GESCHIEDENIS        IDEALE RASKENMERKEN      HERKOMST

 

                                                                                       INFO OMTRENT VACHT- EN ANDERE VERZORGIN

 

TERUG

Tekstvak:  
 
 
 
 

 

 

                                                                                                                   DE TIBETAANSE TERRIER

 

 

 

 

Geschiedenis:

 

Oud Tibetaans bijgeloof wilde dat Tibetaanse terriers geluk brachten in een huisgezin. Om dit geluk

niet te tarten, werden deze honden niet verkocht en werden geen andere rassen ingekruist. Het was dus niet mogelijk om ze te kopen, maar ze werden wel cadeau gedaan, als blijk van hoge waardering.

Een voorbeeld: een buitenlandse arts genas een Tibetaanse vrouw en in ruil daarvoor kreeg hij puppy’s cadeau. Deze diertjes vormden het begin van de verspreiding van de Tibetaanse Terrier buiten Tibet.

 

Dit ras is robuust, omdat het goed was aangepast aan het ruwe klimaat van Tibet. Verder zijn

Tibetaanse Terriers vrolijke, aanhankelijke persoonlijkheden die al eeuwenlang prettige

gezelschapshonden zijn.

 

 

Ideale raskenmerken:

 

Schofthoogte: reuen 35,5 tot 40,5 cm, teven iets kleiner.

 

Uiterlijk: krachtig, vierkant lichaam; vlot, stuwend gangwerk.

 

Vacht en kleur: lang, fijn, recht of golvend; dubbel, met een wollige ondervacht; baard, bevedering op

de oren. Alle kleuren en kleurencombinaties, behalve chocolade- of leverkleur.

 

Hoofd: middellange schedel met een stevige, middellange snuit; ronde, wijd uit elkaar geplaatste,

donkerbruine ogen; laag aangezette, v-vormige hangoren.

 

Staart: middellang, overvloedig bevederd, in vrolijke krul over de rug gedragen.

 

 

 

Herkomst:                                                                                   TOP

 

De Tibetaanse Terrier is echt een buitenbeentje binnen de groep van hondjes die uit Tibet stammen.

Hij is bijv. niet zo klein als de Lhasa Apso, Shih Tzu en de Tibetaanse Spaniël.

 

Hij is ook niet direct aan deze gezelschapshondjes verwant voor zover kan worden nagegaan.

Bovendien is deze Terrier helemaal geen Terrier, maar heeft hij op het westelijke halfrond op een hoogst ongelukkige manier dit etiket opgeplakt gekregen.

Naar aard en gedrag is het een echt herdershondje van 35.5 – 41 cm hoog.

 

Er wordt weleens gesuggereerd dat de Tibetaanse Terrier de stamvader is van alle herdershonden met warrig lang haar en een behaard gezicht. Het gaat dan om herdershonden, die meestal van het middenslag zijn en vaak samen met berghonden de kudden hoeden en beschermen. De berghonden doen in dat geval het bewakingswerk. Ze houden roofdieren en dieven op een afstand. De kleinere herdershonden van het type Tibetaanse Terrier worden gebruikt voor het hoedend en opdrijven van de kuddes.

 

