Stichting van de  Davidsfondsafdeling.

De toenmalige regering en haar verfranste aanhang had het opkomend Vlaams bewustzijn, dat reeds vóór de oorlog veld aan 't winnen was, graag voor goed de kop ingedrukt. Maar dit Vlaams bewustzijn laaide na de oorlog nog feller op toen men de schandalen vernam die door de legerover­heid op de vlaams­voe­lende soldaten van het frontleger gepleegd waren.

Ook in Waver waren heel wat soldaten verbitterd teruggekeerd. Aan den lijve hadden zij ondervon­den wat het zeggen wil `Vlam­ing' te zijn. Felix Aerts stond aan hun zijde en hij verlangde mee te werken om een toekomst te scheppen die voor ons volk meer heilzaam zou wezen. De mens leeft niet van brood alleen, dus moest een hoger cultureel leven en een groter besef van eigenwaarde tot stand komen. Dit moest Vlaams en katholiek zijn.

Felix Aerts voerde palavers met onze welwillende geestelijk­heid in de parochie en met de beste krachten uit de gemeente, ook met de zo vernederde teruggekeerde frontsoldaten. Voegen wij er hier aanstonds aan toe dat niet alle frontsoldaten vatbaar waren voor de Vlaamse idealen. Gewoon als zij waren steeds als slaven en minderwaardigen behandeld te worden, waren velen zo afge­stompt dat ze de oneer die hen werd aange­daan niet meer aanvoelden, of ze hielden zich koest uit angst voor de toch steeds sterkere overheden, of ze hingen, in 't slechtste geval, ook maar liever de patriotard uit.

Onder welke vorm zou een culturele vereniging in Waver opge­richt worden? Zou ze een afdeling vormen van de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding of zou men een zelfstandige Katholieke Bond oprichten? Of aansluiten bij het Davidsfonds? Er werd gewikt en gewogen en ten slotte viel de keuze op het Davidsfonds. Deze groep immers verenigde toen de meeste moge­lijkheden en voordelen om tot het volk te naderen. Het Davids­fonds was een centrale voor verspreiding van katholieke Vlaam­se volkslectuur. Het beschikte over documentatie tot volksont­wikkeling, bezat een algemene leiding voor het Vlaamse land en gaf de lijn aan die door elke afdeling kon gevolgd worden.

Het was Felix Aerts die de bezieler was van de ganse opzet.
Op zondag 10 oktober 1920 werd er te 11 uur vergaderd in de tijdelijke schoolbarak van de jongensschoolF. Felix Aerts had een veertigtal ontwikkel­de personen van het dorp, met de gees­telijkheid op kop, uitgenodigd en had er ook voor gezorgd dat daar tegen­woordig waren: volksvertegen­woordiger Filip van Isacker (later minister), Alfons Verbist, leraar aan de nor­maalschool te Mechelen (later minister), August de Rees, schoolbestuurder te Mechelen en schrijver van het Mechels Davidsfonds.
Het woord van de Mechelse medewerkers - zo verhaalt het ver­slagboek - viel op een wel voorbereide bodem, want alle uitge­nodigden lieten zich als stich­tende leden inschrijven en beloofden flinke propaganda te maken. Pastoor Desiré Ulens dankte de Mechelaars.

Een algemene vergadering werd op 1 november 1920 bijeengeroe­pen. De werking werd ingezet onder de leuze AVV-VVK . De afde­ling telde 120 leden! Vijfen­veertig personen hadden zich laten inschrijven als lid van het algemeen Davidsfonds met een bijdrage van 5 fr. en vijfenzeventig personen als lid van de plaatselijke afdeling met een bijdrage van 2,50 fr.
Op deze vergadering werd het bestuur bij eenparigheid van stemmen als volgt samengesteld:
Voorzitter: E.H. Desiré Ulens, pastoor; ondervoorzitters: E.H. Emiel Coremans, aalmoezenier Godshuis (Gesticht) & E.H. De Prins, onderbestuurder Klooster der Ursulinen; schatbewaarder: E.H. Donnez, onderpastoor; bestuursleden: Jozef Gommers, burgemeester en Louis Slaets, brouwer (Nr. 1) & Vital op de Beeck, brouwer en Viktor Lens, boomkweker (Nr. 2); schrijver: Felix Aerts, schoolbestuurder; schrijfster: Angeline Tille­mans, onderwijzeres aan de jongens­school.
Voor wat de bestuursleden betreft had men toen wel af te rekenen met de plaatselijke dorpspolitiek en wijselijk verkoos men daarin het evenwicht: twee leden van Nr. 1 (Graaf van Elissem) en twee leden van Nr. 2 (Sint-Cecilia).
Het zware werk en elk initiatief ging uit van de schrijver Felix Aerts, die zich noodgedwongen moest laten bijstaan want wegens een ernstig gebrek aan de ogen kon hij moeilijk lezen en schrijven. 't Is daarom ook dat ik, vrij vroeg nog als knaap van 12 jaar, hem dikwijls mocht helpen. Geleide­lijk aan groeide ik alzo uit tot zijn naaste medewerker en was ik dikwijls zijn hulp in nood en ook zijn trouwe gezel als hij, vooral ’s avonds, op wandel ging.

