Vul het voltooid deelwoord in
Schrijf telkens het voltooid deelwoord juist.Denk even aan de verleden tijd. Daar hoor je of je een t of d moet schrijven.
Formuleer je antwoord.Klik op "kijk na" om je antwoord na te kijken.
(merken) Jan heeft weer niets
(knippen) Ik heb juist een prent
(zeggen) Ik heb het jou nog
(vieren) Ik heb mijn verjaardag goed
(schilderen) Hij heeft dat muurtje
(groeien) De boom is hard
(slikken) Zus heeft een vieze pil
(trouwen) Wim en An zijn vorige week
(horen) Ik heb niets meer van hem
(prikken) De juwelier heeft gaatjes in haar oren
(lukken) Het is me nog nooit
(scheuren) De mouw van zijn trui is
(vragen) Hij heeft me dat nog nooit
(trappen) Ik heb in een stukje glas
(koken) Papa heeft lekker
(draaien) De molen heeft vandaag niet
(spelen) Ik heb buiten
(straffen) Papa heeft zus
(huilen) Kleine broer heeft tranen met tuiten
(dansen) We hebben de hele nacht