Het liefdadigheidswerk van Juffer Orianne

van Londerzeel

 

door Louis De Bondt en Francis Hallemans

 

 

Juffer Orianne van Londerzeel was zonder twijfel één der grote Belgische heldinnen van de eerste wereldoorlog. Ernest Claes vernoemde haar in zijn boeken. “La grande patriotte” was de eretitel die de Franstalige kranten haar - zelfs nog na de 2de wereldoorlog - verleende. Tot in Amerika toe werden haar werk en moed geprezen. Op vele plaatsen in België zijn de resultaten van dat werk nog altijd materieel te vinden... Op de oorlogskerkhoven en aan de voet van talloze oorlogsmonumenten…

Toch heeft Orianne zelf nooit een monument gekregen. Londerzeel, de plaats waar ze woonde, waar ze haar werk begon, waar ze haar medewerkers vond en waarvan ze de naam in haar “stichting” over het hele land verspreidde, was haar – tot voor kort - zelfs volslagen vergeten.

 

Hieronder volgt een hoofdstuk uit het boek “De Grote oorlog in de regio Londerzeel”, geschreven door Louis De Bondt en Francis Hallemans, en in 1999 uitgegeven door de Geschied- en Heemkundige Kring van Londerzeel vzw.

 

Mejuffer Orianne

 

Joanna Caroline Charlotte Orianne werd op 28 april 1869 in Brussel geboren. Ze was de dochter van Charles François Orianne (° Aubange 8 oktober 1827) en Maria Anna Leocadie Hannot (° Brussel 13 augustus 1836). Charles had een graad bij de rijkswacht en werd waarschijnlijk in die hoedanigheid rond 1899 naar de pas opgerichte rijkswachtbrigade van Londerzeel overgeplaatst. Na zijn overlijden (alleszins voor 1910) stonden zijn echtgenote en zijn dochter in Londerzeel als ‘rentenierster’ ingeschreven. Ze woonden in het buitengoed ‘Villa Cara’, Statiestraat nr.7 (later Kasteelstraat nr.7). Bij de telling van 1910 hadden beide dames 3 meiden. Na de dood van moeder Orianne-Hannot was, in 1914, Rosa Louviaux als enige meid op de Villa Cara overgebleven.

 

“Caroline Orianne”, aldus een bewonderaarster in februari 1915, “was een vrouw die de levensrijpheid bereikt had. Ze was groot, eerder mager. Haar voorheen donkere haren waren zilverachtig wit geworden; haar zeer leven-dige blauwe ogen wezen op intelligentie en doorzettingsvermogen; haar gelaatstrekken waren fijn, haar teint was van een warme bleekheid, haar hele persoon straalde een perfecte uitmuntendheid uit. Terwijl anderen beroemdheid najoegen scheen zij een levend voorbeeld van overtuigde en overtuigende liefdadigheid, wars van alle lawaai en reclame.”

 

In september 1918 was de ongehuwde Caroline Orianne, zoals de overgrote meerderheid van de inwoners van Londerzeel, voor de oprukkende Duitse legers naar het noorden gevlucht. Waarschijnlijk heeft ze een tijd bij kennissen verbleven in Antwerpen, waar haar vader rijkswachtcommandant was geweest. Na de val en overgave van de stad keerde ze naar Londerzeel terug. We schreven reeds hoe, toen ze het slagveld van Neeravert passeerde, bij haar het idee rijpte om die anonieme doden een naam en een waardig soldatengraf te geven. Nadat ze van de Duitse bezetter daar de toelating voor gekregen had en haar een opzichter was toegewezen, ging ze meteen aan de slag.

 

Het liefdadigheidswerk van juffer Orianne van Londerzeel

 

Het identificeren en herbegraven van gesneuvelde Belgische soldaten

 

Het eerste ons bekende optreden van Orianne dateert van zondagnamiddag 1 november 1915. Toen vergezelde ze een niet geïdentificeerde heer naar het slagveld van Neeravert waar ze landbouwer Joannes Franciscus Spiessens (° Londerzeel 21 september 1854) op zijn grond een aantal lijken liet ‘bloot maken’ teneinde te verifiëren of het om Belgische soldaten ging. Daarna werden de lichamen weer toegedekt. Nog dezelfde week keerde ze weer. Vanaf donderdag 5 november werd het slagveld van Neeravert systematisch onderzocht, werden de lichamen opgegraven, gewassen, indien mogelijk geïdentificeerd, in een houten kist gelegd en overgebracht naar de tuin van de pastorij van Londerzeel Sint-Jozef, naast het kerkhof, waar ze door onderpastoor Jan Hammenecker herbegraven werden.