Op de vergadering van 6 november 1920 werden vervolgens enkele bijzondere beslissingen getroffen, onder andere:
1) Al de leden moeten uitgesproken katholiek en Vlaming zijn, daarom wordt vereist dat elk lid het minimumprogramma van het Katholiek Vlaams Verbond ondertekent.
2) Elk nieuw lid wordt door stemming van het bestuur aangeno­men en dit met de 7/10 der stemmen.
3) De lidkaarten zijn persoonlijk en geven recht op vrije toegang op al de vergaderingen van het jaar. Buitendien zullen kaarten verkocht worden (aan niet leden) aan 2 fr. en 1 fr.
4) Er zal aan ontwikkeling gedaan worden door beroep te doen op vreemde en eigen krachten.
5) De leden zullen vooral per groep opgeroepen worden, bij­voorbeeld de groep der jongens, de groep der meisjes, de groep der zangers, enz.
6) Maandelijks zal er bestuursvergadering gehouden worden.
7) De algemene vergaderingen moeten zo aantrekkelijk en afwis­selend mogelijk gehouden worden.
8) Het Davidsfonds wordt aangesloten bij het Katholiek Vlaams Verbond. Het bestuur oordeelde het nuttig dat er flinke propa­ganda zou gemaakt worden voor degelijke katholieke Vlaamse dagbladen, bij voorkeur `De Standaard' .
Alle vergaderingen van de afdeling begonnen en eindigden met het gebed. Dit gold als een natuurlijke zaak.

De eerste ontwikkelingsavond.

Deze ging door op Sint-Luciadag, 13 december 1920 in de jon­gensschool. Alfons Verbist, leraar aan de katholieke normaal­school te Mechelen, sprak er over `Oude en hedendaagse Volks­liederen'. Deze voordracht werd opgeluis­terd door de Waverse zangkoren die Felix Aerts reeds had gevormd. Een mannenkoor en een vrouwenkoor traden afzonderlijk op en werden afgewisseld door de alleenzang van onderpastoor Donnez die een prachtige stem had, en van Alfons Verbist zelf, die ook zo heerlijk zingen kon. Tot slot werden nieuwe liederen - van de volksge­liefde toondichter Emiel Hulle­broeck, die om zijn vlaamsge­zindheid vervolgd was geworden - aangeleerd.
Leden van het Davidsfonds hadden vrije toegang. Niet-leden betaalden 2 fr. voor eerste rang en 1 fr. voor tweede rang.

Uit het leven onzer afdeling.

Benevens de talrijke voordrachten (d.i. lezingen met of zonder lichtbeel­den), toneel- en zangavon­den, film, uitstappen enz., waarvan we zoveel als nog mogelijk, de opsomming zochten in de verslagboeken, hebben we ook getracht nog andere bijzonderhe­den uit het leven onzer afdeling op te diepen. Als ik hier ook persoonlijke voorvalletjes verhaal is dat omdat die min of meer in verband staan met de Vlaamse strijd in het algemeen en om zekere toestanden nader toe te lichten.
Zoals we verder ook zullen aanhalen werden de verslagboeken in Mei 1940 grotelijks beschadigd door oorlogsomstandigheden en gingen vele documenten verloren. Een bom was namelijk ingesla­gen in het huis van Felix Aerts waar alle papieren waren bijgehouden.

 1921..