Bekende combinaties van deze aard zijn o.a. de Kuvasz en kommondor, in samenwerking met de Puli en Pumi, en de Pyrenese berghonden. Een en ander moet wel met de nodige restricties worden geïnterpreteerd.  In streken, waar de berghonden niet (meer) voorkomen, bestaan namelijk ook warrige behaarde herdershonden. Bekende voorbeelden daarvan zijn de Poolse herdershonden, de Duitse Schafpudel, de Nederlandse Schapendoes, de Schotse Bearded Collie (oorspronkelijk afkomstig uit Polen) en de voorouders van de Engelse Bobtail en de Franse Briard. Daarnaast zitten in deze groep ook honden, die niet alle kenmerken dragen. Zo heeft een van de variëteiten van de Pyreneese Herdershonden bijv. geen dichtbehaard gezicht.  Bovendien kunnen er binnen de groep langharige honden met een meer ruwere en een meer verviltende vacht onderscheiden worden. Volgens de hiervoor uitgezette theorie zou de Tibetaanse Terrier als voorouders van al deze honden-al in prehistorische tijden samen met de Tibetaanse Mastiff in gezelschap van herdersstammen naar het westen zijn getrokken, daarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling, dat de Tibetaanse Mastiff de voorouder van de dogachtigen zou zijn en dan in het bijzonder van de berghonden. Tegenwoordig neemt men echter de nodige terughoudendheid in acht ten aanzien van die veronderstelling want men heeft ontdekt, dat er meer grotere honden in Tibet leven. Toch pleiten diverse argumenten voor deze afstammingstheorie, zeker als men bereid is om de wat dwangmatige definities van rasgroep en ras uit de moderne westerse kynologie enigszins te relativeren. Een duidelijk voorbeeld van feilbaarheid is het etiket “Terrier” te krijgen opgeplakt.

 

In ieder geval staat vast, dat de Tibetaanse Terrier al heel oud is en in Tibet zeer raszuiver wordt gefokt. Archeologische vondsten bij de stad Eridoe in Mesopotamie hebben een beeldje opgeleverd, dat dateert van 3000 jaar v. Chr. En dat als twee druppels water lijkt op de tegenwoordige Tibetaanse Terrier. Juist in deze streken moeten zich destijds krijgszuchtige herdersstammen van Tibetaanse oorsprong hebben gevestigd. Deze stammen kunnen ook in verband worden gebracht met de mogelijk uit Tibet afkomstige dogachtigen. Hoe het ook zij, de vondst van de beeldjes kan als ondersteuning van de genoemde afstammingstheorie worden geïnterpreteerd.

 

In Tibet leeft deze “Terrier” als gezelschapshond van de monniken, maar hij wordt ook als herdershond gebruikt. Herders waarderen hem vooral vanwege zijn voortreffelijke drijfwerk bij de kudde. Wel worden in Tibet tal van andere herderswerkzaamheden door honden van een groter slag verricht. De geschiedenis van de Tibetaanse Mastiff getuigt daarvan. De Tibetaanse Terrier wordt ook nog als heilig bestempeld, maar dat zijn in Tibet alle dieren, van de reusachtige jak tot het kleinste vogeltje.

 

Het is mogelijk, dat de verwanten en eventuele afstammelingen van de Tibetaanse Terrier zich vroeger samen met de berghonden in West-Europa hebben gevestigd. De berghonden vertonen immers nog steeds een continue populatie (met de nodige variaties in type) van Tibet en Centraal-Mongolie tot in Turkije en Zuidoost Europa. Aan dit verspreidingspatroon zijn twee min of meer gelijkwaardige interpretaties gegeven. Of de Tibetaanse Mastiff is de voorouder van de berghond of hij is vanwege zijn extreme isolement in Tibet en nog weinig veranderde, authentieke vorm van deze berghonden. In dat geval zou hij hen dus het meest oorspronkelijke verwant zijn. Voor de Tibetaanse Terrier kunnen veronderstellingen met dezelfde strekking worden geuit. Er ontbreekt echter een beschrijving van een tegenwoordig continue populatie van herdershonden met een warrige vacht en dat is iets, dat nu direct voor een veronderstelde afstamming van de Europese herdershond van de Tibetaanse Terrier pleit. Daarom zou men misschien maar eens in Centraal-Azie naar warrelig behaarde herdershonden moeten zoeken. Het in Mesopotamie gevonden beeldje pleit echter weer voor een samenhang in afstamming. Bovendien is het zo goed als zeker, dat de diverse herdersvolken duizenden jaren lang bijna altijd van oost naar west zijn getrokken. Dat blijkt onder andere uit de geschiedenis van de Puli. Maar al met al kan er geen duidelijk antwoord worden gegeven op de vraag, of de Tibetaanse Terrier de voorouder of een authentieke verwant van de Europese schaapshonden is. Een andere optie is, dat deze onder vergelijkbare omstandigheden werkende honden onder een zelfde selectiedruk hebben gestaan, maar verder niet direct aan elkaar verwant zijn. Toch lijkt dit niet echt waarschijnlijk.

