Werkende lichaamsdelen: 150[1]

Vlaamse makelijVL

: herschikt

Hierboven verschijnt in Chrome huidige datum/uur indien dit bestand niet op internet staat!!!!!

Wees gegroet

, bezoeker, vol van verwachting, het geluk zij met jou, welkom ben jij onder alle bezoekers: indien je mij respecteert, zal ik jou ook respecteren

om/verarmen[1]

omhelzen; enthousiast ontvangen/ armer worden, maken, ook in kwaliteit

n

baarden[2]

baardwerk maken; hekelen; ontbaarden

e

ballen[3]

tot een bal worden, vormen; met een bal spelen

e

bassen[4]

blaffen; snauwen; (diamant) voor de eerste keer slijpen

e

bekken[5]

elkaar met de bek pikken; smaken; snauwen; goed in de mond liggen; loefgierig zijn

 

benen[6]

hard lopen

 

beurzen

naar de beurs gaan; in groepjes met elkaar staan praten

 

billen[7]

de groeven op de maalvlakte van molenstenen scherpen

e

(op)bitten, bitte, gebit[8]

het bit aandoen

e

blazen[9]

krachtig uitademen; winden laten; schieten

n

in/ont/uitboezemen

inprenten/ uit de boezem loslaten/?stochtelijk uiten

e

bollen[10]

tochtig zijn; springen; huilen; kegelspel spelen; rollen; bevallen; repelen; bol staan

 

borstelen[11]

schuieren; vechten; op forse wijze breed schilderen

n

botten[12]

knoppen; weerkaatsen; verschillende kinderspelen spelen

n

brammen[13]

snoeven

 

brodden[14]

broddelen: slecht, slordig werken, knoeien

 

buiken[15]

met een buik staan; dik worden

 

bulten[16]

bulten krijgen; de bulten op een hoop samenbrengen; stoten (geiten)

e

dijen[17]

opzwellen, uitdijen; gedijen, tieren

e

doppen[18]

van de dop ontdoen, stempelen, tollen, dopen, betten, neuken, vechten, tincteren

n

duimen[19]

duimelen; duim opsteken; vals spelen; duimzuigen

 

eiereten (infinitief)[20]

eieren eten

 

eikelen

zeuren, zaniken

 

flappen[21]

klappen; met netten vangen

e

fluiten[22]

fluit spelen; wateren; veel drinken (on-); neuken (gezond)

n

frullen

prutsen

 

gallen[23]

(vis) van de gal ontdoen

e

gatlikken

gatlekken: op een lage, kruiperige wijze vleien

n

laten, liet, gelaten[24]

veroorloven; slaken; prijsgeven

n

hakken[25]

houwen; kerven; splijten

n

halzen[26]

slikken; zwelgen

e

handen[27]

passen; de tegenstander de bal uit de hand slaan

 

haren[28]

scherpen; springen; verharen

e

hartenjagen (infin.)[29]

kaartspel spelen waarin de harten alle voor strafpunt gelden

 

onthersenen

van de hersens ontdoen

n

heupwiegen (Elvis)

het als wiegend bewegen van de heupen

 

hielen[30]

laarzen enz. van hielen voorzien; joggelen

e

hollen[31]

(door)rennen; zeer haastig gaan; staken; hol maken

n

onthoofden[32]

het hoofd afslaan met zwaard of bijl

n

joekelen

schreeuwen; joekeren (neuken)

 

kaken[33]

kapen; kokhalzen

e

kassen[34]

in een kas zetten; op het water slaan; keilen

e

kawauwen[35]

kawauwelen: babbelen; drukte maken; op zijn Antwerps spreken

 

kelen[36]

de keel afsteken; smoren; luidkeels roepen

n

kezen[37]

aan de politiek der kezen doen; neuken; scharrelen

 

kiezen[38]

uitzoeken; verkiezen; stemmen

n

klepperen[39]

kleppend geluid maken; met kleppers spelen; snel of moeizaam lopen

 

klieren[40]

etteren; zeuren

n

klinken[41]

toasten; bellen; ketenen; inklinken; kantelen

e

klitten[42]

een klit vormen

 

kloten[43]

klootschieten; bedriegen; knoeien

n

kneukelen[44]