Op de bestuursvergadering van 12 januari 1921 deelde schrijver Felix Aerts, die de vergadering van de gouwdag te Antwerpen van 26 december 1920 had bijgewoond, mee dat de gouw in 1914 4.822 leden telde - in 1913 waren er meer dan 12.000 leden over gans het land -; dat de provincie Antwerpen geen toelagen verleende aan het Davidsfonds; dat onze afdeling een toelage aan ons gemeentebestuur zou moeten vragen; dat er zou geijverd worden om studiekringen op te richten, waarbij leden van de afdeling de onderwerpen zelf zouden kiezen, behandelen en bespreken.
Op die vergade­ring werd ook aangedrongen om de invrijheidstel­ling te bekomen van de Vlaamse strijder Lodewijk Dosfel.

 In dezelfde vergadering werd als nieuw lid aangenomen: Madame Matthijs, die van dan af gedurende vele jaren de welkome en onbaatzuchtige pianiste was van onze afdeling. Elke ontwikke­lingsavond of feestelijkheid luisterde zij door haar pianospel op en steeds eindigde zij met een deftige `Vlaamse Leeuw'.
Madame Matthijs verbleef in het rusthuis ('t Gesticht), was Franstalig van opvoeding maar zeer begrijpend tegenover onze werking. Ze was immer gekleed volgens de mode van de belle époque, avec une petite queue de Paris en wandelde ’s zomers in zijden kleren met veel kantjes en kragen onder een fel getaand licht parasolleke. Eens in 't vrije veld gekomen werd zij dra omringd door al de straathonden van 't dorp die kwis­pelstaar­tend haar beste vrienden werden en aan wie zij rijke­lijk snoepjes uitdeelde. Och arme, Madame Matthijs werd heime­lijk door menig Waveraar bespot. Men noemde haar `Honnebel' (hon­den-bel) omdat ze zoveel van deze dieren hield. Zelfs de meest ruige straatexem­plaren dezer schepselen Gods benaderden haar met vriendelijke trouw.
Madame Matthijs was kunstenares in de ziel en gaf muziekles aan hen die het waard waren, ook aan onze Madeleine Jacobs die een dankbare en schitterende leerlinge is geweest en tot op onze dagen uitgroeide tot een meer en meer wijdvermaarde muziekkunstenares.

Madame Matthijs! Als kleine jongen heb ik haar bewonderd en geëerd. Hare handen waren zacht en haar wangen teer als perzi­kenhuid...
Haar zachte handen gleden immer sierlijk over het klavier en ik stond zeer in haar gratie omdat ik duidelijk liet blijken haar kunst hoog te waarderen - misschien wel al te zeer in tegenstelling met ons publiek dat gewoonlijk onder de muziek tegen mekaar zat te babbelen. Ik trachtte altijd niet te ver van haar af te zitten en af en toe kondigde zij me tijdens de poos, met zeer geleerde woorden, een stukje aan dat ze voor mij dan speciaal uitvoerde, soms met tranen in de ogen. Ik luisterde verrukt toe en ergerde me er aan dat de meeste mensen in de zaal niet eens op ons aandacht gaven en maar voort praatten. Maar dan troostte ze mij en maakte een bewe­ging met haar hoofd als wilde ze zeggen dat ze daaraan gewoon was en dat schoonheid en kunst, niettegenstaande alles, toch de dichterlijke zielen beroeren kon.

Op de vergadering van 24 januari kon bestuurder Aerts vijfen­twintig boeken tonen die hij bij het hoofdbestuur had aange­vraagd om ze te schenken aan de gemeentelijke bibliotheek, waarvoor hij zich als lid van de beheerraad erg inspande.
Dan werd ook beslist om regelmatig - om de veertien dagen - ontwikkelingsavonden in te richten en daardoor bij te dragen ons Vlaamse Volk herop te beuren, want, zei men:
1) Ons Vlaamse Volk is een verachterd volk in vergelijking met dat van de noorderlanden Nederland, Denemarken, Scandinavië. Ons volk toont die achterlijkheid in zijn levenswijze, zijn gesprekken, zijn vermaken. De schuld hiervan ligt in de afzij­digheid der hogere standen, in het gebrek aan een Vlaamse hogeschool en Vlaamse volksscholen.
2) Ons volk is van nature uit een ontwikkeld volk. Zijn ge­schiedenis der letterkunde, van wetenschappen, handel en nijverheid bewijst het.
3) Dit volk moet terug tot ontwikkeling gebracht worden door bestuursregeling en door eigen initiatief: onderwijs, voor­dracht, lezing.