 

De eerste Tibetaanse Terriers werden in de jaren’20 door dr.Agnes Greig naar Groot-Brittannië gebracht (zij is verantwoordelijk voor het importeren van enige Tibetaanse Terriers). Deze honden, die door een Tibetaans echtpaar aan dr.Greig werden geschonken, vormden de grondslag van de beroemde Lamleh lijn. De achtergrond van deze lijn moet worden gezocht bij honden, die in Tibet van kloosters afkomstig waren en bij honden, die in Tibet bij de kudden werkten. De exemplaren uit de Lamleh lijn waren en bij getypeerd door een warrelig uiterlijk, dat is gebaseerd op een overvloedige, gegolfde vacht. In de loop van de jaren werden er meer honden naar Groot-Brittannië en naar diverse andere Europese landen geïmporteerd. Met name de fokkerij van Mr. En Mrs. Downey (kennelnaam Luneville) was van belang. Uit onder andere twee exemplaren van de Lamleh-kennel en de wat afstamming betreft niet nader bekende Dekreu Trojan Kynos, fokte dit echtpaar een eleganter type hond. Deze meer moderne Tibetaanse Terrier geniet sinds de jaren ’60 een toenemende belangstelling.

 

 

 

Info omtrent vacht- en andere verzorging:                                   TOP

 

Onze Tibetaantjes zijn allemaal gezegend met een ‘weelderige vacht’.

 

We kunnen wellicht stellen dat dit één van de zaken is waarom we met z’n allen ooit verliefd werden op het ras. Ze zijn inderdaad zeer schattig en mooi. Maar tegelijkertijd heel intensief in onderhoud.

 

Wie zich een Tibetaan aanschaft, moet weten dat er heel wat vachtverzorging aan te pas komt.

Het is dus vooral belangrijk dat we, de hondjes, reeds van aan puppy leeftijd laten wennen aan borstel en kam.

 

De vacht van de Tibetaan is een dubbele vacht. De ondervacht is wollig, de bovenvacht is voor een volwassen hond fijn, niet zacht of wollig, maar eerder hard. De puppies bezitten vaak een zachtere vacht.

De vacht van de Tibetaan vergt een goede, juiste en consequente verzorging, regelmatig borstelen is hier een vereiste. Wanneer men dit niet doet, is het vaak nodig om de vacht volledig af te scheren. Dan is een bezoek aan een trimsalon de enige oplossing, hier moet men de vacht zeer kort zetten, want het is nodig onder de klitten te raken, zodanig dat er dikwijls een zeer korte scheerkop moet worden gebruikt.

 

 

Kammen en borstelen

 

 

Het is noodzakelijk te beginnen borstelen zodra de puppy enkele dagen in huis is. De eerste weken gebruiken we hiervoor best een zachte harenborstel, zodat het hondje aan het borstelen kan wennen. Beloon de pup na zijn borstelbeurt met een knuffel of een koekje, zodat de behandeling met plezier wordt ervaren. Borstel uw pup het liefst op een tafel, gebruik hierbij een anti-slipmatje om het wegglijden te voorkomen. Het gebruik van een tafel spaart uw rug, en is nuttig voor de mensen die willen showen. De hond is dan al gewoon om op een tafel te staan.

 

Begin altijd onderaan de vacht met borstelen. Best begin je aan het voetje van een achterpoot. Pak de bovenlaag van het haar op en neem er dan vervolgens steeds een laag bij (je neemt best met je linkerhand het haar van de voet weg, en haalt met de kam, in je rechterhand, een volgende laag haar uit je linkerhand). Dit is noodzakelijk, om te voorkomen dat u over de klitten heen borstelt.

 

Controleer tijdens het borstelen tevens uw hond op vlooien, teken, oorontstekingen te lange nagels, enz.

 

Naarmate de puppy ouder wordt, is het nodig om andere kammen en borstels te gebruiken.

