EIKONES
De Griekse beeldcultuur door Plato's ogen bekeken

door Marjorie Hoefmans
Kleio 28/4, 1999, p.160-173
(de Griekse letters moeten op deze pagina nog gecodeerd worden)

INHOUD: Miniproject Plato in de klas 1. De Grot 2. Afbeeldingen zijn onecht 3. Het bedrog van de beeldhouwer 4. Meetkundige harmonie 5. De schilderkunst in Plato's tijd 6. De vorm of de kleur 7. Het mengen van kleuren 8. Optische effecten met kleur 9. Perspectief en proporties 10. Illusie door expressie
Noten

De afbeeldingen komen uit een Powerpoint-presentatie bij dit onderwerp. De omzetting naar HTML heeft de teksten erbij jammer genoeg wat versluierd.




EEN MINIPROJECT: DE GROT VAN PLATO IN DE KLAS

In de hoogste jaren van het middelbaar onderwijs kan de grotparabel van Plato een lesonderwerp bieden voor een hele reeks vakken. Grieks, Latijn, Geschiedenis, Wijsgerige Stromingen, Godsdienst, Zedenleer - zelfs leerkrachten Nederlands vinden het zinvol de allegorie van de grot te citeren in hun cursus.

Sinds kort mogen we ook Plastische Opvoeding in dit rijtje plaatsen.

De leerlingen vinden het grotverhaal interessant, ook al staat Plato's impliciete afwijzing van de wereld waarin wij leven hen niet aan. Want onze jongeren leven in het hic et nunc en vinden het hier nog zo slecht niet. Die abstracte verblindende werkelijkheid waar onze ziel in thuis zou horen is als een wereld van aliens en sinds Mulder, Scully en de X-files zijn ze wel vertrouwd met buitenaardse flitservaringen (en het onbegrip daarvoor). Plato's grotmensen kunnen dus op hun volle begrip rekenen, ook al vinden sommigen de sociale uitsluiting van het individu, dat aan de geketenden binnen in de grot komt vertellen over die vreemde lumineuze wereld daarbuiten, behoorlijk zielig. Maar het spel van schaduw en licht, en het gezichtsbedrog dat daardoor kan ontstaan, is een fascinerend iets, dat Plato in de vertelling ten volle uitbuit om zijn lezer over de drempel van het inzicht te loodsen. Want het objectieve fysieke fenomeen van de accommodatie van de ogen aan licht en donker is maar één kant van de medaille. Het is Plato natuurlijk te doen om de 'juiste' interpretatie van wat de ogen waarnemen. En dat zorgt steevast voor heel wat discussie in de klas.

Het minste, dat je van deze lessen kunt zeggen, is, dat ze als denkoefening hun doel bereiken. Wat een classicus hier meer kan bieden dan zijn collega's van de andere vakken is de oorspronkelijke taal natuurlijk. Teksten, die in vertaling gelezen en besproken worden, vallen onder de noemer antieke cultuur en kunnen ook door een niet-classicus gebruikt worden. A fortiori geldt dit voor een les rond de niet-verbale getuigen uit de tijd van de schrijver. Ook andere vakken kunnen zo'n 'cultuurles' in hun cursus inpassen. Maar toch kan de classicus hier het eigene van zijn vak behouden, door de uitleg bij de 'plaatjes' vanuit de teksten te documenteren. Dus niet een vervangen, maar een omkeren van de didactische prioriteiten.

Deze werkwijze heb ik gevolgd bij een vakoverschrijdend mini-project rond Plato's Grot, dat wij met drie collega's (Grieks-Latijn, Wijsgerige Stromingen en Plastische Opvoeding) uitgewerkt hebben.(1) De opzet was: tekst en uitleg zouden door mijn collega de filosoof gegeven worden; de klassieke-talenles zou zich beperken tot de 'cultuur' (een groot deel van onze leerlingendoelgroep kende geen Grieks of Latijn) en de plastische vormgeving van het grotgebeuren zou door de artistieke collega verzorgd worden.