Op 10 juni lezen we dat bestuurslid burgemeester Gommers het op zich neemt in de eerstvolgende gemeenteraad een motie ter stemming te leggen, behelzende:
1) Eis om met de openbare besturen alleen in het Vlaams in betrekking te komen.
2) De wet op de vervlaamsing der openbare besturen onverminkt, zoals zij een eerste maal door de Kamer van Volksvertegen­woordigers is gestemd, te zien aannemen.
3) De vervlaamsing der Gentse hogeschool onmiddellijk te zien doordrijven.
Daarbij zal bevel gegeven worden aan de gemeentesecretaris alleen in het Vlaams te briefwisselen.

Op zondag 17 juli richtte onze afdeling voor de eerste maal een Guldensporenviering in. Een strooibriefje werd rond­ge­stuurd waarin onder andere te lezen stond: "Vlamingen, gedenkt de Guldensporen­slag! Dit zijn de woorden van de koning waarmee hij in 1914 de Vlamingen ten strijde riep. Onze jongens hoor­den die kreet en vormden 80% van het Belgisch Leger aan de IJzer. - Onze regering weigert nog steeds: Vlaams bestuur, Vlaams Middelbaar Onderwijs, Vlaams Hoger Onderwijs, Vlaamse regimenten. Wij eisen die rechten op."
De Waveraars beantwoordden flink de oproep. De leeuwevlag wapperde op de kerktoren. In het lokaal werden Vlaamse liede­ren gezongen en gedichten voorgedragen. Alfons Verbist sprak de menigte toe. Hij wees op de woorden van de koning in 1914 die hij ook herhaalde in 1918 toen in het bos van Houthulst de Engelsen zoveel munitie verspilden, de Fransen gingen lopen en onze regimen­ten - dank zij de 80% Vlamingen - de overwinning behaalden.

We lichten verder volgende woorden uit de rede van Verbist:
"In 1302 hadden de Vlamingen te kampen én tegen de vijand van het buitenland én tegen de vijand van het binnenland. De dood van de eerste was ook de dood van de tweede. In 1830 (stichting Belgische Staat) is de vijand van het binnenland weer opgedaagd en heeft volledig de bovenhand over de Vlamingen genomen, ja, gans hun vrijheid ontnomen. Wij Vlamingen hebben geen Vlaams bestuur. Het Vlaamse volk heeft niet het minste recht in leger, onderwijs noch gerecht. Als Vlaamse democraten moeten wij gewestelijke indeling vragen en vermindering van diensttijd. Wij eisen een Vlaams gerecht, wij eisen Vlaams in het leger waar onze jongens niet de minste karaktervorming opdoen. Ons fransdol bestuur blijft doof voor de rechten en eisen van ons volk, doch wij zullen het er met onze harde vuisten in hameren, in die harde koppen die niet willen begrijpen dat wij met zuivere inzichten bezield zijn.
Wij willen ons verachterd volk verheffen.
Wie beschuldigt er ons van dat wij slechte vaderlanders zijn? Het zijn de zeepbarons (= woeke­raars 14-18) en zij die de staat aanzien als hun beschermer en uitdeler van strikjes en lintjes."

Op 19 augustus wordt de weigering van de gemeentese­cretaris om voortaan zijn briefwisseling alleen in 't Vlaams te houden besproken. Hij heeft meer dan waarschijnlijk onder druk van franskil­jons, een loopje willen nemen met de Davidsfondsers maar dezen lieten hem vlug verstaan dat er een onderscheid diende gemaakt tussen persoonlijke en ambtelijke briefwisse­ling!

De franskiljons waren nog overmachtig en Max, burgemeester van Brussel, had een geplande Vlaamse betoging op zondag 28 augus­tus 1921 verboden. Algemeen protest in het Vlaamse land! Waver, op aansturen van het Davidsfonds, zond een protestnota die volgende verenigingen ondertekenden: het Davidsfonds, de Boeren- en Boerinnengilde, de Spaar- en Leengilde, de Fanfare­maatschappijen Sint-Cecilia en Graaf van Elissem, de Vlaamse Oudstrijders (V.O.S), samen in naam van meer dan 800 leden.
We mogen hier zeggen dat bij de ondertekenaars lieden waren die het tegen hun goesting deden maar niet durfden weigeren tegenover het gezag van Aerts.

