Twintig jaar geleden (1986) vertrok Duvalier als een dief in de nacht.

 

In Lambi 24 hebben we reeds beschreven hoe de eerste acht jaren van Jean-Claude Duvaliers  regime gekenmerkt werden door een alsmaar toenemende corruptie. De volgende acht jaren waren niet veel beter. Na zijn huwelijk met Michèle Bennett in 1980 scheen Baby Doc immers nauwelijks nog te beseffen dat de staatsgelden niet tot zijn privé-vermogen behoorden. Ondertussen werd Haïti echter wel geconfronteerd met rampen als AIDS en de varkenspest. Toen paus Johannes-Paulus in 1983 op bezoek kwam en publiekelijk verklaarde dat er in Haïti dringend veranderingen moesten komen, betekende dit voor de president het begin van het einde. Duvalier zou op de latere gebeurtenissen immers geen vat meer krijgen.

 

 

Het Taiwan van de Caraïben

 

Eind jaren zeventig had het Jeanclaudisme bij Amerikaanse investeerders een zeker succes. De Haïtiaanse regering had de ondernemers verzekerd dat er geen lastige vakbonden op het toneel zouden verschijnen en dat ze voor tien jaar zouden vrijgesteld worden van belasting. Dit waren schitterende voorwaarden, er moest alleen af en toe iets ‘geregeld’ worden met de president en een paar andere officiëlen. In Port-au-Prince werden snel een 250-tal assemblagebedrijven uit de grond gestampt die werk verschaften aan ongeveer 60 000 laaggeschoolde, vooral vrouwelijke arbeiders. Baseballen, elektronische componenten, kleren, kleine meubeltjes, kortom, alles waarvoor veel volgzame handenarbeid nodig was scheen nu ineens uit Haïti te komen. Haïtiaanse vrouwen waren bereid om voor drie dollar een ganse dag te werken. En vermits elke Haïtiaan met werk minstens vijf werklozen voedt, zou je kunnen stellen dat de assemblage-industrie in die periode ongeveer 300 000 mensen in leven hield, ongeveer een kwart van de hoofdstedelijke bevolking. De staatsfinancies werden er echter niet beter van en in het binnenland bleef de armoede toenemen. 

 

 

Michèle Bennett

 

Ondertussen was er in het privé-leven van de president een verandering op til die zijn schaduw over het ganse land zou werpen.  In 1979 begon hij zich aan de invloed van zijn dominante moeder Simone Duvalier te ontworstelen en was aldus terug in contact gekomen met Michèle Bennett, een slanke mulattin van twijfelachtige reputatie.  Ze hadden nog samen op de lagere school gezeten maar Michèle was later door haar vader Ernest Bennett naar New York gestuurd. Daar was ze in 1973 gehuwd met Alix Pasquet, nota bene de zoon van de man die in juli 1958 na een invasie had geprobeerd François Duvalier te vermoorden maar die daarbij zelf door een stommiteit om het leven was gekomen. Ondertussen was ze echter terug in Port-au-Prince verschenen als een gescheiden moeder met twee jonge kinderen. Ze werkte nu als secretaresse in de exportfirma van haar vader. Die man was echter ook verre van onbesproken, vader Duvalier had hem destijds zelfs nog in de gevangenis laten gooien voor financieel gesjoemel.

 

 

 

 

Een belangrijke beslissing

 

De president nam de tot dan toe  belangrijkste beslissing uit zijn leven. Hij wilde huwen met Michèle. Maar gans zijn entourage was tegen het huwelijk en de symboliek die het opriep. Zijn moeder sprak bitter over Michèle´s slechte faam en over het feit dat haar twee zoontjes kleinkinderen waren van de man die nog Jean-Claude´s vader had willen vermoorden. Ook zijn politieke adviseurs waren tegen. Zij waarschuwden hem dat een huwelijk met een mulattin zou uitgelegd worden als verraad aan de zwarte revolutie van vader Duvalier. Het zou hem veel populariteit kosten, dachten ze. Maar Baby Doc luisterde niet naar goede raad.

