De volgende tekst is een eigen vertaling van de bladzijden 247 tot en met 258 uit het 4de deel van “l’Histoire des environs de Bruxelles” van Alphonse Guillaume G. Wauters (heruitgave door Editions Culture et Civilisation Bruxelles van 1973 van het oorspronkelijke werk uit 1855). Alphonse Wauters leefde van 1817 tot 1898. Hij was historicus, Brussels archivaris en secretaris van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis.

De bijdrage over Steenhuffel werd geschreven in 1852-1853. Mochten er nog auteurs- en aangehechte rechten de verspreiding van deze teksten beperken, gelieve het mij dan te laten weten.

Bij de vertaling primeerde het zo nauwkeurig mogelijke volgen van de oorspronkelijke Franstalige tekst boven literaire kwaliteit en zinsconstructie. Ik gebruik deze tekst hoofdzakelijk als basis voor de verdere uitdieping van diverse aspecten van de locale geschiedenis, waarnaar in deze basistekst dan ook veelvuldig zal worden gelinkt.

 

Louis De Bondt

 

 

Geschiedenis van Malderen

door Alphonse G.G. Wauters (1852)

 

Eigen vertaling uit l’histoire des environs de Bruxelles

 

 

Na haar parcours door Steenhuffel (link naar geschiedenis van Steenhuffel door A. Wauters) komt De Bollebeek in Malderen waar ze de Malderbeek genoemd wordt en waar ze zich in 3 takken splitst: de hoofdtak heet de Lippeloosche beek, stroomt naar het dorp waaraan ze haar naam te danken heeft en vormt verder de grens met Liezele. De tweede tak, de Coevoetbeek, wordt gevoed door de beek van Londerzeel, doorsnijdt het dorp Liezele dat van de gemeenten Breendonk en Puurs door de derde aftakking afgescheiden wordt. De loop van deze derde tak is waarschijnlijk de oorspronkelijke loop van de Bollebeek. Na de samenloop met de Klaverbeek , die in het bos van Buggenhout tegen de grens met Merchtem ontspringt, wordt deze de Eyvkevliet.

Al deze waterlopen stromen lui naar de Rupel, doorheen een vlak land met weinig bossen maar met veel langs de wegen aangeplante eiken. De velden langsheen de beken waren de eerste die in cultuur werden gebracht; dat wordt bewezen door het feit dat de kastelen - en het zijn er vele - zich in Malderen, Liezele en Lippelo bijna allemaal aan de rand van de Bollebeek en de Coevoetbeek bevinden. De andere gronden (tussen de kastelen) zijn daarentegen lang woest gebleven; vandaar de naam “heyde” die ze nu nog bijna allemaal dragen. Tussen Steenhuffel en Malderen vindt men aldus de Bockxheyde en de Malderheyde; ten noorden van Malderen de Kruysheyde; ten westen van Lippelo de Kasteelheyde, de Preutheyde en de Wipheyde; ten westen van Liezele de Heyde en de Achterheyde en meer naar het zuiden de Ruytersdries.

Toen prins Hendrik van Brabant – die regeerde als Hendrik II, in april 1232 met Arnould, de heer van Grimbergen, overeenkwam om niet gecultiveerde eigendommen die ze samen bezaten te vercijnzen, was dat vooral met de bedoeling om een aanzet te geven om deze bijna verlaten velden tussen Londerzeel en de de grens met Vlaanderen te ontginnen [1].

Daarna werden de cijnzen van Malderen, Lippelo en Liezele tussen de hertogen van Brabant en de nakomelingen van Arnould van Grimbergen in twee gelijke delen verdeeld.

Het isolement van deze gewesten, hun ligging in de nabijheid van een vijandelijk gebied, het groot aantal manoirs met hun dikwijls tegen elkaar oorlog voerende eigenaars, dat alles vertraagde lange tijd de voltooiing van dit project. Bij de aanvang van deze eeuw was de Malderheyde, waar zich sedertdien een hele wijk – het Soutvat – ontwikkeld heeft en waar een spoorwegstation werd geplaatst, nog een gevaarlijke plek om doorheen te lopen.