Op 21 september gaf Aerts voorlichting en een les in Vlaamse geschiedenis aan het uitgenodigd gemeentebestuur! Dit werd dan verzocht een motie naar de regering te zenden met als eis: Gelijkheid in rechte en in feite voor de Vlamingen. Twee gemeenteraadsleden weigerden achteraf de opgestelde tekst te ondertekenen.

In oktober 1921 vernemen we:
1) dat het DF vroeger vijf boeken per jaar kon geven en thans, wegens de duurte van het drukken, nog slechts twee.
2) dat er meer jonge krachten tot het Df zouden moeten toetre­den.
3) Dat het DF vóór de oorlog meer Vlaamsgezind was dan nu en dat na de wapenstilstand veel te veel voorzichtigheid werd aan de dag gelegd!
4} Dat de afdeling 160 leden telde.
5) Dat het lidmaatschap nog altijd 2,50 fr. per jaar bedroeg, of 5 fr. indien men inschreef op de boeken uitgegeven door het hoofdbestuur.

De ontwikkelingsavonden kenden grote bijval en reeds waren vreemde sprekers opgetreden, onder andere E.H. Goetstouwers [...] die aan de hand van lichtbeelden de Waveraars het mooie Zwit­ser­land leerde kennen. Zulk een vertoon was iets geweldigs voor ons. Eerst waren we in volle spanning bij het zien op­stellen van scherm en projectietoestel en daarna luis­terden en keken we ademloos toe naar al wat er over zo een ver en vreemd land verteld en getoond werd door iemand die er zelf geweest was! We mogen niet vergeten dat de meeste Waveraars toen geen toerisme kenden en dat velen nog nooit per trein hadden gere­den en nog nooit in Brussel waren geweest.

Een verdere stap tot volksopvoeding in onze afdeling was het inrichten van toneelavonden en dit, wel te verstaan, uitslui­tend met eigen krachten. Bij gebrek aan zaal, toneelruimte en toneelinrich­ting was dit bijna een onmogelijke zaak en toch dreven onze mannen door. In de schoolbarak werd er gewerkt en gezwoegd. Daar waren drie klassen, gescheiden door schutsels. Wanneer de schutsels weggenomen werden hadden we een tamelijk grote zaal en voor de toneelruimte beschikten we dan over een oppervlakte van niet meer dan 3 op 5 m. Bij middel van schaal­planken (sic), gelegd op tonnen, werd het verhoog opgetimmerd.
Al dit werk moest voor elke toneelopvoering hernomen worden want na de opvoeringen moesten ’s anderendaags de klassen weer normaal kunnen doorgaan. Het was dus telkens een afbreken en een opbouwen. Wij, de kleine mannen, hielpen daar graag aan mee en we stelden er een grote eer in.
De toneelopvoeringen werden druk bijgewoond. Een tijdlang stond Sus van Free de Weerdt aan de ingang om de inkomkaarten te controleren en om er een hoekje van af te scheuren. Opdat er geen papiertjes op de grond zouden gesmeten worden en ook om te laten zien dat ik eigenlijk tot het werkend personeel behoorde, gaf Sus me telkens de afgescheurde hoekjes in mijn hand. Meteen was het er dan ook op verdiend dat ik `voorniet' binnen mocht...

In de barak gingen - voor en na - ook de herhalingen voor de toneelopvoeringen door en ook de zanglessen die bestuurder Aerts gaf, de ene keer aan zijn mannenkoor, de andere keer aan zijn vrouwenkoor. De ontwikkelingsavonden van het Davidsfonds en vergaderingen van Boerenbond en parochiale werken, grepen hier ook plaats.

