Dieren die werken (180)

Vlaamse makelijVL

: viewport

Hierboven verschijnt in Chrome huidige datum/uur indien dit bestand niet op internet staat!!!!!

© Wees gegroet ©

, bezoeker, vol van verwachting, het geluk zij met jou, welkom ben jij onder alle bezoekers: indien je mij respecteert, zal ik jou ook respecteren

aaien strelen

na-apen nabootsen

baarzen met de hengel op baars vissen

bavianen zwaar roken; hard werken; heen en weer lopen

beesten zich misdragen

beren tieren; schreeuwen als de olifant en de rinoceros

biggen jongen; een big (duw) geven; krachtig optreden

bokken tochtig zijn; springen als een bok; stug zijn; schoksgewijs draaien (motoren)

botten knoppen; weerkaatsen; verschillende soorten kinderspelen spelen

brakken hard in de weer zijn; boodschappen doen; rondzwalken

bramen van de braam (ruige rand) ontdoen

buffelen afrossen; zich hard inspannen; gulzig eten

darren sarren; wachten; zwerven; druk bezig zijn; prutsen

dassen met de daskwast werken of bewerken; uit de mond ruiken

dauwen het zich-vormen van dauw; neerdalen

dazen zwammen; ijlen

dompen dampen; verticaal bewegen van een schip

drillen trillende beweging geven; boren; ringeloren; trillen; lillen; zwieren; in rijen zaaien

duivelen kwellen; met duivel bewerken; donderjagen, duveljagen; lazeren; seinen met fakkels

duvelen kwellen; (katoen) met 'n duivel bewerken; donderjagen, duveljagen; vallen, lazeren

enteren aanklampen

ezelen hard werken

fretten met de fret jagen (fretteren); gulzig eten; zeker kaartspel spelen

gaaien gaan, gaden: overeenstemmen met iemands lust, bevallen

geiten meisjesachtig giechelen

gekken schertsen

gieren hevig begeren; gillen; zeer uitbundig lachen; fluiten (wind); schommelen; zwierend voortgaan; voortzwieren; geren; slaan; gier op het land brengen

grauwen grijs worden; springen bij het bewerken (diamant); op onheuse toon spreken

grielen krioelen, wemelen, onophoudelijk lachen

grondelen op de kop gaan staan om voedsel onder de waterspiegel op te nemen zonder duiken

gullen zich in het mulle zand baden

haaien baas spelen; ruzie maken; meenemen om te beroven; uitplunderen; geren

hamsteren voorraden inslaan

hengsten dekken; hengstig zijn; blokken; timmeren; in orde maken

hommelen gonzen; donderen

hoornen harden

hoppen hop toevoegen aan moutaftreksel

hurken hukken: op de hurken (gaan) zitten

ijsberen rusteloos op en neer lopen

jakken hard lopen of rijden; ravotten

jongen jongen werpen

jufferen passen bij een juffer

kalanderen machinaal gladpersen

kalveren kalven: een kalf werpen; braken; afbrokkelen (grond)

kapoenen castreren, lubben

katten een kat op het anker zetten; zeil ophalen; met een kat reinigen; weigeren; schrappen; niet nakomen; afkammen

kauwen met tanden tot brij vermalen; roken; tot vervelens toe herhalen; knauwen; leuteren

kepen een inkeping maken (in hout)

keveren met een ronde gebogen rug lopen; slapen; braken

kezen aan de politiek der kezen doen; neuken; scharrelen

kieken fotograferen; kijken

kiepen omkantelen

kikkeren in gehurkte houding rondspringen; glossofaryngaal (door de mond) ademen

kippen vangen; uitpikken; kiepen; kepen; uit het ei komen; uitkomen; uitbroeden

klepperen klappertanden; met kleppers spelen; snel of moeizaam lopen

klissen in de war zitten; tot klissen vlechten; vangen; borgen

kloeken klokken (van hennen)

klokken het geluid 'klok' maken; als een klok uitstaan; de tijd opnemen; met prikklok komst registreren

knikken knakken; doorbuigen

knotten kortwieken; fnuiken

koeskoezen (spijzen) door elkaar stampen

koeteren krompraten

kokkelen knuffelen; kraaien, kakelen

kokken

kollen dollen; heksen; kabeljauw vangen met de kol

kraaien het geluid van een haan voortbrengen; met schelle stem spreken, roepen

krabben krabbelen; scharrelen; de nagels over iets heen halen

kranen met de kraanzaag werken; bij tussenpozen openen en sluiten (met plugkraan)