Nu is er in Malderen een grote buurtweg gekasseid, en de weg van Dendermonde naar Mechelen loopt door Lippelo en Liezele waar hij een kruispunt met de steenweg van Brussel naar Temse vormt.

 

Malderen, vroeger Malre [2], ligt in het midden van een grote vlakte op één der uiterste grenzen van Brabant. Vandaar de naam die grenspunt, grenspaal (mahl) betekent en dus niet “plaid” of “plaats van de plaid”, mallum, mael, hetgeen trouwens weinig met de geschiedenis overeen zou stemmen.

Op spiritueel gebied bevatte Malderen vroeger een deel van het graafschap Vlaanderen, tussen Brabant en Buggenhout, waar het dorp Opdorp (Haut-Village) ontstond dat belangrijke vrijheden van de graven kreeg. Omdat de inwoners van Opdorp in Malderen gedoopt en begraven werden, zei men over hen dat ze Vlamingen waren wanneer ze leefden maar dat ze als Brabanders stierven. Lange tijd weigerden ze om, in verhouding tot hun bezittingen, taksen en bijstand in Malderen te betalen; uiteindelijk werd hun houding door een uitspraak van de hertogelijke raad veroordeeld (13 maart 1430-1431) [3].

In 1429 werd een zekere Gilles Mast, die er van beschuldigd werd dat hij op de openbare weg geweld tegenover een vreemdelinge had willen gebruiken, in Puurs aangehouden en vervolgens door de drossaard van die gemeente aan de meier van Liezele, Jan Joes, uitgeleverd omdat hij een meyssemedeman van de hertog was. De autoriteit van de vorst werd toen dermate weinig gerespecteerd dat een familielid, Walter Mast, burger van Brussel, en zijn zonen Hendrik, Walter en Pieter Mast, de vermetelheid hadden om de schuldige met geweld te bevrijden. Dank zij de tussenkomst van Daniel van Boechout, van Gillis en Hendrik van Marselaer en tal van andere invloedrijke personen, werd hun ‘aanslag’ slechts met een boete van 40 kronen bestraft.

Een ander soort van geweld werd in 1443-1444 gepleegd door Pieter Den Pau die beweerde dat gronden in Liezele van hem waren en er met de hulp van verwanten en vrienden de oogst afhaalde; ze werden gearresteerd en opgesloten en kregen een boete van 10 ponden groot.

 

De dorpen van Malderen, Lippelo en Liezele erkenden alle drie de onverdeelde autoriteit van de hertogen van Brabant en de heren van Grimbergen van het huis van Bergues; als een particulier over een schuldenaar te klagen had dan moest hij zich gelijktijdig tot de vertegenwoordigers van beide heren wenden [4]. De hertog benoemde er als ondergeschikte van de ondermeier van Steenhuffel (link naar Geschiedenis van Steenhuffel, deel I), een vorster of sergeant die men den vorster van den Nederlande noemde; de heer van Grimbergen had er een meier die men de meier van Liezele noemde.

In 1516 werd een zekere Antoon Marguut door de meier van Merchtem en de dienaars van de heer van Bergues in Malderen aangehouden. Die man had in Meerbeek bij Ninove een misdaad gepleegd. Op 8 september werd hij op de heide van Malderen onthoofd. Omdat hij aangehouden was in een gebied dat zowel binnen de jurisdictie van de hertog van Brabant als van de heer van Grimbergen gelegen was, moest hij voor een dubbel tribunaal verschijnen dat zowel door de amman van Brussel, de drossaard van Grimbergen en 2 meiers voorgezeten werd en dat uit 14 schepenen was samengesteld: die van Steenhuffel en die van Buggenhout-Grimbergen. Er werden 14 zittingen of genechten gehouden tijdens dewelke de rechters en de griffier 22 Rhinsguldens aan montcosten uitgaven. Deze vergoeding – een andere vergoeding kregen ze hiervoor niet – werd voor de helft door de hertog en voor de andere helft door de heer van Grimbergen betaald. De ondervraging van Antoon, tijdens de 16 weken dat hij in het gevang verbleef, kostte 13 Rijnsguldens en 8 penningen.