knikkeren; hard werken; pen zo vasthouden dat knokkels van tweede lid uitsteken

 

knevelen[45]

vastbinden; uitzuigen

n

knikkeren[46]

met knikkers spelen; werpen als knikkers

n

knippen[47]

snijden met een schaar; afknippen (o.a. haar); wegknippen; knappen; aanhouden

n

knokken[48]

vechten; zijn best doen; slaan; wisselen

n

draaikonten[49]

principeloos zijn; om de waarheid heen draaien

 

koppen[50]

wrokken; aderlaten; toppen; met het hoofd terugstoten

n

koten[51]

met koten werpen; bikkelen met kootjes

 

krenten[52]

druiventrossen dunnen; krenterig zijn

 

krieken[53]

piepen; aanbreken

 

kroppen[54]

de krop vullen; volstoppen; opkroppen; joggelen

e

krukken[55]

op krukken gaan; knoeien; kuchen

 

krullen[56]

krullen maken in; krullen hebben; kronkelen

n

kuitschieten[57]

(van vissen) eieren leggen

 

kuiven[58]

van een kuif voorzien

n

kullen[59]

foppen; flauwe kul verkopen

n

kutlikken (infin.)[60]

cunnilingus bedrijven; kontlikken (allemaal lekker)

 

afleden[61]

binnen de baarmoeder amputeren; (verleden tijd van lijden)

e

uit/verleesten[62]

van de leest aftrekken/ op een andere leest zetten

e

lellen[63]

zaniken; een lel geven

n

leuteren[64]

loszitten; talmen; haperen; peuteren; kletsen

 

leveren[65]

de slagen halen (kaarten); overgeven; doen plaatshebben; produceren

n

bek/in/ontlijven[66]

gedijen /indelen; invoegen /doden

n

lippen[67]

de lippen met iets in aanraking brengen; met lippen verbinden (timmeren)

e

lokken[68]

opwekken on naderbij te komen; bekoren; zuigen

n

lullen[69]

neuri?n; zachtjes praten; kletsen; foppen; treuzelen; lamlendig zijn

n

mammen[70]

zuigen aan de borst

 

memmen[71]

leuteren; treuzelen

 

middelen[72]

tussenbeide komen; het gemiddelde berekenen van

e

monden[73]

smaken; behagen; uitmonden

 

mosselen[74]

mosselen eten

 

muilen[75]

morren, pruilen

 

muizen[76]

muizen vangen; ongemerkt weggaan; van muizen voorzien (touw)

n

nagelen[77]

vastspijkeren; wijze van knikkeren

n

afnavelen[78]

met een klem de navelstreng doorsnijden

 

nekken[79]

doden; de genadeslag geven; vernielen

n

neuzen[80]

kijken; snuffelen; de neuzen langs elkaar wrijven

 

ogen[81]

de ogen richten op; bedacht zijn; er (goed) uitzien

 

palen[82]

als een paal in de grond zetten; grenzen aan; neuken; verneukt worden

n

palmen[83]

iets omvatten en door hand over hand te grijpen naar zich toehalen

e

patronen[84]

met het patroon overeenkomen, samenvallen

 

pezen[85]

hard en ingespannen werken; prostitutie bedrijven; co?re; in snelle vaart gaan

n

pielen[86]

zijn best doen; co?re; doelloos bezig zijn; peuteren

 

piemelen[87]

wateren; huilen

 

piepelen[88]

neuken; belazeren (volgens DVD onovergankelijk!!!)

n

piepen[89]

dun, hoog geluid geven; gluren; poffen; oproepen met pieper

 

pikken[90]

met pik insmeren; kleven als pik; naaien; prikken; stelen

 

pinken[91]

mekaars pink vasthouden; met de ogen knippen; turen

 

poepen[92]

veesten; afgaan; bevallen; poppen: co?re; ejaculeren; beslapen

 

poezen[93]

blazen, hijgen, zoenen, plassen, morsen

 

polsen[94]

de pols voelen

 

poten[95]

in de grond steken; plaatsen; straatprostitutie bedrijven

n

preutelen[96]

pruttelen; prevelen; mopperen

 

protten[97]

winden laten; pruilen

 

pruimen[98]

kauwen

 

prutten[99]

zacht koken (pruttelen); sputteren met de mond; baggeren

 

punten[100]

een punt maken aan; neuken; kiemen; knoeien; pinkelen; prikken

n

rapen[101]

oppakken, verzamelen, verkrijgen; berapen

 

reten[102]

roten(; verleden tijd van rijten)