 

Presidentieel huwelijk

 

Op 27 mei 1980 was het dan zover. In de kathedraal van Port-au-Prince huwde de president-voor-het-leven met Michèle Bennett. Het huwelijk werd met veel pracht en praal ingezegend door de aartsbisschop Monseigneur Wolff-Ligondé, die, toeval of niet, als neef van Michèle´s moeder ook zonder veel problemen voor de toelating uit Rome had kunnen zorgen. De bruid was immers al eens getrouwd geweest. Het feest dat volgde had Hollywood-allures en was één van de spectaculairste uit de Haïtiaanse geschiedenis. Terwijl vrienden en familie van het koppel aanschoven voor een rijkelijke receptie kregen honderdduizenden op straat gratis soep en rum. Op reuze televisieschermen konden de armen overal in het land de gebeurtenissen volgen. Maar zij waren niet tevreden. Zij vonden dat hun president hen had verraden. De  buitenlandse pers sprak er schande over dat het huwelijk vijf miljoen dollar had gekost, terwijl het land moest leven van ontwikkelingshulp.

 

 

Het huwelijk had ook gevolgen voor de Duvalieristen van de oude stempel, de zogenaamde Dinosauriërs, de echte noiristes, die vonden dat de president zich had vergist. Zij verdwenen uit de omgeving van Jean-Claude, want die zou zich via zijn corrupte schoonvader meer en meer met een rijke mulattenelite gaan omringen, maar op de achtergrond bleven deze anciens de gebeurtenissen met veel aandacht volgen.

 

.

 

De Cayo Lobos-affaire

 

Na de glitter van mei 1980 zou de ganse wereld in de herfst van dat jaar  met het echte lot van de Haitïanen geconfronteerd worden. Op 22 september waren 116 mannen, vrouwen en kinderen, die de armoede niet meer aankonden,  in een boot richting Florida geklommen. Tijdens de overtocht, op veertig kilometer van Cuba, begon de boot echter slagzij te maken. De kapitein kon nog net de opvarenden aan land zetten op een klein verlaten eilandje, Cayo Lobos, dat tot het territorium van de Bahamas behoorde. ´s Nachts zeilde hij echter stilletjes weg en liet zijn passagiers  in de steek. Op het onherbergzame eiland.groeide niets, er was geen voedsel en geen water te bespeuren. De Haitïanen probeerden te overleven door wilde krabben te vangen en wortels van bomen te eten. Tevergeefs, na een week waren er al vijf gestorven. Eén van hen, Gilner Gérard, kon het niet langer aanzien en sprong in zee, een zekere dood tegemoet. Maar hij werd opgemerkt door een vissersboot en miraculeus gered. De regering van de Bahamas liet hem terug naar Haïti brengen waar zijn verhaal in het lang en het breed werd gebracht op Télé-Nationale en verschillende radiostations. Iedereen was geschokt. Behalve Jean-Claude en zijn regering, die niet van plan waren zich het lot van de andere schipbreukelingen ook maar enigszins aan te trekken. Ondertussen hadden ook  Amerikaanse burgers in een privé-vliegtuigje de overlevenden ontdekt. Plichtsbewust hadden zij niet alleen de autoriteiten op de Bahamas verwittigd maar waren ook teruggevlogen om voedselpakketten te droppen welke de Haitïanen zonder twijfel in leven hebben gehouden. Vanuit Port-au-Prince meldde men toen aan de Bahamas dat ze met de vluchtelingen mochten doen wat ze wilden. Een boot van de kustwacht zou de klus klaren en de Haitïanen, de paria’s van de Caraïben, verwijderen van hun grondgebied. Maar de wanhopigen weigerden aan boord te gaan en wierpen met stenen. Toen er dan troepen werden aan land gebracht vormden de Haitïanen een menselijke ketting. Er kwam traangas aan te pas en er werd met de kolf van het geweer geklopt om de vluchtelingen aan boord te krijgen. Een filmploeg van CBS was ter plaatse. De ganse wereld kon het afschuwelijke gebeuren volgen. Op 16 november werden de Haitïanen dan terug thuis afgeleverd en daar zo snel mogelijk weggemoffeld.