Op zondag 13 november te 17 uur stipt, werd daar voor de eerste keer toneel gespeeld en kregen we waar voor ons geld! Opgevoerd werd `De verzoening', een treurspel in drie bedrij­ven, en `Jocrisse de vondeling', een blijspel in één bedrijf. Tussen de bedrijven en tijdens de poos zong het vrouwenkoor twee- en driestemmige liederen. Felix Aerts was de onvermoei­bare dirigent en na tal van repetities, met Madame Matthijs aan de piano, waren er geen problemen. De beste liefhebbersko­ren uit Mechelen zongen niet zo mooi en correct als onze Waverse koren.
Onze eerste toneelspelers waren: Frans Huysmans, de rotsvaste flamingant; Joris Lens, de blauwvoetstudent die in 1924 om zijn flamingantisme uit de Leuvense Universiteit werd gestoten en later advocaat is geworden; Frans Dehertog, de onvermoeiba­re en beminnelijke flamingant-student-semina­rist, stichter van de Waverse studentenbond "De Clauwaerts" en later pastoor te Sint-Katarina-Lombeek; René Slaets, later gewestelijk ontvan­ger; Jos Buys, beenhouwer; Lodewijk Verbrug­gen, hovenier; Viktor Verschueren, kaasfabrikant; Emiel op de Beeck, bakker.
Deze opvoering kende zo een grote bijval dat ze op 11 december moest hernomen worden en dit feit zette er ons toe aan in 't vervolg bijna altijd elk stuk tweemaal te ­spe­len. Daarbij kwam er nog afwisseling door het optreden van een mannenafde­ling en een vrouwenafdeling. Spijtig genoeg mocht Aerts toen niet gemengd laten spelen wegens "de grote zedelij­ke gevaren die daar aan verbonden waren." Zo luidden de onder­richtingen daaromtrent vanwege de hogere geestelijke over­heid...
Het publiek had keuze tussen le rang (2 fr.) en 2e rang (1 fr.) Eersterangers zaten op een soort ouderwetse keukenstoelen met houten berd en de tweederangers vatten post op lange withouten banken zonder leuning waarop wel zestien personen nevens mekaar konden zitten. Als daar zo een zenuwachtige klant of een ambetanterik op zat die niet stil kon blijven, wag­gelde heel de rij en het is meermaals gebeurd dat heel de bezetting voorover of achterover sloeg, bijzonder onder de meest spannende ogenblikken van drama of blijspel. Banken met losgeraakte of scheefgetrokken poten boden ook maar weinig veiligheid.

Een maand later, op tweede Kerstdag kwamen onze vrouwelijke toneelkrachten voor het voetlicht met `Het Fabrieksmeisje', een treurspel in drie bedrijven en met `Wat een donderslag!', blijspel in drie bedrijven. De speelsters waren Eugenie Ver­schueren, Maria Gijsemans, Berta Huysmans, B. Magriet, J. Vranckx, Julienne Verreth, M. Vranckx, Berta Mariën, Germaine de Roeck, M. Ceulemans, Celina van Camp, M. Jacobs, C. op de Beeck. Voor en na zong het mannenkoor en er werd vanzelfspre­kend streng op gelet dat er niet te veel gemeenschap mogelijk was tussen speelsters en zangers!

1922..

Op 9 januari vernemen we dat er nog niets in huis was gekomen van een motie die het gemeentebe­stuur zou verzenden tot Ver­vlaamsing van de Gentse Hogeschool. - Die motie moest nog slechts de handtekening dragen van burgemeester en secretaris maar zo ver was het nog niet gekomen. Een paar gemeenteraads­leden hadden gemeend die motie niet te kunnen bijtreden ter­wijl anderen bereid waren afzonderlijk te ondertekenen. Zo bleef de zaak `verschoven'. Triestige tijd waarin onze mensen hun rechten niet durfden vragen...
Alhoewel Felix Aerts een buitengewoon gezag voerde in de gemeente en velen zijn actie goedkeur­den, waren er mensen die hem toch nog heimelijk bekampten of vreesden ergens in 't gedrang te komen indien ze hem al te zeer ter wille waren. Wat ze hem in zijn bijzijn beloofden trokken ze soms terug als het er op aankwam daden te stellen. Flamingantisme was toen zo wat "staatsgevaar­lijk". Bestuurder Aerts kende zijn pappenheimers en heeft me dikwijls verteld hoe en door wie hij werd tegenge­werkt en hoe kleinzielig sommige mensen toch konden zijn.
Op 2 februari was de motie nog altijd niet verstuurd en Aerts nam het op zich in naam van het Davidsfonds de burgemeester persoonlijk aan te spreken.