 

ribben[103]

van ribbels voorzien

 

ruggen[104]

een ruggensteun geven

 

uitschee?n[105]

wegnamen uit

 

schouderen[106]

de schouder toekeren

 

slapen[107]

in slaap zijn

 

sneden, snee?n[108]

verleden tijd, meervoud van snijden

 

snorren[109]

pakken, snappen

 

snuiten[110]

neus reinigen; verkoolde pit afknippen; beetnemen; scherpe hoek wegnemen (hout)

n

spenen[111]

niet meer zogen

 

spieren[112]

spieken

 

spleten[113]

de hoeken van 'n vislijn op de spleet zetten (ook v. splijten)

 

sprieten[114]

als een spriet of sprieten op- of uitsteken

 

aanstaarten[115]

kop van een paard aan staart van ander paard binden

 

tailleren[116]

bij de taille wat nauwer maken

 

tampen[117]

neuken, rampetampen

 

tanden[118]

van tanden voorzien; tanden krijgen

 

tappen[119]

een caf? bezitten; aftappen; afluisteren; ?

n

tenen[120]

plagen

 

tengelen[121]

met tengels beslaan

 

testen[122]

aan een test onderwerpen

 

tetten[123]

aan de borst liggen

 

tippen[124]

inlichten

 

titten[125]

zuigen

 

toeten[126]

claxonneren; op een hoorn blazen; tuiten

e

toeteren[127]

herhaaldelijk toeten; roepen; voortdurend winden laten

 

tongen[128]

als tongen zich verheffen; tongzoenen

 

trullen[129]

foppen; gooien; rollen; tuimelen

n

vellen[130]

omhouwen; neerslaan; neerlaten; (een oordeel) uitspreken

n

af/invemen[131]

onreinheden van glasmassa verwijderen; insteken (naaien)

e

vingeren[132]

seksueel bevredigen

 

vlechten[133]

kruiselings over en door elkaar slaan

e

voeten[134]

remmen met voet tegen staartaanzetstuk van paard

 

wallen[135]

de wal van het land opmaken; wellen

e

wangen[136]

eten; met zijstukken vastzetten

 

wauwelen[137]

kletsen; knabbelen; leuteren

 

wreven[138]

verleden tijd, meervoud van wrijven

 

zakken[139]

dalen

 

zolen[140]

van zolen voorzien

 

(ik zwans) zwanzen[141]

onzin vertellen; gekheden uithalen

 

zwetsen[142]

grootspreken

 

bo, e, ek, hs, hf, kk, k0, r, ts

Tekstvak: bo, e, ek, hs, hf, kk, k0, r, ts

hr, kr, kv, lk, vl

Tekstvak: hr, kr, kv, lk, vl

l

Tekstvak: l

hz, ke, k9, nk

Tekstvak: hz, ke, k9, nk

sh

Tekstvak: sh

ht

Tekstvak: ht

bu, ru

Tekstvak: bu, ru

sl

Tekstvak: sl

ge

Tekstvak: ge

ka, w

Tekstvak: ka, w

be, kw, kp, lp, mo, mu, su, t, tr, ww, z

Tekstvak: be, kw, kp, lp, mo, mu, su, t, tr, ww, z

bm, b2, br, j, m, me, sp, tt, ti, tr

Tekstvak: bm, b2, br, j, m, me, sp, tt, ti, tr

bk, ks, nv

Tekstvak: bk, ks, nv

bd, ek, f, fi, gt, kz, k1, k2, kn, ko, kt, lp, ms, mz, pz, pr, pm, pt, sc, sn, s

Tekstvak: bd, ek, f, fi, gt, kz, k1, k2, kn, ko, kt, lp, ms, mz, pz, pr, pm, pt, sc, sn, s