 

 

1983: Werkloze jonge Haïtianen dromen van een beter leven in Florida

 

 

 

 

Twee maten en twee gewichten

 

De regering was razend en beschaamd dat de Haïtiaanse ellende zo wereldwijd te kijk werd gezet. Maar ze veranderde niets aan die miserie. En aldus bleven niettegenstaande alle risico’s de ‘boat people’ het land verlaten, meestal met bestemming Miami. Want wie levend in de Verenigde Staten geraakte kon van daaruit proberen het gezin thuis te onderhouden. Vanaf eind 1980 kwam dan inderdaad een groot contingent Haitïanen in de V.S. aan. Terzelfdertijd kwamen echter ook duizenden Cubanen aan, tegenstanders van het Castro-bewind.  Eerst was er sprake van een voorlopig statuut voor zowel de Haïtiaanse als de Cubaanse vluchtelingen. Dit statuut zou dan later omgezet worden in een vaste verblijfsvergunning. Maar er gebeurde iets vreemds. Ronald Reagan was ondertussen president geworden en die ontving liever vluchtelingen uit Cuba, want die konden zijn anticommunistische propaganda dienen. Voor de Cubanen kwam alles dus gemakkelijk in orde. De Haitïanen integendeel belandden in de gevangenis. Voor hen werd er in stilte een officieel terugkeerprogramma opgestart. Ze kregen wel nog de kans eerst hun geval voor een rechtbank uit de doeken te doen – het recht om gehoord te worden is in de V.S. immers een grondrecht – maar werden nadien onverbiddelijk het land uitgezet. Er werd vaak ook niet gezorgd voor vertalers en aangepaste verdedigers. Er geraakten zelfs gevallen bekend van advocaten die hun Haïtiaanse cliënten kwamen bijstaan en van de rechter te horen kregen dat deze reeds gevonnist en gedeporteerd waren.

 

Respect voor de mensenrechten in ruil voor steun

 

De Reagan-administratie sloot in deze periode ook een overeenkomst af met de Haïtiaanse regering waarin bepaald werd dat de kustwacht die tussen Florida en Haïti patrouilleerde om het even welk schip mocht tegenhouden waarvan vermoed werd dat er vluchtelingen aan boord zaten. Het Amerikaanse congres eiste tevens van de Haïtiaanse regering dat ze moest meewerken om de illegale stroom vluchtelingen tegen te houden, de economische ontwikkeling en de mensenrechtensituatie in het land te verbeteren en een einde te stellen aan corruptie en wanbeheer. In ruil voor financiële hulp uit de Verenigde Staten zou Duvalier jaarlijks moeten bewijzen dat de mensenrechtensituatie in zijn land verbeterd was. In de praktijk waren deze bewijzen evenwel zo oppervlakkig dat de Amerikaanse hulp ongestoord kon doorgaan.

 

 

De varkenspest

 

In 1978 was er in de Dominicaanse republiek varkenspest uitgebroken en het volgende jaar was de ziekte al in Haïti. Waarschijnlijk zou de Haïtiaanse regering maar laten betijen hebben, en misschien was dat deze keer wel een terechte aanpak, want het inheemse creools varken was een sterk dier, de epidemie had een grote kans om vanzelf uit het land te verdwijnen. Dat varken was de spaarpot van de  Haïtiaanse boer. Alle afval ging naar het varken dat meestal vastgebonden werd aan een boom bij het huis. Als er iemand stierf, als iemand ziek werd, als een kind schoolgeld nodig had, dan was de cochon daar. Het werd gedood en verkocht en men kon opnieuw een tijdje voort.

 

De ziekte was echter desastreus voor de op bijna industriële schaal gekweekte en kwetsbare varkens in de Verenigde Staten en Canada. Deze twee landen die tevens Haïti´s belangrijkste donoren waren eisten daarom van Haïti geen halve maatregelen. In 1981 werd 23 miljoen dollar vrijgemaakt en moest Haïti overgaan tot de volledige uitroeiing van alle varkens op zijn grondgebied. In een volgende fase werden rechtstreeks uit de V.S. nieuwe rassen ingevoerd. Deze varkens hadden echter speciaal voedsel en een echte stal nodig, ze konden dus helemaal niet de rol van het creoolse varken overnemen. Aldus was de eenvoudige boer van deze ganse affaire het grootste slachtoffer. Er kwam veel ontevredenheid  in het land omdat de regering in Port-au-Prince  er geen rekening mee had gehouden dat al die hoog veredelde rassen geen resultaten konden geven in de leefomstandigheden van de gewone Haïtiaan. Die was men weer eens vergeten.