Bij deze gelegenheid had er een vrij merkwaardig incident plaats: er kwam een bevel van de keizer om de gerechtelijke procedure uit te stellen totdat hij zich van deze zaak op de hoogte had kunnen stellen en een schriftelijke commentaar of instructie had kunnen sturen; de amman liet dit document door de meier van Steenhuffel naar Brugge brengen die keerde terug met het mondelinge antwoord om verder te gaan. De schepenen weigerden en eisten een getekend order dat hen uiteindelijk door de Raad van Brabant gezonden werd.

Dezelfde wijze van procederen werd gevolgd in 1534 toen 4 misdadigers, die er mee gedreigd hadden om een huis in Bazel in brand te steken als ze geen geld zouden krijgen en die een vrouw gekwetst hadden die om te kijken een raam had geopend, op het kerkhof van Lippelo vluchtten.

De meier van Merchtem en de drossaard van de heer van Bergues lieten hen van op het kerkplein in de gaten houden in afwachting dat men van het hof van Cambrai de toelating zou krijgen om hen te arresteren. Meester Alexander Madoets, afgevaardigd door de diocesane overheid om er zich van te vergewissen dat ze wel schuldig waren, gaf zijn toestemming waarna ze gevangen genomen werden, gefolterd en vervolgens naar Malderen gevoerd waar ze voor de 14 schepenen verschenen die hen veroordeelden om op 5 september in Lippelo opgehangen te worden.

 

Op 6 mei 1559 werd het hertogelijk domein te Malderen en Lippelo voor 618 ponden verkocht aan Ferry de Glymes, heer van Grimbergen (verhef van 9 april 1564-1565). Men zal het in 1607 terugkopen en op 1 augustus 1626 opnieuw voor 4600 guldens verkopen aan de graaf van Grimbergen, daarna op 10 april 1638 voor 5500 gulden extra aan Jean Gurnez, secretaris en gevolmachtigde van de douairière van Grimbergen. In 1662 deed Eugene van Grimbergen door patentbrieven afstand van al zijn bezittingen in Malderen, Lippelo en Liezele ten voordele van Jacques-Ferdinand de la Pierre, baron van Fay, kolonel van een regiment Waalse infanterie, en van Marie-Thérèse de Kesseler, de zus van de eerste gravin van Maldegem (Steenhuffel) en erfgename van het kasteel Ten-Damme in Lippelo (verhef van 23 januari 1663). Op 6 november 1664 kochten beide echtgenoten vervolgens definitief het hooggerecht in deze drie dorpen voor de prijs van 18.500 gulden, bovenop het bedrag van 10.000 gulden dat al door hun voorgangers was betaald. Zij hadden 3 dochters: Edouarde-Madeleine of Madeleine-Livine, Claudine-Françoise en Marie-Isabelle (verhef van 10 november 1678); de oudste stierf in Wenen op 29 maart 1694 zonder kinderen bij haar twee echtgenoten (Landelin de Longueval, graaf van Bucquoy, kolonel bij de Oostenrijkse cavalerie en gestorven met de wapens in de hand tijdens de slag van Salankemen tegen de Turken op 19 augustus 1691, en Gothard-Henri, graaf van Dalburg en Falkenstein).

Claudine-Françoise en haar man Philippe-François-Albert de Croy, markies van Warnecq, hadden twee dochters: Marie-Thérèse de Croy, overleden op 18 juni 1713, en Philippine-Charlotte de Croy, vrouwe van la Croix-Etoilée, die overleed in 1734.

De eerste erfde in 1697 (verhef van 26 januari) de leengoederen van haar voorouders en trouwde met Henri-Joseph-Gabriel Wild und Rheingrave, graaf van Salm-Kyrbourg, die aldus, na de dood van zijn vrouw, op 31 juli 1716 het hooggerecht van de drie dorpen overnam en die zelf op 14 oktober van hetzelfde jaar overleed.

Hij had drie kinderen: Jean-Dominique-Albert (verhef van 23 november 1720), in 1738 samen met zijn broer benoemd tot prins van het Heilige Rijk; Philippe-Joseph, ridder van de Witte Arend en erfgenaam van de voorgaande (verhef van 8 augustus 1778, hij erfde ook het prinsdom van Hornes-Yssche); en Henriette-Thérèse-Norbertine, die zou trouwen met de vader van haar schoonzus, Maximilien-Emmanuel de Hornes.