Bij dat allesbehalve aangename werk werd ze van in het begin geholpen door een vaste kern van getrouwen uit Londerzeel:

·     haar buurvrouw Marie Julia Moens Ringoot, huisvrouw-herbergierster, geboren in Opwijk op 16 februari 1863.

·     Hendrik Jozef Broothaers, schrijnwerker.

·     August Broothaers, schrijnwerker.

·     Jean Broothaers, schrijnwerker.

Deze mensen hielden zich met het echte ontgraven bezig.

Ongetwijfeld hebben ook een aantal anderen occasioneel een handje toegestoken. Met zekerheid kunnen we noemen: Jean Moens, Frans Feytens, Guillaume Renson, Frans De Bondt, Fideel Moortgat, Jean Carlier, Alexander Van Hoeck en Frans De Donder, allen uit Londerzeel.

 

Marie Moens-Ringoot

Hendrik Jozef Broothaers

August Broothaers

Jean Broothaers

 

De ontgravingen en herbegravingen bleven niet tot Londerzeel beperkt. Spoedig daarna werd naar andere slagvelden getrokken. Nog in hetzelfde jaar en tijdens de allereerste maand van 1915 kregen volgende gesneuvelden een nieuw soldatengraf:

61 op het kerkhof van Londerzeel St.-Jozef, allen gesneuveld op 29 september 1914.

26 op het kerkhof van Breendonk.

37 op het kerkhof van Willebroek.

85 op het kerkhof van Tisselt.

31 op het kerkhof van Kapelle-op-den-Bos (allen gesneuveld in Kapelle-op-den-Bos).

23 op de kerkhoven van Zemst en Zemst-Laar.

  2 op het kerkof van Wolvertem-Centrum.

  9 op het kerkhof van Wolvertem-Westrode.

63 op het kerkhof van Wolvertem-Imde (3de Jagers te voet, gesneuveld op 24 augustus 1914).

  6 op het kerkhof van Campelaere, daarna Schiplaken (grenadiers, gesneuveld in Berghe).

  9 op het kerkhof van Puurs (allen gesneuveld in Puurs).

12 op het kerkhof van Heffen (9de, 11de en 12de Linieregiment).

  3 op het kerkhof van Peisegem.

  5 op het kerkhof van Londerzeel (gesneuveld in Imde op 24 augustus 1914).

  3 op het oude kerkhof van Merchtem.

  2 op het nieuwe kerkhof van Merchtem.

  7 op het kerkhof van Eppegem (2de Jagers te voet).

Deze informatie haalden we uit de “Liste des soldats belges, morts au Champ d’Honneur, identifiés & inhumés par les soins de Mademoiselle Orianne à Londerzeel”, een 12 bladzijden tellend document dat in 1915 door de uitgeverij Dieltjens Frères, place de l’ancien canal 62, Anvers, werd uitgegeven. Deze lijst werd, ten bate van het werk, verkocht tegen de prijs van 0,40 fr. Uit deze lijst blijkt dat op datum van verschijnen niet minder dan 384 gesneuvelden door tussenkomst van juffer Orianne (her)begraven waren en zo goed mogelijk geïdentificeerd. Het zou daar echter niet bij blijven.

 

In februari 1915 gebeurde er ook een ontgraving in Weerde. Daarbij was ook de vrouwelijke reporter van een Franstalige Antwerpse krant aanwezig. Ziehier haar (uit het Frans vertaald) verslag: “Bij onze aankomst was Mejuffer Orianne met haar personeel reeds op de aangeduide vlakte aanwezig. Het weer was schitterend voor de tijd van het jaar, een stralende zon droogde het gras onder onze voeten, het hele veld scheen overstroomd door een klaarte die de lente aankondigde. Na minutieuze peilingen groeven de twee mannen een grote, ongeveer zestig centimeter diepe, vierkante kuil. Zes lijken, gelegd op twee rijen van drie, kwamen aan de oppervlakte, zes lijken die daar 5 maanden geleden snel begraven waren. Bedekt met slijk, het gezicht zwart van kruit of van ontbinding - de stank was afschuwelijk - leken ze totaal onherkenbaar. Mejuffer Orianne boog zich er over heen om deze lijken langdurig te onderzoeken.

“Ziedaar de luitenant,” zei ze. “Snij de boord af, was hem af en ge zult de ster zien...”