o, wl

Tekstvak: o, wl

bs, bi, gt, ho, ko, k7, k8, pp, po, pr, p4, re, tn

Tekstvak: bs, bi, gt, ho, ko, k7, k8, pp, po, pr, p4, re, tn

nz, su

Tekstvak: nz, su

k4, so

Tekstvak: k4, so

b

Tekstvak: b

bg, ki, td, tg

Tekstvak: bg, ki, td, tg

d

Tekstvak: d

bm, b2, ri

Tekstvak: bm, b2, ri

a, ps

Tekstvak: a, ps

Verspreid: bt, ks, k, k5, lj, pe, si, v

Tekstvak: Verspreid: bt, ks, k, k5, lj, pe, si, v

bn, ky, po

Tekstvak: bn, ky, po

ba, h, hi, k6, n, po, te, tp, vo, wr, zo

Tekstvak: ba, h, hi, k6, n, po, te, tp, vo, wr, zo

ba, bz, (e), ek, fi, fr, kl, kq, ku, ld, lt, lu, pl, (pz), p, pi, py, p1, p2, p3, pk, pn, pu, st, sl, ta, tu, za, zw

Tekstvak: ba, bz, (e), ek, fi, fr, kl, kq, ku, ld, lt, lu, pl, (pz), p, pi, py, p1, p2, p3, pk, pn, pu, st, sl, ta, tu, za, zw

g, lv

Tekstvak: g, lv

bl

Tekstvak: bl

ba, du, hn, k3, k5, k6, n, pa, pn, vm, vo

Tekstvak: ba, du, hn, k3, k5, k6, n, pa, pn, vm, vo

be, hu, ls, md, tl

Tekstvak: be, hu, ls, md, tl

do

Tekstvak: do
 

 

[1] Lichaamsvochten tellen hier niet mee: tranen, bloeden, pissen, kakken, melken?  Ook geen zieke delen: zweren?


 

[1] erbarmen; h/marmelen; al/charmeren; (af)marmeren; (door/na/op/over/ver/voor)warmen; warmlopen; armoeden/oeien; karmijnen; waarmaken/erken

[2] af/likke/ont/uitbaarden

[3] aan/hand/honk/kaatse/korf/samen/sneeuw/soft/voetballen; balderen/en/jaren/lasten/semen/tsen/ustreren; (op/uit)bali?n; afbaljoenen; (op/uit)balken; kabaleren

[4] aan/af/hasse/kabassen

[5] af/blauw/gerre/grim/herre/lekker/rekke/schuim/snater/terug/trekke/vuilbekken; labbekakken; bekabbelen/abelen/aden/akken/alken/allen/amen/ampen/anen/appen/eeuwen/ennen/eren/erven/euren/ijken/ijven/isten/kensnijden/kentrekken/ladden/ladderen/lagen/lampen/lappen/lauteren/leden/lemmen/lemtonen/letsen/lijven/limmen/linken/lodderen/lonteren/loppen/luizen/nabbelen/nagen/nauwen/nellen/nibbelen/nijpen/nijzen/nippen/norren/notten/oekeloeren/oelen/ogelen/oken/okstoven/ollen/ommeren/onkelen/open/operen/oren/orsten/orten/ostigen/rabben/rabbelen/rachtigen/ragen/rammen/ransen/rassen/reunen/ribben/rijten/rimpen/ritiseren/ronen/ruipen/ruisen/uipen/vechten/wamen/wijlen; (terug)bekomen

[6] aan/af/door/gerre/ijle/knikke/maai/na/om/ont/rond/scharrel/trekke/uit/ver/waggelbenen; beenderen; be?ngen

[7] op/over/uit/verbillen; billijken/jarten/joenen; jubileren

[8] opbitten

[9] aan/af/door/glas/in/mede/mee/om/omhoog/omver/op/open/over/samen/tegen/toe/uit/vast/voor/voort/wegblazen; blaaskaken

[10] aan/af/door/harde/knikke/op/rolle/schudde/suize/tokke/uit/zotte/zwierbollen; bolderen; (ont)bolsteren; bolwerken; aboleren

