De volgende tekst is een eigen vertaling van de bladzijden 261 tot en met 272 uit het 5de deel van “l’Histoire des environs de Bruxelles” van Alphonse Guillaume G. Wauters (heruitgave door Editions Culture et Civilisation Bruxelles van 1973 van het oorspronkelijke werk uit 1855).

Alphonse Wauters leefde van 1817 tot 1898. Hij was historicus, Brussels archivaris en secretaris van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis.

De bijdrage over Londerzeel werd geschreven in 1852-1853. Mochten er nog auteurs- en aangehechte rechten de verspreiding van deze tekst beperken, gelieve het mij dan te laten weten.

Bij de vertaling primeerde het zo nauwkeurig mogelijke volgen van de oorspronkelijke Franstalige tekst boven literaire kwaliteit en zinsconstructie. Ik gebruik deze tekst hoofdzakelijk als basis voor de verdere uitdieping van diverse aspecten van de locale geschiedenis, waarnaar in deze basistekst dan ook veelvuldig zal worden gelinkt.

 

Louis De Bondt

 

 

Geschiedenis van Londerzeel

door Alphonse G.G. Wauters (1852)

 

Eigen vertaling uit l’histoire des environs de Bruxelles

 

 

De grote gemeente Londerzeel [1] – waarvan het grondgebied een bijna rechthoekige vorm vertoont – heeft een bijna volledig één gemaakte bodem die vruchtbaarder in het zuiden dan in het noorden is; een strook grond die zich uitstrekt van Buggenhout naar Mechelen vereist vooral bemesting en werk om oogsten op te leveren. Men vindt er, bijna in de vorm van aardemeel, een bruine zandlaag die ijzeroxide schijnt te bevatten. Verder krijgt de grond een mergelgele kleur.

Vroeger was er zich op dit ganse deel van de gemeente slechts een immense heide, doorsneden door een bos [2], braaklanden (laeren) enz. Desondanks haalt de inspanning van de landman het op de hardheid van het terrein en, evenals de omgeving, brengt Londerzeel overvloedige oogsten op van tarwe, rogge, haver, hop, enz.

In de oudheid werd het dorp, schijnt het, doorsneden door de Romeinse weg van Asse over Merchtem naar Mechelen, waarvan den Steenwech, die in Londerzeel tijdens de middeleeuwen bestond, ongetwijfeld maar een gedeelte is. [3]

De Grimbergen-Nassau oefenden het hooggerecht uit in Londerzeel en bezaten er alle heerlijke rechten behalve dat om in geval van oorlog de klok te laten luiden; dat laatste recht hoorde toe aan de vorst. Buiten hun gewone cijns, hadden ze in bijna de hele parochie, naast het ontvangen van de tienden, een schoofrecht dat bestond uit één twintigste van de opbrengst van de oogst en dat in 1619 300 gulden opleverde.

Ze hadden er een watermolen, verhuurd voor 60 guldens, en een windmolen (link naar de Molens van Londerzeel) die voor 220 guldens werd verpacht.

In 1534 annexeerde Hendrik van Nassau 2 heerlijkheden met een cijnshof en een feodaal hof. De eerste behoorde toe aan Georgius van Voorspoel en zijn vrouw Ludovica Estricx; de tweede was van Daneel Vilain (link naar het Steen op de Heuvel). Deze kleine heerlijkheden hingen af van het feodale hof van Dendermonde; de griffie van Brussel bezit enkele registers van hun gezworen cijnsmannen en leenmannen.

In 1764 werd de heerlijkheid van Londerzeel met al zijn aanhankelijkheden en met ondermeer ook het recht om een drossaard, een meier, schepenen en ambtenaren te benoemen van het land van Grimbergen afgescheiden en door hertogin de Croy, prinses van Berghes, verkocht aan Gaspard-Joseph Boot, heer van Sombeke, die bij het hertogdom Brabant het verhef ervan deed op 16 mei van datzelfde jaar.

 

De Borcht

 

Er stond vroeger in het dorp, ten westen van de kerk, een zeer mooi kasteel. In de maand november van 1582 werd het door de hertog van Parma gewapenderhand ingenomen en met de grond gelijk gemaakt omdat, zegt men, er verschillende samenkomsten tussen de prins van Oranje, Egmont, Hoorne en andere verdedigers van de rechten van de natie hadden plaats gevonden [4] (link naar Londerzeel tijdens de Geuzentijd).

De hertogin de Croy en haar man stonden op 15 februeri de hoeve de Borcht, het er aangehechte huis, geheten de oude Borcht met tuin en vijver, evenals het Schofflandbosch af aan Joseph Middavin. Vandaag is er op deze plaats alleen nog een kleine woning, omgeven door water, te zien.

 

Drietoren

 

De nieuwe eigenaar van het domein Londerzeel had enkele jaren eerder al het Hof van Nursen, Urselle of Ursene, ook Asgrecht, Schreyhane, Asschreyane en de drij Torens genoemd, verworven.

De naam Asschreyane of Schreyhane komt voor in het gedicht over de Grimbergse oorlog; volgens de auteur had de familie met die naam als wapen een schild dat “was al te male van kelen root, met een hoede van silveren groot, drie roode meerlen, meer no min, met eenen rande, meer no min, van lasure al geheel”.

Heer Hendrik, ridder van Nursen, verkocht de tienden van 12 bunder grond, gelegen in Marca of Marcq bij Edingen aan de abdij van Affligem. Dat gebeurde met de toestemming van Arnould van Grimbergen (maart 1226-1227) en van Robrecht van Bethune, heer van Dendermonde (januari van hetzelfde jaar).

In 1356 betoonden Hendrik en Godevaert d’Urselle eerbetoon aan Lodewijk van Male (de graaf van Vlaanderen) en werd heer Renerius d’Urselle gedagvaard om op 27 augustus in Kortenberg te verschijnen. Renerius, die in andere documenten d’Urssene genoemd wordt, trouwde met Poye Veels, gezegd Rongman, en met Sapientia van Bijgaerden; In 1372 leefde hij niet meer. Hij was vader van Hendrik, priester, Lanceloet, Jan en van Margriete, de vrouw van Walter Bau.