 

Benodigdheden:

 

-         Een harenborstel, om het vuil en stof goed uit de vacht te borstelen.

-         Een grove kam, om te controleren of alle klitten eruit zijn.

-         Een fijnere kam, deze verwijdert de overtollige wol, en kamt de kleine klitten eruit.

-         Een ontklitkam, om grote klitten los te halen (deze kam probeer je niet veel nodig te hebben).

 

Het is noodzakelijk altijd eerst te borstelen en dan pas te kammen.

Wees voorzichtig met de vacht van uw Tibetaantje, draag er zorg voor het haar niet onnodig af te breken.

Het is belangrijk de hond altijd ‘volledig klitvrij’ te kammen, denk eraan dat het echt nodig en beter is om uw Tibetaan desnoods iets minder vaak te kammen, maar grondig, dan elke dag met de kam aan de slag te gaan, maar het nooit tot een goed einde te brengen. Er bestaan tegenwoordig erg goede sprays die men als borstelhulp kan gebruiken. Het borstelen en kammen is immers minder schadelijk voor de vacht, als die ‘vochtig’ gekamd wordt. Droog haar breekt veel makkelijker af.

Uw hond is klitvrij als u iedere willekeurige scheiding in de vacht openlegt, en u de huid kunt zien, zonder dat u de wol tegen de huid ziet vastzitten. Bekende ‘probleemplaatsen’, waar vaak klitten optreden zijn: de oksels, de liezen, en achter de oren. Denk er dus aan deze plaatsen regelmatig te controleren.

 

De tijdsduur van de borstelbeurt bepaalt uzelf, dit is namelijk ook afhankelijk van het gedrag van uw hond, en van de kwaliteit van de vacht. Hoe weelderiger de vacht, hoe langer de borstelbeurt.

Hoe vaker u borstelt, hoe minder tijd het zal kosten om de vacht klitvrij en schoon te houden. Hoe minder vaak u borstelt, hoe meer tijd het zal kosten, en hoe groter ook de kans op beschadiging van de vacht.

 

 

Wassen van de hond

 

U mag uw Tibetaan gerust wassen, belangrijk hierbij is altijd een hondenshampoo te bebruiken, deze bevat de juiste PH-waarde. Uw eigen shampoo, of ook een babyshampoo, heeft een andere PH-waarde en is hierdoor zeer schadelijk voor de vacht van de hond.

Shampoo wordt best altijd verdund gebruikt. Je kunt een bodempje shampoo in een fles doen en dan bijvullen met water, het mag gerust een zestal maal verdund worden.

 

Wanneer u uw Tibetaan een wasbeurt geeft, kunt u best deze tips opvolgen:

 

1.      De hond moet volledig klitvrij geborsteld zijn, zodat je hem met een kam kan kammen.

2.      Doe best wat watten in de oren, zodat er geen water in kan lopen.

3.      Leg in het bad of in de douche een anti-slipmatje, om het wegglijden te voorkomen.

4.      Maak de vacht volledig nat, ook de onderlaag. De shampoo inkneden, niet wrijven, dit veroorzaakt klitten. Altijd goed uitspoelen tot het water volledig helder is. Zeepresten veroorzaken jeuk, en in het slechtste geval schilfers en huiduitslag.

5.      Gebruik bij elke wasbeurt ook een crèmespoeling, dit om de huid zijn ‘vetgehalte’ terug te geven en het maakt de vacht ook veel beter doorkambaar. Deze balsem best wat laten inwerken, en dan ook goed uitspoelen.

6.      Dan het overtollige water uit de vacht knijpen, vervolgens met de handdoek droogdeppen, niet wrijven in verband met klitvorming.

7.      Het drogen doe je best met de föhn. Borstel de vacht eerst door, zet de föhn niet te heet, en blijf er altijd mee bewegen. Pas op dat u de vacht niet verbrand. Tijdens het föhnen kunt u de vacht in model borstelen.

8.      De scheiding op de rug kunt u trekken door eerst de ruggengraat op te zoeken, en dan met de punt van de kam hierover een lijn te trekken.

