zijn terug te vinden in Livius' episode van Menenius: 'The Society of Mind' (titel van het boek); 'Wholes and Parts', 'Conflict and Compromise' (titels van hoofdstukken)62;de organische allegorie van het drinken van een kopje thee om uit te leggen hoe breinen als een maatschappij functioneren. In een moderne context van 'a new conception of human psychology' (flaptekst) pakt Minsky precies hetzelfde
ὁμόνοια-concept aan als de Grieken in de 5e eeuw v.C. in hun debatten over samenwerking en innerlijke harmonie63.

Men staat nu, net zoals in de Oudheid, nogal geringschattend tegenover de parabel64. Het is interessant te ontdekken dat, wanneer men het oneindig complexe mechanisme van de maatschappij of het menselijk brein tracht te vatten en te beschrijven, zowel antieke als moderne schrijvers naar de simpele allegorie van de parabel grijpen. Ingewikkelde analyses en vakjargon lijken misschien geschikt om complexe begrippen uit te leggen. Het nadeel ervan is, dat het lezen van de tekst zich dan op twee niveau's kan gaan afspelen: het decoderen van het jargon naar 'gewone' taal en daarna het zich bezinnen op de betekenis van de tekst. Livius en Minsky kiezen, door hun keus van een parabel, voor directe communicatie met de toehoorder/lezer: een eenvoudige referentie naar het eigen lichaam plaatst de toehoorder/lezer op gelijk menselijk niveau met de schrijver en laat hem toe zijn eigen 'expertise' aan te wenden om de schrijver te begrijpen. De parabel biedt aan de lezer de binnenweg van de menselijke ervaring naar het begrip van een complexe materie.


BIBLIOGRAFIE

ARCHIBALD, H.T., The Fable as a Stylistic Test in Classical Greek Literature (Baltimore 1912) BRISCOE, J., "The First Decade", in Livy, ed. T.A.Dorey (London 1971), pp. 1-20
HALE, O.G., "lntestine Sedition. The Fable of the Belly", Comparative Literature Studies 5 (1968) pp. 377-88
LUCE, T.J., Livy, the Composition ol his History (Princeton 1977)
MACDONALD, A.H., 'The Style of Livy," JRS 47 (1957) pp. 55-72
MINSKY, M.L, The Society of Mind (New York 1986)
MOMIGLIANO, A., "Camillus and Concord", CQ 36 (1942) pp. 111-20
MULLER, F. en RENKEMA, E.H., Beknopt Latijns-Nederlands Woordenboek, 8e druk (Groningen 1958)
MÜNZER, E., art. 'Menenius' in: Real-Encyclopädie der classischen Altertumswissenschaft Vol.XV,1 (Stuttgart 1931) kol.838/ 44
NESTLE, W., "Die Fabel des Menenius Agrippa", Klio 21 (1927), pp. 350-60
OGILVIE, R.M., A Commentary on Livy,: Books I-V (Oxford 1965)
PEIL, D., Der Streit der Gliedern mit dem Magen. Studien zur Ueberlielerungs- und Deutungsgeschichte der Fabel des Menenius Agrippa von der Antike bis ins 20.Jahrhundert (Frankfurt 1985)
QUELLET, H., "L' apologue de Menenius Agrippa, la doctrine des souffles vitaux (skr. pra;-na;--) et les origines du stoicisme", Trav. Neuchâtelois de linguistique 3 (1982), pp. 59-167
SCHMIDT, P.L, "Politisches Argument und moralischer Appell. Zur Historizität der antiken Fabel im frühkaiserzeitlichen Rom", Der Deutschunterricht 31 (Stutgart 1979) pp. 74-88 SPRAGUE, R.K., The Older Sophists. A Complete Translation (Columbia 1972)
SYME, R.S., "Livy and Augustus", HSCP 64 (1959) pp. 27-87
ULLMANN, R., Étude sur le style des discours de Tite-Live (Oslo 1929)
WALSH, P.G., Livy, His Historical Aims and Methods (Cambridge 1963)