krekelen een geluid geven als van krekels; knarsen en piepen; knorren

krieken piepen; aanbreken

krielen krioelen; vol zijn van; een krielzoom maken

krikken knappen; neuken

krompen verleden tijd, meervoud van krimpen: toegeven; minder worden; teruglopen

kwakken met de kwakkuil vissen; kwaken; doorzakken; spugen, kwalsteren, ejaculeren, klaarkomen

kwartelen op kwartels jagen

kwikstaarten de staart op en neer bewegen

lammen lammeren: lammeren werpen

la/ouwen lauw maken, worden/ het 'louw' roepen tot elkaar, zoals vroeger herders in Brabant

lengen langer maken; dunner maken; langer worden

leppen met kleine teugjes drinken; verflenzen; drenzen; lappen: dun laagje wegnemen

lijsten inlijsten

lossen losmaken; loslaten; ontspannen; ontlasten; inlossen; afkopen; lozen; uitladen; afschieten

luizen de luizen afvangen; ontfutselen

maaien met zeis e.d. afsnijden; oogsten; wegrukken

mantelen met een mantel bedekken

mezen (mijnbouw) mezen aanbrengen in

mieren krioelen; jeuken; zaniken; peuteren; schelen

mieteren smijten, vallen

mijten aan een mijt zetten, zorgvuldig opstapelen

mijteren door de mijt aangetast zijn; knorrig zijn

mollen dood maken; vernielen; aanhalen, zoenen; grond met het molbord gelijkmaken

moppen pruilen, mopperen

moren door de modder lopen; troebel maken; ploeteren

mosselen mosselen eten

motten mopperen; een mot geven; moeten; motregenen; met fijne veenachtige aarde bemesten

muizen muizen vangen; stilletjes smakelijk zitten te eten; ongemerkt weggaan

munten geld slaan; mikken

ooievaren beurtelings van het ene been op het andere gaan staan

otteren zwoegen; op otters jagen

paarden door paarden laten voorttrekken; van paarden voorzien; werken als een paard

padden met moeite en ongemak gaan, b.v. door de sneeuw

papegaaien onnadenkend napraten (zoals bij echolalie)

pellen van de pel ontdoen; afbikken

pielen zijn best doen; met stomp mes snijden; coÔre; doelloos bezig zijn; peuteren

pieren pieren vangen; turen, tippelen; stelen; foppen; pierewaaien; gokken; braken; muziek maken

pijlen als een pijl omhoog- of voortschieten; pieken, loeven (lamp); ervandoor gaan

pimpelen pooien: veel drinken; voortdurend met de ogen knippen

pinken met de pink wegnemen; mekaars pink vasthouden; met de ogen knippen; turen; flikkeren

poedelen in water plassen; wassen; missen; puddelen

poelen door het water plassen; baden, zwemmen

poepen veesten; zijn gevoeg doen; bevallen (kind baren); poppen (coÔre, ejaculeren; beslapen)

poezen blazen, hijgen, zoenen, plassen, morsen

poppen met een pop spelen; poepen (coÔre, ejaculeren; beslapen)

posten naar de post brengen; op wacht staan; bewaken; transporteren in het grootboek

prikken met puntig voorwerp druk uitoefenen; opvangen; seinen; neuken; tintelen; met prikklok komst registreren

puffen blazen van de warmte; met kleine ontploffingen gassen uitlaten

pullen drinken, zuipen; trekken, plukken, peuteren

rallen babbelen

rammen tochtig zijn; (met stormram) beuken; (met een ram) stoten; hard spelen; in elkaar slaan; neuken; zeker kaartspel spelen

ratelen met een ratel geluid maken; reutelen; ruisen; snateren

ratten ratten vangen; te pakken krijgen; gappen

reeŽn reden (verleden tijd, meervoud, van rijden)

