Voltooid deelwoord
Schrijf telkens het voltooid deelwoord juist.Denk steeds goed na. Het is geen eenvoudige opgave.
Formuleer je antwoord.Klik op "kijk na" om je antwoord na te kijken.
(krijgen) Ik heb veel geschenken
(komen) Hij is niet
(vallen) Ik ben uit die boom
(doen) Wim heeft dat niet
(klimmen) De poes is in de boom
(worden) Mijn broer is dokter
(vinden) Hij heeft geld op de stoep
(nemen) Zus heeft een stuk fruit
(eten) Papa heeft wat verkeerd
(staan) Ik heb bij de halte
(vechten) Wij hebben lang
(schrikken) Mama is hard
(steken) De bij heeft me
(bakken) Mijn mama heeft vis
(houden) Mijn opa heeft veel van oma
(brengen) De postbode heeft een belangrijke brief
(breken) De kader is
(drinken) Wij hebben veel limonade
(zwemmen) De kinderen hebben leuk
(helpen) Ik heb mama en papa