[11] af/in/uitborstelen

[12] af/in/ont/uitbotten; afbottelen; (aan/af/in/kla)botsen; boten; (be/sa)boteren;

bottelen; botvieren

[13] af/bramen

[14] verbrodden, af/broddelen

[15] schuddebuiken

[16] op/uitbulten

[17] be/bene/ge/uit/ver/maledijen; (aan/af/be/in/om/over/toe)dijken; bedijgen; do/dol/dou/douwdijnen; wedijveren; kadijzen

[18] af/op/uitdoppen

[19] duimzuigen (enkel infinitief); duimelen

[20] eiergaren/gooien/koken/leggen/rapen/tikken/zoeken (enkel infinitief); hei/labbeien; door/her/na/om/ont/op/open/uit/ver/bloeien; ont/op/aaneen/boeien; aan/af/gelijk/in/na/om/op/over/recht/rond/toe/uit/ver/breien; uit/ver/broeien; op/geien; aan/na/ont/op/uit/door/over/tegen/ver/voor/gloeien; greien; aan/aaneen/be/bij/dicht/door/dooreen/in/ineen/krom/om/ont/op/over/rond/samen/scheef/uit/uiteen/vast/ver/voort/groeien; af/be/in/onder/proef(enkel infinitief)/ver/heien; kakkestoelemeien (enkel infinitief); karw/kass/klappeien; af/ont/uit/kleien; aan/af/dooreen/ver/knoeien; p/laveien; afk/afv/bakke/k/ontk/uitk/verleien; aan/uit/loeien; koekele/spele/ver/meien; klep/klets/meieren; loeien; ar/be/ver/moeien; n/pleien; af/be/in/over/poeieren; in/om/op/rammeien; af/g/reien; aan/af/be/dood/door/in/op/over/plezier (enkel infinitief) /rond/stijl (enkel infinitief) /terug/uit/vast/ver/voorop/voort/wedstrijd (enkel infinitief) /roeien; be/om/op/ont/schoeien; aan/af/be/uit/voort/schreien; af/dicht/toe/ver/schroeien; af/be/boom (enkel infinitief) /dood/geld (enkel infinitief) /in/na/op/over/uit/weg/snoeien; b/pl/sch/sm/speieren; spreien; be/over/sproeien; ver/stoeien; af/vleien; aan/af/be/bijeen/bij/dooreen/door/heen/ineen/in/leeg/na/neer/om/onder/ont/op/over/samen/terug/toe/uiteen/uit/ver/voort/weg/vloeien; kar/ont/zweien

[21] af/neer/toe/uitflappen

[22] aan/af/boom/na/over/toe/uitfluiten

[23] vergallen; (na/op/over/uit/weer)galmen; galbraken/gen/pen; regaleren

[24] aan/achter/ader/af/binnen/boven/buiten/daar/door/in/los/na/neer/op/open/over/thuis/toe/uit/voor/vrij/weg/gelaten

[25] af/be/bij/door/fijn/hout/in/koek/los/meter/neder/neer/om/onder/open/op/rond/stuk/toe/uit/ver/weghakken; (af/na)hakkelen; hakselen; hakkepoffen/ketakken/keteren; haktakken; (aan/af/in/los/na/om/ont/op/over/s/uit/vast/ver/voor)haken; (af)schaken; schakelen/eren

[26] kat/kik/kok/om/ont/reik/rek/uithalzen; halsteren

[27] mishanden; handenwringen; handballen/giften/granaatwerpen/haven/icappen/jeklappen/jevrijen/kijken/lezen/melken/opsteken/reiken/stoppen/tekenen/vergulden/werken/weven/zingen; (af/be/mis)handelen; handeldrijven; overhandigen

[28] af/be/sc/besc/insc/ont/pluk/uit/verharen; haareten; schaarden

[29] scharten

[30] af/op/uithielen

[31] af/door/na/uit/weghollen, holen, na/om/opscholen

[32] hoofdrekenen/schudden (enkel infnitief)

