Volgens de Bijbel zit de levenskracht van dier of mens in het bloed, daarom is er een verbodsbepaling op het nuttigen van bloed. Betekent dit dan, dat men door bloed te nuttigen op onrechtmatige wijze zijn leven in stand houdt? Oordeel zelf?  Maar geld dit ook als het met betrekking een bloedtransfusie handelt? Het is een onderzoek waard.               

WBV - Lv         17, 11 Want de levenskracht van mens en dier zit in het bloed.

GNB -Lv           17, 11 Want het beginsel van alle leven is het bloed.

NWV- Lv          17, 11 Want de ziel van het vlees is in het bloed

NBG- Lv           17, 11 Want de ziel van het vlees is in het bloed

KJV- Lv            17, 11 For the life of the flesh [is] in the blood:

MLU -3 Mose   17, 11 Denn des Leibes Leben ist im Blut

 

WBV- Dt          12:23  want het bloed is het leven, en het is niet geoorloofd vlees te eten met het leven erin

GNB- Dt           12:23  Want in het bloed zit de levens- kracht, en vlees met het leven er nog in mag je niet eten

NWV- Dt          12:23 want het bloed is de ziel en gij moogt niet de ziel met het vlees eten

NBG- Dt          12:23 want het bloed is de ziel en gij zult niet de ziel met het vlees eten.

KJV - Dt          12:23 for the blood[is] the life; and thou mayest not eat the life with the flesh.

MLU- 5Mose  12:23 denn das Blut ist die Seele, darum sollst du die Seele nicht mit dem Fleisch essen.

Hoe geven Hebreeuwse woordenboeken nefesj weer?

1) Beknopte Hebreeuwsch- Nederlansche Woordenlijst door L.D. Staal Rabbijn te Zutphen.  Uitg. In 1918:  

nefesj ziel, persoon, leven, begeerte en doode                                                                                               

2) Bijbel Hebreeuws Nederlands Woordenboek door E.Italie 2e druk 1995: 

nefesj ziel, adem, leven, levensgeest, persoon, gemoed, iemand, lijk, ademtocht, gevoel, hart, begeerte

3)Florilegii Hebraici Lexicon edidit Dr. Hubertus Lindemann uitg. 1914:                                                                          

nefesj hauch (ademtocht), atem, seele, leben, person

4)Hebräisches und Aramäisches Lexikon von L. Koehler & W.Baumgartner 3e druk uitg.1983           

 nefesj atem, hauch -was Mensch und Tier zu lebenden Wesen macht Gn 1,20-, seele streng zu unterscheiden von begriff der seele bei den Griechen- der sitz d. nefesj ist das blut Lv17, 11; Dt 12,23, mensch(en), leute  

De hoofdbetekenis van nefesj is ziel, leven, persoon of ademtocht. In het Lexikon van Koehler & Baumgartner staat bij “seele” (ziel):  Het begrip “ziel” dient men hier streng te onderscheiden  van het begrip “ziel” bij de Grieken; de sitz van “nefesj” of “leven” is in het bloed.

       De joden in de oude tijd beschouwden de ziel als “een persoon, als een volstrekte eenheid”, niet iets wat onzichtbaar is, niet iets dat afgescheiden in ons leeft. In de NBG vertaling met kanttekening staat in de kantlijn van Gn1,20 het volgende:

In het Hebr. staat letterlijk “levende zielen”, waarbij “ziel” naar de Israëlitische gedachte zoveel is als ons begrip “persoonlijkheid”, “wezen” en volstrekt niet gelijk aan ons begrip “ziel”. In Gn. 2,7 staat een verwijzing bij “...alzo werd de mens  tot levend wezen”

Wat de notitie van Koelher & Baumgartner bij “seele” ook ondersteunt.

Ziel begon langzaam maar zeker van betekenis te veranderen van een volstrekte eenheid van de mens naar een dualiteit en dit zowel van uit het Griekse als ook het Perzische dualiteitsgedachte. Wat dan ook de levenskracht die in het bloed zat ontkrachte door een geincarneerde ziel die onsterfelijk is.