Op 6 maart werd in de schoot van ons Davidsfonds een afdeling gesticht van de Katholieke Sprekersbond, met als kenspreuk: De Waverse Klauwaart. Uit de standregelen en algemene schikkingen lichten wij het volgende:
In de sprekersbond worden jongeren opgeleid tot zelfontwikke­ling en tot voorlichters van ons volk. Zij treden op als katholieken. Zij moeten minstens 16 jaar oud zijn en lid van het Davidsfonds. Zij zijn verplicht spreekbeurten te houden en mogen zelf hun onderwerpen kiezen. Wie zonder gegronde redenen tracht te ontkomen aan zijn beurt, betaalt 2 fr. boete. Wie het woord ontneemt zonder toelating van de voorzitter, betaalt 0,02 fr. boete (er waren toen nog koperen geldstukken van 2 centiemen, "cent" genaamd). Men verplichtte er zich toe be­schaafd te spreken, ook op straf van een cent.
Een tijdlang heeft deze sprekersbond goed werk verricht. Uit de lijst van onze werkzaamheden  kan men de spreekbeurten en sprekers van deze bond gemakkelijk herkennen.

Een eerste vrijwilliger hiervan was de strijdende flamingant Frans Huysmans, met een spreekbeurt over de Vlaamse Beweging. Op 13 maart geeft hij een zeer gedocumenteerd overzicht van de feiten, beginnende met 1830, en laat onder andere uitschijnen dat de franskiljons in dit land verheven worden en Vlaamse strijders gekerkerd .
De week daarop, de 20ste maart, spreekt onderwijzer Adolf Wijck­mans, later onderwijzer te Lozenhoek-Keerbergen, over de noodzaak der vervlaamsing der Gentse Hogeschool. - Het is wel eigenaardig dat men tot hiertoe minder spreekt over de evenzo dringende noodzaak der vervlaam­sing van de Katholieke Hoge­school van Leuven!!! De eerste is een staatsinstelling en de tweede een vrije, kerkelijke instelling. Maar het onrecht dat de Vlaming in beide universiteiten werd aange­daan was even schrijnend.
Op 27 maart en 10 april handelen Jan Torfs (alias Jan Piet) en Emiel Huysmans (V.O.S.) over de katholiek in het Belgisch leger en over de eis tot amnestie voor alle oud-soldaten.
Kenschetsend is dat deze jongeren zo flink de Vlaamse zaak wisten te bepleiten.

De sprekersbond heeft veel goeds verricht onder de jongeren. De oudsten onder hen, zoals de hiervoor genoemde mannen, gaven het goede voorbeeld. Bij de ernst van hun streven vergaten ze ook niet de gezelligheid en het ging er, voor en na, altijd vreugdig en vriendschappelijk aan toe. Jan Torfs was de ge­knipte persoon om een gezelschap ganse avonden vrolijk te houden met snedige Vlaamse en Waverse humor en grappige ver­telsels. Emiel Huysmans , broer van Frans, was een weerge­keer­de frontsoldaat die vertellen kon over wel en wee van het front­leven in het Belgisch leger.

Op 17 mei lezen we:
- dat het best is alle conservatieven en flauwen uit het bestuur der afdeling te weren. (Inderdaad, van in den beginne was er gevaar dat het vlaamsstrijdend element zou verdrongen worden door "voorzichtige" bangeriken of personen die de plaatselijke afdeling wilden richten naar hun enge dorpspoli­tieke betrachtingen).
- dat het wenselijk zou zijn gemengd te mogen spelen (wat nooit toegestaan werd).
- dat het wenselijk was onderwijzers en jonge elementen in het bestuur op te nemen alsook vrouwelijke krachten.
Aan die laatste wensen is gedeeltelijk voldaan want volgende jongeren werden opgenomen: Frans Huysmans, René Slaets, Frans Dehertog, Jan Torfs, Julienne op de Beeck, Louiza Brouwers en Eugenie Verschueren. Wat de inbreng van dames in het bestuur betreft, was dit misschien een te vroege vorm van emancipatie, want op zeker ogenblik vernemen wij niets meer van hen. Alleen de kloeke en manhaftige onderwijzeres Angeline Tillemans hield reeds van in den beginne stand!
Ook vernemen we dat er tot op deze dag nog niets in huis is gekomen om de motie - die door de burgemeester beloofd werd - te verzenden!