Direct  trokken de twee mannen met behulp van singels en haken het lijk uit de grond en legden het op het gras. Dan onderzocht de vrouw de zakken van de dode en haalde er papieren uit die ze samen met de gereinigde boord aan mejuffer Orianne overhandigde. De identiteit werd zeer snel vastgesteld: we bevonden ons inderdaad in aanwezigheid van de gezochte luitenant. Het lijk werd in een kist gelegd, een eenvoudige kist van in het geel geschilderd wit hout met een zwart kruis er op en een nummer dat correspondeerde met dat in het register van mejuffer Orianne. En de kist, gewikkeld in de Belgische vlag, werd door de twee mannen naar het kerkhof van het dorp gedragen, voor de kerk, waar er reeds een immense gracht gegraven was. Hetzelfde gebeurde met de vijf anderen, waarvan er drie herkend werden. Maar allen werden ze op dezelfde wijze herbegraven, met de nationale vlag als doodssluier, de eerste zes zowel als de anderen die nog volgden, want op die dag werden door Juffer Orianne talloze ontgravingen gedaan, steeds met de hulp van haar toegewijde helpers en onder het oog van de Duitse onderofficier. Deze opeenvolging van kisten, bedekt met de nationale vlag, die doorheen de vlakte naar het dorpskerkhof gedragen werden, vormde een zeer ontroerend gezicht.

“U ziet het,” zei ons Juffer Orianne, “niet iedereen wordt opgeëist. Degenen die hier blijven zijn mijn doden, dat wil zeggen, in plaats van hen aan de aarde terug te geven, bezorg ik hen, zoals de anderen, een kist. Later zullen de families hun afgestorvenen op het kerkhof van de parochie, die het dichtst bij de plaats van de opgraving ligt, terugvinden. Zo wil het de Duitse overheid. Wat de niet opgeëiste doden betreft, die zullen er wellicht blijven.”

 

 

Ontgraving in Eppegem - Op de foto: (gebukt) vrouw Moens; (staand van links naar rechts) Duits onderofficier, broers Broothaers, Orianne.

 

 

 

De monumenten

 

Nog voor 1914 voorbij was, stond er reeds een monument op het slagveld van Neeravert. Het was bekostigd door het liefdadigheidswerk van Mejuffer Orianne. Ook het monument op de Blauwenhoek in Londerzeel Sint-Jozef is er (in 1919) op haar initiatief gekomen. Andere herdenkingszuilen kwamen er onder meer in de Imdekouter (ingehuldigd op 24 augustus 1920), in Breendonk (nadat dit een eerste keer op 9 september 1915 door de Kreischef te Mechelen geweigerd was) en in Eppegem (zie foto hiernaast).

 

Dat er niet alleen met lof over deze monumenten gesproken werd, bewijst volgend fragment uit een brief van 4 december 1922. Hij werd geschreven door pastoor A. Abbeloos van Londerzeel Sint-Jozef en was gericht aan de kardinaal: “... Door juffrouw Orianne’s zorgen geplaatst. ‘t Is groot, ‘t is zwaar, driehoekig, met de namen eniger gesneuvelden, ook van soldaten van Londerzeel. Doch geen enkel christelijk teken er op. Alhoewel er een kanon voorgesteld is, vraagt ieder vreemdeling nog ‘Wat is dat?’

 

De financiering van deze monumenten gebeurde door schenkingen. Daarvoor kon Orianne volop op de hulp van mevrouw Everaert (de weduwe van een gesneuvelde commandant) en de logistieke medewerking van de Antwerpse Franstalige en dus vaderlandslievende pers rekenen. Dit belette echter niet dat midden 1922 het ‘werk van Orianne’ met een financiële put van enkele tienduizenden franken zat [1].

Zelfs op 13 juli 1934, in volle economische crisisperiode, deed journalist Jules Blasse in ‘La Province’ nog een pathetische oproep om fondsen voor het recentste monument van Orianne te werven;  haar twaalfde, dat op 12 september in Eppegem zou ingehuldigd worden.

Een andere manier waarop het ‘Liefdadigheidswerk van Mejuffer Orianne’ aan geld probeerde te komen, was door de publicatie en verkoop van postkaarten. De ‘gewone’ kaarten werden tegen 0,35 fr. per stuk verkocht; voor de mooiste werd 0,50 frank gevraagd.