Lanceloet en Joanna van Corswarem kregen Willem, Jan, Aleydis en Ida.

Na Willem worden door genealogen volgende namen genoemd als heer van Asschereyane van vader op zoon: Philips d’Ursene, Hendrik en een tweede Philips.

Hendrik stierf voor zijn vader en het was zijn zoon Philips, getrouwd met Catharina Vanderee, die het verhef deed van zijn leengoed, waarbij een halfbunder grond geheten den Holen Zyp (dat afhing van het feodaal hof van Grimberghe-Nassau) en het kasteel van Asschereyane (dat afhing van dat van Dendermonde).

Zijn broer Josse (Judocus) volgde hem op (verhef van 6 maart 1587) en deze schonk op 5 mei 1595 het hoff ten drie Torrens, gemeynelijck genoempt ’t hoff van Ursene oft van Asscherayen met speelhuis, hoeve en andere aanhankelijkheden, vijvers, gronden, beemden, weiden, bossen en de eraangehechte heerlijkheid, aan zijn kleinzoon messire Cypriaen, zoon van messire Cypriaen Jarsma en Marie van Ursene.

De ouders van Cypriaen jr. keurden deze afstand goed door een schenking tussen levenden voor notaris Jean Van Loon. Dat gebeurde in Friesland op 4 december 1597 en op 6 maart 1602. Ook messire Melchior alias Altzve Van Jaersama verklaarde zich op 16 december 1607 akkoord voor Ritske Van Ringue, raadsheer bij de Algemene Staten van de Verenigde Provinciën, grietman van Dongeldeel. De hoofdintendant en algemeen bestuurder van de aangeslagen goederen had ongetwijfeld de afstand van het leen van Ursene bevolen omdat Jarsma in Friesland geboren was, een provincie die toen in opstand tegen Spanje was. De aartshertogen verleenden Jarsma de brieven van “opgeheven hand” op 15 mei 1608.

Die maakte daar gebruik van om Ursene op 7 augustus van het zelfde jaar voor 8700 gulden te verkopen aan messire Jean Moulaert, luitenant van de garde de handboogschutters, en aan diens vrouw Marie Delrio. Maar Engelbert, de zoon van Willem van Deutegem of Doetinghem, eiste - in zijn hoedanigheid van familielid - het goed op en nam het in bezit (schepenbrief van 23 september 1608).

Messire Engelbert, de zoon van Jan van Ursene en Jacquemyne ’s Winters, en kleinzoon van Philips van Ursene en Catharina Vanderee, had op 80 januari 1602 al een eerste keer van zijn rechten afgezien. Nà de afstand aan Moulaert liet hij ze opnieuw gelden. Deze keer wilde hij er pas opnieuw aan verzaken mits een vergoeding in geld van 50 Rijnsguldens (14 augustus 1608).

Tussen Brabant en Friesland waren talrijke relaties ontstaan. Sedert Bernard de Merode, heer van Rummen en van Kapellen, Franchois Pipenpoy van Merchtem en andere Belgische jonkers ginder belangrijke posten hadden bekleed, waren er talrijke huwelijken afgesloten of voorbereid. Toen de zaak van de koning in België triomfeerde en tezelfdertijd in Holland verloor, had iedereen die er voor gestreden had toevlucht bij zijn politieke vrienden gezocht.

Dat verklaart waarom men zich 2 opeenvolgende families uit den vreemde in Londerzeel zien vestigen heeft.

Messire Willem Van Deutecum lag aanvankelijk niet in de gratie van de Spaanse regering. In 1585 werden immers zijn hoeve en zijn 25 bunders grond in Londerzeel in beslag genomen. Dat gebeurde onder voorwendsel dat hij in Deventer tussen de rebellen had gewoond. Maar Engelbert van Doetinghem had met overtuiging en met de graad van kapitein, in de rangen van de dienaars van de monarchie van Philips II gevochten. Het kerkhof van de parochiekerk onthult zijn grafsteen waarop men kan lezen: Cy gist noble homme Ingelbert de Doetinghem, en son vivant escuyr, seigneur Dascherayn, très zeleu de la religion et armes de sa maj. Catolique, qui trespassa de 28 doctobre 1643, et noble dame Margerit de Vriese, sa compaigne, qui trespassa le 22 novembre 1658. Kwartieren: Doetingem, Olger, Gelmer, Swede, Pypenpoy, Oyenbrugge, Mol, Ursele, Vriese, Ottersum, Vanderre, Ode Van Herere, Doetingen, Wrede, Vighinck, Doetingem.

Messire Philippe-Guillaume, oudste zoon van de vorige, werd drossaard, luitenant van de leengoederen en meester van de konijnenperken van het land van Grimbergen. Hij stierf in 1668. Met Alardine Taye had hij volgende kinderen: Jean-Jacques, en Charles-François, kolonel in Spaanse dienst die stierf in 1719 aan de gevolgen van de verwondingen die hij had opgelopen bij het beleg van Meluzzo in Sicilië.

Jean-Jacques had 2 kinderen: André-Jacques, gestorven in 1766, en Pierre-Melchior, meier van Leuven, overleden in 1744 en vader van een jonker met dezelfde naam die van 1771 tot 1776 schepen van Brussel was. De eerste Pierre-Melchior werd begraven in Londerzeel, naast zijn groot-oom Magnus-Louis, onder een grafsteen met de woorden: “Ici gist Magnus Louis de Doetinghem, escuier qui trespassa le 30 juin 1689, fils d’Engelbert de Doetinghem, oussy escuier, en son vivant seigneur de Aschreyane d’Ursel, et de Marguerite de Vriese, sa compagne. Jonker Petrus Melchior van Doetinghem, in zyn leven meyer der stad ende quartier van Loven, enz. Obiit 23 april 1744. Priez pour leurs âmes.”

