Een greep over de inhoud van dit boek.

 

      Het Wachttorengenootschap

         Wie zijn de christelijke Getuigen van Jehovah

      Het predikingwerk

          Prediking en Verkondiging

 

      De Nieuwe-Wereldvertaling

         Een vertaling die anoniem is

         Dogmatische invloeden op vertalingen

         Bijbelteksten

         Lucas 23:43

         Hebreeën 1:6

         2 Korinthiërs 5:19

         Johannes 1:1

 

      De Godsnaam “” “JHWH”

     : JaHWeH of JeHoVaH

         De Godsnaam JHVH in het Nieuwe Testament

 

      Kritieken op specifieke Bijbelteksten

         De overgeleverde teksten

         Lucas 23:43

         Bijbelvertalingen m.b.t. Hebreeën 1:6

         2 Korinthiërs 5:19

         Johannes 1:1

 

 

Enkele fragmenten

 

         Wie zijn de christelijke Getuigen van Jehovah

      In de jaren zeventig van de 19de eeuw ontwikkelde zich een klein bijbelstudiegroepje in Allegheny (Pennsylvannia VS) onder voorzittersschap van Charles Taze Russell. Dit onbeduidende groepje waarheidszoekers groeide uit tot de organisatie die wij heden ten dage kennen als de christelijke Getuigen van Jehovah[1]. Wereldwijd zijn zij met zo’n 6.500.000 verkondigers van het ‘Goede Nieuws’. Dit bijbelstudiegroepje was in het begin samengesteld uit leden van verschillende christelijke kerken. Russell, was opgevoed als Presbyteriaan; maar later verbond zich met de Congregationalistische kerk.[2] Alras bleek hij de drijvende kracht te zijn in dit studiegroepje. Hierdoor kwam hij in contact met verschillende andere godsdienstige bewegingen, zoals de Second Adventists waarvan hij openlijk getuigt: “Ik moet dus zeggen dat ik dank verschuldigd ben aan de adventisten alsook aan andere denominaties”[3], dit vanwege de bijbelkennis die door hen verstrekt was. Hij erkende de hulp die hij kreeg, dit blijkt duidelijk uit wat hij zelf schreef over Henry Grew (predikant van de baptistenkerk in Hartford, (Connecticut)) en George Storrs (predikant in de Methodistisch-Episcopale Kerk).

Vervolgens kunnen wij kort de geschiedenis van de Getuigen van Jehovah lezen.

 

      Prediking en Verkondiging

      Joseph Cheriampanatt verwijst naar A.J.Gittins’ boek “Mission: What ’s It Got to do with me? Wanneer hij het onderdeel ‘The Witness of the Evangeliser’ bespreekt. Hij schrijft: “To be a disciple is to be a missionary because missionary is a job description of every baptised disciple.”[4] Ja, iedere christen heeft de verantwoordelijkheid om te getuigen zoals Joseph Cheriampanatt noteert: “On the personal level it involves on our part a radical response to Christ.”[5] Daar Jezus met heel zijn lichamelijke en geestelijke kracht het ‘koninkrijk van zijn Vader’ predikte dienen wij hem hierin na te volgen.

      Wij lezen in de Wereld-kerkdocumenten deel 3, bij het onderdeel: 21. Primair belang van de levensgetuigenis het volgende: “Het evangelie moet vóór alles verkondigd worden door getuigenis.” Alle christenen zijn tot deze getuigenis geroepen en op deze manier kunnen zij echte verkondigers zijn.” Het onderdeel 22 De behoefte aan uitdrukkelijke verkondiging wijst er op dat het uiteindelijk niet voldoende is om te getuigen via een voortreffelijk gedrag. Maar men dient over te gaan tot het actief getuigen. Apostel Petrus in zijn eerste brief schreef: “heilig in uw hart Christus als de Heer, altijd bereid tot verantwoording aan ieder die rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft” (1Petr. 3:15). Geeft men geen gehoor aan de getuigenisopdracht en getuigt men niet op ondubbelzinnige wijze over Jezus’ blijde boodschap, dan is dit passieve prediking via een voortreffelijk gedrag van volstrekt geen waarde, het zal ‘zonder uitwerking’ zijn, zo besluit het artikel.