De Grieken beschouwden de mens als een dualiteit: het sterfelijke zichtbare en het onsterfelijke onzichtbare, wat toentertijd niet het geval was bij de joden. Tijdens de Griekse overheersing is de dualiteitleer en de daarmee gepaard gaande onsterfelijkheidsgedachte, onder invloed van de Grieken, het Joodse denken binnengedrongen.[1] Later, in de tweede of derde eeuw na Christus, werd deze leer overgenomen door christenen. Sedert die tijd is in de meeste christelijke kerken de leerstelling van de onsterfelijke ziel een van de belangrijkste christelijke dogma’s geworden. Stephen Neill schrijft in het boek “De interpretatie van het Nieuwe Testament”[2] het volgende:

“In de jongste boeken van het Oude Testament ontdekken de geleerden sporen van invloed van Perzisch dualisme. Sinds de dagen van Antiochus Epiphanes hadden de joden aan Griekse invloeden blootgestaan. De ouderen hadden die fel afgewezen, maar de inspanningen van de helleniseerders waren niet helemaal vergeefs geweest...”

[1] Over de dood en het hiernamaals, p. 341, door Wim Gijsen uitg in 1974

[2] De interpretatie van het Nieuwe Testament door Stephen Neill, p.333:

uitg. door Aula boeken nr. 353, Utrecht -Antwerpen 1969

Bloed in postdiluviaanse tijd

Vanaf Gn 9,3-6 krijgt Noach toe-stemming van JHWH voor het nuttigen van dierlijk vlees waarvan het bloed is uitgelopen, wat impliceert dat de mensen vóór de vloed geen dierlijk vlees aten of dat er een verbod rustte op het eten van vlees. Hierover zijn er verschillende interpretaties.[1] Vers 4 vestigt de aandacht op het verbod om vlees te nuttigen met het bloed erin. In vers 5 en 6 wordt benadrukt dat het vergoten bloed zeker zal worden teruggeëist van alle levende schepselen (dieren) en van de mens die het bloed vergiet van mens en (dier).

NWV- Genesis 9, 4 Alleen vlees met zijn ziel  [ zijn bloed ] moogt gij niet eten. 5. En bovendien zal ik uw bloed van uw zielen terugeisen. Van de hand van elk levend schepsel zal ik het terugeisen; en van de hand van de mens, van de hand van een ieder die zijn broeder is, zal ik de ziel van de men terugeisen 6. Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden, want naar Gods beeld heeft hij de mens gemaakt.

Maar onze aandacht gaat vooral naar vers 4 waar gezegd wordt:   “Alleen vlees met de ziel [ levend ] - vlees met het bloed er nog in - mag u niet eten.”

Hier krijgt men toestemming vlees te nuttigen en het verbod [levend] bloed te nuttigen. De C.G.v.JHVH beschouwen vers 4 als bindend voor heel de mensheid, het behoorde tot één van de wetten aan Noach gegeven en betekende dat het op heel de mensheid van toepassing was. 

Enkele commentaren op Gn 9, 4.

                   The Jerome Biblical Commentary 2,42-44.           

Het verbond met Noach: Zich baserend op het Semitische  concept van bloed als de zetel van  het leven, beschouwt P. echter de latere Israëlische wetten die het eten van bloed verbieden als een basiswet bindend voor heel de mensheid.

 A New Catholic Commentary on Holy Scripture p. 187, b 4

Het verbod op bloed werd één van de voedingswetten van de Mozaïsche wet, maar omdat dit verbod ook vervat was in de voorschriften in het verbond met Noach beschouwen de latere Joden het als bindend voor heel de mensheid.