Een juffrouw de Waha kocht Asschereyane en Jean-Baptiste de Waha, oud hoofdintendant van de bergen der bermhertigheid der Nederlanden verkocht het op 20 december 1753 aan Gaspard-Joseph Boot de Sombeke (verhef van 6 december 1755). Bij diens dood was zijn zoon Charles-Henri-Ghislain Boot nog minderjarig en was het zijn vrouw, Marie-Thérèse Vandergoten die het verhef van Londerzeel deed op 12 augustus 1767.

De nieuwe dorpsheer van Londerzeel werd op 9 mei tot graaf van Velthem aangesteld. Hij overleefde de val van het ancien regime, de Franse periode en overleed op 11 januari 1828 in Wenen op een zeer gezegende ouderdom. Omdat hij geen directe erfgenamen naliet, ging zijn patrimonium over naar een familielid, Ferdinand-Joseph-Ghislain d’Olmen-Saint-Remy, die op 15 mei 1829 overleed, en naar diens zuster Henriette-Marie-Ghislaine, vrouw van Jean-Charles-Laurent-Joseph burggraaf de Spoelberg la Bawette.

De volgende inscriptie tegen de gevel van de kerk van Londerzeel, rechts van de ingangspoort, herinnert aan deze personages: Sub hoc tumulo, uti voluere, jacent, resurrectionem spectantes, perillustris dominus Carolus Henricus Gislenis Boot a Sombeek, Ursene, Londerzeel et la Motte, comes de Velthem, ord. equestris prov. Antverp. Adscriptus, suae sacrae caesar. regiae apost. majestati a cubiculis, cojux perillustr. dom. Mariae Eleonor. comitissae de Berctold, adscript. caesar. reg. apost. crucis stellat. ord., natus Bruxellis 15 novembris 1756, obiit Viennae in Austria 11 januarii 1828, et hic depositus 25 februar. 1829, nec non parens et amicus ejus perillustris dominus Ferdinandus Josephus Josephus Gislenus d’Olmen S. Remy, natus 20 julii 1754 Bruxellis, ubi decessit 15 maji 1829, hicque depositus 19 ejusdem mensis. R.I.P. prioris vidua plorans, cum alterius sorore moestissima , praenob. d. Henr. Maria Gisl. d’Olmen S. Remy, uxor perill. domini Joannis Caroli Laurent Josephi vicecomitis de Spoelberch la Bawette.

Hun nakomeling bezit nog altijd het kasteel van Ursene, een mooie woonst die men vanaf de spoorweg kan zien en die omgeven is door een ruime en mooie tuin.

De Waha, en vervolgens Boot op 13 augustus 1757, kregen het privilege om er missen te laten celebreren.

Bij de heerlijkheid hoorden vroeger een feodaal hof met 38 lenen en 22 achterlenen, een cijnshof, een schoofrecht, goederen die Keure genoemd werden, enz. De gezworen cijnsmannen van Ursene, die geen gemeenschappelijk zegel hadden, bedienden zich enkele keren van dat van de schepenbank en enkele keren ook van dat van de eigenaar van de heerlijkheid (9 augustus 1673).

Een watermolen, voor het kasteel gelegen, die voor de helft in pacht en voor de helft in leen gegeven werd, en die van de heerlijkheid van Ursene afhing, werd door de heer Engelbert van Doetinghem op 3 juni 1614 aangekocht (link naar de Molens van Londerzeel).

 

Met uitzondering van het dorp bevat Londerzeel geen aanzienlijke agglomeratie. De gehuchten Berg, Kaeskant, Pluymenest, Ursene, Sneppelaer, Bleyenhoek, Neerhavert, Heyde, Stuyckberg, Meerstraet, enz. zijn eerder delen grondgebied van de gemeente dan kleine dorpjes; de meesten zijn niet oud en hadden vroeger maar zeer weinig huizen; anderen hebben hun oorspronkelijke naam verloren: dat was het geval met de Broeck-thiente, de plaats geheten Te Guchte, enz. Bij de kastelen of hoeven is er geen enkele, behalve dat van Ursene, dat enig belang vertoonde of vertoont. Vroeger waren ze talrijk maar in het algemeen historisch van geen enkel belang.

Behoudens degene waarover we nog enige woorden zullen schrijven, kunnen we citeren: te Sneppelaer, de hoeve met de naam Heyblom (1707); op de Heyde het Krenghof; tegen Ramsdonk het Hof ter Winckele; en op een onbekende plaats de Cruyshoeve (1779), de Heylaerhoeve (1631), T’Shuysheerenhof (een leen dat gehouden werd door de heren van Grimbergen), t’ huys t’Obberghe (1573), de goederen met de naam Piermansaert (1712), de Schriecke hoeve (1614), ’t Hof van Scouwenbroecke, enz.

Als men Londerzeel doorloopt komt men veel door grachten omsloten terreinen tegen waar slechts weinig of geen sporen van woningen te vinden zijn. Het zijn de inplantingen van oude hoven die de een na de ander verlaten werden of omgevormd tot kleine boerderijtjes. Zo zijn er verschillende te oosten van het dorp.

 

Altenaken

 

Het eerste schijnt vroeger het Hof t’Altenaecken of t’Altena geweest te zijn dat achter de kerk gelegen was, ’t is te zeggen, ongetwijfeld ten oosten van het koor, of, volgens een akte van het jaar 1588, bij de Meysvonderstrate naar Brussel (link naar Meysvoldenbrug). Dit goed dankt waarschijnlijk zijn naam aan de oude heren van Altena, die zich rond 1200 met Grimbergen verbonden en die, niet ver daar vandaan, in Hingene, bezittingen hadden. Het hof werd op 22 april 1617 aangekocht door Rombaud Huens, algemeen ontvanger van de stad Mechelen, en door zijn vrouw Catharina de Smith.

Het Hof te Luydts, leen van Grimbergen-Nassau, lag verder.