 

 

Je mag de Tibetaan wassen zo vaak als nodig, overdrijf hier echter niet in.

Bij overmatig wassen haalt u teveel talg uit de vacht, waardoor deze droog en dof wordt. We kennen veel Tibetanen liefhebbers die hun honden een tweetal keer in de maand wassen. Een goed gemiddelde kan misschien eens in de 4 tot 6 weken zijn.

 

 

 

De Tibetaan en zijn verzorging                                                 TOP

 

 

Naast het borstelen en wassen van uw Tibetaan zijn er bij de verzorging nog andere aspecten van belang:

 

De OREN

 

In de gehoorgang groeien haren. Deze dienen verwijderd te worden. Haren in het oor kunnen op de duur de gehoorgang afsluiten. Dit komt, omdat het oorsmeer door de haren niet weg kan, het wordt als het ware vastgehouden, waardoor er een ontsteking kan ontstaan. De haren kunt u gemakkelijk tussen duim en wijsvinger uit het oor trekken. Lukt dit niet, dan kunt u de haren ook verwijderen met een epileertangetje (pincet) of een arterieklem.

Oorsmeer wordt het best verwijderd met een papieren zakdoekje met wat babyolie erop, of met een speciaal hiervoor bestemde oorreiniger (er bestaan verschillende merken in de dierenspeciaalzaken). Met wattenstaafjes dient men voorzichtig te zijn, hiermee kan men soms het oorsmeer dieper in de gehoorgang duwen. Kom nooit aan de oren van uw hond, als deze er schoon en goed uitzien.

Uw hond kan ook last krijgen van oormijt. Dit herkent u door een bruinzwarte, korrelachtige afscheiding, die een zeer onaangename geur verspreid. Indien uw hond oormijt heeft, moet u altijd naar de dierenarts gaan. Verwaarloosde oormijt kan ernstige gevolgen hebben, zelfs doofheid.

Met een vurige huid aan de binnenkant van het oor of exceemachtige huidaandoening, moet u altijd zo snel mogelijk naar de dierenarts gaan.

 

De OGEN

 

In de hoekjes van de ogen, kunnen altijd wat klontertjes, of traanvocht gaan verkleven. Dit kan u gemakkelijk schoonmaken met een oogcleaner of wat gekookt water.

Wrijf met een wattenstaafje altijd naar de neuspunt toe. De klontertjes kan u ook goed verwijderen met een klein vlooienkammetje. Kam ook dan naar de neuspunt toe.

 

De VOETEN en NAGELS

 

Onze Tibetanen bezitten grote voeten. Tussen hun voetzolen groeit veel haar. U dient dit regelmatig te verwijderen. Hierdoor voorkomt u klitvorming en zal de hond minder snel uitglijden op een gladde vloer.

Tevens scheelt het in vuil, wat hij meeneemt van buiten naar binnen. Het haar tussen de kussentjes kunt u het beste met een klein nagelschaartje (of anders een speciaal hiervoor gemaakt schaartje) verwijderen.

Nagels moeten, om te ver doorgroeien te vermijden, weleens geknipt worden. Hiervoor zijn uitstekende tangetjes in de handel. De witte nagels kunnen gemakkelijk geknipt worden.

PAS OP: In het roze gedeelte van de nagel zit het leven, daar mag je dus niet in knippen. Zwarte nagels kunt u het best knippen tot het schuine gedeelte, het zogenaamde eendenbekje.

De nagels van de hond zijn op de goede lengte, wanneer de hond staat, en u tussen de grond en de voet een briefkaart kunt schuiven, zonder nagels te raken. Nagels aan de voorvoet groeien meestal eerder dan aan de achtervoet. Vergeet vooral het vijfde teentje aan de voorvoet te controleren.

 

De GESLACHTSDELEN

 

Aan de penis zitten weleens lange haren. Deze kunt u er gerust afknippen, voor hygiëne, doe dit echter niet te kort, daarmee voorkomt u irritatie. Sommige reuen willen nog wel eens een voorhuidontsteking hebben. Dit herkent u door een gelige afscheiding van aan de penis.