Eduard Meyer schrijft i/z boek “Ursprung und Anfänge des Christentums” p.187;

In de meerderheid van de            toonaangevende handschriften staat   in Hnd 15, 29 “zich te onthouden van afgoderij, bloed, en van het verstikte en hoererij, het bevat ook cultische reinheidsgeboden; aima (aimatos) betekent hier het nuttigen van bloed; hierdoor wordt het gebod in Gn 9,4 opgelegd aan Noach en met hem de hele mensheid, onderschreven

  Zo heeft ook B. Clemens Alexandrinus, Paed. II 56 und Strom. IV 97 de tekst gelezen. Vers 5 maakt duidelijk dat men niet het recht heeft het bloed ten behoeve van zijn eigen leven te gebruiken, of het nu om een mens of om een dier gaat. In vers 6 wordt het beeld van het vergieten van bloed scherper bijgesteld. Degene die het bloed van een mens vergiet, diens bloed zal vergoten worden (hetzij door een mens hetzij door God zelf), want het beeld Gods was in hem. Door het bloed of het leven van een mens te vergieten, wordt diens leven gebruikt ten behoeve van zijn eigen leven en dit recht heeft men niet gekregen van God.


[1] - J.TH. Beelen vert. 1896, commentaar Gn 9,3-4 eten van vlees “verboden of ten minste onbestaande”                           

-Tekst en Uitleg O.T. uitg. 1923 commentaar Gn 9,3-4 voor de vloed at men zuiver plantaardig.                                                      

- De Heilige Boeken v/ h Verbond 1933 commentaar Gn 9,3-4 wordt betwijfeld of men niet reeds voor de vloed vlees at                     

- De boeken v/h O.T. Door DR. J. De Fraine.J. 1963 commentaar Gn 9,3-4 vegetariërs-regime                                                         

- N.B.G. met Kanttekening DR.A.H. Edelkoort; commentaar Gn 9, 3-4 zie Gn 1,29 (50) voor de zondeval werd er geen bloed vergoten, noch van mens, noch van beest. Daarom bediende de mens zich van vegetarische voeding alleen. alleen.                            

- Anghor Dictionaire p. I- 761According to Gn, 1, 29-30 (P), antediluvian humans had been permitted to eat seedbearing plants and trees with seed-bearing fruit. Gn 9,1-7 (P) After the flood God permitted the humans to eat flesh of aninals with the provision that they not consume the blood of living animals. But as regards living flesh (basar benapsô), its blood (damo) you shall not consume.


De eerste Christelijke Kerk, Bloed en het Verstikte

Enkele reactie's uit de vroege Christelijke kerk:

In de kerkgeschiedenis van Eusebius Pamphilus staat het volgende verhaal dat zich afspeelt in’t jaar 177 A.D. “De duivel meende dat Biblis [haar naam], eene dergenen die verloochend hadden, reeds geheel bezweken was en daar hij wenschte dat zij ook wegens godslastering zou veroordeeld worden, voerde hij haar naar de folterplaats om haar te dwingen goddeloze dingen over ons te zeggen, gebroken en ontmoedigd als zij was; maar zij kwam tot bezinning onder de foltering en ontwaakte om zoo te zeggen als uit een diepen slaap, want de tijdelijke straf herinnerde haar aan de eeuwige foltering in de hel en zij weersprak de lasteraars door te verklaren:Hoe zouden zij, aan wie het niet eens geoorloofd is het bloed van redelooze dieren te nuttigen, kleine kindertjes opeten? Toen beleed zij een Christen te zijn, en zij werd bij de groep martelaren gevoegd” [1]

In de apologie van Tertullianus (160 tot 230 A.D.) in hfst 9 §8 en 11 wordt gezegd: “Maar het is ons niet toegestaan abortus te plegen (11) terwijl zij niet vies waren dieren te eten waar nog niet verteerd menselijk vlees in was en die menselijk bloed opgelikt hadden.”   In §12 zegt hij: “Gij die eet van deze dieren, hoe ver zijt gij verwijderd van de maaltijden van de christenen."     Hoofdstuk 9 §13-14 “laat uw onnatuurlijke manieren blozen voor de christenen. Wij hebben zelfs geen bloed van eender welk dier op onze maaltijden, het bestaat uit gewoon voedsel. Daarom onthouden wij ons van eten van vlees van eender welk dier dat verstikt is of van zichzelf is gestorven, uit vrees dat wij ons op enige manier zouden verontreinigen door bloed, ook al is het verborgen in het vlees. (14) In gerechtszaken met christenen  geven  jullie hen worsten gevuld met bloed. Gij zijt overtuigd natuurlijk dat dit bij hen ongeoorloofd is, waardoor gij  hen tracht te doen afwijken van de rechte weg. Hoe is het dan dat gij overtuigd zijt dat zij huiveren van bloed van een dier, terwijl gij gelooft dat zij vurig hijgen naar mensenbloed? Of is het misschien, dat gij het laatste meer naar uw smaak vindt?” [2]