 

 

 

 

De postkaarten

 

Met deze postkaarten heeft Orianne echt niet veel geluk gehad. Het begon al in juni 1915 toen ze zich verplicht zag om klacht in te dienen tegen ‘madame Durant’, een vroegere vriendin die ze met de publicatie van de kaarten had belast. Die had bij Brawers in Brussel inderdaad 1.000 kaarten laten drukken; maar ze had er slechts 100 aan Orianne afgeleverd. De rest, vermoedde Orianne, had ze ongetwijfeld voor haar eigen profijt verkocht. De zaak was aan het licht gekomen toen drukkerij Brawers op 15 mei de betaling van 1.000 kaarten rappelleerde. Dezelfde madame Durant zou bovendien met een voorschot van 50 frank, bestemd voor een andere drukker die eveneens 1.000 kaarten zou mogen drukken, verdwenen zijn.

In de zomer van 1916 begonnen er plotseling her en der ook ‘inschrijvingskaarten voor het Liefdadigheidswerk van mejuffer Orianne’ op te duiken. Orianne had deze evenwel nooit laten drukken. Het werd duidelijk dat iemand geld wenste te slaan uit haar goede naam.

December 1916: Marie Moens-Ringoot kreeg een postkaart te zien waarover ze het volgende kon vertellen: “Die kaart ken ik niet; er bestonden anders gene kaarten dan zichten van graven en kerkhoven die ten voordele van het werk verkocht werden. Ik heb vernomen dat een zogezegden groenen dokter, Rue de Stalle, dusdanige kaarten zou verkocht hebben. Andere inlichtingen kan ik niet geven. Het is een aftruggelaar.”

Ook in de loop der volgende jaren bleven er valse kaarten in omloop. Zo werden er in 1917 nog drie zichtkaarten over de ontgravingen te Campelaere te koop aangeboden. En het hield niet op... Op 24 januari 1919 getuigde Orianne (vertaald):“De heer en mevrouw Julien uit Schaarbeek hebben mij verteld dat een individu aan hun vrienden groene kaarten te koop aangeboden heeft tegen 5 frank per stuk. Deze liet uitschijnen dat ze door mijn werk uitgegeven waren. Het zou gaan om de genaamde Charles Van Ysenberghe, geboren te Antwerpen en wonende in de Capucijnenstraat te Mechelen.”

 

Lijkenplundering

 

In Londerzeel werden door de zorgen van Orianne de lichamen van 61 soldaten en 2 officieren ontgraven. De stoffelijke overschotten werden onderzocht en indien mogelijk geïdentificeerd aan de hand van het immatriculatieplaatje of aan de hand van voorwerpen die op het lijk aangetroffen werden. Daarna werden alle voorwerpen die enige waarde hadden afgenomen en geïnventariseerd. Veel was dat echter niet. De boekhouding van Orianne vermeldt als meest waardevolle voorwerpen die op de 61 in Londerzeel gesneuvelde soldaten gevonden werden: 1 geweer - 1 uurwerk - 1 bril - 1 gouden ring - 1 gewone ring - 2 messen - 2 pijpen - 13 medailles of schapulieren - 14 brieven of andere documenten - 10 geldbeugels waarvan 4 leeg - Slechts op 8 lijken werd wat geld gevonden, samen 78,48 fr. (variërende van 0,10 tot 26,70 fr.). Deze laatste vaststelling was niet abnormaal. Een soldaat heeft immers niet veel nodig om te vechten en te sterven. En op de slagvelden tussen Neeravert en de Provinciale baan, waar de lijken van de Belgische gesneuvelden blijven liggen waren, hadden de Duitsers, toen ze hun eigen gewonden en doden evacueerden, ongetwijfeld uit voorzorg ook de achtergebleven wapens meegenomen.

Toen evenwel het lichaam van onderluitenant Van Calck, die volgens zeggen van de gewonde korporaal Masson een grote som geld bij zich moest gehad hebben, ontgraven werd en toen dit geld niet werd aangetroffen, legde Orianne klacht neer bij wijkagent Felix Van Muylder. Deze rapporteerde: “Londerzeel, 16 november 1914. Juffer Orianne van Londerzeel, die zich de belangen der gesneuvelde soldaten, te Londerzeel begraven, aantrekt, heeft mij gezegd dat zij door het algemeen gerucht vernam dat militairen begraven zijn die, zo het scheen, voorafgaandelijk uitgeplunderd waren, dat voornamelijk het lijk van den luitenant Van Calck Louis Georges, van het 12de linie, die verleden donderdag, 12de dezer ontgraven werd, gene getten of schoenen aan had, dat geen spoor zijner wapens gevonden is zoals sabel en revolver en ook van ene grote som geld, waarvan hij zou drager geweest zijn.”