 

AIDS

 

De varkenspest was niet de enige ramp die het land trof in het begin van de jaren tachtig. De tweede boosdoener was AIDS of beter gezegd de angst voor AIDS. Het toerisme kreeg een flinke deuk omdat de ganse wereld bij het uitbreken van de dodelijke ziekte in 1982 aanvankelijk dacht dat Haïti aan de basis ervan lag. Zowel AIDS als de varkenspest zouden de reputatie van het regime langzaam maar zeker meer ondermijnen dan bomaanslagen en kritische artikels in de pers. En het waren misschien nog niet eens de twee kwalen op zich die zo veel kwaad bloed zetten, want die overkwamen het land eigenlijk een beetje per ongeluk, maar het was de  manier waarop het regime en de Duvaliers soms deden alsof er niet veel aan de hand was. Michèle Duvalier Bennett, ondertussen de First Lady van Haïti nadat ze Jean-Claude´s moeder Mama Simone had opzij geschoven, bleef in Parijs en New-York geld uitgeven alsof ze een prinses van één of ander rijk sprookjesland was. Haar vader, Ernest Bennett deed ondertussen zijn ding en wrong de Haïtiaanse economie tot de laatste druppel leeg. Op mysterieuze wijze moesten zijn bedrijven geen uitvoertaksen betalen. Met zijn luchtvaartmaatschappij Haïti Air verdiende hij zelfs nog wat bij door cocaïne naar de Verenigde Staten.te smokkelen

 

 


De paus

 

In 1983 slaagden de Duvaliers erin om de paus op bezoek te krijgen. Johannes-Paulus was op reis in Latijns-Amerika en zou op 9 maart ook eventjes Haïti aan doen. Hij had twee  agendapunten. Vooreerst wilde hij de afspraak die ooit met vader Duvalier gemaakt was rond de politieke benoeming van bisschoppen ongedaan maken en vervolgens wou hij die bisschoppen wijzen op hun morele verantwoordelijkheid tegenover de bevolking, bevreesd als hij was dat anders de Ti Léglis, de Haïtiaanse vorm van Bevrijdingstheologie, te veel invloed zou krijgen. De Duvaliers van hun kant hoopten dat de aanwezigheid van de paus hun eigen blazoen wat zou kunnen oppoetsen.

 

Tienduizenden Haitïanen verzamelden zich op de luchthaven van Port-au-Prince om de DC-10 van de paus te zien landen. Toen de heilige vader het vliegtuig verliet negeerde hij bewust de rode loper en kuste het gewone beton. De Haitïanen juichten van vreugde. Vervolgens hield Jean-Claude een bombastische speech. De paus luisterde terwijl hij met zijn linkerhand de zon van zijn gelaat hield. Toen was het zijn beurt. In zorgvuldig Creools sprak hij zijn tekst: “De goederen moeten hier beter verdeeld worden….. er moet hier een rechtvaardiger organisatie van de maatschappij komen en leidinggevenden moeten zich dienstvaardiger opstellen…De machtigen en de rijken moeten hun verantwoordelijkheid opnemen tegenover hun broeders en zusters.” Op dit punt werd hij onderbroken door donderend applaus. Hij ging verder: “Koté  ou? Waar zijn jullie?”  De Haitïanen juichten: “We zijn hier!” En toen riep de paus: “ De dingen moeten hier veranderen.” Hij liet daarmee zijn toehoorders  weten dat hijzelf en de ganse wereld op de hoogte waren van de Haïtiaanse miserie. In de misviering die op zijn toespraak volgde bracht hij nog eens een zelfde boodschap. Voor de Duvaliers werd het niet hun beste dag. Het ganse land gonsde van de pauselijke taal die als een katalysator werkte op wat er al aan het broeien was.