      In het onderdeel 24 Een nieuw apostolaat meebrengend wordt het volgende geschreven: “Tenslotte gaat iemand, die het Evangelie aanvaard heeft, ook anderen evangeliseren. Hier ligt het bewijs van echtheid, de toetssteen van de evangelisatie: het is ondenkbaar, dat iemand het Woord zou aanvaarden en zich aan het Koninkrijk overgeven, zonder iemand te worden, die er getuigenis van aflegt en het op zijn beurt verkondigt.”[6] In duidelijke bewoordingen wordt de nadruk gelegd op ieders verantwoordelijkheid tot evangelisatie. Vooral de gedachte dat het ondenkbaar is dat iemand het Woord (Geloof) zou aanvaarden en dan over het reddingbrengende Koninkrijk niet zou getuigen, stemt tot nadenken.

 

      Een vertaling die anoniem is.

De vertalers van de Nieuwe-Wereldvertaling, de New World Bible Translation Committee, hebben de wens geuit dat noch bij leven noch na hun dood hun namen bekend zouden worden gemaakt. Deze wens kunnen wij lezen in een uitgave van de Wachttoren van 1976: “Op 3de september 1949 heeft de New World Bible Translation Committee ons een gereedgekomen (Engelse) vertaling van de christelijke Griekse Geschriften aangeboden. Dit manuscript, alsmede de vertaalde afleveringen van de Hebreeuwse Geschriften die daarna volgden, werden ons wettelijke eigendom. Met betrekking hiertoe wordt op bladzijde 258 van het boek Jehovah’s Witnesses in the Divine Purpose[7] opgemerkt: “Het enige verzoek van het vertaalcomité was dat de leden ervan, zelfs na hun dood, anoniem zouden blijven. Wij zijn onze overeenkomst nagekomen en hebben hun wensen gerespecteerd.[8] Het is precies die anonimiteit van het vertaalcomité wat voor velen een obstakel vormt om deze vertaling te aanvaarden. Het Wachttorengenootschap zelf gaat er vanuit dat de kwaliteit van de vertaling voor zichzelf moet spreken, zoals het spreekwoord zegt: “Goede wijn behoeft geen krans.” Zo ook zijn niet de vertalers belangrijk maar het vertaalde; wij lezen daarom in De Wachttoren: “Bij het vertalen van Gods Woord, is de New World Bible Translation Committee van mening geweest dat de bijzonderheden van hun universitaire of andere wetenschappelijke opleiding niet belangrijk zijn, hoewel de vertaling zelf van hun bekwaamheid getuigt. Een nauwkeurig onderzoek van hun werk dient de lezer niet tot de vertalers te leiden, maar tot de Auteur van de Bijbel, Jehovah God.[9]

 

Dogmatische invloeden op vertalingen

      Ik zou willen wijzen op een voorbeeld van een dogmatische leerstelling die op een eigenaardige wijze is ontstaan en hoe dit van invloed is geweest op de wijze van vertalen.

      Dr. A. Pierson, die overigens niet beschuldigd kan worden ten voordele van de christelijke Getuigen van Jehovah te spreken, schrijft: “Het is merkwaardig om te zien met welk een overleg men te werk ging om de orthodoxie bij de gemeente ingang te doen vinden. Het zijn alweder de vertrouwelijke brieven van Basilius die ons daarin een blik vergunnen.”[10] Daar het Niceense concilie alleen de Godheid van Christus had vastgelegd, was het dogma van de drie-eenheid nog niet geboren in volle zin van het woord, maar de kiem ervan was wel gelegd. Dr. Pierson vervolgt: “Het doel van de theologische ontwikkeling der Katholieke regtzinnigheid kan natuurlijk geen ander zijn dan om tot de vaststelling van het trinitarische dogma te komen. Eerst nadat de Drieëenheid als een afgesloten geheel vaststond, kon de Godheid van Christus als voortaan onaantastbaar worden aangemerkt.”[11] Velen waren er die, om welke reden ook, geen bezwaar maakten en er toch niet toe kwamen om de Heiligen Geest ‘God’ te noemen. Dr. Pierson vervolgt: “Wij vernemen het uit een schrijven van Basilius aan de Priesters van Tarsus. Hij gelast hun met groote voorzigtigheid te werk te gaan, en die voorzigtigheid moest hierin bestaan, dat zij zich tevreden stelden met het onderschrijven van het Niceensche symbool en voor het overige allen tot de kerkelijke gemeenschap toelieten, “die den Heilige Geest geen schepsel noemden.” Men vorderde dus niet de Heilige Geest als God vereerd werd, indien men slechts niet zeide, dat hij een schepsel was. Indien men in het geheel niets zeide van den Heiligen Geest, was het ook goed. Was de gemeente er dan eenigen tijd aan gewend, de uitdrukking schepsel nooit met den Heilige Geest verbonden te zien, dan zou men langzamerhand geen bezwaar meer vinden in het leerstuk zijner Godheid. Deze verwachting wordt door Basilius zelf uitdrukkelijk uitgesproken. Eigenaardig schikken en plooijen! (vergelijk ook den brief aan Kyriakis)”[12]