Het guldensporenfeest werd op 9 juli weer luisterrijk gevierd. Strooibriefjes meldden dat wij als de Vlamingen van 1302 zouden moeten strijden om hardnekkiger dan ooit ons Vlaams volksrecht te eisen, om gelijkheid, in rechte en in feite, onder alle Belgen te bekomen, zoals dit in 1918 door de koning was beloofd.
De viering zelf groeide uit tot een machtige "kunstavond" waar onder andere aan deelnamen: Staf Nees, beiaardier te Meche­len;  Michel van Dessel, kapelmeester van Sint-Rombouts; J. van Des­sel, kunstzanger; K. Peeters, voordrachtkunstenaar en katho­liek gemeenteraadslid te Mechelen. Alfons Verbist sprak weer de feestrede uit.

Op 20 juli stemde de gemeenteraad op aandringen van bestuurder Aerts de lang besproken motie voor de vervlaamsing der Gentse Hogeschool met 8 tegen 2. [...]

Op 16 oktober hield Felix Aerts een debatavond over de verne­derlandsing der Gentse Hogeschool. Hij wilde hiermee vooral het gemeentebestuur en de `andersgezinden' die uitgenodigd en vrij talrijk opgekomen waren, een lesje geven. Natuurlijk knikte alleman ja maar als het er op aankwam wat te doen, bleven velen in gebreke.

Op 30 oktober werd er besloten een eigen piano aan te kopen. Prijs: 2.000 fr., te betalen 1.000 fr. door het DF, 500 fr. door de Boerinnengilde en 500 fr. door `bijzonderen'.

In de lijst der werkzaamheden merkt men hoe Felix Aerts naar alle richtingen uit wou om toch maar zijn Waveraars wat meer wetenschap en beschaving bij te brengen. Hij gunde zichzelf praktisch nooit rust.
Op 28 november sprak hij over het Fonds der meestbegaafden, ingesteld bij wet van 15.10.1921. Eén leerling op 10.000 inwoners kon er van genieten, dat maakte drie voor het kanton Duffel. Aerts maakte deel uit van de schiftingscommissie. Samen met Stanneke Seymus, en misschien nog andere Waveraar­kens, werd ik op verzoek van Felix Aerts door mijn ouders naar Duffel gezonden .
Zo min als ik zagen de andere mannekens die `meededen' er al te snugger uit. We stonden daar in de gangen van klaslokalen te Duffel niet gans op ons gemak. Men zei dat we ook Frans moesten praten en zelfs een Frans opstel maken. Dit laatste vooral joeg ons de schrik op het lijf.
Eén van de grotere jongens liet me het opstel lezen dat hij gemaakt had. Hij moest een ongeluk beschrijven dat zoge­zegd rechtover zijn huis voorgevallen was: Een paard schrok van een knal. Hij wist wel dat het niet helemaal comme il faut was maar hij kon niet beter.
Het luidde als volgt: "Le Cheval. Le cheval in de gracht, pour la maison, pif, poef, paf".
Wanneer men van het fonds genoot ging men de zedelijke ver­plichting aan de ontvangen gelden later terug te geven. Ik was blijkbaar in de proeven geslaagd alhoewel ik niet dadelijk uit het hoofd kon zeggen hoeveel het vierde was van 84. Slechts éénmaal hadden mijn ouders 100 fr. getrokken, mijn vader was zo fier als een gieter over zo een knap zoontje, en twintig jaar later, in 1943, volop in de oorlog, kwam de veldwachter vanwege de gemeente en het fonds die 100 fr. terugvragen. En? ... Ik had toen geen 100 fr. en kon ze ook niet teruggeven. Verder is daar niets meer van gekomen!

Wat het toneel betreft, konden we echt fier zijn op wat onze eigen mensen konden bereiken. De spelers kwamen zo eens uit hun alledaags levensmidden, ze leerden zelfstandig op te treden en vlot te spreken. Bestuurder Aerts hechtte er grote waarde aan. Geregeld hielden we voortaan zes opvoeringen per jaar. Afwis­selend traden de mannen- en de vrouwenafdeling op.

Vervolg

Terug naar boven
Terug naar begin boek
home