De Salm-Kyrbourg hadden zitting- en stemrecht in de Landdag van het keizerrijk, maar wel in afwisseling met de oudste tak van hun familie.

Op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen bevinden zich de registers van de schepenbank van Malderen, Lippelo en Liezele van 1623 tot 1796 en de belastingsrollen vanaf 1623.

 

Door de octrooien van 18 maart 1626 en 20 februari 1627 keurde de Raad van Brabant de verdeling der belastingen goed die door de schepenen van Liezele en Lippelo waren opgelegd aan de eigenaars van goederen in hun gemeentes, ongeacht of ze al dan niet in de gemeentes woonden. Later beklaagden de schepenen van Malderen, Lippelo en Liezele er zich over dat zekere eigenaars beweerden vrijgesteld van belasting te zijn omdat hun eigendommen leengoederen waren of het voorwerp van vroegere verordeningen uitmaakten. Bij deze eigenaars behoorden in Malderen de heer van Hornes, schout van de stad Mechelen, in Lippelo André Hofmans d’Alvarado, en in Liezele François Dumont. Toch had het andere gebruik altijd zwaarder doorgewogen en andere grootgrondbezitters zoals de heer van Fay en de abt van Boneffe conformeerden er zich nog naar. Omdat Lippelo volgens de schepenen maar 200 bunders land bezat en omdat daarvan maar 52 bunders belastbaar waren, omdat in de twee andere dorpen 2/3 van de goederen leengoederen waren, en omdat de weigerachtige eigenaars merkten dat men hun handelwijze duldde, stuurden deze laatsten hun pachters de een na de ander de laan uit met de bedoeling om de grondoppervlakte die ze zelf cultiveerden te vergroten. Voor de meerderheid der inwoners werd de belastingdruk met de dag groter en zonder een snelle repressie van dit misbruik was hun bankroet nabij. De gouverneur-generaal stelde, in afwachting dat de raad van Brabant een uitspraak zou doen, de klagers voorlopig in het gelijk (8 november 1673) [5].

 

De inrichting van departementen en kantons in het 3de jaar van de Franse Republiek leidde tot de verbrokkeling van de oude schepenbank van Malderen. Dit dorp bleef verder van Brabant – dat het departement van de Dijle geworden was – afhangen, maar Lippelo en Liezele gingen over naar het departement der 2 Netes (dat nu de provincie Antwerpen geworden is). De provinciegrens tussen Malderen en Lippelo was niet nauwkeurig vastgesteld maar werd door een Koninklijk Besluit van 12 juli 1821 precies geregeld.

Op zaterdag is er in Malderen een wekelijkse markt.

 

Vroeger erkende Malderen de abt van Affligem als de eigenaar van haar patronaat. De parochie zou, evenals Lippelo, naar het schijnt in principe van de kerk van Liezele afgehangen hebben. De kleine Sint-Amanduskerk is van geen enkel belang; de zerken die vroeger de graven van de van Marselaers van Opdorp en de Lecocq van Groenhoven bedekte, zijn er niet meer te vinden. Het oude koor werd op kosten van de inwoners gebouwd en vooral op die van de familie Van Marselaer; Godfried, bisschop van Diana, wijdde het in 1463. De abdij van Affligem hief de parochietiende, met uitzondering van 1/6 dat aan de kerk toekwam en een ander 1/6 dat toekwam aan de pastoor. Er bestond eertijds een kapelanij van de Heilige Maagd die in 1692, voor het onderhoud van een onderpastoor, met de pastorij verenigd werd.

Op 5 mei 1730 schonk Joanne de Smecht in haar testament geld om er kleren en linnen mee te kopen voor de arme kinderen van Malderen, wanneer die voor de eerste keer in dienst gingen. Ze gelastte de pastoor met het beheer van deze stichting waarvan de inkomsten op ongeveer 37 gulden werden geraamd.