      Deze uitdrukking, eigenaardig schikken en plooien, was een terechte opmerking om de Heilige Geest evenals Jezus, als God te doen erkennen. Dit moest echter zijn bevestiging vinden in de bijbel of hineingeinterpretiert werden, wat dan ook mettertijd geschied is. Ieder die hiermee niet instemde werd en wordt nog steeds als een ketter bestempeld. Over vooringenomenheid gesproken. Het zou zeker geen kwaad kunnen eens ernstig na te denken over wie welke positie inneemt en wie wat heeft overgenomen en op welke gronden.

 

 

         De overgeleverde teksten

      In de Codex Vaticanus n° 1209 uit de vijfde eeuw wordt ons een tekst aangeboden zonder interpunctie en zonder spatiëring, scriptio continua genoemd. Hieronder ziet u er een voorbeeld van. Het werd geschreven in uncialen[13], ook hoofdletters genoemd. Men las de tekst hardop, om zeker geen leesfouten te maken.

Vb Efeziërs 1,4

 

 

      Op de zelfde wijze zijn Codex Sinaïticus, Codex Alexandrinus en andere doorgegeven. Voor de pre-massoretische Hebreeuwse teksten geldt hetzelfde, waarbij ook nog de vocaaltekens ontbreken. De vocaaltekens werden pas enkele honderden jaren na Christus ontwikkeld door de Massoreten voor de Hebreeuwse tekst. In een later stadium werden de teksten toegankelijker en leesbaarder gemaakt door de afzonderlijke woorden van elkaar te scheiden zoals wij in het volgende voorbeeld kunnen zien:

 

 

 

      Nadat er spaties tussen de woorden waren gekomen, werd de tekst in hoofdstukken verdeeld. Maar dit geschiedde pas in de 13de eeuw aan de Sorbonne Universiteit te Parijs door Stephen Langton (H1228). In 1557 kwam de versindeling zoals wij ze nu kennen, ontwikkeld door een Parijse drukker Robert Estienne (Stefanus)[14]. De hieronder weergegeven interpunctie is uit Efeziërs 1:4, naar het voorbeeld van Nestle-Aland:

 

 

 

      De technische verbetering betekend dat in praktijk de overgeleverde tekst menigmaal ‘gewild of ongewild’ geweld werd aangedaan en soms in een bepaalde richting geïnterpreteerd. De plaatsing van een komma voor of achter een woord kan een zin een totaal nieuwe betekenis geven. Een voorbeeld hiervan vinden wij in Lucas, maar hier zullen wij later op terug komen. De interpunctie kan de oorspronkelijke betekenis van de tekst ten goede komen, maar ook geweld aandoen. Hetzelfde is waar met betrekking tot de versindeling. Ook hier wordt in het verloop van de bespreking aandacht aan geschonken. Al deze technische ingrepen in de overgeleverde tekst maakt dat de vertaler niet absoluut gebonden is aan de huidige gepresenteerde Griekse of Hebreeuwse tekst, aangezien er varianten zijn van de aangeboden tekst. Thans zien wij reeds bij meerdere vertalingen verschuivingen van de verzen of versindelingen.

 

    hwhy : JaHWeH of JeHoVaH

      Om meer zicht te hebben op de uitspraak van de Godsnaam , moeten we terugkeren in de geschiedenis. Onze terugkeer in de geschiedenis beperken wij tot ten tijde van Jezus Christus, anders zouden wij te ver afwijken van het beoogde de uitspraak van Gods naam. Het Hebreeuws werd zonder klinkers of vocaaltekens geschreven. Dit zorgde echter niet alleen voor ernstige vertaalproblemen, maar de Hebreeuwse taal dreigde zo ook verloren te gaan. Maar hier kwam verandering in. Zo’n vijfhonderd jaar na Christus was er een groep joodse geleerden, Masoreten genaamd, die vocalisatietekens begonnen aan te brengen, geen klinkers, maar vocaaltekens: puntjes of streepjes boven en onder de consonanten die een klinker nabootsen. Prof. Ernst Würthwein[15] verwijst in zijn boek naar Chiesa’ studie die er vanuit gaat dat het plaatsen van vocaaltekens tussen 650 en 750 n.Chr. geschiedt moeten zijn… .