[33] blaas/blaf/haringkaken

[34] in/kis/verkassen; kasjeren/seien/sieren/tijden; (uit/ver)kasten

[35] kawauwelen

[36] bakkelen, besprinkelen, bikkelen, af/in/uit/ver/weg/brokkelen, om/cirkelen, computerwinkelen (enkel infinitief), convertikelen, dinkelen, achterover/kopje/koppeltje/om/op/duikelen, eikelen, af/fakkelen, fikkelen, fonkelen, af/na/ver/hakkelen, na/uit/hekelen, hekkelen, af/hinkelen, huikelen, jeukelen, joekelen, na/over/tegen/uit/kakelen, kamankelen, kekelen, keukelen, kinkelen, ver/kneukelen, knokelen, kokkelen, be/ver/konkelen, konkelfonkelen, krakelen, kramakkelen, krekelen, om/ver/kreukelen, krinkelen, af/ineen/om/op/kronkelen, af/om/kukelen, voort/kwakkelen, kwikkelen, makelen, mokkelen, monkelen, ver/nikkelen, orakelen, be/door/in/terug/ver/pekelen, mis/pikkelen, pinkelen, poekelen, pokkelen, preukelen, aan/over/prikkelen, puikelen, op/rakelen, rakkelen, reukelen, rinkelen, ronkelen, aan/aaneen/achteruit/af/door/gelijk/in/los/om/ont/op/over/terug/uit/voor/schakelen, scharminkelen, schrankelen, over/schrikkelen, sjaskelen, op/smikkelen, af/binnen/buiten/door/in/over/smokkelen, sneukelen, snorkelen, sparkelen, be/over/spikkelen, sprankelen, be/door/over/sprenkelen, sprikkelen, af/bijeen/na/sprokkelen, stakelen, stokelen, strijkelen, stronkelen, struikelen, strunkelen, aan/achterna/af/binnen/buiten/door/in/na/om/op/over/rond/ver/voort/sukkelen, tabernakelen, tackelen, af/be/ont/op/toe/uit/ver/takelen, tikkelen, tinkelen, tjokkelen, aan/tokkelen, trakelen, twinkelen, verenkelen, vonkelen, wakelen, wakkelen, wankelen, wiekelen, af/in/ineen/los/om/ont/op/overont/ver/wikkelen, pret/tele/thuis/winkelen, wrikkelen

[37]

[38] door/her/in/uit/uitver/verkiezen; kieskauwen

[39]

[40]

[41] aan/af/be/in/mee/na/om/op/toe/uitklinken; klinkeren

[42]

[43]

[44]

[45] afknevelen

[46]

[47] af/be/bij/door/in/kaal/los/na/op/over/toe/uit/ver/wegknippen; knipogen; knipperen

[48] af/uitknokken; knokelen

[49] bofkonten

[50] (aan/in/om/schudde/weg)koppen; (af)koppelen; aan/af/be/bij/in/leeg/los/mis/om/op/uit/ver/voor/vrij/weer/weg)kopen; (be)koperen; kopi?ren/frezen/maken/peren/rollen/seizen

[51]

[52]

[53]

[54] op/over/uit/verkroppen

[55]

[56] om/ont/opkrullen

[57]

[58] opkuiven

[59]

[60] kutsen

[61] (af/be/in/om/op)kleden; sleden; af/ontleden

[62] af/be/door/heen/her/in/mede/mee/mis/na/op/over/stuk/uit/ver/voorleest; af/ontvleest

[63]

[64] af/kleuteren

[65] aan/af/bij/e/in/na/op/re/toe/uitleveren

[66]

[67] (af/door/in/onts)lippen; liplezen; over/flippen; flipperen; (af/door/in/ont/uit/weg)glippen; glipperen; klipklappen/pelen

[68] (aan/af/in/mede/mee/ont/over/uit/ver/voort/weg)lokken; (af/ont)blokken; (af/in/uit)klokken; bloken; blokkeren; flokken; (uit)kloken; klokeren; lokazen; plokken; (in/op)slokken; (ont/uit)vlokken

[69] aan/af/be/pa/verlullen

[70] vermamsen

[71] memoreren

[72] bemiddelen

[73] uitmonden

[74]

[75] mees/s/smak/zuurmuilen; muilkorven

[76] smuisteren

[77] aan/aaneen/af/be/door/in/ont/over/toe/vast/vernagelen

[78]

[79]