Het klooster van Hertoginnedal te Oudergem bezat enkele eigendommen in Malderen, Buggenhout, Merchtem en omgeving; haar cijnshof, dat geen zegel bezat, bediende zich soms van het zegel van de schepenbank van Merchtem (1 december 1614). De stichting van het ziekenhuis van de Begijnhofkerk te Brussel ontving van een begijntje met de naam Marie Van Wesele, 3 leengoederen van de Bergues waarvan het belangrijkste een vol leen was dat bestond uit een cijnshof en een vijfde schoof, geheven in Malderen tussen de Heelbekestraete en de Maldercoutere (verhef van 6 maart 1618).

 

Groenhoven

 

De belangrijkste eigendommen vormden een aaneengesloten massa langsheen de Bollebeek, rond de kastelen van Groenhoven en Marselaer.

Het eerste, dat nog altijd bestaat en waarvan de architectuur de massieve en ongracieuze vormen van de 17de eeuw presenteert [6], dankt zijn naam aan zijn ligging tegen de weiden; enkele liefhebbers van etymologie hebben er een oude vesting van de Grudiers in willen zien, dat was een kleine Belgische stam die door Caesar vernoemd werd, maar het bestaan en de naam (van het kasteel) schijnen niet verder terug te gaan dan tot de 16de eeuw. De heren van het Groenhof bezaten vroeger ook nog 2 andere kastelen die vandaag tot boerderijen omgevormd werden: ’t Hof te Broke of ’t goet van den Broecke en ’t Hof mitten Walle. Bij het eerste bevindt zich de watermolen Ten-Broecke, beter bekend onder de poëtische naam van Herbodinne of Herberdinne-Molen (le Moulin de l’Arc-en-Ciel, van de boodschapster van Hera of Juno) (link naar Molens van Londerzeel). Toen deze molen in de 15de eeuw een bijzonder leengoed werd, werd hij al gebruikt voor het malen van graan en voor het pletten van olie; één rad bevindt zich in Malderen, het andere in Londerzeel; de molen werd omstreeks het jaar 1780 herbouwd. De molen, de twee hierboven genoemde hoven, de windmolen op de Malderheyde, 45 bunders land en weide, een feodaal hof met 20 manschappen en 30 cijnsplichtigen die tegen Marselaer woonden, vormden een leengoed van het feodale Hof van Brabant. Dit leengoed werd achtereenvolgens verheven door:

-         Jan Van Leembossche;

-         Hendrik Van Nurse, dezelfde die – naar het schijnt – onder de naam van Hendrik Vandenbroecke en samen met Jan en Willem Vandenbroecke na de slag van Scheut aan Lodewijk van Male (de graaf van Vlaanderen) eer kwam bewijzen;

-         Jan van Nurse, bijgenaamd Vandenbroecke, de zoon van de vorige;

-         Bussart of Bouchard Van Munte (verhef van 1434);

-         Philips Vandennieuwenhove, als schuldeiser van Bussart (1462);

-         Jan Hasebyt, een neef van Bussart (1477);

-         Josijne, dochter van Jan Hasebyt, vrouw van Willem van Merendré (verhef van 21 augustus 1502);

-         Jan, Charles, Willem en Guy van Merendré, door afstand door hun moeder Josijne (verhef van 8 juli 1514);

-         Adolf Herdinck, ontvanger van Zeeland Bewesterschelt, door aankoop (verhef van dezelfde dag);

-         Meester Thibaud Cottreau of Cotereau, lid van de Raad van Brabant, door aankoop (verhef van 12 mei 1537);

-         Meester Boudewijn Lecocq (jonker wiens voorgeslacht zich vanuit Normandië in de Nederlanden was komen vestigen, gewoon raadsheer van de koning en onderzoeksmeester van diens huis, procureur-generaal bij de grote Raad van Mechelen) door aankoop van Gillis Cool, de gevolmachtigde van Clara Van Everslage (de weduwe van Adolf Herdinck) en door afstand door diens erfgenamen: Leonard Herdinck, secretaris van de keizer, en Adriaen Waelbert (verhef van 24 november 1556);

