Home | Voorwoord | Rasbeschrijving | Verzorging | Aanschaf | Opgroeiende Pup | Opvoeding | Gezondheid | Verhalen & Anekdotes | Foto's | Clubs | Links | Contact |

Gespierde dijen en de schenkel zoals bij de Greyhound lang en sterk. Laaggeplaatste hielen die noch naar binnen, noch naar buiten gedraaid zijn.
Het bekken is bij elke hond smaller aan de voorkant dan aan de achterkant, bij windhonden is dit verschil echter meer uitgesproken zodat er meer bot aanwezig is om de grote spieren aan vast te hechten. De heupgewrichten staan op deze manier ook verder uit elkaar zodat de benen in galop ruimte hebben.
Het bekken moet ook lang zijn, ook weer om voldoende spieraanhechting te bekomen, en moet minstens 30° aflopen naar de staart toe.
Het dijbeen moet lang zijn en naar de knie toe goed naar achter gebogen. Dit is nodig om een lange achterwaartse schrede mogelijk te maken. Het zorgt er ook voor dat het hele achterbeen in een mooie vloeiende curve loopt. Bij een recht bot staat de hond achteraan stijl, waardoor de dynamische uitstraling ontbreekt.
Het dijbeen moet enorm gespierd zijn, zowel aan de voorkant als aan de achterkant. Ook als je de hond aan de achterkant bekijkt moet het bovenbeen voldoende dikte hebben.
Het onderbeen moet eveneens lang zijn en goed gespierd. Ideaal is het als het onderbeen dezelfde lengte heeft als het dijbeen, om een goed gebalanceerde beweging mogelijk te maken. In de praktijk is het dijbeen echter vaak te kort. In dat geval is een langer onderbeen natuurlijk te verkiezen.
De hiel zorgt in grote mate voor de spiermassa op het onderbeen. Hoe groter het hielbeen, hoe meer plaats voor spieraanhechting en hoe groter de hefboomkracht die kan uitgeoefend worden.
De hak moet kort zijn, de hiel moet dus laag boven de grond staan, ook weer omwille van de hefboomkracht. De hakken moeten volkomen recht zijn en ook absoluut parallel t.o.v. elkaar gedragen worden. De hielen mogen dus niet naar binnen, ook omschreven als "koehakkig", noch naar buiten gedraaid zijn. De hond mag ook niet de indruk geven door zijn hakken te zakken.

Een truukje om na te gaan of een hond in de achterhand goed gehoekt is is het volgende: trek bij een in evenwicht staande hond een loodlijn vanuit de zitknobbels. Deze loodlijn bereikt de grond net voor of door de tenen. Belangrijk hierbij is dat de hak verticaal moet staan. Het dijbeen staat dan loodrecht op de lijn van het bekken.