 

Voorspoel en Oudenhoven, hof te Boets

 

Op de grens tussen Londerzeel en Wolvertem vindt men de hoeve Voorspoel en Oudenhoven die in de 17de eeuw een woning, vijvers, een door water omgeven bergje en 32 bunders land en weiden omvatte. 17 Bunders lagen in Londerzeel en 15 in Wolvertem. Op 14 van die 32 bunder had de abdij van Grimbergen een jaarlijkse cijns van 6 Florijnen; 13 bunder hingen af van de heren van Grimbergen. 8 van deze bunders vormden - samen met een heerlijke cijns met een jaarlijkse waarde van 2 Carolusguldens, 10 kapuinen en 7 dagen korvee - een cijnshof met het recht om te overerven of te onterven, een feodaal hof met 6 leenmannen. Men noemde het het leen van Oudenhoven. Het leen ging over van Jacques Clockman op zijn zoon Adolf die het op 1 februari 1568-1569 verkocht aan Martin Van Assche. Diens kinderen stonden het op 1 februari 1589 af aan de kinderen van Cornelio Grass en Isabelle de Villers. Clémence Van Hoytema, de weduwe van Igram Van Achelen, voorzitter van de Hoge Raad van Mechelen, kocht het van François Bogaerts, heer van Poelweerde, zoon van Jacques Bogaerts, voorzitter van de Raad van Vlaanderen, en van Isabelle, de zuster van Roland Grass, zoon van Cornelio en de hierboven genoemde Isabelle (21 april 1605, verhef van 30 april).

Marie Bogaerts, weduwe van Folcard Van Achelen, voorzitter van de private raad, liet het in haar testament van 10 september 1651 na aan Catharina Van Achelen en haar man Jean-Jacques De Puts, ridder en lid van de oorlogsraad. Eén van hun dochters, Isabelle-Petronille De Puts, kocht op 26 februari 1697 het leen en de hoeve Voorspoel voor 17.800 gulden, voor haarzelf en voor haar man Albert Coxie, heer van Bousval, voorzitter van de Hoge raad van Mechelen (verhef van 3 april 1697).

Coxie en zijn tweede vrouw Anne-Claire Stalins lieten drie dochters na. Eén daarvan, Marie-France de Coxie, trouwde een eerste keer met messire Gaspard-Joseph de Villegas, lid van de Raad van Brabant, en later met Charles-Ferdinand de Herzelles die op 27 december 1763 overleed.

Op 23 maart 1765 had er een deling plaats tussen de erfgenamen: 1) Albert-Charles-Ghislain graaf de La Tour-Saint-Quentin, enige zoon van graaf Philippe en Anne-Isabelle de Coxie, 2) de graaf van Calonne-Courtebourne en 3) de kinderen van Frédéric-Victor de Meer, heer van Dalembroek, en van Albertine de La Tour-Saint-Quentin. Als gevolg van die deling werden de goederen waarover wij het hier hebben de eigendom van de graaf de La Tour.

Zijn zonen Charles-François, ridder in de orde van Malta, groot-baljuw en hoofd van een eskader, en Albert-François-Joseph, graaf van La Tour-Saint-Quentin, Saint-Empire en Seynegem (verhef van 28 juli 1771) verkochten ze voor 40.000 gulden aan Jean-Joseph-Hyacinthe burggraaf de Beughem (verhef van 24 april 1771). Deze kocht bovendien van een particulier een cijnsboek van de wijk Bleyenhoek dat afhing van het feodaal hof geheten de Vilain (26 maart 1774).

In de laatste eeuwen verwierf het leen van Oudenhoven één derde van de tiende van Londerzeel. Dat derde deel vertegenwoordigde een leen dat afhing van de twee heren van Grimbergen. De erfgenamen van het klooster der Urbanisten te Brussel, die in 1586 de toelating gekregen hadden om een deel van hun bezittingen te hypothekeren of te verkopen, verkochten deze tiende op 30 mei 1588 aan Antoine de Goegnies, heer van Veuelzyn, gouverneur van de steden Brussel en Quesnoy [5], kapitein van een compagnie ruiterij, en aan zijn vrouw Marie Descleves (verhef van 9 juni 1588).

 

Van het feodaal hof van Voorspoel (uiteraard een verbrokkeling van het gelijknamige leen) hing onder meer het hof te Boets af. Philippe-Guillaume de Doetinghem deed, na zijn moeder, het verhef ervan op 18 januari 1644. Het bezat toen 10 bunders grond, weiden en beemden. Zijn nakomelingen verkochten het in 1760 voor 11.258 gulden wisselgeld met 22 bunders aan de juffrouwen Besselaer (verhef van 8 november 1760); het lag bij de Swertebeke.

 

Hof te Rode

 

In de Pluymenest lag het Hof te Rode. Het werd op 19 januari 1587 door meester Philippe, zoon van meester Philippe Doublet, en zijn mede-erfgenamen verkocht aan Jeronimo Manrico, inwoner van Vallalodid. Die schonk het bij akte, gepasseerd in Antwerpen op 6 november 1596, aan zijn broer André Manricquez, burger van de stad Emmerich in het land van Cleve.

De voogden van de kinderen, die hij met Gertrude Van Steensel had, stonden deze hoeve daarna af aan Marie, de gewettigde dochter van messire Jean Van Nevele, heer van Nossegem en Slozen (18 februari 1606).

 

Hof ter Hellen

 

Ten noorden van de spoorweg, bij de Bollebeek, ziet men het Hof ter Hellen. Eertijds was dat een leen van de Kastelnij van Grimbergen. Hendrik Robbyns was er in 1506 de eigenaar van. Vanwege de ligging werd het ook Tusschenbeke genoemd. Jerôme Mas, eerste deurwaarder van de private raad, en zijn vrouw Théodorique Nieuport kochten het van Elisabeth, de dochter van François Cloostermans, op 20 februari 1587 en verkochten het op 31 oktober 1598 aan heer Louis Verreycken. Deze stond het op 25 mei 1607 af aan Pierre Micault, heer van Diepensteyn, die het overliet aan zijn nakomelingen.

 

Hof te Moortere

 

Daar dichtbij lag het Hof ten Moirtere (1 juli 1591).

Margaretha Van Boechout, weduwe van René Vandenmoertere en vrouw van Hendrik, zoon van Olivier van Duffel, was de eigenares van een nabijgelegen onderneming (de Coevoetmolen?). In 1591 stond ze die af aan Robert, de zoon van ridder Jan Vandenmoertere.