Om concreet aan te sluiten bij een hoofdelement in het grotverhaal en zo vanuit de tekst zelf te starten, koos ik Plato's schaduwbeelden, de eikones, en stelde een aantal vragen. Waarom koos Plato deze grotallegorie? Wat was Plato's mening over de beeldcultuur van zijn tijd? Deelde iedereen in die tijd Plato's mening over afbeeldingen? De antwoorden op deze vragen waren bepalend en beperkend (belangrijk!) voor het verzamelen van beeldmateriaal. Het onderwerp werd dus: de beeldcultuur van de 5e en de daarop volgende klassieke eeuwen, vanuit Platonisch perspectief bekeken.(2) Het project in zijn geheel was een verrijkende ervaring, zowel inhoudelijk als concreet organisatorisch. Onze leerlingen hebben uiteraard veel plezier beleefd aan het uitwerken van hun artistieke impressies van het grotgebeuren, waaruit tastbaar bleek, dat ze er heel wat van hadden opgestoken.(3) Wat ikzelf, als classicus, aan het project heb bijgedragen wil ik in de volgende bladzijden presenteren.

Een aantal Platonische begrippen hoefde ik niet meer te verklaren, aangezien die in de les filosofie behandeld waren. De toon van mijn presentatie voor de leerlingen heb ik hier gehandhaafd: het is in de klassikale trant, bestemd voor een publiek, waarvoor nog heel veel 'nieuw' is, zonder die nuanceringen dus, die eerder aangewezen zijn voor een wetenschappelijke uiteenzetting. Een conclusie in verband met het geheel heb ik niet geformuleerd: die moet groeien vanuit de discussie in de klas. De hier besproken elementen van de Grieks-Latijnse beeldcultuur dienen als het didactisch materiaal. Bovendien ben ik geen Platospecialist, en heb daarom dankbaar gebruik gemaakt van publikaties terzake, onderaan vermeld.(4) Ik zal er zo nu en dan ook naar de teksten verwijzen, voor die collega's, die dit onderwerp zouden willen uitwerken voor hun lessen Grieks. In deze internettekst kunt u de vermelde afbeeldingen te voorschijn brengen op een pop-up-scherm.

top

PLATO OVER DE BEELDCULTUUR VAN ZIJN TIJD

1. De Grot (5)

Plato had iets met licht. De filosoof, die zo denigrerend kon spreken over de menselijke zintuigen, besefte wel degelijk, dat wij voor de perceptie van de werkelijkheid moeten beginnen met wat die gebrekkige zintuigen ons meedelen. Nu is het zo, dat we slechts één zintuig hebben, dat meer nodig heeft voor het doorgeven van informatie dan louter een object alleen: dat is het Zicht. Drie elementen zijn hier namelijk noodzakelijk: het Zicht, een Object en Licht.(6) Voor Plato staat licht synoniem voor de zon, symbool van het intellect en van het Goede, dat ons moet helpen de Vormen te leren kennen. De schaduwbeelden op de grotwand, de eikones, zijn het resultaat van een tegenhouden van het licht en dus per definitie onecht. Wat belangrijk is in het grotverhaal, is het trainen van de ogen, waardoor ze echt van onecht leren onderscheiden. Of, vertaald: ware kennis leren opdoen. Alleen zo kunnen we ontsnappen uit onze wereld van illusie. ( Afbeelding 1 )
INTERNETLINK: Plato's cave.

top

2. Afbeeldingen zijn onecht

Als we naar een concreet bed kijken, moeten we beseffen, dat we niet het echte Bed zien, dat daarbuiten bij de Vormen te vinden is.(7) We zien een onvolmaakt bed, een illusie van de echte Vorm, maar de timmerman heeft dit zo eerlijk mogelijk en naar best vermogen gecopieerd. Een tweede stap verder van de Werkelijkheid (en in Plato's kennisconcept een stap lager in de achting) is een geschilderd bed. Wat een onechtheid! Hier bedriegt de schilder ons toch grondig, met zijn driedimensionale illusie in een tweedimensionaal vlak. Hij maakt fantasmata. Schilderen is dé favoriete metafoor bij Plato voor de wereld van de fainomena (verschijnselen), meestal in verband gebracht met doxa (illusie), het laagste kennisniveau. De schilder maakt eigenlijk precies dezelfde schijnvoorstellingen als een spiegel, en dat is hét symbool van onechtheid. ( Afbeelding 2 en Afbeelding 3 )