-         Meester Pierre Lecocq, doctor in de rechten en de godgeleerdheid, lid van de Raad van Vlaanderen, oudste zoon van Boudewijn (verhef van 1 juli 1558); hij kocht een recht van vijfde schoof en een cijns die sedert vele generaties aan de familie Vandennieuwenhove toebehoord hadden (verhef van 10 maart 1562-1563); op 23 februari 1580 verwierf hij voor de luitenant, de leenmannen, de meier en de pachters van zijn hove ten Broecke alias Groenhoff de toelating om een zegel met zijn wapenschild te laten graveren:

-         Messire Boudewijn Lecocq, heer van Wulverghem, kapitein van een infanteriecompagnie, oudste zoon van meester Pierre (verhef van 9 september 1595);

-         François Lecocq, broer van de voorgaande, overleden in 1602;

-         Boudewijn Lecock of Lecocq, zoon van François (verhef van 10 november 1607).

Vanaf deze periode had het Groenhof dezelfde meesters als het dorp Humbeek met uitzondering van het jaar 1760 of daaromtrent, toen dit laatste overging naar baron de Vicq de Cumptich, de zoon van een juffrouw Lecocq.

Nu is de familie de Beughem die eigenaar van het Groenhof is.

De Lecocqs zijn ook lang eigenaar geweest van de hoeve Winterpoel die, in 1474, samen met 19 bunders grond en een cijnsboek (’t leen ter Beke geheten) door Jan van Marselaer van de Bergues van Grimbergen in leen werd gehouden. Bij de gronden die er van afhingen behoorde een weide die ’t sbeyers beemt van Yssche werd genoemd (naar baron van Yssche).

 

Marselaer.

In het noordoostelijke deel van de gemeente, in het midden van een gebied met verschillende waterlopen, op aanvankelijk schrale grond, een ongecultiveerds terrein (laer), temidden van moerassen (marsch, meer, moor) kon men vroeger het kasteel van Marselaer (zie ook en vooral: geschiedenis van Steenhuffel, deel I) ontwaren, dat in 1607 bestond uit een stenen toren en een boerderij en door water omgeven was. Korte tijd later werd het tot een speelhuis (huis van plaisantie) omgevormd. Vandaag bestaan de mooie dreven nog evenals het netwerk van omringende vijvers, maar van de oude gebouwen is slechts wat puin overgebleven.

Het is daar dat een edel geslacht ontstond dat tijdens de middeleeuwen in Malderen, Steenhuffel en Opdorp een groot aantal leengoederen verwierf en daar een grote invloed heeft gehad. In 1133 leefde er een Jan van Marselaer maar over zijn leven of afkomst is niets bekend. Volgens de genealogie van de familie van Ophem zou hij de zoon geweest zijn van Paridaen, heer van Ophem en van Fulga van Wanghe, vrouwe van de grond van Marselaer. Met Gertrude de Bouchout kreeg hij, naar men zegt, een zoon Hendrik, de vader van Donaet, die leefde in 1192 en de voorvader was van David die in 1288 in de heilige-kruis-abdij van Doornik zijn jaargetijde fundeerde en van Gillis, ridder van Marselaer, die met Prudentia d’Oyenbrugge gezegd van Coelhem zes kinderen had: Ida, de vrouw van Arnould van Nurhem, ridder Jan, heer van Ukkel en getrouwd met Prudentia van Ursen (de dochter van ridder Hendrik), Hendrik die trouwde met Clara Van Hamme en daarna met Beatrijs Vandenvoorde, Gertrudis en de ridders Josse en Nicolaes [7].

De eerste gekende eigenaar van het kasteel van Marselaer is Hendrik van Marselaer die omstreeks 1312 er het verhef van deed (als leengoed van Brabant). Gelijktijdig deed die ook het verhef van een boerderij, een molen, geheten den Quaeden Molen en die in 1714 werd afgebroken (link naar Molens van Londerzeel), 36 of 37 bunder grond en weiden, een feodaal hof van 11 manschappen, enz.

Deze Hendrik was zonder twijfel de zoon van een Gillis van Marselaer die we in 1310 zagen vernoemen bij de vrienden van de familie Beiere te Bekkerzeel.