NOTEN

1. Het feitenrelaas: in het begin van de 5e eeuw v.C. worden de spanningen tussen patriciërs en plebejers zo groot, dat het plebs, de onderdrukking van de patriciërs moe, besluit uit Rome weg te trekken. Ze installeren zich op de Mons Sacer. Voor de patriciërs betekent dit, dat ze nu heel alleen de dreiging van een vijand het hoofd moeten bieden, waar hun aantal veel te klein voor is. Ze sturen Menenius Agrippa om het volk te bepraten. Hij slaagt erin om het plebs te overreden terug te keren door middel van een beroemd geworden speech. De speech bestaat uit een parabel, die uitlegt dat patriciërs en plebejers niet zonder elkaar kunnen: de delen van het lichaam moeten samen werken, want als de ledematen (= plebejers) weigeren om de maag (= patriciërs) voedsel toe te dienen, gaat het hele lichaam dood:
[8] placuit igitur oratorem ad plebem mitti Menenium Agrippam, facundum uirum et quod inde oriundus erat plebi carum. is intromissus in castra prisco illo dicendi et horrido modo nihil aliud quam hoc narrasse fertur: [9] tempore quo in homine non ut nunc omnia in unum consentiant, sed singulis membris suum cuique consilium, suus sermo fuerit, indignatas reliquas partes sua cura, suo labore ac ministerio uentri omnia quaeri, uentrem in medio quietum nihil aliud quam datis uoluptatibus frui; [10] conspirasse inde ne manus ad os cibum ferrent, nec os acciperet datum, nec dentes quae acciperent conficerent. hac ira, dum uentrem fame domare uellent, ipsa una membra totumque corpus ad extremam tabem uenisse. [11] inde apparuisse uentris quoque haud segne ministerium esse, nec magis ali quam alere eum, reddentem in omnes corporis partes hunc quo uiuimus uigemusque, diuisum pariter in uenas maturum confecto cibo sanguinem. [12] comparando hinc quam intestina corporis seditio similis esset irae plebis in patres, flexisse mentes hominum. (^)


2. W. NESTLE, p.350; referenties worden aangegeven met de naam van de auteur. Zie bibliografie voor bijzonderheden. (^)

3. In de benaming 'parabel' heb ik Ogilvie gevolgd, omdat deze term naar mijn mening de essentie van het genre weer geeft: het is een 'gelijkenis'. De parabel van Menenius heeft in de verschillende studies echter een hele reeks benamingen gekregen: fabel (het meest gebruikt), parabel, apoloog,
αἶνος, μῡθος, λόγος. Al deze benamingen blijken er toch betrekking te hebben op een en hetzelfde genre. (^)

4. De parabel zelf staat in cap.32, maar voor een goed begrip van de betekenis ervan zijn cap. 31 en 33 onontbeerlijk als context. Naar deze hoofdstukken zal herhaaldelijk verwezen worden. (^)

5. Cf. art. 'Menenius' in RE, kol. 838 en 840/2 (nr.12). (^)

6. Blijft de vraag hoe de herinnering aan de instelling ervan kan bewaard zijn. Zie OGILVIE, p.309; het belangrijkste argument van de sceptici is dat Diodorus niet spreekt over een tribunaat in 494. (^)

7. OGILVIE, p.310/1. (^)

8. OGILVIE, p.313/4. (^)

9. NESTLE. p. 359/69; Nestle volgt Soltau hierin: Livius' Geschichtswerk. Seine Komposition und seine Quellen (1879). (^)

10. Zie ook CIC. De Off. III 15, 63 en 5, 22; Nestle veronderstelt dat Cicero de vergelijking met het menselijk organisme uit Hecaton haalde. (^)

11. MOMIGLIANO, p. 118. (^)

12. OGILVIE, p. 313. (^)

13. NESTLE, p. 351: "bei Livius und Zonaras haben wir die Erzählung einer fortschreitender Handlung, die als ein geschichtlicher Vorgang in alter Zeit dargestellt wird" (in tegenstelling tot Dion. Hal.). Nestle gebruikt dus een literair argument (^)