remmelen rammelen: bronstig zijn; telen

robben gladwrijven en in teer dopen; ravotten; voortschuiven op de ellebogen

rossen roskammen; goed afborstelen; afrossen; heftig krabben; hard, woest rijden

rotten bederven; winden laten, in bed (blijven) liggen; verraden

rotsen rossen; bepleisteren zodat hij van afstand van rotssteen gebouwd schijnt

ruinen castreren; konkelen; mompelen

ruiteren als een ruiter te paard zitten; zich ergens niet op zijn plaats voelen; aan ruiters zetten

salamanderen smijten; vallen; een salamander drinken

scharren scharrelen; knarsen; schrammen; graaien

schilderen met verf overdekken of aanbrengen; als schilder bezig zijn

schildpadden er laten uitzien alsof het van schildpad vervaardigd is

schimmelen beschimmelen; een slaapje doen; het schimmelspel spelen (kaarten)

schrammen de huid even openrijten

simmen schreien, jengelen

slabben morsen onder het eten; (van dieren) leppen, drinken, slobberen

slakken de slakken van een vuurrooster verwijderen

slangen in een brouwerij: uit de gistkelders naar de lagerkelders verpompen

smousen: bedriegen; iemand voor smous uitschelden

snepen schuin afwerken van duigen

snippen snipperen: tot snippers snijden; snippers laten vallen bij 't fatsoeneren; een snipperdag nemen

snoeken met de hengel op snoek vissen

snorren speuren; venten; pakken; een ruisend-brommend geluid geven; in een snorder ergens heen brengen

spekken larderen; vullen; korte kabelgarens dicht bij elkaar door zeildoek steken

spinnen vissen met spinners; wentelen; uit lange vezels door draaien een draad vormen

spitsen scherpen; een scherpe of puntige stand of vorm geven

sponsen ponsen; sponzen: afvegen; pas geverfde muur met spons bewerken

sprieten als een spriet of sprieten op- of uitsteken

steuren haring ongekaakt opzouten

stieren gedekt worden; onder de stier brengen; sturen

tekenen merken; ondertekenen; met potlood,... afbeelden; beschrijven; vertonen; aangeven

tijgeren spikkelen

tinken een kort, fijn en scherp geluid voortbrengen; soort kinderspel spelen; tinkelen (licht)

toeren boemelen; reizen

toeten claxonneren; op een hoorn blazen; tuiten

tollen met een tol spelen; ronddraaien als een tol; aan tollen zetten

tongen als tongen zich verheffen; tongzoenen

tortelen als tortelduifjes bezig zijn, vrijen

trappen stappen; schoppen; maken; fietsen; voetballen

uilen een uiltje vangen, een dutje doen, soezen, suffen

veulenen een veulen werpen

vinken op vinkenjacht gaan; prostituees bezoeken

vissen vis of iets anders uit het water halen; trachten te weten te komen

vliegen zich door de lucht voortbewegen; snellen; snel voorbijgaan; zweven; wapperen

vliegeren vliegers oplaten

vlinderen fladderen; dwarrelen; vlinderslag zwemmen; luchtig van ene relatie tot andere gaan

vlooien vlooien vangen; uitvlooien; het vlooienspel spelen

vogelen vogels vangen; coÔre; beslapen; zich uit liefhebberij met vogels bezighouden

vorsen onderzoek doen

vossen coÔre; bedriegen; onafgebroken studeren, blokken, hengsten

walen kenteren, draaien

winden wikkelen; met een lier ophijsen

wolven veel en gulzig eten; het wolfspel spelen; uitpluizen

wurmen ploeteren, sloven

zanderen (steen met figuren) voorzien van korrelige fond; fysiotherapie van Zander toepassen

zangeren aanbranden; tintelen

zwalmen walmen

zwijnen boffen; zeer slecht spelen; blokken; een liederlijk leven leiden

 