 

De eerste manifestaties

 

Toch zou het nog een vol jaar duren vooraleer openlijke manifestaties tegen het regime losbarstten. Die vonden eerst plaats in Gonaives in mei 1984. Een hongerige massa trok de straten op en plunderde warenhuizen. Ze riep slogans tegen de regering en eiste het vertrek van de gehate Michèle Bennett en haar vader uit Haïti. Het leger greep in en schoot een veertigtal betogers dood. Een week later herhaalde zich een gelijkaardig scenario in Cap Haitien. De regering besloot daarop tot krachtige tegenmaatregelen en liet in juni en november van dat jaar honderden tegenstanders arresteren. Maar de honger bleef aan de Haïtiaanse bevolking knagen. Begin 1985 leidden katholieke priesters 30 000 manifestanten door de straten van Port-au-Prince. Ze schreeuwden dat ze genoeg hadden van de honger en van de miserie.

 

Duvalier probeerde tijd te winnen door op 22 juli een nationaal referendum te organiseren. De bevolking moest zich uitspreken over de verderzetting van zijn presidentschap-voor-het-leven en over de legalisering van bepaalde politieke partijen die echter de facto niet christelijk, socialistisch noch van communistische signatuur mochten zijn.

 

Radio Soleil

 

De katholieke kerk nam in die periode radicale standpunten in. Via haar zender Radio Soleil adviseerde ze de bevolking om tegen te stemmen. De Vlaamse Scheutist Hugo Triest, die directeur van de zender was, verklaarde dat “de Kerk vanuit de dynamiek van de Bevrijdingstheologie als taak heeft om met de armen mee te leven. Onze strategie bestaat erin om te kijken, te oordelen en te handelen, en te lijden samen met het volk.”. Ook op de preekstoel werd het referendum afgewezen. Yvan Pollefeyt, een andere Scheutist, zei in een donderpreek “dat alleen Jezus Christus een levenslang mandaat had gekregen!”

De nationale radio waarschuwde de bevolking dat ze niet meer naar Radio Soleil mocht luisteren. Maar dat werkte natuurlijk averechts. Iedereen wilde nu weten wat er op de katholieke zender zo al verteld werd.

 

De sterke man van het regime, Roger Lafontant, besloot het toen hard te spelen. De Kerk en haar ‘marxistische’ priesters zouden hun mond moeten leren houden. Op zondag 21 juli overvielen Tontons het Klein Seminarie St.-Martial in Port-au-Prince. Ze vergrepen zich daar aan de 78-jarige Vlaamse priester Albert Desmet en tuigden hem zodanig af dat hij twee dagen later overleed. Maar de Macoutes hadden de verkeerde man vermoord. Hugo Triest, de directeur van de radiozender, was het eigenlijke doelwit geweest.

 

 

Het referendum

 

Op de dag van het referendum stemden de Haitïanen met hun voeten, dat wil zeggen, ze bleven thuis. Toch verklaarde Lafontant op de televisie dat er een overweldigende opkomst was geweest en dat 99.98 procent van de stemmers het presidentschap van Jean-Claude hadden bevestigd. Het regime maakte zichzelf totaal belachelijk. Maar de grap kreeg nog een staartje, want op 24 juli werden drie Vlaamse priesters uitgewezen. Het waren Hugo Triest, die eigenlijk al had moeten vermoord zijn, Yvan Pollefeyt en Jean Hostens. Een week later marcheerden 225 van hun collega’s door de straten om te protesteren tegen de uitwijzigingen en om meer respect voor de armen te vragen.

 

Ook in hogere legerkringen groeide ondertussen de ontevredenheid met de gang van zaken. Luitenant-generaal Henri Namphy, Duvaliers stafchef met nog redelijk propere handen, en kolonel Williams Regala staken de hoofden bij mekaar. Ze vonden dat de president moest verdwijnen omdat hij uiteindelijk het land meer kwaad dan goed deed. Het leger als laatste nog samenhangend instituut van het land moest zijn verantwoordelijkheid opnemen om Haïti te redden uit de chaos en terug democratie te installeren. Zij zochten en vonden contact met Amerikaanse officiëlen die hen verzekerden dat de V.S. niet zouden tegenwerken als hun bedoelingen eerlijk waren. Namphy en Regala wachtten vervolgens de loop van de verdere gebeurtenissen af om dan zelf te gepasten tijde in te grijpen.