 

Schaliënhuis

 

Een stenen gebouw met 5 verdiepingen beheerste indertijd het gehucht Sneppelaer. De erfgenamen van François Gielis verkochten het op 7 februari 1587 aan Arnould Franck, een handelaar uit Antwerpen, en aan diens vrouw Madeleine Ducarne. Het ging daarna over naar een andere koopman, Jan Baptist Goubau, die nog vele andere eigendommen in de buurt kocht en onder andere een heerlijke cijns van met recht van erven en onterven waarvan de armen van Liezele 2/3 bezaten en René de Moor de rest (1605).

Madeleine Goubau bracht bij haar huwelijk met messire Jan Vanderveken de hoeve en het huis van plaisantie van Sneppelaer als bruidschat mee. Eén van hun kinderen was Marc Vanderveken. Het grafschrift van deze edelman is te zien in de kerk van Londerzeel en luidt als volgt: Hier leggen begraven jonkheer Marcus Vanderveken, heere van Berent, enz., enz., in zyne leven sergeant major van een regiment cavaillerie, ten dienste van zyne mat., die sterft den 18 april 1677, ende vrouwe Isabelle Helena Rubens, zyne huisvrouw, sterft den ...

Hij liet 6 kinderen na: Jan-Baptist, heer van Berent, Maria-Magdalena, Constance, vrouw van messire Robert-Simon Vandewerve, Helena-Ferdinanda, vrouw van messire Godevaert de Hertefeld, heer van Slozen, en François-Joseph. De laatste vijf sloten een akkoord met de oudste over de nalatenschap van hun vader en besloten om het kasteel en het park van het Schalienhuys te Sneppelaer in onverdeeldheid te laten (17 september 1720). Die waren al bijna een eeuw de eigendom van de baronnen Helman van Willebroek. Achter het kasteel van het Schalienhuys - op een terrein van 3 dagwand tegen de vijver en tussen het park en de grote weg – bouwde Philippe-Jean-Baptiste Vanderveken (kapitein, heer van Berent) een speelhuis. Op 22 maart 1740 verkocht hij dat aan messire François-Joseph de Hertefelt.

De Vanderveken hebben in Londerzeel 2 lenen gehad, Waesmont en Berent, maar we hebben daar maar zeer vage gegevens over.

 

Viermannen

 

Ten oosten van het dorp, in de buurt van de Heilige Kruiskapel, vindt men de cijnsheerlijkheid van de Calvarieberg die eveneens eigendom van Vanderveken was. Men noemde het ook het Hof ter Mannen of van de Vier Mannen (1621). Het was een leen van Grimbergen-Nassau. Jan Vanderveken deed, na de dood van zijn zoon meester François, het verhef ervan op 23 juni 1666. Zijn kleinzoon, messire Martin Vanderveken, heer van Waesmont, verkocht het op 24 november 1714 voor 1310 gulden aan Godevaert de Hertefelt.

 

Ter Locht

 

De hoeve Ter-Locht, bij de heide van Ramsdonk, ging over van Hendrik Van Heyembeke naar Augustin Garibaldo, een koopman uit Antwerpen (10 mei 1573); ze werd verwoest tijdens de Beroerde Tijden (link naar Londerzeel gedurende de geuzentijd) en de plaats werd met alles wat er nog bij hoorde aangeslagen en op 21 juli 1604 verkocht. Messire Balthazar Spannenberger kocht ze aan en verkocht ze op 16 november 1622 door aan Jan Vanderstegen, meester van de rekenkamer van Brabant. Die legateerde het goed, door schenking onder levenden, op 23 oktober 1628 aan zijn zoon, meester Philippe Vanderstegen, licentiaat in de rechten.

 

Schepenbank

 

De schepenbank van Londerzeel bediende zich van een zegel voorzien van een schild met de wapens van Grimbergen en met de legende: s. Scabinorum de Londerzele. Het valt op dat de etser, mogelijk omdat hij de haastig gewerkt heeft, de laatste letter van Londerzele in het verkeerde veld, net boven het wapenschild, geschreven heeft. De schepenen volgden het gewoonterecht van Ukkel. Haar archief bevat de erfenisregisters vanaf het jaar 1569, de strafregisters (terminatonium) vanaf 1550, de procedurerollen, de processale fardes, de voogdijschaprekeningen, de rekeningen der verdeling der belastingen, de procuraties, enz. Ze bevinden zich vandaag op de griffie van Brussel.

In enkele akten zijn sporen terug te vinden van de invloed die het graafschap Vlaanderen op de Brabantse gemeenten in het grensgebied heeft uitgeoefend. Zo werd in de volgende zin het verkleinwoord “ken” tot twee keer toe als “kine” geschreven, zoals dat in Brugge wordt uitgesproken: In eenen veldekine gheheeten Spykengs hoeve, tusschen den beenvont straetkine ende Kateline Reynere Boods wyfs landt (1140).

In Londerzeel en in de naburige plaatsen wordt het woord gemeth, dat in Vlaanderen “dagwand” betekent, nog altijd veel gebruikt.

Hertog Hendrik III bevond zich op de ochtend van Pinksteren van het jaar 1249 in Londerzeel; hij ondertekende er een akte waarmee hij een terrein, gelegen in Antwerpen, afstond aan de Dominikanen. Londerzeel betaalde – als aandeel in het Nobel-gelt – aan het domein 20 nobels om de dertig jaar. In 1589 wilde men dit bedrag een tweede keer van de inwoners eisen ofschoon ze het al aan Cabo, de ontvanger van Brabant, in kwartier te Antwerpen, hadden betaald. Deze Cabo – het dient gezegd – bestuurde in naam van de Generale Staten. Maar, zoals de schepenen van Londerzeel opmerkten, had de capitulatie van Antwerpen dit soort betalingen gesanctioneerd.

 

Er bestond vroeger een hospitaal (Sieckhuys) in de gemeente (1654) (link naar het Sieckhuys van Londerzeel) en sedert mensenheugenis wordt er iedere dinsdag een markt in het dorp gehouden.