Opnamebeleid

aandr/aankr/aann/aanpr/aanw/aanz/afdr/afh/afm/afn/afpr/afr/afsp/aft/afw/afzw/b/bamz/banz/be/bedr/beg/ben/bew/bez/bijdr/bijn/doork/doorm/doorn/doorw/doorz/dr/g/gladm/gr/h/herdr/indr/inn/inn/inw/inw/inz/inz/kaaidr/k/kadr/kag/kl/klam/klap/kr/l/law/losdr/losw/m/meedr/meesn/misn/n/nakr/naz/naz/nazw/neerm/okket/omdr/omn/omn/omw/omw/omzw/ontn/opdr/opl/opn/opn/opw/opw/opzw/overn/overz/p/pag/pr/r/rondz/sn/sp/t/toedr/toen/toepr/toew/toezw/uitdr/uitk/uitkr/uitw/uitz/uitzw/vastn/verdr/verfr/vern/vers/verw/w/wegdr/weggr/wegm/wegw/z/zwaaien; kaaiboeren, maaibenen, maaivoeten, waaieren

g/j/k/r/sl/afj/afk/afr/beg/ber/nag/opr/aang/besl/insl/meek/na-/nag/ontk/schr/uitr/verg/wegkapen; apenkooien

af/baarzen; baarslagen

beesten; verbeestelijken

bepaald roofdier; mannetjesvarken; mannetje van cavia

af/biggen; neer/biggelen

mannetjesgeit, -hert, -gems; boktor; op/bokken; af/barre/kick/muay-thai/op/prof/schaduw/thai/wedstrijd/boksen; bokselen

platvis; leverbot (ingewandsworm); af/in/ont/uit/botten; aan/af/in/kla/opeen/over/tegen/botsen; af/over/bottelen; be/boteren; boten; botkloppen; botprikken/steken/vieren; botaniseren; boterwegen; botoxen; robotiseren; saboteren

jachthond; brakken; af/bloed/gal/lede/lee/nacht/rad/uit/ziel/braken

braamvis: makreelachtige vis, o.a. zeebrasem; af/bramen

uit/buffelen

mannetjesbij; rond/darren; rond/ver/dartelen; darten; bedaren; de/solidariseren

marmerachtig zoogdier; dashond; af/ju/nij/ver/dassen

soort zebra (ondersoort van quagga); be/over/dauwen; dauwroten/trappen

(daas) steekvlieg

moerasvogel van de familie der reigers: roerdomp, butoor, putoor, pitoor; dompen; in/neer/onder/dompelen

apensoort aan de kust van Guinee; be/in/op/ver/drillen; quadrilleren

(duivel)=duvel: bosduivel, mandril; buidelwolf; benaming voor sommige zwarte kevers; be/duivelen; duiveljagen

(duvel)=duivel: bosduivel, mandril; buidelwolf; benaming voor sommige zwarte kevers; af/be/op/over/uit/ver/duvelen; duveljagen

huisdier van ťťn jaar

bri/f/fi/gri/mi/sno/ezelen

gedomesticeerde vorm van de bunzing; op/fretten; fretteren

Vlaamse gaai, meerkol, merriekol; be/ka/kalle/pa/pape/poep/gaaien; gaaibollen; pape/gaaischieten

jan-van-gent (mooie watervogel, weinig te zien in Gent); ver/gekken; gekjagen/scheren

aan/af/be/door/na/op/over/passa/uit/gieren; arpeg/pla/privile/solfegiŽren

paard of ezel met grauwe haren; aan/af/hazen/toe/ver/grauwen

(griel) doornsluiper, scharluip ('s zomers in de duinen; lijkt op plevier)

(grondel) vis van familie en geslacht van zeevissen; zoetwatervisje (familie der karpervissen)

kabeljauw

af/shang/vershang/haaien

mannelijk paard; mannelijke zalm; waterjuffer; in/op/hengsten

mannetje van honingbij (hommelbij); eigenlijke hommel en koekoekshommel; stronthommel; hommelen; af/be/om/op/rond/schommelen