 

Ook het lijk van commandant Grossmann bleek, alvorens het op 30 september begraven werd, van sabel, verrekijker, zakhorloge en revolver ontdaan te zijn geweest. Ook naar deze feiten gebeurde er een onderzoek. De daders en de gestolen voorwerpen werden gevonden en een viertal personen, waarvan 2 van buiten Londerzeel, werden veroordeeld. Eén van hen bekende: “Ik heb het lijk van den kapitein die den 29sten september gedood is, zien liggen. Ik stelde vast dat op het lijk een uurwerk met ketting was. Ik heb uurwerk en ketting van het lijk afgedaan. Een der mannen die bij mij stonden zegde “Doe ze af.” Ik vroeg “Zou dit geen kwaad kunnen? Er werd geantwoord “Wie zou dit weten?” Alhoewel ik dit niet gaarne deed heb ik ze toch afgedaan denkende: “Als dat geen kwaad kan dan kan ik ze zo goed hebben als de Duitsers. Ik heb aan velen gezegd dat ik het uurwerk had.”

 

Deze gevallen van echte of vermeende lijkenplundering waren absoluut geen geïsoleerde incidenten. Ook elders hebben ze zich voorgedaan. Bij de ontgravingen in Breendonk werden zelfs 4 van de 26 lichamen volledig ontkleed aangetroffen.

En op 24 december 1914 werd door de gemeente Londerzeel de volgende brief aan de burgemeester van Nieuwenrode geadresseerd: “Juffer Orianne onzer gemeente die zich gelast met de belangen der families van de gesneuvelde soldaten, verzoekt mij U uit te nodigen te willen onderzoeken welke officier begraven is tussen het Sas en nieuw Sas. Het rijwiel zou moeten gevonden zijn door zekeren pachter S. Nog andere voorwerpen zouden in bezit zijn van burgers. Gelief een onderzoek te doen, en indien mogelijk mij de lijst der in Uwe gemeente begraven soldaten te laten geworden.”

Oorlogsomstandigheden en armoede zorgen nu eenmaal altijd voor normverval. Zeer ernstige feiten, zoals het afsnijden van vingers van doden om trouwringen te stelen of het ontgraven van reeds begraven lijken om horloges en andere dingen van waarde te roven, hebben zich in Londerzeel - ofschoon er tijdens en na de oorlog talrijke beschuldigingen in die zin geuit werden - waarschijnlijk niet voorgedaan.

 

Verkoop van souvenirs op het slagveld van Eppegem.

 

Misschien hebben we over onze groot- en overgrootouders niet altijd even fraaie dingen verteld, zaken als deze schijnen zich op het slagveld van Neeravert dan toch niet afgespeeld te hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Laster

 

Als het spreekwoord ‘geen sant in eigen land’ al op iemand van toepassing is, dan is het dat zeker op Caroline Orianne. Het was dan ook een eigengereide dame. Principieel Franssprekend ofschoon ze het Nederlands vrij behoorlijk machtig was. Een beetje koppig wellicht en met een zekere dédain ten overstaan van de Londerzeelse ‘boerkes’. In het leven ging Orianne haar eigen weg en ongetwijfeld heeft ze daarbij het Londerzeelse gemeentebestuur méér dan eens voor de voeten gelopen.

 

Lastercampagne tegen juffer Orianne en mevrouw Moens in Laken

 

Op dinsdag 15 juni 1915 kreeg Victorina Moens, de 23-jarige dochter van Marie Moens, aan de tramhalte in Imde te horen dat “ene werkman van de Molens der Drie Fonteinen door één der voerlieden van Londerzeel, die gewoonlijk met de camion het meel van het Comiteit naar Vilvoorde haalden, horen zeggen had dat Juffer Orianne en haar moeder zo gaarne soldaten ontgraafden om hen te plunderen en dat zij rijk werden met het geld dat zij vonden en onder elkaar verdeelden. Gans Laken was vol van dit gerucht.” Zowel Orianne als vrouw Moens dienden hierop een klacht in en vroegen om de verspreider van dit eerrovende gerucht op te zoeken, maar zoals dat de gewoonte is met roddelpraat, werd deze niet gevonden.