top

3. Het bedrog van de beeldhouwer

Dan weet de beeldhouwer tenminste nog een zekere driedimensionale vorm te handhaven. Een sculptuur kan nog eikastikè (min of meer gelijkend) zijn, een schildering nooit. Alhoewel, zo eerlijk is die ambachtsman nu ook weer niet. Om een illusie van echtheid te behouden verandert hij de proporties van zijn beelden: van een beeld, dat hoog geplaatst moet worden, rekt hij het bovengedeelte uit, zodat de optische proporties voor de aan de voet ervan staande toeschouwer 'natuurlijk' overkomen.(8) Pheidias, die overigens door Plato bewonderd werd, won met dit bedrog een wedstrijd tegen zijn leerling Alkamenes, die eikastikoos te werk was gegaan.(9) De optische aanpassingen uit de Griekse architectuur van die tijd zijn welbekend, bijvoorbeeld de correctie van hoekzuilen en stylobaat. Ook de schilder gebruikte deze optische trucjes. Plato vindt een dergelijke voorstelling van een object vanuit een bepaalde hoek manipulatie en dus bedrieglijk. Hij vergelijkt de praktijk van het maken van een 'valse' voorstelling met wat een sofist doet met zijn retoriek.(10) (Denk aan een bekende definitie van 'sofisme': recht praten wat krom is, m.a.w. de oorspronkelijke verhoudingen anders voorstellen)( Afbeelding 4 )
INTERNETLINK: La Sophistique ancienne.

top

4. Meetkundige harmonie

Plato geeft toe, dat schilderingen mooi kunnen zijn en de kosmische deugden van harmonie en evenwicht kunnen bezitten, zodat ze een opvoedende waarde kunnen hebben voor de jeugd. Het concept van een levend wezen getrouw weergeven door middel van een afbeelding is goed voor de massa (hoi polloi), vindt Plato, voor de simpelen van geest. Zij houden van mooie afbeeldingen, maar blijven in dit stadium steken als in een droom. Vastberaden zoekers naar echte kennis (epistèmè) van het Schone moeten hiervan loskomen en gebruik maken van woorden. De woordkunst staat bij Plato in hoger aanzien omdat dit een stap dichter bij de abstractie komt.(11) Wij moeten leren kijken met onze geest (nous), die het oog van de ziel is (to tès psuchès omma). Werkelijke schoonheid heeft te maken met eigenschappen van getallen en regelmaat en evenwichtige compositie. Schoonheid is te vinden in zuivere geometrische vormen zoals een lijn, een cirkel, een vierkant. Deze benaderen de abstracte wereld van de Vormen en zijn zuiverder dan de materiële wereld van de lichamen, die te grillig van vorm zijn.(12) Boven de ingang van Plato's Akademie zou te lezen geweest zijn: mèdeis ageometrètos eisitoo (Laat niemand hier binnenkomen, die geen verstand heeft van meetkunde). Plato zou ongetwijfeld de subliem eenvoudige geometrische vormgeving van de Cycladische idolen, ca. 2000 jaar voor zijn tijd gemaakt, gewaardeerd kunnen hebben. Maar ook zij waren ooit beschilderd! Toch stond hij wel positief tegenover de kunst van zijn tijd, die zowel in de compositie als in de uitdrukking van de beelden dit 'Griekse ideaal' van harmonie en evenwicht vertoonde. Hierover werden toen ook traktaten gepubliceerd, bijvoorbeeld door de beeldhouwer Polukleitos, over zijn 'canon van het menselijk lichaam'. ( Afbeelding 5, Afbeelding 6 , Afbeelding 7 en Afbeelding 8 )
INTERNETLINK: Platonic solids (in: Sacred Geometry).

top

5. De schilderkunst in Plato's tijd

De Grieken hadden de fundamentele technieken van de schilderkunst in Plato's tijd al onder de knie. De schilderkunst leverde een geliefde metafoor aan schrijvers, wat niet betekende, dat de kunst hoog aangeschreven stond. Er was geen muze van de schilderkunst en de schilder werd niet voorgesteld als goddelijk geïnspireerd, zoals de dichter. Eén van Plato's personages verklaart, dat een zekere Kleinias niets gemist heeft, als hij geen schilderonderricht gehad heeft.(13) Slechts één keer in de Griekse oudheid heeft een school het nodig gevonden het schilderen in haar algemeen curriculum op te nemen, en dat uitgerekend in Plato's tijd: de school van Sikyon, dat toen het centrum was van de Griekse schilderkunst (en niet Athene). De reputatie ervan kreeg nog een duw in de goede richting, toen de beroemdste Griekse schilder, Apelles, zich er als leerling inschreef. ( Afbeelding 9 )