14. NESTLE, p. 359, noot 4. (^)

15. Cf. WALSH, p. 23/4 en 30. (^)

16. NESTLE, p. 359, noot 4. (^)

17. WALSH, p. 124.(^)

18. OGILVIE, p. 311: de 'jongere' Romeinse annalisten hadden de gewoonte personages in hun annalen op eervolle 'posten' te plaatsen tot grotere eer van bepaalde gentes. In dit geval vermoedt Ogilvie dat een historisch meer waarschijnlijke figuur, Sicinius, vervangen is door een Licinius. Dion. Hal. van zijn kant schijnt Valerius Antias als bron gebruikt te hebben: bij hem is Menenius 'vervangen' door een Valerius. (^)

19. QUELLET (p. 85) merkt terecht op: "Ni Nestlé. ni les autres savants n'apportent un seul texte vraiment comparabie à celui de notre apologue. Or c'est justement cette version comparable qu'il faut produire, ce texte ayant servi de modèle, si l'on veut aboutir à un commencement de solution". (^)

20. BRISCOE, p.10. (^)

21. NESTLE, p. 351/2. (^)

22. Quellet plaatst de oorsprong van de parabel nog veel verder terug: sanskriet India en het Egypte van de 10e dynastie. (^)

23. NESTLE, p. 352. (^)

24. R.K. SPRAGUE (p. 225) citeert twee politieke voorbeelden: in 480 decreteerde Themistocles, dat de ballingen teruggeroepen moesten worden in het belang van de eendracht van alle Atheners met het oog op het terugslaan van de barbaren; in 412 kwamen de Vierhonderd en de hoplieten overeen, dat ze in de Areopaag zouden vergaderen om de kwestie van de 'eendracht' te bespreken. (^)

25. Door Plato weten we dat men de voorkeur gaf aan een verhaaltje (μῡθος) boven een exposé om bepaalde politieke ideeën uit te leggen (Prot. 322 D; hier beschrijft Protagoras een persoon die onethisch gedrag vertoont als een νόσος πόλεως , een ziekte van de polis - dus met een organische metafoor). (^)

26. NESTLE, p. 353/5. (^)

27. OGILVIE, p. 311: ik interpreteer Ogilvie's opmerking over 'a false etymology' als 'wetten, die hun naam ontlenen aan de naam van de heuvel, de mons sacer'. (^)

28. Over de 'heuveldiscussie': zie OGILVIE, p. 489.(^)

29. Cf. art. 'Menenius' in: RE, kol. 838. (^)

30 BRISCOE, p.10. (^)

31. MOMIGLIANO, p. 118. (^)

32. MOMIGLIANO, p. 118/20; in zijn artikel probeert M. aan te tonen, dat Camillus een psychologische verandering ondergaat: van een aristocratisch veroveraar, die tegen plebejische participatie in de regering is, wordt hij een verzoener der klassen. die vóór participatie is. De periode waarin deze verandering zou plaats gevonden hebben situeert hij ca. 367 (toen er gewerkt werd aan de Licinisch-Sextische wetten). (^)

33. Deze praktijk van uitbreiding van privileges "made possible the peculiar development of Roman citizenship" . (^)

34. Ὁμόνοια kan impliceren: a. vrijwillige onderwerping aan een hogere macht; b. wederkerige controle in een gedeelde machtsuitoefening; c. hulp gegeven door de rijken aan de armen. (^)

35. De rol van Camillus is de tweede Romulus te zijn, de voorloper van Augustus. ''The concordia ordinum had become a secondary achievement in comparison with the truly Augustan feat of having again given Rome to the gods and the gods to Rome". (MOMIGLIANO. p. 115) (^)

36. SCHMIDT, p. 79. noot 11. (^)

37. SCHMIDT, p. 79 (mijn parafrasering). (^)

38. Terminologie van LUCE, p. 26/7. (^)

39. LUCE, p. 26. (^)

40. ULLMANN, p. 12: "Surtout dans son usage des différents ornements stylistiques il [sc. Livius] fait voir une modération qui fait un beau contraste avec l' affectation grandissante de l'époque impériale." (^)

41. 2,32/4; 2, 27/39; 2, 31, 7-33, 3 (WALSH, p. 180). (^)