Er werd in de 16de eeuw tamelijk veel bier geproduceerd en de Londerzeelse brouwsels werden toen in Mechelen in grote hoeveelheden gedronken. Deze nijverheidstak werd meerdere keren ten voordele van de gemeente belast.

 

Bevolking

 

Londerzeel was toen nog niet zo dicht bevolkt als nu. In 1570 telde men er 500 communicanten die in 1599 tot 200 waren herleid (link naar Londerzeel gedurende de geuzentijd). Dank zij de vrede die volgde was dit cijfer in 1670 tot 800 gestegen. Toen kwamen de verwoestende invallen van de Franse legers. In 1684 eisten die van het dorp een belasting van 10.759 gulden en, omdat die niet onmiddellijk betaald werd, werden verschillende huizen in het dorp op 7 januari in brand gestoken. Hierdoor leden de inwoners een verlies dat op 10.477 gulden werd geschat (declaratie van 23 augustus) (link naar Beroerde Tijden, deel II).

Onder de regering van Maria-Theresia groeide de bevolking met een ongelooflijke snelheid aan. We beschikken voor deze periode over talrijke documenten over de Londerzeelse statistiek: volgens het archief van de dekenij Wolvertem waren er volgende aantallen communicanten: 1100 in 1711, 1300 in 1742, 1792 in 1762 en 1830 in 1769. Volgende gegevens, die uit de officiële tellingen komen, geven nog meer details (parochietelling 1702 is te vinden op:

http://londerzeelvroeger2.googlepages.com/Londerzeel-Parochietelling1702.pdf

 

 

Bevolking 1702 (excl. kinderen – 7 j.)

Bevolking 1754 (incl. alle kinderen)

Bevolking 1846

 

Solvabel

Ondersteund

Totaal

Solvabel

Ondersteund

Totaal

 

 

Totaal

Mannen

224

55

279

325

111

436

 

 

788

Vrouwen

196

46

242

295

97

392

 

 

682

Weduwen

17

19

36

41

14

55

 

 

139

Inwonende kinderen, jongens

89

8

97

328

133

461

 

 

 

2479

Inwonende kinderen, meisjes

90

11

101

290

122

412

 

 

Inwonende kinderen, onbekend

-

 

 

16

-

16

 

 

 

Knechten

43

 

43

67

 

67

 

 

148

Meiden

37

 

37

69

 

69

 

 

148

TOTAAL

696

139

835

1431

477

1908

 

 

4384

 

Om hetgeen we hoger vertelden niet te herhalen, trekken we geen besluiten uit deze cijfers en evenmin uit de volgende die ons laten inzien in welke mate de veefokkerij in ons land sedert een eeuw is gegroeid.

 

 

Telling jaar 1702

Telling jaar 1846

Paarden

114

197

Koeien

386

1017

Vaarzen

102

251

kalveren

72

43

Varkens

51

391

Geiten (2 kuddes)

85 en 50

68

 

Franse periode en later

 

Onder de Franse Republiek werd Londerzeel de hoofdplaats van een kanton dat naast Londerzeel zelf nog de volgende gemeenten omvatte: Kapelle-op-den-Bos, Ramsdonk, Humbeek, Rossem, Steenhuffel en Malderen. In het jaar VIII werd het bij het vredegerecht van Wolvertem gevoegd maar werd het opnieuw het centrum van een bestuurlijk kanton.

Tijdens de troebelen van het jaar VII, op 3 november 1798, drongen de Fransen, nadat ze de opstandige bevolking op de vlucht hadden gejaagd, binnen in de kerk en vermoordden er een 80-jarige oude man, genaamd Frans Corens, die er voor het hoofdaltaar aan het bidden was.

Sedert enkele jaren heeft Londerzeel zijn bevolkingsaantal aanzienlijk zien aangroeien. De weg van Brussel naar Temse, de grote weg van Asse naar Mechelen via Merchtem en Kapelle-op-den-Bos, en vooral de ijzeren weg van de staat, waarvan de meeste konvooien even ten noorden van het dorp halt houden, verzekeren gemakkelijke verbindingen.

Als gevolg van een beslissing van de gemeenteraad van 29 juni 1850 en een deliberatie van de provincieraad van 8 juli 1851, werd er bij Koninklijk Besluit een Paarden- en Veemarkt toegelaten, die zal plaats hebben op de dag na de vierde zondag van september, 2de dag van de grote kermis (K.B. van 16 augustus 1851).

In 1840 werd een huis aangekocht om als gemeenteschool en gemeentehuis te dienen, en er is een Ursulinenklooster opgericht, met daarin een pensionaat, een klas externen en een school voor arme kinderen (de geschiedenis van het onderwijs te Londerzeel is te vinden op:

http://londerzeelvroeger.googlepages.com/Londerzeel-onderwijsenonderwijzers.pdf

 

Sint-Christoffelkerk

 

De Sint-Christoffelkerk van Londerzeel werd in 1139 aan de abdij van Affligem geschonken, samen met die van Ossel waar ze toen een succursale van was.

Als gevolg van 2 schenkingen - de eerste gedaan door Gerard IV van Grimbergen in 1220 [6], de tweede verricht in 1242 door Gerard, ridder van Schoutbroec, vazal van Robrecht, zaakvoerder van Arras en van Bethune, heer van Dendermonde – ontving de abdij er 3/7 van de tienden, met uitzondering van 1/4 dat toekwam aan de pastoor, plus de helft van de restende 4/7. Een derde van deze laatste fractie en één zesde van de rest gingen over naar het deel van de pastoor. Het overschot werd gevoegd bij het leen van Oudenhoven. De novale tienden werden verdeeld zoals de grote tienden en waren goed voor zo’n 2000 gulden per jaar.

De pastoor had ook nog de helft van de lammerentiende en de varkenstiende. Bovendien kreeg hij nog 50 gulden uitbetaald door de abdij van Affligem.