top

6. De vorm of de kleur

Al zeer vroeg tekenen zich op technisch gebied zeer duidelijk twee hoofdstromingen af in de Griekse (en later Romeinse) schilderkunst. De ene legt de nadruk op het lijnenspel, de contour, de andere op het kleurenspel. De stijlen werden geassocieerd met twee beroemde schilders: Parrhasius (de contour) en Zeuxis (de kleur), die volgens een anekdote een wedstrijd in realistische weergave zouden aangegaan hebben. (Wat dat realisme betreft: alleen een god, vindt Plato, kan aan een beeld zachtheid, warmte, een ziel, beweging, gedachten toevoegen, en dan is het geen beeld meer, maar echt.) Vooral sinds Aristoteles' Poëtica wordt deze tweedeling toepasselijk geacht voor een waaier van kunsten, o.a. de literatuur. De contour wordt het symbool voor de feitelijke, rationele argumentatie, terwijl de kleurige stijl symbool staat voor gevoelseffecten.(14) Plato's voorkeur gaat uit naar de eenvoud van weergave: zuivere, onvermengde kleuren en zuivere geometrische vormen (chroma kai schèma). ( Afbeelding 10 , Afbeelding 11 en Afbeelding 12 )

top

7. Het mengen van kleuren

Het vermengen van primaire kleuren (zgn. subtractief kleursysteem) doet de verfkleur luminositeit verliezen. Een volledige vermenging levert zwart op. Dat had men in de 5e eeuw ook al door en Plato gebruikt het in een vergelijking: onvermengde kleur is 'zuiver', dus echt.(15) Vermenging leidt tot lichtverlies, dus: waarheidsverlies. Aristoteles onderscheidt hier de echte vermenging van pigmenten (mixis), en het op elkaar aanbrengen van kleurlagen (epipolè).16 Dit laatste kan de illusie van ofwel volume, ofwel transparantie verwekken. Een bijzonderheid in verband hiermee is wel aardig. Er bestond een speciale formule voor een bruinrode kleurmengeling voor mannenhuid, andreikelon genaamd. Daarmee probeerde men ook een indruk van volume te geven, met donkerder of lichtere mengsels. Vrouwenhuid werd licht en vlak weergegeven. Deze traditie van een verschillende weergave van de mannen- en vrouwenhuid bestond ook al lang in de vaasschilderkunst, waarin men over het algemeen veel simpeler technieken gebruikte dan bij de schilderkunst op platte vlakken. ( Afbeelding 13, Afbeelding 14 , Afbeelding 15 , Afbeelding 16 en Afbeelding 17 )
INTERNETLINK: Athenian painted pottery.

top

8. Optische effecten met kleur

Een andere vermenging van kleuren gebeurt niet op het 'palet' of het schildervlak, maar in het oog. Dit noemt men het optisch kleureffect. De techniek hiervoor stoelt op het additieve kleursysteem, waarin volledige vermenging van kleuren ("in het oog") de kleur wit oplevert. Deze techniek verhoogt dus de luminositeit van de mengkleuren. Zij zou in de 5e eeuw uitgevonden zijn door een zekere Apollodoros. De praktische werkwijze was een naast elkaar plaatsen van stroken van verschillende kleuren, waardoor contrastwerking en optische kleurvermenging ('ineenvloeien') optreedt. Met deze techniek begon volgens Plinius en Quintilianus de 'echte' schilderkunst.(17) In een recenter verleden hebben de impressionisten deze techniek tot een kunststroming verheven. Men neemt aan, dat Plato en Aristoteles ernaar verwezen met de term skiagrafia.(18) Je zou kunnen verwachten, dat Plato deze 'lichtvermeerderende' techniek een positieve vermelding zou geven, maar dit aspect vond hij blijkbaar niet belangrijk naast het veel grotere bezwaar, gedeeld door Aristoteles, dat hier het meest van al gespeeld wordt met de subjectiviteit en de beperktheid van het menselijk zicht. Plato vernoemt deze techniek als metafoor voor het contrast tussen genoegens en pijn (hèdonai kai lupai): het ene element wordt intenser door contrast met het andere. Aristoteles vergeleek de skiagrafia met de schijnwereld van een droom. Thaumatopoiia, 'goochelarij', noemt Sokrates het.(19) Je moet er namelijk een eind van af gaan staan om het kleurvermengingseffect te kunnen zien. Van dichtbij zie je enkel de strepen. ( Afbeelding 18 , Afbeelding 19 , Afbeelding 20 , Afbeelding 21 en Afbeelding 22 )
INTERNETLINK: Pompeian styles.

