Loenhout

  De naam schijnt “esdoornbos” te betekenen. Loenhout is een landelijke gemeente gelegen op de noord-oostelijke grens van het arrondissement Antwerpen. Loenhout telde in 1976 2930 inwoners en was 3111 ha groot. Ten westen vloeit de Grote AA, die de scheiding vormt met Wuustwezel en het oostelijk deel wordt doorsneden door de E-19. De bebouwde kom ligt in het westen. Loenhout behoort sedert 1-1-1977 tot de gemeente Wuustwezel.

De oorsprong van het dorp is Frankisch. De eigenlijke ontginning werd echter pas ingezet onder keizerin Maria Theresia. Loenhout was van oudsher een landbouwdorp en is dit tot op heden gebleven met weiland, voedergewassenteelt, een weinig tuinbouw en een sterk ontwikkelde pluimvee- en varkensteelt.

De dorpskern van Loenhout, de Huffel geheten, bestaat eigenlijk uit twee centra. Het ene wordt gevormd door het kerkplein, het andere is van oorsprong een echte Frankische driehoek en ligt ten De "Plaetse" in de jaren 1900noorden van het kerkplein. Het tweede plein heet nu de Oude Dorpsstraat, maar werd voorheen “de Plaetse” genoemd. Aan dit plein staan enkele fraaie oude huizen, vanouds bekend als de “Elsackerhuizen”. De oudste bebouwing treft men aan rond de Oude Dorpsstraat (met o.a. het Schaliënhuis en de Secretarishoeve) en de oude verbindingsweg Wuustwezel - Hoogstraten (met de parochiekerk, de St Quirinuskapel, de pastorie en de tiendschuur).

De oudste blijk van de bemoeienis der van Elsackers met het Schaliënhuis dateert van 26-08-1560. Op die datum kocht Michiel van Elsacker het huis van Jacob van der Vloet, schout te Wernhout. Het Schaliënhuis was vanouds een brouwerij en een herberg, waar de schout en de schepenen van Loenhout hun vergaderingen hielden. Het brouwen van bier, dat van zeer groot belang was in een tijd dat veilig drinkwater schaars was, werd door zeer vele landbouwers aan huis gedaan als nevenbedrijf, even als het houden van een herberg overigens.

Het kasteel (aan de Hofdreef) werd gebouwd ter plaatse van een Vrouw met falie uit Loenhout15e eeuwse waterburcht die verschillende malen van eigenaar veranderde. Alleen de noordelijke traptoren met korfboogvormige muuropeningen en enkele moerbalken met versierde sloffen bleven bewaard. Het huidige kasteel zou ge(ver?)bouwd zijn in 1746 door Jan Walckiers. In 1841 kwam het kasteel aan de familie Montens die het volledig vernieuwde en restaureerde.

De parochiekerk van St-Petrus en St-Paulus (gelegen aan de oude baan Hoogstraten - Loenhout - Wuustwezel) is een laat-gothische kerk en werd gebouwd rond 1525. De torenDe abdij van Hemiksem. Zij had een grote invloedsfactor in Loenhout echter zou reeds dateren van vóór 1485 en werd gerestaureerd in 1756. Herstellingswerken werden uitgevoerd in 1853, 1866, 1885, 1923, 1928 en 1935. In het oorlogsjaar 1940 werdt het gebouw en het meubilair van de kerk zwaar beschadigd en zo verdwenen al de grafzerken. Herstellingswerken werden uitgevoerd in de periode 1949-1951.

De oudst gekende schepenbank (in 1411) van Loenhout bestond uit : Jan Peeterssone, Peeters van der Ast, Meeus Laureyns, Weyeman van der Beke, Henric Lodewijcx, Geert de Wolve en Heynric Peeter Heijlens. In 1470 waren dit Jan Heylen, Jan van der Ast, Lenaert van der Buyten, Cornelis Bode, Jan Lodewijcx, Wouter de Bije en Henric Hovelmans. Hoeveel van deze namen komen nu nog in de gemeente voor?

Loenhout heeft drie molens gehad. De jongste, die een stenen molen was, is door de oudste Loenhoutenaren nog gekend. De twee andere dateren van in de oudheid. Een houten windmolen was gelegen aan de Molenakker. Tijdens een storm in 1911 is hij omgewaaid en nooit meer hersteld. Hij was toen eigendom van de familie Van Dijck. Maar er was nog een watermolen gelegen op ter Eyck, daar waar nu nog de Watermolenbrug gekend is. Over deze molen is weinig bekend. Hij wordt zeer weinig in de archieven vermeld. In december 1481 : “doen de molen verbrant was dat die Cornelis (de molenaar) voirtvluchtich is gewest ende dat de rentmeester is comen ende heeft die hoije vercocht sonder vonnis ende sonder recht....” Wij vernemen verder dat de borgen worden aangesproken om voor de schade op te komen : “Heyn van Aken als rentmeester heeft begeert beset te hebben de borch van den molen...”. Wanneer de watermolen terug is opgebouwd is blijkbaar niet meer geweten. Alleszins is dit eerst na 1513 gebeurd. Veel later vinden wij een akte van 15-05-1564 waarin gecertifieerd wordt dat : “ Jan de molenaere Claessone den tijt van tien oft elff jaren in pachtinghe heeft gehadt tot diverse jaren ende pachtinghen soo de watermolen als de wintmolen van mijne ghenadige Heere de Grave van Arenbergh...”

De loenhoutenaren worden spottend de “pezeriken” genoemd (pezerik = varkenspees). De pezerik werd gebruikt om zagen, schoenen, enz.. te smeren. De pezerik ( = bullepees) werd opgehangen onder de luifel naast de achterdeur. Men verhaald dat dit werd gedaan omdat men weinig tijd had om te schoven ( = schaften). Sommigen zeggen dat de loenhoutenaars dus harde werkers waren, volgens het spreekwoord : “ergens de pees op leggen”.

Terug naar Homepage