Als opvolgers had hij:

-         Jan, zijn zoon (verhef van 1377-1378), die trouwde met Catharina Vandermeeren en Catharina Van Coudenborch;

-         Gillis, de zoon van de vorige en van zijn eerste vrouw, die met zijn zusters Maria en Elisabeth de goederen van zijn ouders verdeelde en zelf onder meer het kasteel van Marselaer erfde (2 september 1390);

-         Adriaen, zoon van Gillis, echtgenoot van Mathilda van Assche, vrouwe van Opdorp en van Ten-Houte in Merchtem;

-         Jan, zijn broer;

-         Gillis, de zoon van de vorige (verhef van het jaar 1476) die eerst trouwde met Anna Vanderlaen en daarna met Zegerine van Groesdonck.

Jan, heer van Opdorp, de enige zoon van Gillis met zijn eerste vrouw, had een militaire carriëre naar het voorbeeld van zijn overgrootvader (?) die zich tijdens de slag van Bastweiler onderscheiden had, en van zijn vader die bij die verschrikkelijke veldslag in Nancy aanwezig was. Zijn drie halfbroers, de zonen van Zegerine, volgden paus Adrianus VI naar Italië die hen met eer overlaadde; de ene, Willem, werd kastelein van Ostia en kapitein van de galeien die door de paus naar Rhodos ter hulp gezonden werden, Adriaen, die de mannelijke lijn van de familie moest verder zetten, was kamerheer aan het pauselijk hof; Antoonwerd kapitein van de pauselijke wacht. Zonder de voortijdige dood van de paus zouden ze het alle drie ongetwijfeld nog veel verder hebben gebracht.

Als gevolg van een akte van verdeling van de ouderlijke bezittingen, gepasseerd voor de schepenbank van Steenhuffel op 1 april 1532-1533, zagen Willem, Adriaen en Antoon van hun recht op het leen van Marselaer af en dat ten gunste van hun zuster Joanna en haar man Joos de Rycke die het, na de dood van Gillis van Marselaer, op 15 oktober 1518 verheven hadden.

Na hen kwamen:

-         Gillis de Rycke, hun zoon (verhef van 8 juli 1549);

-         Helena Vanderborcht, zijn weduwe (verhef van 17 juli 1560);

-         Philips de Rycke, zoon van de voorgaanden;

-         Barbara, Catharina en Joanna de Rycke, zijn zusters (verhef van 29 juli 1586);

-         Maria T’Shertoghen en haar man Thierri Van Liesvelt, heer van Hamme, Opdorp enz., door afstand door de gezusters de Rycke op 25 oktober 1586 (verhef van 24 januari 1587);

-         Messire George Spannenberger, in eigen naam en die van zijn kinderen met Maria T’Shertoghen, weduwe van ridder Liesvelt: Melchior, George, Balthazar, Jan, Christine (die trouwde met Gaspar Schellincx), Anna (die de vrouw werd van Hendrik Vanden...pe) en Beatrix (verhef van 18 juni 1604);

-         Madeleine Butkens, weduwe van messire Pierre de Tailly, door afkoop van de kinderen van George Spannenberger en van de kinderen van ridder Louis ..uckenoir en Beatrix Rot, halfzus van George (verhef van 14 februari 1607);

-         Meester Franchois Marchant (raadsheer van de prinsen van Savoye, Beieren, Cleve en Luik, en hun vertegenwoordiger aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella) en zijn vrouw Tita Hoppers, door aankoop (verhef van 19 november 1608);

-         Petronille-Livine Marchant en haar man messire Maximiliaen de Mol (verhef van 11 maart 1628);

-         Tita-Joanna Marchant deed op 27 oktober 1668, na de dood van haar vader Joachim, het verhef van de helft van het leengoed en verwierf op 30 oktober 1670 de andere helft die gekocht was door sire Corneille Reynegom, ridder, heer van Busey, Coensborch enz., friffier der belastingen; Tita-Joanna Marchant trouwde met Martin de Hornes, schout van de stad Mechelen.