 

Lastercampagne tegen juffer Orianne en mevrouw Moens in Elewijt

 

Op 3 juli 1915 formuleerde Caroline Orianne een schriftelijke klacht wegens eerroof tegen de burgemeester van Elewijt. De reden daarvoor vertelt ze ons zelf: “Dezelfde dag was mevrouw Marc Jacquet bij mij op de Villa Cara gekomen. Ze zegde me dat ze van Elewijt kwam waar ze via de burgemeester getracht had om het graf van haar man te vinden die daar gesneuveld was en om de voorwerpen, papieren, trouwring, enz., die op het lijk gevonden waren, op te vragen. De burgemeester zou haar afgeraden hebben om naar mij te komen zeggende dat dit nutteloos zou zijn aangezien ik alle voorwerpen en waarden die ik op de lijken vond voor mijzelf en tot mijn profijt behield.”

Nooit hebben we ook maar de kleinste aanduiding gevonden dat de motieven die aan het liefdadigheidswerk van Orianne ten grondslag lagen twijfelachtig of dubbelzinnig waren. Wèl was het zo dat de voorwerpen, die men op de lijken vond, na inventarisatie, ten huize Villa Cara werden verzameld. Dikwijls werden ze daar, zoals gebeurde door mevrouw Marc Jacquet, door de nabestaanden van de gesneuvelden opgehaald. Ook gebeurde het dat voorwerpen met derden werden meegegeven. Zo werden bijvoorbeeld de pijp, de geldbeugel met 20,12 fr. en de ring van Léon Jacquet, een soldaat van het 11de Linieregiment uit Brussel, die begin december 1914 door Juffer Orianne in Tisselt ontgraven was, aan de moeder van de in Londerzeel gesneuvelde Luitenant Van Calck overhandigd, omdat die eveneens in Brussel woonde. Wat gebeurde er met de voorwerpen en het geld dat op niet geïdentificeerde lijken teruggevonden werd? En met de zaken die niet opgevraagd werden? Het lijkt ons aannemelijk en verdedigbaar dat die in de spaarpot gingen waarmee de lijkkisten en de monumenten werden betaald.

 

De arrestatie van Juffer Orianne

 

Op 18 maand tijd werden door ‘de mannen van Orianne’ bijna 3.000 Belgische soldaten herbegraven; meer dan de helft daarvan werd ook geïdentificeerd. En toen, in maart 1916, kwam daar plotseling een einde aan. Wat was er gebeurd? Op 6 maart 1916 werd Joanna Caroline Charlotte Orianne door de Duitsers gearresteerd. Over de redenen voor haar aanhouding zijn, zoals we reeds eerder schreven, de bronnen het oneens. Kwam ze te veel in betrekking met het Belgisch leger? Smokkelde ze brieven uit Frankrijk naar bezet gebied? Of had ze Belgen die ‘door de draad gekropen waren’ geholpen?

Na haar arrestatie verbleef Orianne een aantal weken in de gevangenis van Vorst. Daarna werd ze naar Sint-Gillis overgebracht en op 31 augustus 1916 bevond ze zich in het krijgsgasthuis van Etterbeek. In 1917 werd ze naar Duitsland overgebracht en vele maanden lang in het kamp van Holzminden opgesloten. Vanwege haar wankele gezondheid werd ze vervroegd en voorlopig vrijgelaten. Begin 1918 keerde ze naar Londerzeel weer. Hier werd ze onder bestendige bewaking van de Duitse politie geplaatst. Tot zolang de oorlog duurde, werd het haar niet toegestaan om opnieuw haar buitengoed, de Villa Cara, waar intussen de Orts-Kommandant zijn intrek genomen had, te betrekken.

 

Orianne, niet geliefd in Londerzeel

 

Na 11 november 1918 kon Orianne weer haar intrek nemen in de Villa Cara in de huidige Kasteelstraat. De Duitse gevangenschap had haar patriottische gevoelens allerminst aangetast. Ofschoon het zoeken naar onbekende soldaten niet zinvol meer was, werd er nog regelmatig een beroep op haar ontgravingsboekhouding gedaan om overlijdensakten van gesneuvelden op te kunnen maken. (Zo ondermeer nog in mei 1921 voor de reeds genoemde Marc Jacquet, een grenadier uit Quièvrain, gesneuveld in Elewijt, en in juni 1921 voor een niet bij naam genoemde onderluitenant van het 2de Linieregiment, gesneuveld in Weerde.) Ondertussen zette Orianne zich verder in voor het oprichten van oorlogsmonumenten. Voor de financiering ervan kon ze blijven rekenen op de schenkingen van de lezers van een aantal Franstalige patriottische kranten, die haar een warm hart toedroegen.