doffer; ont/verhoornen; hoorndraaien

stronthaan: gekuifde vogel

hork: benaming voor wespen, darren, hommels, horzels; neer/hurken; aan/schurken

(ijsbeer) witte beer in de poolstreken; staartmees; nurks mens

knoros; ka/poe/poen/schobbe/zwijn/jakken; aan/af/dood/door/t/jakkeren; jaknikken

pasgeboren dier; ver/jongen; jongejannen; jongleren

waterjuffer, libel

klander: korenworm; op/kalanderen

kalveren; op/kalfateren; kalfaten; af/uit/kalven

(kapoen) gesneden haan

af/i/om/op/ver/katten

aan/af/door/fijn/her/kies/na/op/over/uit/voor/kauwen

bergvinken, bosvinken, noordvinken, kweevinken; in/uit/ver/kepen; keepen

(kever) schildvleugelig insect; paard

keeshonden; kezen; keesten

kiek = kip; kieken = kuiken; kieken/eren

kip; leeg/om/op/vol/kiepen; om/uit/kieperen; kiepelen

op/kikkeren

hen; hond; af/op/s/uit/kippen; kippenvellen; kipperen

ros; klepperen; kleppertanden

klits: teef; klissen; ver/klisteren

klokhen; ver/kloeken

af/in/uit/klokken; uit/kloken; klokeren; klokkenluiden; klokkijken

kleine zalm van 1,5 tot 4 kg; af/hoofd/in/ja/ont/over/tegen/toe/knikken; om/uit/knikkeren; knikkebenen/bollen

kanoetstrandloper; af/be/knotten; knotsen; knoten; knoteren; knotszwaaien

(koeskoes) groep van klimmende buideldieren met een grijpstaart en zeer dichte pels

koewachter: hooiwagen (spinachtige); na/koeteren; koeterwalen

(kokkel) kokhaan: eetbare hartschelp en gelijksoortige schelpdieren

fazantenhaan

kolgans; heks

na/over/rond/uit/kraaien

krab = krabbe: tienpotig schaaldier met zijwaartse gang; klander, kalander: korenworm

kraanvogels

krekel

krielkip; rondkrielen

wintertaling; zomertaling; krielkip; opkrikken; krikkrakken

geslacht van schelpdieren; af/be/in/ineen/op/samen/ver/weg/krompen (verleden tijden); krompraten

nachtreiger; aan/in/neer/kwakken; voort/kwakkelen; kwakdenken/zalven

(kwartel) hoenderachtige trekvogel

ver/lammen

lauw = louw = zeelt: slijmige vis van de karperfamilie

soort kabeljauw; aan/af/op/uit/ver/lengen; door/plengen

(lep) zeelt: slijmige vis van de karperfamilie

jong ooi: ooilam; in/om/lijsten; over/polijsten; lijstenmaken

(los) lynx

af/afp/bek/bep/ink/ins/k/nap/ont/p/sluizen

made; worm; af/door/gazon/glad/gras/kla/neer/schar/weg/maaien; maaibenen/dorsen/drogen/voeten

schelpdier van het geslacht der mantelschelpen; be/om/ont/mantelen

meeschreeuwen/jouwen/laan/lenteren/lepen/muilen/naaien/pelen/preken/temmen/trijden/urfen; be/burge/mis/over/school/ver/zeden/meesteren

le/lu/sch/zeden/mieren; cad/jere/solmiŽren; mierenneuken

op/mieteren; mieterjagen be/op/sodemieteren

mijter: naam voor overwegend parasitisch levende spinachtige diertjes; op/vermijten; aan/achterna/achterover/af/buiten/dicht/dood/dooreen/her/in/los/modder/na/neer/om/omver/ondereen/opeen/over/overhoop/rond/stuk/toe/uiteen/uit/ver/vol/weg/smijten; mijteren

(mijter) mijt: naam voor overwegend parasitisch levende spinachtige diertjes

over/mollen

mops: soort van kleine dog mot stompe snuit; roet/moppen; mopperen

zwart paard; moren; af/uit/ver/zelf/moorden; ver/smoren

familie kleine vlindertjes; motte: zeug; pla/vermotten; plam/promoten

ruize/muizen

onvruchtbaar geworden koe; aan/af/her/ont/over/uit/ver/munten

uiver, eiber, eidebaar; duif met tekening zoals veren van de ooievaar

d/gen/h/m/tj/t/vl/otteren

o/paarden

pad = padde; schild/padden; paddelen

papegaai(schiet)en

soort kip

eend; pielepoten

aardworm; wit paard, kat; s/ver/pieren; (ap)percipiŽren; con/in/recipiŽren; foto/na/poly/tele/kopiŽren; piercen; pierewaaien; pierogen; spieringen; spiersen

benaming voor verschillende Indonesische weekdieren; aanspijlen

pimpelmees; ver/pimpelen

eenjarig kalf, dat nog alle melktanden heeft; halve snip; pinkogen; hinke/ver/weg/pinken; pinkelen; pinkeren