 

Christophorus Verhulst stichtte in Londerzeel een kapelanij van Onze-Lieve-Vrouw. De begunstigde moest 7 missen per 15 dagen celebreren. Ze werd op 7 april 1650 bij de pastorij gevoegd en de inkomsten ervan werden voorbehouden om er een onderpastoor mee te onderhouden. In 1695 veroordeelde de Raad van Brabant de gemeente en de kerkfabriek om aan deze onderpastoor jaarlijks respectievelijk 25 en 50 gulden uit te betalen; maar in 1725 besliste dezelfde rechtbank, op vraag van de gemeente, dat het onderhoud van de onderpastoor ten laste viel van de abdij van Affligem. Deze werd dan ook veroordeeld om hem 280 gulden per jaar uit te betalen.

De koster werd benoemd door de aartsbisschop, de pastoor, de meier en de schepenen. Behalve datgene wat hij volgens gebruik van de boeren kreeg, ontving hij een derde deel van het casueel.

In de rekening van de tienden die in 1542 aan de clerus opgelegd waren merken we dat de keizer ‘oog hebbende voor de behoeften en de miserie van de pastoor van Londerzeel’ diens aanslag van 36 tot 18 ponden reduceerde.

 

Op 24 oktober 1716 liet pastoor Dominicus Mehauden 600 gulden wisselgeld na om, om de twee jaar, plechtige prijzen te geven aan de kinderen die zich tijdens de catechismuslessen onderscheiden hadden. De inkomsten van deze stichting, die aanvankelijk 54 gulden bedroegen, waren in 1739 tot 48 gulden teruggevallen.

Op 8 juli 1665 liet Nicolaes de Clercq, de pastoor van Baasrode, aan de armen van de gemeenten Baasrode, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel en Steenhuffel een jaarlijkse rente na van 3 grootponden (per gemeente). Die moesten gebruikt worden om onder de vorm van brood uitgedeeld te worden op de eerste drie zondagen van het jaar, op voorwaarde dat de kerkmeesters van deze dorpen voor hem een mis zouden laten doen op de drie maandagen erna.

Deze waardige pastoor stichtte bovendien ten voordele van enkele wezen een fundatie die we in ons artikel over Buggenhout hebben besproken.

 

De parochiekerk bestaat uit een mooi en ruim gebouw. De toren, boven het kerkschip, krijgt maar licht binnen door kleine lateraal geplaatste openingen en door 2 spitsboograampjes met twee vensterkruisen. Het bovenste gedeelte brandde op 29 juni 1730 grotendeels af door een blikseminslag. Het is zonder twijfel toen dat men hem voorzien heeft van een achtkantige spits van een aanzienlijke hoogte en versierd met een groot aantal dakvenstertjes. Twee rijen cilindrische pilaren met van bladloof voorziene kapitelen verdelen het schip, waarvan het centrale gedeelte – te oordelen naar de kleine boogvensters - tot de 11de of de 12de eeuw teruggaat, in drie delen. Het koor, de dwarsbeuken en al de kruisgewelven, dateren uit de periode van de gotiek. In 1590 werden belangrijke herstellingen gedaan aan de kerk, vooral aan het dak.

Het enige kunstwerk dat men er ziet is een kruisafneming boven het hoofdaltaar. Boven de altaren van Onze-Lieve-Vrouw en Sint Christoffel hingen vroeger schilderijen van de Crayer die nog in 1739 gereinigd werden. De drie altaren werden gewijd in 1652 door Jacques de la Torre, aartsbisschop van Ephese, en dat ingevolge een opdracht van de aartsbisschop van Mechelen van 4 juli van dat jaar.

De koorgestoelten, waarvoor pastoor Boetselaer 300 gulden betaalde, werden in 1756 geplaatst. De gemeente betaalde de stoelen die door de schepenen werden gebruikt. De sacristie is van 1735.

In oude tijden zag men op het kerkhof een woning die in 1169 door de monniken van Affligem afgestaan werd aan mevrouw d’Aa om haar zolang ze leefde tot woonst te dienen.

 

Bergkapel

 

Op enige afstand ten oosten van het dorp, in de wijk de Bergh, ziet men een kapel die een paar jaar geleden met veel elegantie heropgebouwd werd. Ze werd opgericht omstreeks het jaar 1515 door de dorpspastoor Matthias Steenbergh die op bedevaart naar Jeruzalem geweest was. Deze pastoor liet, met toestemming van bisschop Robert de Croy, de kapel van het heilig graf geheten de Calvariebergkapel (vandaar de naam den berg) met al de daarbij horende goederen na aan zijn parochiekerk (getuigschrift, gedateerd Brussel 28 september 1525).

Op 19 mei 1762 schonk de baron van Gottignies en Gooik 1050 gulden wisselgeld om er iedere woensdag mis te lezen. In deze kapel worden stukjes van het heilig kruis bewaard en langs de weg die er naartoe leidt werd een kruisweg met de passiescènes opgericht. Men zegt dat de kapel even ver van het dorp verwijderd is als de Calvarieberg van Jeruzalem (zie  het Sieckhuys en de Bergkapel).

 

Bijgeloof

 

Bijgeloof en simpelheid van geest zijn in Londerzeel lang blijven voortbestaan en de inwoners genoten overigens van geen al te beste reputatie. Als herinnering aan het heidendom citeren we de vreemde naam Venusbergh, die er gegeven werd aan een door water omgeven terrein [7]. Door een zonderlinge vermenging van de Grieks-Romeinse en Germaanse mythologie heet me zo, in de antieke Godensaga, een eenzame hoogte die toegewijd is aan de godin Holda die er haar leven doorbrengt met dansen en spelen [8]. Zwaben en andere delen van Duitsland hebben ook hun Venusberg en een ander voorbeeld is te vinden in Overijse.

In Londerzeel bestond er ook een Minnestraete (1589 en 1592).