We schreven reeds hoe op 1 oktober 1919 het monument op de Blauwenhoek in Londerzeel Sint-Jozef werd ingehuldigd en hoe daarbij een ‘misverstand’ ontstond doordat de gemeente Londerzeel had nagelaten om voor dit ‘privé-initiatief’ van Orianne bij de provincie subsidie aan te vragen. Reeds eerder was het tot een ‘botsing’ tussen Orianne en het gemeentebestuur gekomen. We herinneren ons wellicht dat, van 19 juni tot 20 augustus 1916, tijdens de Kreys operatie waarbij de tramsporen in Londerzeel opgebroken werden, een aantal Duitse militairen in de Villa Cara verbleven hadden. Na haar terugkeer uit krijgsgevangenschap had Orianne hiervoor bij de gemeente een vergoeding opgeëist (die haar geweigerd werd) en vervolgens bij luitenant Wiener van de ‘Gerechtszimmer’ in de kazerne van Vilvoorde een schadeclaim tegenover de gemeente ingediend omdat die haar huis tijdens haar afwezigheid onvoldoende zou hebben beschermd. Bovenvermelde incidenten waren niet de enige en evenmin de laatste meningsverschillen tussen Orianne en het gemeentebestuur van Londerzeel. Lees bijvoorbeeld wat we in volgende (vertaalde) niet gedateerde (gepubliceerd tijdens de ziekte of kort na de dood van burgemeester Van Hove?)) krantenartikels, bewaard in de bibliotheek van het Legermuseum, gevonden hebben.

 

Het schandaal van Londerzeel, deel I

 

“Er gebeuren werkelijk stichtende zaken in ons land. Kent U de gemeente Londerzeel? De minister van Landsverdediging had er, verleden zondag, majoor Simons afgevaardigd om er decoraties uit te reiken aan de plaatselijke moeders en weduwen van de soldaten die voor het vaderland gestorven zijn. Het zou ons dunken dat een dergelijke ceremonie de plaatselijke autoriteiten zou ontroeren en hun aanwezigheid en hulp zou vereisen. Maar dan kent u de plaatselijke autoriteiten van Londerzeel niet!

Om te beginnen, geloof maar niet dat ze zelf ook maar de minste stappen hadden ondernomen om deze waardige en ongelukkige vrouwen de onderscheiding te laten geworden waar ze recht op hadden, die een beetje trots in hun hart had kunnen brengen en die hen de erkentelijkheid van het land voor degenen die ze beweenden had kunnen betuigen. Neen, het was de commandant van de plaatselijke gendarmerie die zich met dat alles had moeten belasten.

En zondag, toen de afgevaardigde van de minister zijn plicht kwam vervullen, was er geen enkele ontvangst voor hem gepland. Het gemeentehuis was gesloten. Geen enkel personage dat een plaatselijk ambt uitoefende bekommerde zich om hem. Het was mejuffer Orianne, die deze plaats bewoont, en wier aanwezigheid alleen al zou moeten volstaan om de heldencultus beter in ere te houden, het was alleen die mejuffer Orianne die de officiële delegatie en de heldinnen van de ceremonie, die ze bijeen had geroepen, in haar bescheiden woning ontving en hen vriendelijk een glas porto offreerde. En het was op de markt, zonder ook maar de minste tussenkomst van de vernoemde autoriteiten, dat majoor Simons de gelegenheidswoorden moest spreken en op de borst van deze moeders en weduwen de oorlogskruisen en de Leopoldsorde, verworven ten koste van het bloed van hun kinderen en echtgenoten, moest spelden. Er zijn oorden waar men onder vergelijkbare omstandigheden misschien de welsprekendheid en officiële demonstraties misbruikt. Maar in Londerzeel is het werkelijk al te gortig. En de lokale autoriteiten kunnen er prat op gaan een bewijs van een werkelijk weinig gebruikelijke muilentrekkerij te hebben geleverd. Deze geschiedenis is dermate ongeloofwaardig dat we er geen geloof zouden aan gehecht hebben mochten we ze niet vernomen hebben van een geloofwaardige getuige, die met de hele ceremonie niets te maken had.”