Aan de vulva van teven, groeien ook wel eens te veel haren. Deze kunt u ook gerust verwijderen.

 

De ANAALKLIEREN

 

Anaalklieren, dit zijn zakjes, die zich naast de anus bevinden. Deze zakjes, willen nog wel eens verstopt zitten. U herkent dit door het zogenaamde sleetje rijden en/of bijten in de omgeving van de staart.

Deze anaalzakjes, moeten dan leeggedrukt worden om ontsteking te voorkomen.

Dit kunt u bij uw dierenarts of trimmer laten doen. Let wel op dat je niet te vroeg begint met het ‘ledigen van de anaalzakjes’, want in veel gevallen kun je zeggen, dat dit meestal het begin is van een (kleine) lijdensweg betreffende de anaalklieren, eens me ze éénmaal heeft uitgeduwd, moet dit regelmatig opnieuw worden gedaan.

 

Het GEBIT

 

De tanden en kiezen, moeten regelmatig gecontroleerd worden. Tijdens het wisselen van het gebit, dient u erop te letten, dat het melkgebit zich uit haarzelf, volledig wisselt. Indien dit niet het geval is (vaak zijn dit de hoektanden), dan wendt u zich best zo rap mogelijk bij een dierenarts, deze zal, voor zover mogelijk, de restant van het melkgebit verwijderen. Ook op oudere leeftijd kan het ook weleens gebeuren, dat er plak op de tanden en kiezen ontstaat. Dit moet verwijderd worden, hiervoor zijn haviksnavels in de handel. Bij het hanteren hiervan is voorzichtigheid geboden. U kunt de plak voorkomen door regelmatig te poetsen.

Doet u niets aan de plak, dan kunnen er lelijke ontstekingen ontstaan, met pijnlijke gevolgen voor de hond.

Natuurlijk kunt u het gebit ook laten reinigen bij de dierenarts.

 

De PARASIETEN

 

De meest bekende parasieten zijn de vlooien. Controleer uw hond regelmatig en goed op vlooien. Vaak ziet u zwarte kleine korreltjes in de vacht zitten (dit zijn vlooienstrontjes).

Om de vlooien te verwijderen en te voorkomen kunt u o.a. een goede spray, pillen of druppels gebruiken.

Raadpleeg hiervoor altijd eerst de dierenarts. Vergeet niet uw huis, hun mand, en de auto te behandelen. Op deze plekken bevinden zich de meeste eitjes. Sommige honden hebben last van een vlooienallergie, waardoor ze zich door een vlooienbeet aardig toetakelen met bijten en krabben.

 

Een ander vervelende uitwendige parasiet, is de teek. Deze parasiet krijgt uw hond meestal door het lopen onder struiken. Daar laat de teek zich op uw hond vallen, en zuigt zich vast aan de huid. Ook teken moeten verwijderd worden. Dit kunt u doen met een tekentangetje.

Eerst verdooft u de teek met alcohol en dan klemt u het tangetje om de teek heen en draait hem tegen de klok in, uit de huid. Niet trekken, want dan blijft de kop zitten en deze veroorzaakt een ontsteking.

Inwendige parasieten zijn lint- en spoelwormen. Om problemen met deze parasieten te voorkomen, moet u uw hond 4x per jaar ontwormen. Mocht de hond toch last krijgen van wormen, u kan deze zien in zijn ontlasting, of soms heeft de hond kleine rijstkorrels in de omgeving van de anus zitten, raadpleeg dan uw dierenarts voor een goed ontwormingsschema.

 

TOP

 

 

We wensen u veel succes met de verzorging van uw Tibetaantje, en zijn steeds bereid te helpen bij problemen.

 

 

 

Voor meer info:

Belgian Tibetan Terrier Club

 

 

 

Bij het schrijven van dit verslag, gaat onze speciale dank naar Mvr. Thea Koster, wiens tekst,

Rond vachtverzorging bij de Tibetaanse Terrier, we als basis gebruikten.