hond; politieagent; ver/poedelen

jonge eend; jonge kip; poelen; aan/af/be/buitenom/door/hersen/in/leeg/na/om/onder/op/over/schoon/terug/toe/uit/voor/weg/spoelen

meerkoet; mof, Zeeuw, belg, katholiek; broek/uit/poepen; poepgaaien

poespassen; uit/poesten

ingesponnen rups; ont/op/verpoppen; popelen; poperen; poppelen; populariseren

kleine baarsachtige vis; zeedonderpad; = pos

prikvis, lamprei, negenoog; aan/af/bot/door/in/lek/om/op/open/vast/ver/prikken; aan/over/s/prikkelen

kleine, ondermaatse Noordzeevis; hakke/uit/puffen

jong van een kip of eend; pullen; copuleren; katapulteren; manipuleren; populariseren; af/neus/pulken; pulkeren; pulsen; pulseren; ver/pulveren; pulveriseren; stipuleren; verpulpen

loopvogel

rammelaar, mannetjesschaap, -bunzing, -marter, -wezel

rottel: honingdas aan Kaap de Goede Hoop; af/om/p/staart/ratelen

ont/ratten

b/v/afvreeŽn

mannetjeshaas of Ėkonijn = remmer; bed/k/remmelen

robben; b/g/sch/robbelen; robberen; af/na/op/over/uit/ver/weg/schrobben

af/st/ver/rossen

rat; af/door/in/k/op/samen/p/t/uit/verk/ver/wegrotten; beg/dauw/koudwater/lucht/modder/over/veld/warmwater/water/roten; (af/p/sma/t)rotsen; frotteren; (aan)rotzooien; trotseren; trotteren

blankvoorn; af/p/sma/t/rotsen; rotsklimmen; oprotstralen; trotseren

gesneden hengst; k/opk/ruinen; ver/ruÔneren; aan/op/ver/bruinen; bruineren/werken; af/rond/struinen

steltpotig vogelgeslacht; meikever; hooi/ruiteren; veruiterlijken

op/salamanderen

soort kleine platvis (lijkt op bot); schram; in/op/scharren; be/in/ont/uit/scharen; bijeen/om/op/rond/samen/voort/scharrelen; scharrelbenen; scharmaaien/scharminkelen/nieren/reren/telen/ten

brilduiker, brileend: eend met grote witte vlek op elke wang; af/be/bij/bloem/brand/decoratie/dood/email/figuur/fijn/fresco/glas/in/klad/letter/marmer/mond/na/naald/op/over/pastel/porselein/portret/reliŽf/uit/voet/waaier/was/zand/zijde/schilderen

bepaalde vlinder met witte vlek; wit paard; echtgenoot; aan/be/over/ver/schimmelen

gesneden, nog niet volwassen varken, jong varken; schrammen/pen

aap; simmen; simoniseren/pen/plificeren/uleren; as/dis/facsimileren; versimpelen

verse haring die in de Zuiderzee gevangen werd; be/slabben; be/op/slabberen; slabakken/bekakken

buikpotig weekdier; ontijdig geboren kalf; af/ont/ver/slakken; ont/slaken

slangetjesrijden

smoushond, smousbaard: griffon; jood; politieagent; bedrieger; smousen/jassen

snepen = karperachtige vissen; snep = snip; toe/snepen

snep, waadvogel, vroeger veel bij Sneppenbrug; snippen; af/ont/ver/snipperen

nachtegaalrietzanger; af/na/op/rond/uit/snorren; snorken; snorkelen

varkens (verzamelnaam); af/doorspekken; speken

aan/af/droog/fijn/goud/grof/hand/in/koppen/nat/om/ont/op/over/pot/uit/ver/voor/voort/spinnen; spinzen

keeshond; aan/op/toe/spitsen

dier uit de eenvoudigste stam der dieren: Porifera; af/mi/na/sponsen; sponsoren; af/na/sponzen; sponzenvissen

kwartelkoning; (boeg)sprietlopen; sprietelen/ogen/sen

amnestiŽren; be/ver/stieren

teekmijten (huidparasieten), luizen, aardwormen; luizen; aan/af/be/bij/dag/door/figuur/hand//in/ken/keur/kop/kort/lijn/machine/medeonder/mis/model/naakt/na/natuur/onder/op/ornament/over/patroon/perspectief/pleister/projectie/snel/steen/tegen/uit/vakhand/vak/verlit/ver/voor/vormhand/tekenen; aans/achteruits/afs/beelds/bes/bijeens/bijs/bots/doods/doors/draaks/geks/gelijks/hardops/inees/ins/kuipjes/miss/nas/neers/omhoogs/oms/onders/onts/opens/ops/overhoops/overs/palms/rings/staars/streeps/tegens/terugs/toes/turfs/uits/vaatjes/vasts/vers/voorbijs/voors/vooruits/wegsteken