Minucius Felix Octavius, een Romeins rechtsgeleerde die rond 250 A.D. leefde, verdedigde zich tegen degenen die christenen verwijten dat zij bij hun riten kinderen slachten. Hij merkt terecht op dat deze praktijken zich juist voordeden bij niet christelijke volkeren, waar men abortus pleegde en bloed dronk om epilepsie te genezen. Hij maakt vervolgens het standpunt van de christenen duidelijk en zegt:  “Wij daarentegen mogen zelfs niet getuigen of luisteren naar menselijke afslachtingen, en de vrees voor menselijk bloed is zo groot dat wij zelfs niet proeven van dierlijk bloed voor voedsel.” (Hnd 15, 29) [3]


[1]- Kerk Geschiedenis van Eusebius Pamphilus, boek V. hfst 1§25-26, p. 192, Door P. Dr. Desiderius Franses Hoogleraar te Nijmegen 1946; Bloedgetuigen van Christus door M.F. Schurmans uitg.1947 Martelaarsdocument. u/d eerste eeuwen der Kerk. p.43 

[2] Tertullian Apologetical Works and Minucius Felix Octavius, zie The Fathers Of The Church vert. hfst 9 §8, 11, 12 p. 31-32   

[3] Tertullian Apologetical Works and Minucius Felix Octavius, zie The Fathers Of The Church Hoofdstuk 30 §1-3, p. 385-7  


- In de zevende eeuw werden nog de priesters uit het ambt gezet en leken afgesneden uit de kerk, maar beetje bij beetje verdween dit ook en gaf men toe aan ze zienswijze van theologen. Tijdens de Trullaanse synode te Constantinopel in 692 A.D. (p.395 van De Quinisext Synode) werd gezegd (in Ancient Epitome of Canon LXVII) “De goddelijke Schrift beveelt ons, ons te onthouden van bloed, van dingen die verstikt zijn en van ontucht. Daarom indien iemand op de één of ander manier een maaltijd bereidt met bloed van dieren en hij het eet, wij zullen hem gepast straffen. Indien iemand het waagt, hoe dan ook, het bloed van dieren te eten, is hij een geestelijke, laat hem afgezet worden maar is hij een leek, hij worde afgesneden.” [1] Commentaar daarop volgend is, dat later deze verordening beetje bij beetje en stap voor stap uitstierf, in heel de kerk. Hierin heeft de Latijnse kerk Augustinus’ zienswijze gevolgd, waar hij onderwijst dat het bevel aan de christenen was gegeven, alleen gedurende de tijd dat de kerk uit de volkeren (heidenen) nog niet gevormd was. (Contra Faustum Manichaeum, Lib. XXXII, cap.xiij.)


[1] P.Schaff. en H.Wace, A select Library of Nicene and Post-Nicene Fathers of The Christian Church (Engelse vert.) vol.XIV the seven Ecumenical counsils; WM B. Eerdmans Pub. Comp. Michigan, p. 395


Door heen alle eeuwen heen vindt men berichten van het bloed verbod zoals bij 1125 A.D. Bisschop Otto van Bamberg ,16deeeuw schreef Maarten Luther,Johannes Calvijn, Isaac Newton, een 18e- eeuwse geleerde en bijbelonderzoeker. bijbelonderzoeker.  De bijbelgeleerde Joseph Benson schreef in 1839: “Opgemerkt zij dat dit verbod op het eten van bloed, dat aan Noach en zijn gehele nageslacht werd gegeven en tegenover de Israëlieten onder de Mozaïsche bedeling op een bijzonder plechtige wijze werd herhaald, nooit herroepen is, maar, integendeel, onder het Nieuwe Testament, in Hnd xv. 29, bevestigd is en daardoor tot een eeuwigdurende verplichting is gemaakt.” [1]

In recentere tijden zoals in Encyclopedia of Bible Difficulties 1982 verklaarde: “De gevolgtrekking is zeer voor de hand liggend dat wij nog steeds de heiligheid van het bloed moeten respecteren, aangezien God het bestemd heeft tot een symbool van het verzoenende bloed van Jezus Christus. Daarom zal geen gelovige die de Schrift wenst te gehoorzamen, het nuttigen.”

