Om het terugvinden van de persoonsvorm, het onderwerp, de bepalingen
en het gezegde, is het goed even de volgende begrippen van zinsontleding
te herhalen.
Persoonsvorm
De persoonsvorm is op drie manieren te vinden:
- Als je een zin vragend maakt kom de persoonsvorm komt vooraan te
staan.
Ik ren snel. > Ren ik snel ?
- Als je een zin in het meervoud/enkelvoud zet verandert de persoonsvorm.
Ik ren snel. > Wij rennen snel.
- Als je de zin in een andere tijd zet verandert de persoonsvorm.
Ik ren snel. > Ik rende snel.
Het gezegde
Het gezegde is het voornaamste deel van de zin, het zegt wat het onderwerp
doet, is of ondergaat.
Het werkwoordelijk gezegde
Dit gezegde bestaat uit één of meerdere werkwoorden, waarvan er slechts één
vervoegd kan zijn. (soms met zich of te)
- een persoonsvorm of een persoonsvorm en één of meer andere werkwoordsvormen
Voorbeelden:
- De buurman is door een hond in zijn been gebeten.
- Griet verslikte zich in het snoepje.
- Zij zat het snoepje in de tuin te eten.
Het naamwoordelijk gezegde
Indien het vervoegde werkwoord een koppelwerkwoord is, dan heeft het
nog een naamwoordelijk deel nodig om betekenis te kunnen geven aan de
zin.
Koppelwerkwoorden zijn o.a.: zijn, schijnen, blijven, blijken, worden, heten.
Het naamwoordelijk deel kan een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord zijn,
alsook een deelwoord, zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt of zelfs een combinatie
van deze, al of niet met voorzetsel(s).
Voorbeelden:
- Hij is moe.
- Die jongen heet Johan.
- Ik word oud.
Let op! In sommige zinnen, waarin het onderwerp en het naamwoordelijk
deel door het koppelwerkwoord als identiek voorgesteld worden, valt grammaticaal
niet vast te stellen welk deel onderwerp is en welk het naamwoordelijk
deel.
Voorbeelden:
- Zijn vader is de beste advocaat van de stad.
- Zijn werk is zijn hobby.
- Mijn slaapkamer is mijn studeerkamer.
Doordat beide delen identiek zijn, kunnen ze van plaats verwisseld worden
zonder verschil in betekenis.
De beste advocaat van de stad is zijn vader.
Zijn hobby is zijn werk
Mijn studeerkamer is mijn slaapkamer.
Het onderwerp
Het onderwerp is het zinsdeel dat in getal overeenstemt met de persoonsvorm.
De meester rijdt door de straat. WIE + rijdt ? De meester = onderwerp
De computers zijn verkocht. WAT + zijn verkocht ? De computers = onderwerp
|