 

De studenten op straat

 

Die gebeurtenissen lieten niet lang meer op zich wachten. Ze kwamen in een ware  stroomversnelling en Gonaives nam daarbij terug het voortouw. Op 27 en 28 november betoogden daar de studenten voor een beter respecteren van de mensenrechten. De vreedzame jongerenbetoging eindigde in een bloedige moordpartij. Het leger schoot in de massa, dreef de studenten uiteen en doodde daarbij drie leerlingen. Deze slachtpartij vormde vervolgens de aanzet tot een lange reeks van andere manifestaties. Mensen riepen: “Weg met de armoede” en “Lang leve het leger”. Leerlingen en studenten kondigden daarop in december al aan dat ze na de kerstvakantie niet naar de klassen wensten terug te keren. Toen nam ook het episcopaat standpunten in. De protestacties kregen als het ware een imprimatur van de bisschoppen wanneer op kerstdag in alle kerken een herderlijk schrijven van monseigneur Wolff-Ligondé werd voorgelezen. Hij benadrukte daarin de rol van Radio Soleil en deed een oproep om een einde te stellen aan leugen, slavernij, egoïsme, geweld, onrecht en haat. Twee weken later in januari 1986 bleven de studenten dan inderdaad weg van school om massaal te manifesteren. Er werden slogans tegen Duvalier geroepen en pamfletten tegen de regering uitgedeeld. De bevolking begon nu ook her en der regeringsgebouwen in brand te steken en de belangrijkste toegangswegen tot de steden te barricaderen.

 

Reactie van de regering

 

Het regime reageerde en gaf het leger en de Tontons opnieuw de opdracht om elke vorm van protest hardhandig te onderdrukken. Deze orders werden echter op de achtergrond door Namphy zoveel mogelijk geneutraliseerd. In een poging om de gemoederen te bedaren werd er tegelijkertijd ook een prijsdaling aangekondigd van een aantal basisproducten. Het mocht allemaal niet veel meer baten. Dagelijks bleef Radio Soleil berichten uitzenden over de groeiende sociale onrust. De slachtoffers van het geweld met de veiligheidsdiensten werden daarin  vergeleken met Jezus. Eind januari betoogden dan 40 000 mensen, waarvan de meerderheid jongeren, vreedzaam in Cap Haitien. Het was de grootste manifestatie tegen de regering sinds de familie Duvalier in 1957 aan de macht was gekomen.

 

Het einde

 

Op 31 januari begon het gerucht zich te verspreiden dat er een staatsgreep zou zijn gebeurd en dat Duvalier reeds het land had verlaten. Dat gerucht, voortijdig de wereld ingestuurd door de woordvoerder van het Witte Huis, Larry Speakes, werd voor de Nationale Radio door Jean-Claude Duvalier zelf ontkend. Hij was immers president-voor-het-leven en wilde dat zo houden. Wel  werden de krijgswet en de staat van beleg afgekondigd. Op 5 februari meldden een aantal Europese regeringen dat Duvalier een aanvraag voor politiek asiel had ingediend. Het werd hem overal geweigerd. Vrijdag 7 februari 1986 was het dan zo ver. Om 9.40 u vertrok Jean-Claude Duvalier, samen met een 25-tal familieleden en getrouwen aan boord van een Amerikaans legervliegtuig naar Frankrijk, in afwachting dat één of ander Afrikaans land hem politiek asiel zou bieden. Uit de ganse context viel op te maken dat Washington de jonge dictator ertoe bewogen had zijn macht over te dragen.

 

In de hoofdstad sloeg de volksvreugde van de Haitïanen na enkele uren om in haat en razernij tegenover alle symbolen van het oude regime. Het graf van Papa Doc werd met de grond gelijk gemaakt; tientallen van zijn gehate Tontons Macoutes  vielen ten prooi aan de volkswoede. Een junta, met aan het hoofd Henri Namphy, nam de macht over.

 

 

 

 

Paul De Wolf

maart 2006 

 

Home