[80] (af/door/druip/na/o/rond)neuzen; (af)kneuzen

[81] (af/b/be/blik/ged/gluur/in/knip/leep/loer/oorl/pier/pink/p/puil/snel/star/traan/z)ogen; (af/in/na)oogsten; (af/in/na/op/uit/ver)drogen; drooggeilen/houden/leggen/lopen/maken/malen/neuken/persen/reinigen/schuren/ski?n/slijpen/spinnen/staan/stoken/vallen/vliegen/vriezen/wrijven/zetten/zwemmen; (aan/af/op/ver)hogen; omhoogdrijven/feesten/gaan/houden/jagen/komen/lopen/richten/schietn/slaan/steken/trekken/vallen/varen/vliegen/voern/werken/zitten; (af/in/uit)logen; (ver)mogen; (be/mis/ver/ziel)togen; be/ont/voogden

[82] af/be/ompalen

[83] in/op/over/uitpalmen; palmeren

[84]

[85] aan/uitpezen

[86]

[87]

[88]

[89]

[90]

[91] hinke/ver/wegpinken; pinkelen; pinkeren; pinkogen

[92]

[93]

[94] polsteren

[95] neder/neer/over/be/in/om/aan/be/uit/verpoten

[96]

[97]

[98] droog/o/op/sirih/zuurpruimen

[99]

[100] aan/af/be/bijpunten; punteren

[101] af/afschr/be/bijeen/bijeenschr/op/samen/sch/uit/uitschrrapen

[102]

[103]

[104]

[105]

[106] schokschouderen

[107] be/bij/door/in/ont/over/uit/voort/verslapen

[108]

[109] af/in/na/op/uitsnorren; snorkelen; snorken

[110] af/bij/uitsnuiten

[111] verspenen

[112]

[113]

[114] sprietelen/lopen/ogen/sen

[115] druipstaarten

[116]

[117] rampetampen; (aan/af/in/op/uit)stampen

[118] af/blik/in/klapper/knarse/na/op/uit/ver/watertanden; standhouden; tandakken

[119] aan/aans/af/afs/bes/in/ins/mis/nas/oms/ops/over/s/toes/uit/uits/ver/vers/wegstappen

[120]

[121] betengelen

[122]

[123]

[124]

[125]

[126] af/pe/toeten; stoetelen; toetellen

[127] af/om/toeteren

[128]

[129]

[130] af/neder/neer/ont/vervellen; velgen/kanten; ra/re/deu/dre/heu/keu/ke/kre/preu/scha/scheu/schra/sneu/ste/stui/wervelen; (be)duivelen; (af/be/op/uit/ver)duvelen; (uit)hevelen; (her/in/uit/ver)kavelen; (af)knevelen; (af)navelen; (be/om/ver)nevelen; (af)prevelen; (be/ver)velen; (uit)zavelen; (af/be)zwavelen; cu/reveleren

[131]

[132] bevingeren

[133] aan/aaneen/af/door/dooreen/in/om/ont/op/over/samen/ver/stro/touwvlechten

[134] maai/plat/sleep/stampvoeten; voetballen/eren

[135] af/be/omwallen; (tate)walen; (af/om/ver/weg)dwalen; (be/k/over/z)walmen; (af/in/over/toe/uit)walsen; (be/om)zwalken; (om/op)zwalpen; kwali?n; (over)walken; walgen

[136] bewangen

[137] mond; kawauwelen

[138]

[139] aan/af/be/bij/door/gort/in/ineen/na/neder/neer/om/ont/op/over/pie/terug/toe/uit/ver/verhabbe/wegzakken; zaklopen; nood/verzaken

[140] halve/verhalve/verzolen

[141]

[142] mond, wauwel;

Webstek van mij, beheerder van deze webstek
Auteursrecht Frans mijn voeten n H2O(s)   rommel moc.liaMG@sjiNsnarF
Vlaanderen onafhankelijkTen laatste -07-11 Vlaanderen onafhankelijk!  Houzee

Vlaams

Terug naar vorige pagina

Naar mijn beginpagina

Naar mijn OneDriveOnedrive voor zaken die bij Telenet er niet meer bij konden

Naar mijn Facebookpagina's: hoofdpagina, hobby's
Naar mijn Google+pagina

foxyform

Creative Commons-Licentie
Frans Nijs startpagina met persoonlijke hobby's van Frans Nijs is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal-licentie.
Gebaseerd op een werk op http://users.telenet.be/FransNijs/.