42. Deze praxis omvat een begin, ἀρχή , een midden, μέσον en een einde, τέλος. (^)

43. WALSH, p. 219. (^)

44. Dit soort speeches komt tamelijk zelden voor in Livius, als men tenminste Ullmann's criterium voor indirecte redevoeringen toepast, nl. een minimumlengte van 25 regels. Een speech met minder regels zou niet al de essentiële retorische karakteristieken kunnen bevatten. Als men dit criterium aanlegt zijn er slechts 11 indirecte redevoeringen in Livius (ULLMANN, p. 13). Het is daarbij interessant op te merken, dat bijv. in de eerste zes boeken van de AUC er toch bijna vier maal zoveel indirecte als directe rede voorkomt (Walsh, p. 243) (^)

45. MCDONALD, p. 163. (^)

46. WALSH, p. 221: bijna alle speeches zijn van het deliberatieve type. (^)

47. ARCHIBALD echter wijst erop dat de parabel, in haar complete vorm en met haar moraal. in ieder opzicht een miniatuur-redevoering is. In die zin kan zij dus een toespraak zijn op zichzelf, zoals met Menenius' speech het geval is. (^)

48. ARCHIBALD, p. 4/5, geeft de volgende definitie: "a fictitious narrative wherein one or more animals or inanimate objects are partially personified and introduced as speaking, or acting, or both, in typical relationships, either to set forth some principle or to illustrate a set of circumstances". (^)

49. OGILVIE, p. 313. (^)

50. WALSH, p. 176. (^)

51. SYME. p. 53. (^)

52. Cf. HORATIUS, Sat. 2,6,77 e.v.: 'garrit aniles fabellas'; Schrnidt, p. 78. (^)

53. SCHMIDT, p. 77; Archibald merkt op dat de Attische redenaars en Aristophanes de parabel al een priscus et horridus modus dicendi vonden (p. 26). (^)

54. Het artikel van David Hale en de Duits-grondige studie van Dietmar Peil. (^)

55. Peil registreert ca. 300 'Autoren, Werke, Künstler, Verleger'. Antieke auteurs die de parabel opnemen zijn - naast Livius - Dionysius van Halicarnassus (1e eeuw v.C.), Plutarchus (1e/2e eeuw), Florus (2e eeuw), Cassius Dio (2e/3e eeuw) en Aurelius Victor (4e/5e eeuw). Onze bron voor de reconstructie van Dio's versie is Zonaras (12e eeuw). (^)

56. HALE, p. 377/8. (^)

57. SPRAGUE, p. 225. De meeste commentatoren vermelden in dit verband de receptie, door St. Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs (12:12-26), van Livius' parabel; hiermee wil hij illustreren, dat onenigheid een gevaar zou betekenen voor alle leden van het lichaam van Christus. (^)

58. De parabel van Aesopus is uitgewerkt in de vorm van een debat onder vrienden: de maag tracht de andere ledematen te overtuigen van het nut van samenwerking. (^)

59. MULLER-RENKEMA, 'cor', (^)

60. Cf. in dit verband COLLINGWOOD in zijn Autobiography (Oxford, 1939), p. 110 (geciteerd door WALSH, p. 168): "There is nothing else except thought that can be the object of historical knowledge. Political history is the history of political thought: not 'political theory' but the thought which occupies a man engaged in political work: the formation of a policy, the planning of means to execute it, the attempt to carry it into effect... Military history, again, is not a description of weary marches in heat and cold, or the thrills and chills of battle or the long agony of wounded men. It is a description of plans and counterplans: of thinking about strategy and tactics. and in the last resort of what the men in the ranks thought about the battle". (^)

61. MINSKY, p. 20. (^)

62. Door mij onderstreept. (^)

63. Minsky tracht in zijn boek de werking van het menselijk brein te formuleren in een alledaagse taal en met alledaagse beelden. Onderwerpen van overdenking zijn 'innerlijke harmonie', 'herinnering' en 'kennis', precies die thema's, die in de antieke retorische en fIlosofische debatten aan de orde waren. (^)

64 Cf. onze uitdrukking 'iets naar het rijk der fabeltjes verwijzen'; Horatius' 'aniles fabellas'; zie ook Archibald (p. 26) en Schmidt (p. 75). (^)

 


Terug naar CyCADE hoofdpagina