In dit dorp werd het geloof in de toverkunsten een eeuw geleden nog gedeeld door een man die vanwege zijn studies het volgende certificaat nooit had mogen schrijven: “Na door talrijke proeven en dikwijls herhaalde experimenten ons gedacht gevormd te hebben, getuigen en bevestigen wij dat François Van Bevere en Joanna Maria De Pauw, zijn vrouw, wonend in Ham, aangedaan zijn door verschrikkelijke pijnen die veroorzaakt worden door een bovennatuurlijke ziekte en die door geen enkel medicijn gestopt konden of kunnen worden, noch door enige andere remedie die door de wetenschap wordt onderwezen, aangezien ze het gevolg zijn van de beheksing van de genoemde echtgenoten Van Bevere. Bijgevolg stellen we hen ter beschikking van de Heilige Kerk om hen door gebeden en duiveluitdrijving te helpen.”

Dit merkwaardige document dateert van 31 augustus 1754 en is ondertekend F. Raymaekers, licenciaat in de medicijnen te Londerzeel [9] (link naar Aspecten van de gezondheidszorg in Londerzeel).

Het Belgische medische corps, dat door namen als die van Vesalius, Van Helmont, Réga, Palfyn en Van Mons zo’n uitstraling heeft, heeft geen enkel lid meer dat er nog dergelijke doctrines op nahoudt. Maar ik zou niet durven antwoorden dat de ze door de nakomelingen van de medeburgers van deze gediplomeerde Raymaekers volledig verworpen zijn.



 

Terug naar het begin van de website Londerzeel vroeger

 



[1] Londerzeel (Lundersella, 1139, Lundercella, 1148, 1169; Londerscheele, 1535; Londerseele, 1686), gemeente van het vrederechtelijke kanton van Wolvertem, hoofdplaatst van een bestuurlijk kanton, gelegen op 3,5 mijlen ten noorden van Brussel.

Grondgebied: In 1686 omvatte Londerzeel 1160 bunders, waarvan 943 bunder landbouwgrond, 40 bunder weide, 165 bunder bos, 2 bunder vijver, 10 bunder heide. De belastbare inkompsten bedroegen 21.170 Gulden. In 1846 waren van de totale oppervlakte van 1817 hectaren 893 hectaren beplant met graangewassen, 157 ha met industriële planten, 363 ha met wortelen en voedergewassen; 121 ha waren weiden, 11 ha boomgaard, 27 ha moestuin, 78 ha bos, 2 ha braakgrond en 1 ha onbestemd. De lineaire roede bedraagt 20,5 Brusselse voeten.

Aantal woningen: In 1435, 206; in 1480, 106; in 1525, 190; in 1686, 123 haarden, boerderijen, 11 brouwerijen, 10 herbergen, 10 winkels, 5 ambachtshuizen, 1 kasteel; in 1846, 887 huizen waarvan 17 onbewoond.

Bevolking: In 1786, 2857 inwoners; in het jaar VIII, 2138; op 31 december 1831, 4040; op 15 november 1846, 4384 verdeeld over 869 huisgezinnen; 648 kinderen kregen onderwijs en 535 personen ontvingen hulp van het bureel van weldadigheid.

Nijverheid: 6 molens, waarvan 2 watermolens en 4 windmolens: de molen van Kaeskant, de Grave molen, de Scheersmolen en de Topmolen; 3 brouwerijen, 1 stokerij, 2 oliepletterijen, 2 ververijen, 1 leerlooierij, 1 stijfselfabriek, 1 kaarsenfabriek.

Aanhankelijkheden: zie in de tekst.

De registers van de burgerlijke stand beginnen in 1659 voor de geboortes en in 1668 voor de huwelijken en begrafenissen. Een parochiemeting werd in 1704 uitgevoerd door de gezworen landmeter Jan Van Acoleyen.

[2] 4 Bunder bos, gelegen in Londerzeel, aen de Groote Heyde, vroeger geheten het Bouchaut Bosch (akte van 30 augustus 1628).

[3] In parochia de Londersele, ad viam lapideam ibidem. 1435. Te Londersele, aen den steenwech. 1435.

[4] Goyers, aantekening van Van Gestel

[5] Vandaar de benaming de Gouverneurshoeve van een boerderij die in 1613 eigendom was van Clémence Hoytema en die zeker die van Voorspoel is.

[6] In nomine sancte et individue trinitatis, ego gerardus, dominus de Grimbergis, omnibus quibus presens scriptum videre contigerit, in perpetuum. Ne acta legitima cum labili hominum labantur meoria, tam posteris quam presentibus presentis scrupti testimonio duxi significandum, qiad omnes decimas quas in parochiis de Londecele et de Haverdunc et Inghen, tam i terris cultis quam colendis, tenui exceptis decimis, si quas homines mei in predictis parochiis a me in feodum tenent, de censensu uxoris mee Agnetis, in manus virorum venerabilium johannis archidiaconi Cameracencis in Brabantia et Godescalci decani christianitatis in Bruxella, loco venerabilis patris et domini Godefridi, Dei gratia Cameracensis episcopi, quo ad hoc deputatorum, pro salute mea et meorum, ecclesie Haffligeniensinomine eleemosine resignavi. Ut autem hec resignatio rata et inconculsa permaneat, presentem paginam sigilli mei appensione feci sigilla archidiaconi et decani predictorum. Actum apus Haffelghem, in presentia virorum venerabilium Hescelonis, abbatis Grimbergensis, magistri Wilhelmi de Bigardis, canonici Cameracensis, magistri Gerardi, plebani de Bethunia, Guillielmi de Lire, militis, in festo beate Katarine, anno gratie millesimo ducentesimo vicesimo. Cartularia d’Afflighem, 1ste boek, blz. 503. Het domein van de heren van Grimbergen betaalde ieder jaar 24 stuivers aan de kerk van Grimbergen voor het jaargetijde van Gerard van Grimbergen.

[7] Een onbehuysde hoffstede, metten waetere daeromme ende neven geloopende, groot ontrent een gemeth luttel min of meer, gemeynelijck genoempt den Venus berch. Schepenbrief van 12 juni 1589. Een bunder lants by den Venus berch, gemeynelijck genoempt Roykensbosch. Idem van 31 juni 1711.

[8] Grimm, deutsche Mythologie, blz. 887 en 905.

[9] Cannaert, Olim, Procès des sorcières en Belgique, blz. 118