-         Martin Frambach was de laatste opbieder bij de verkoop van het leen van Marselaer die bevolen was op verzoek van baron de Meerbeek, Jean-Baptiste Christyn (verhef van 29 januari 1695);

-         Catherine-Isabelle Frambach en Jean Baptiste Coppieters, algemeen ontvanger van domeinen van het kwartier west-Vlaanderen, ingevolge de afstand die hen door de voorgaanden ter gelegenheid van hun huwelijk werd gedaan (verhef van 24 januari 1708);

-         Petronille de Pape, douairière van Guillaume Du Marteau, lid van de grote raad van Mechelen, heer van Bierlo, enz. (verhef van dezelfde dag);

-         Françoise Hennekine, weduwe van Jean Bosch en van Alexander-Mathieu De Burlen, lid van de grote raad van Mechelen, overleden te Brussel op 28 maart 1740, door aankoop van de kinderen van de vorige: Leon-Guillaume Du Marteau en Isabelle, vrouw van Nicolas-Theodore baron van Renesse (verhef van 16 mei 1733);

-         Marie-Madeleine Bosch, vrouwe van Chesnoy, enige dochter van Françoise Hennekine, als celibatair overleden op 15 juli 1750;

-         Arnoul Van Nuffel, voorzanger en kanunnik van het kapittel van Harelbeke, als erfgenaam van de vorige en dat als gevolg van een deling met zijn broers Jacques en Philippe-Josse op 22 november 1751 (verhef van 26 november 1751);

-         Jacques-Joseph Van Nuffel, zijn broer François-Joseph, zijn zussen Madeleine-Christine (vrouw van Arnoul-Henri Brummel), Marie-Thérèse (vrouw van Jean Mosselman) en Jeanne-Caroline (vrouw van François de Teichman, luitenant in het regiment van prins Charles de Lorraine (verhef van 14 februari 1758).

 

 

Terug naar het begin van de website Londerzeel vroeger

 

 

 



[1] Butkens, Trophées de Brabant, tôme 1er, p. 226, et preuves, p. 78.

[2] Malderen (Malre, 1125, 1238, 1435; Malderen, 1565; Malderen, 1673), gemeente van het kanton Wolvertem, op 4,5 mijlen ten noordoosten van Brussel.

Grondgebied: In 1686 had men er 442 bunders, waarvan 375 bunders landbouwgrond, 40 bunders weide, 25 bunders bos en 2 vijvers; de belastbare opbrengst bedroeg 5316 Guldens. In 1846 mat mern 800 hectaren, waarvan 387 bebouwd met graangewassen, 49 met industriële gewassen, 51 met wortelen en voedergewassen, 53 ha weide, 5 ha boomgaard, 9 ha moestuinen, 8 ha bos. De lineaire roede bedroeg 20 1/3 Brusselse voeten.

Aantal woningen: In 1435, 63; in 1480, 42; in 1525, 58; in 1686, 45 haarden, boerderijen, 2 landhuizen, 3 brouwerijen, 3 herbergen, 5 winkels; in 1846, 340 huizen waarvan 15 onbewoond.

Bevolking: In 1786, 1174; in het jaar VIII, 914; op 31 december 1831, 1626; op 15 november 1846, 1646 verdeeld over 335 gezinnen; 201 kinderen ontvingen onderwijs en 240 personen kregen bijstand.

Nijverheid: 1 windmolen, 1 watermolen, 2 brouwerijen, 1 leerlooierij, 1 ververij.

Aanhankelijkheden: zie in de tekst.

De registers van de burgerlijke stand beginnen in 1599; het gemeentearchief bevat 2 Kaertboecken, één uit 1717 en het andere uit 1784.

[3] Livres noirs, numéro 1, in.f. 167 v.

[4] Antiquiteyten van Merchten, 1.c.

[5] recueil de placards aux Archives de la ville de Bruxelles.

[6] Een schets ervan is te vinden in Le Roy, Castella et praetoria nobilium... Eie De Cantillon, tôme II, p. 10.

[7] Ridder Jan van Marselaer, burger van Brussel, wordt in het jaar 1350 vernoemd; Hendrik en Nicolaes, de zonen van wijlen ridder Gillis van Marselaer, worden vernoemd in hetzelfde jaar.