[1] Joseph Benson, The Holy Bible, Containing the Old and New Testament, 1839, Deel I, p. 43.


Enkele verwijzingen naar het medische gebruik van bloed door heen de eeuwen heen.

Bloed voor medisch gebruik vóór en na Christus

Zo’n 700 jaar v.Chr. schreef een arts aan koning Esarhaddon over de behandeling die hij de zoon van de koning gaf met de volgende woorden: “Met Sjamasj-sjumu-ukin gaat het veel beter; de koning, mijn heer, kan gelukkig zijn. Vanaf de 22ste dag geef ik (hem) bloed te drinken, hij zal (het) drie dagen moeten drinken. Nog drie dagen langer zal ik (hem bloed) geven voor inwendig gebruik.” [1]

De tweede-eeuwse arts Aretæus van Cappadocië beschrijft hoe bloed in zijn dagen werd gebruikt voor de behandeling van epilepsie: “Ik heb personen gezien die een beker hielden onder de wonde van  een pas vermoorde man en een teug van het bloed dronken!” [2]

De eerste-eeuwse natuuronderzoeker Plinius berichtte dat: “men het bloed van goddeloze criminelen, die gevallen waren in de arena, opving terwijl het nog uit kelen vloeide, om epilepsie te behandelen.”[3]


[1] Simo Parpola, Letters From Assyrian Scholars to the Kings Esarhaddon and Assurbanipal, deel I p. 201

[2] The Extant Works of Aretaeus, The Cappadocian, bewerkt Francis Adams, Londen 1856, p. 47

[3] Plinius, Nat. Hist.28.1.2; zie Celsus, De medicina 3.23.7; Min. Fel.,Oct. 30. 5 zie vtn 9


Reay Tannahill schrijft in Flesh and Blood, A History of the Cannibal Complex,op p. 63, 64 dat Lodewijk XI van Frankrijk toen hij in 1483  stervende was en elke dag ging het slechter met hem, en de geneesmiddelen baatten hem niets, hoewel ze vreemdsoortig waren; want hij hoopte vurig te herstellen door het van zekere kinderen afkomstige mensenbloed dat hij innam.”                       

  B. Seeman schrijft in zijn boek The River of Life  op p.58-9 het volgende: dat bloedtransfusies teruggaan tot de tijd van de oude Egyptenaren, Syriërs en Grieken. In de zeventiende eeuw tapte bloed van dieren om het aan mensen om via een transfusie mensen te genezen, met nefaste gevolgen natuurlijk, maar het waren de nieuwste ontdekkingen van de toenmalige moderne tijd. Ten slotte kwam er een verbod vanuit de Medische Faculteit van Parijs, het Engelse parlement, de Italiaanse regering en de paus,[1] wegens de onverenigbaarheid van dierlijk en menselijk bloed en de daaruit vloeiende sterftegevallen tengevolge van deze transfusies, wat dan ook tot een vertraging leidde op de bloedtransfusie-experimenten de volgende 150 jaar. En vanaf de eerste helft van de 19de eeuw werd er weer nieuw leven in het ontwikkelen van bloedtransfusie geblazen. Begin 20ste eeuw ontdekte men een middel tegen het samenklonteren van het bloed vervolgens de systematisch het rhesus-systeem en dan via het leger naar de burgers.

Een kleine greep uit het bloed geschiedenis zowel Godsdienstig als medische geschiedenis.

Voor een eventuele bestelling van het boek kan je terecht bij de Auteur.


[1] P. Hagen, Blood: Gift or Merchandise 12 (1982); Solomon, “ A History of Transfusion Medicine”, in Amer. Assoc. Blood Banks, Administrative Manual, Deel III, 1 ( A. Ross ed;1990)

Tijdens het Academie jaar 1999

Terug naar hoofdpagina