top

9. Perspectief en proporties

De valse illusie van het optisch kleureffect krijgt redelijk wat aandacht van Plato; waar hij het veel minder over heeft (zij het wel impliciet als hij spreekt over optische proporties) is de perspectief. Als we alleen Plato hadden als getuige van zijn tijd zouden we het raden hebben of deze techniek wel bekend was. De perspectief was heel zeker gekend, zij het niet altijd consequent toegepast. Dat laatste kan te maken hebben met traditie en mode: de kunstenaars kenden bijvoorbeeld ook perfect de proporties van kinderen, maar beeldden hen toch vaak af als kleine volwassenen (cf. Afbeelding 2 ). De ontwikkeling van de perspectieftechniek zou begonnen zijn in de 5e eeuw bij het maken van toneeldecors voor de tragedies van Aeschylus, de skènografia. Het creëert een illusie van diepte door voorwerpen, die verder af zijn, kleiner voor te stellen (een beetje het tegenovergestelde van wat Pheidias deed met zijn beeld). De voorwerpen dichtbij zijn groter, en er wordt gebruik gemaakt van de 'verkorting', het proportioneel korter maken van de diepte van objecten langs de vluchtlijnen.
Van de schilderkunst uit de 5e en 4e eeuw is bitter weinig over, maar als we mogen aannemen, dat de Romeinen voortborduurden op de schildertechnieken van de Grieken, dan hebben we legio voorbeelden van het meesterschap van de perspectiefschilders, getuigen alleen al de fresco's uit Pompeii. ( Afbeelding 23 en Afbeelding 24 )
INTERNETLINKS: Drawing in One-Point Perspective.

top

10. Illusie door expressie

De minst tastbare illusie, waar geen optische trucjes bij komen kijken, maar die misschien de krachtigste is van alle, is de expressie die uitgaat van een voorstelling. Aristoteles noemt het èthos en bedoelt hiermee, als hij spreekt over het toneel, een veelvoud van kenmerken: het is de uiting van een bepaald karakter; het geeft een toets aan het verhaal, zonder daarom essentieel ervoor te zijn; het is een dramatisch actiemoment, een snapshot, een dynamiek; een momentopname van typische gedragingen.(20) In afbeeldingen vindt men het vaak terug onder de vorm van tegenstrijdige signalen(21), bijv. een beweging naar rechts én naar links tegelijk, zoals vaak wordt toegepast in de vaasschilderkunst om levendigheid uit te drukken; of een dramatische gezichtsuitdrukking en een lichaam in rust.(22) Plato drukt geen mening uit in zijn werk over het onderwerp èthos, ook al vernoemt hij het wel.(23) ( Afbeelding 25 , Afbeelding 26 , Afbeelding 27 en Afbeelding 28 )

top

DE AFBEELDINGEN

De transparanten, die ik gebruikt heb bij mijn uiteenzetting voor de leerlingen, heb ik later verwerkt in een montage op computer met PowerPoint, die als een soort show steeds opnieuw afgespeeld kan worden. De in het artikel afgedrukte afbeeldingen zijn gepresenteerd in de vorm van de slides, zoals ze te zien zijn op het scherm (de meeste zijn in werkelijkheid in kleur, de andere in zwart-wit).(24) Deze techniek vergt uiteraard een heel andere aanpak, aangezien de tekst erbij uiterst beperkt moet blijven. Een aantal extra slides, enkel met uitleg, moest ingelast worden (hier niet getoond). Het heeft aan onze bezoekers op de opendeurdag een idee gegeven van het onderwerp van het project, maar bij gebruik in de klas dient natuurlijk de volledige bespreking gevolgd te worden.
(De afbeeldingen in deze internetversie komen uit de Powerpoint-presentatie. De omzetting naar HTML heeft de teksten erbij jammer genoeg wat versluierd.)

top


Noten

1 Project: De Grot van Plato, gerealiseerd op 23 en 24 april 1998 in het Koninklijk Lyceum Antwerpen, m.m.v. D. De Vogel (leerkracht Wijsgerige Stromingen), M. Hoefmans (leerkracht Grieks/Latijn), M. Van de Kerckhove (leerkracht Plastische Opvoeding) en de leerlingen van 6 Grieks-Latijn, 6 Latijn-Wiskunde/Wetenschappen, 5 Menswetenschappen en 5 en 6 Beeldende Kunsten. Op 23 april werd het theoretische aspect behandeld, op 24 april werkten de leerlingen in verschillende groepen aan de plastische interpretatie van het grotverhaal.