 

Een reden voor het plaatsen van een vocalisatie zou ontstaan kunnen zijn in een periode waarin de Hebreeuwse taal dreigde verloren te gaan. Veel joden leefden sinds de vernietiging van Jeruzalem in 70 n.Chr., en na de opstand van 132 n.Chr. onder leiding van Simon Bar Kochba en Rabbi Akiba, in de diaspora/verstrooiing. De joden leefden soms in kleine geïsoleerde groepen wat de teloorgang van het Hebreeuws in de hand werkte. De ongevocaliseerde Hebreeuwse tekst kon tenslotte nog met moeite gelezen en begrepen worden. Het waren de toenmalige joodse geleerden, die de ongevocaliseerde tekst nog beheersten en de vocalisatietekens aanbrachten ten behoeve van het gewone volk. Een taal die op sterven na dood was, werd hierdoor levend gehouden. Een speciaal probleem dat al even dringend was, was de vocalisatie van de Godsnaam.

      K. Waaiman[16] en A. Marmorstein[17] maken melding dat de joden de Godsnaam sinds ongeveer de vierde eeuw vóór Christus steeds minder begonnen uit te spreken totdat deze uiteindelijk volledig uit de publieke atmosfeer verdwenen was. De Godsnaam werd enkel nog uitgesproken door de Hogepriester in de tempel tot na haar verwoesting in 70 G.T… .

 

…uit de tijdsperiode van 300 G.T., zijn er vondsten gedaan van geschreven materialen en amuletten met de Godsnaam ‘Iewa/Ieōa’[18]:

 

 

 

 

 

 

            iéôa

                 

      Wat met het gebruik van Gods naam in het Nieuwe Testament?

      Kregen wij gegronde redenen om aan te nemen dat de Godsnaam aanwezig was in het NT. De Qumran vondsten, speciaal in het bijzonder het Septuagintamateriaal, zijn hier van doorslaggevend belang geweest. Het plotse verdwijnen van het paleo-Hebreeuwse Tetragram in de Griekse tekst ‘’, deed bij verschillende geleerden het vermoeden rijzen dat christenen van de vierde of vijfde generatie het Tetragram begonnen te weren uit hun Septuagintavertalingen… .

 

Tot zover enkele fragmenten uit het boek

                  “Aanklagers van Jehovah’s Getuigen Aangeklaagd.”

Hoe boek is te verkrijgen bij de Auteur zelf.

Email adr. rob.gwosdz@pandora.be

 

Boek pagina’s 264 met harde kaft.

ISBN nr. 9080641022

Prijs € 13, 50,- + verzendingskosten, België voor 1 of 2 boeken ongeveer € 2,50,- ,voor Nederland voor 1 of 2 boeken € 7,-

 



[1] De Godsnaam Jehovah of Jahweh bestaan uit vier consonanten JHVH of JHWH, in het Hebreeuws hwhy.

[2] Watchtower, Jehovah’s Getuigen Verkondigers van God’s koninkrijk” blz.42-47

[3] Ibid, blz. 43-44

[4] Joseph Cheriampanatt, Eucharistic hermeneutics of the sacramentary of the missionary church, blz 146.

[5] Ibid.

[6] Wereldkerkdocumenten deel 3, Apostolische aansporing “Evangelii Nuntianti” van paus Paulus VI.

[7] Watchtower, verschenen in het Duits: Jehova’ Zeugen in Gottes Vorhaben, 1960, blz. 258; Van 1-1-1956 tot 1-7-1957 verscheen de moderne geschiedenis van Jehovah’s Getuigen in de Wachttoren.

[8] De Wachttoren 1-8-1976, blz. 479.

[9] De Wachttoren 1-8-1976, blz. 480.

[10] A. Pierson, De Voornaamste Godsdiensten een vierdelig werk, zie deel II, blz. 43-45.

[11] Ibid.

[12] Ibid.

[13] Uncialen zijn niet zomaar hoofdletters, maar enkel een bepaald soort hoofdletters met afgeronde vormen en daterend uit de IVde eeuw en later.

[14] Kenyon Frederic, Our Bible and the Ancient Manuscripts, blz. 161, ‘Zijn Latijnse bijbel uit 1557 was de eerste uitgave met versindeling  zoals wij die thans nog steeds gebruiken’.

[15] Ernst Würthwein: the Text of the Old Testament: blz. 21.

[16] K. Waaiman, Betekenis van De Naam Jahwe, blz. 137.

[17] A. Marmorstein, The Old Rabbinic Doctrine of God. blz. 17.

[18] Gérard Gertoux, Un historique du Nom Divin hwhy, blz. 123-124; Eng. uitg.: The name of God Y.eH.oW.aH which is pronounced as it is written I_Eh_oU_Ah: its story, University Press of America, 2002.



Terug naar de hoofdpagina