Aziatisch, tropisch katachtig roofdier met gele huid en donkere vlekken of strepen, luipaard (panter), jaguar

zeelt; ins/vers/s/tinken; tinkelen

soort geit uit de Kaukasus, met vrij korte hoorns; toereden/egenen/eiken/ekenen/en/fietsen/iemen/ijden/nooien/oepen/ollen/roeien/skiŽn/usten/varen/zeilen

(jong) varken, met name zeug; af/pe/toeten; in/op/toetsen; af/om/uit/toeteren; stoetelen; toetakelen/asten/ellen/immeren/oepen/rappen/reden/rekken/uigen

familie en geslacht van zeeslakken; om/rond/s/uit/tollen; stem/ver/tolken; be/stolpen; be/(af/samen/weg)gestolen (verleden tijd); tolereren

tongzoenen (Sanne?); kromtongen

duif; tortelduiven

gans; aan/achteruit/af/baggel/be/dauw/dood/door/fijn/in/kapot/los/mis/na/neer/om/op/open/over/plat/stuk/terug/toe/trip/uit/uiteen/vast/ver/voort/water/weg/trappen; trappenlopen; be/ver/water/trappelen; trapperen

nachtroofvogel; groep nachtvlinders; avondmens; niet-homofiel

botvink of andere vogel uit die familie; een kleine vogel in 't algemeen; aan/af/luister/parle/vinken; vinkenpezen

af/beug/be/dood/elektro/ijs/kisse/leeg/op/parel/speer/sponzen/sport/uit/vlieg/wak/wedstrijd/zwart/vissen

aan/achterna/achterop/achteruit/af/be/binnen/buiten/delta/dood/door/dooreen/droog/formatie/heen/instrument/in/kunst/laag/los/mee/nacht/na/neer/om/omhoog/ont/op/opeen/open/over/proef/rond/rug/scherm/ski/sleep/sluip/sport/spuit/stunt/tegen/terug/test/toe/uit/uiteen/verder/ver/voor/voorbij/voort/vooruit/weg/zeil/zweef/vliegen

dier dat kan vliegen; vliegeren

kapel

mensenvlo; (mv.) groep vleugelloze, springende insectenaardvlo, mijt, ...; af/na/uit/vlooien

uit/vogelen

kikvors; door/na/uit/vorsen

bruinrode vlinder (schoenlappersfamilie); roodharige; listige; paard met bruinrode manen en staart; hondachtige

soort van paling met dun, geelachtig buikvel; (af/om/over/rond/ver/voort/weg)dwalen; koeter/tatewalen

windhond, windvoorn (= winde): zoetwatervis; aan/af/be/in/ineen/los/om/onder/ont/op/over/samen/terug/thuis/uit/ver/verz/z/winden; (z)windelen

hondachtige; bijenwolf; korenworm

door/in/om/rond/voortwurmen

sander: snoekbaars

zwaalm, zwaluw

af/ver/zwijnen; zwijnjakken

Webstek van mij, beheerder van deze webstek
© Auteursrecht Frans mijn voeten n H2O(s)   rommel moc.liaMG@sjiNsnarF
Vlaanderen onafhankelijkTen laatste -07-11 Vlaanderen onafhankelijk!  © © © © © © © © © © © © © © Houzee © © © © © © © © © © © © © ©

Vlaams

Naar mijn beginpagina

Naar mijn OneDriveOnedrive voor zaken die bij Telenet er niet meer bij konden

Naar mijn Facebookpagina's: hoofdpagina, hobby's
Naar mijn Google+pagina

foxyform

Creative Commons-Licentie
Frans Nijs startpagina met persoonlijke hobby's van Frans Nijs is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal-licentie.
Gebaseerd op een werk op http://users.telenet.be/FransNijs/.