2 De verzameling van het beeldmateriaal was behoorlijk arbeidsintensief, temeer omdat het moest passen in een vrij beperkt stramien. De tijd die je hieraan spendeert is een veelvoud van de gewone lesvoorbereiding. De manier van presenteren die ik gekozen heb is met transparanten. Ik heb hiervoor een aantal kunstboeken doorgenomen, geschikte afbeeldingen ingescand en uitgeprint met een DeskJetprinter. Een zelfgemaakte diareeks zou qua beeldkwaliteit beter geweest zijn, maar technisch ingewikkelder om te maken. Een videomontage behoort ook tot de opties. Met kunstboeken rondlopen en plaatjes laten zien is echter niet te doen. Met een grote groep wordt de presentatie een 'lezing'. Echte interactie, met discussie over het getoonde, valt vanuit een didactisch standpunt te verkiezen, maar is enkel mogelijk in kleine groepjes.
Cf. ook D. Pijls, Het gebruik van dia's tijdens de lessen Griekse cultuur, in: Kleio, 27 (1998) 2, pp. 93-96

3 De bezoekers van onze opendeurdag hebben Grotten kunnen bewonderen, een spiegel-en-licht-spel, geometrische draadconstructies, Vormen, optische illusies, enz.

4 Voornamelijk E.C. Keuls, Plato and Greek Painting, Columbia Studies in the Classical Tradition V (ed. William V. Harris), Leiden, 1978. Keuls benadert het onderwerp als klassiek filoloog én als kunsthistoricus, wat een buitengewoon boeiende kijk op Plato's tijd oplevert. Deze studie omvat heel wat meer dan wat ik in mijn bladzijden aan sprokkelmateriaal presenteer. Ik zal daarom weinig verwijzingen naar specifieke passages opnemen, behalve wanneer het gaat om een afgerond hoofdstuk of onderwerp uit Keuls' werk. De keuze van het beeldmateriaal bij de verschillende onderdelen is voor mijn rekening, tenzij anders vermeld. Een overzichtelijke situering van het grotverhaal in het geheel van Plato's werk is te vinden in het recent uitgegeven schoolhandboek Eudaimonia, Plato's leerschool van het geluk (G.Boter, P.Gerbrandy, G.Jonkers; uitg. Hermaion, Emmeloord 1997). Dit prachtig geïllustreerde boek levert de basis voor een bijdetijdse didactiek, een heldere uitleg in goed, vlot Nederlands, aangenaam leesbare Griekse teksten en een uitgebreid, overzichtelijk hulpboek. De samenstellers hebben ervoor gekozen de grotpassage in een Nederlandse vertaling aan te bieden.

5 Res Publica, 514a-518b

6 Res Publica, 507c-509b

7 Res Publica, 596b e.v.

8 Sophistes, 235d-236b

9 Anecdote bij Tzetzes

10 Sophistes, 266-268

11 Politicus, 277c

12 Philebus, 51c,2-5; deze passage is populair bij liefhebbers van abstracte kunst.

13 Leges, 769 a-b

14 Aristoteles, Poetica, 1450a,38 - 1450b,4

15 Philebus, 53a-b en 59c

16 Aristoteles, De Sensu et Sensibilibus, 440a, 7 e.v.

17 De Latijnse term is 'lumen et umbrae'. Plinius bespreekt deze techniek in zijn Naturalis Historia 35, 29 e.v.

18 Cf. Keuls, o.c. vnl. pp. 72-87.

19 Respublica, 602 c-d

20 Cf. Keuls, o.c. p. 95: Ethos as a Critical Concept in Drama and Painting; Aristoteles, Poetica, 1450a.

21 Keuls, o.c. bestempelt het als een pictorial 'μεν-δε-clause'; zij geeft in dit verband drie bekende voorbeelden van deze techniek: het fresco op de noordelijke wand van het Graf van de Duiker in Paestum (p. 101-102), het fresco van Medea uit Pompeii (p. 104-105) en het Alexandermozaïek van Napels (p. 105, n. 52).

22 Keuls, o.c., p. 105: "...the fact that the concept of ethos as a criterion of drama and painting had been formulated at least by the fourth century B.C., and that it was associated with famous artists of the fifth, one of whom, Parrhasius, practiced in Athens during Plato's younger years." Deze zelfde Parrhasius wordt door Xenophoon opgevoerd in een dialoog met Sokrates, precies over het onderwerp 'ethos en schilderkunst' (Memorabilia, 3, 10, 1-5).

23 Respublica VI, 501c

24 Het 'bed' van Plato was moeilijk te vinden, een 'schoen' vond ik wel (afbeelding 2).

Naar boven


Terug naar CyCADE hoofdpagina