 

Het schandaal van Londerzeel, deel II

 

“Verleden woensdag hebben we, volgens vertellen door een geloofwaardige getuige, het verhaal gebracht van de buitengewone afwezigheid van de gemeentelijke overheid van Londerzeel op de uitreiking van de decoraties aan de moeders en weduwen van de soldaten van deze gemeente die op het veld van eer gevallen zijn. Twee dagen later ontvingen wij, vanwege de heer Dubourg, voorzitter van het comité “Justice” van Halle, dienaangaande een brief, gedateerd op 2 juni, die zei: ‘Wellicht zullen de autoriteiten van deze gemeente, bewogen door de geest van Machiavelli, zeggen dat ze niet verwittigd waren... dat ze het niet wisten... dat ze er niet op voorzien waren, enz., enz... Ik zou verder terug willen gaan: lees goed. In januari van dit jaar, was mejuffer Orianne, de vurige patriotte, die door heel de wereld gekend is en die in Londerzeel woont, er met grote moeite en op eigen kosten in gelukt, om een bescheiden monument op te richten ter ere van een zoon van dit dorp, uit plicht gestorven. Voor de inhuldiging daarvan had de onvermoeibare Orianne een beroep gedaan op de gemeentelijke autoriteiten op verschillende vaderlandslievende verenigingen. Op genoemde zondag zou mejuffer Orianne, met de huilende weduwe en wezen, alleen op het kerkhof geweest zijn indien de heren, majoor X, Clément Philippe, voorzitter van de Unie van Vaderlandslievende Belgische verenigingen, Dubourg, voorzitter van de commissie ‘Justice’, vergezeld van enige leden van hun respectievelijke groeperingen, Londerzeel kennende, de goede Orianne niet ter zijde hadden gestaan. Met uitzondering van vernoemde personen was er niemand, werkelijk niemand, op het kerkhof aanwezig.

Op 7 januari, leert ons nog de heer Dubourg, had de dienstdoende burgemeester van Londerzeel mejuffer Orianne laten weten dat hij haar schrijven van 2 januari aangaande het monument in kwestie goed ontvangen had; en dat het hem zeer aangenaam was om haar te kunnen melden dat de mis, die zij zinnens was voor de arme dode te laten doen, op kosten van de gemeente zou gebeuren. “Maar,” schreef hij er bij, “het zou mij zeer verheugen mocht de delegatie die het monument Van der Poel [2]  komt inhuldigen, direct naar het kerkhof gaan zonder eerst langs het gemeentehuis te passeren, hetgeen voor die heren gemakkelijker zal zijn evenals gewonnen tijd.” We respecteren zijn handtekening. De beminnelijke dienstdoende burgemeester van Londerzeel kon niet aangenamer zeggen “Laat de heren hun gang gaan en ons voor de rest gerust laten.”

 

Het schandaal van Londerzeel, deel III

 

We ontvingen ook een brief van juffer Orianne. Ze vertelt daarin dat ze in juni het initiatief genomen had om een gedenkplaat te plaatsen ter ere van de glorievolle doden; dat deze gedenksteen geplaatst werd aan de buitenkant van de kerk van Londerzeel; dat ze er met een aanzienlijk bedrag had aan bijgedragen; maar dat ze op de inhuldiging niet uitgenodigd werd en dat, ondanks haar expliciete voorwaarde dat alle namen der doden van de gemeente op de steen zouden staan, er drie om kinderachtige redenen niet op stonden, ondanks alle smeekbeden van de families en ondanks haar eigen stappen. Zij smeekte dat deze onverdiende uitsluiting niet zou weerhouden worden.

“Ik heb gedacht,” zei ze, “om aan onze goede koningin, moeder van onze soldaten, te schrijven dat men onze dapperen dergelijk onrecht niet aan mocht doen.”

Wij wilden deze brieven, die de speciale mentaliteit van de Londerzeelse bewindslieden aantonen, niet gebruiken; wij hebben de feiten in verband met de uitreiking der decoraties uiteengezet. Ze schenen ons voor hen al vleiend genoeg. Maar we zijn van gedacht veranderd nadat we, als antwoord op ons artikel, op 4 juni, van de dienstdoende burgemeester van Londerzeel een brief ontvingen, waarin die, in naam van de gemeenteoverheid van Londerzeel, een rechtzetting eiste. “Er gebeuren,” schrijft hij, “volgens u werkelijk verbazingwekkende dingen in ons land. Dat is juist. Op een zekere zondag waren de inwoners van Londerzeel zeer verwonderd een affiche aan de kerkpoort te zien hangen met de volgende tekst: “Mejuffer Orianne heeft van de Minister van Landsverdediging bekomen dat de decoraties voor de helden die op het veld van eer gestorven zijn, op maandag 16 mei door een afgevaardigde aan de families zullen overhandigd worden. Zij nodigt de geïnteresseerden uit om zich bij haar, Villa Cara, op 3 mei in te laten schrijven zodat zij hen alle nodige informatie zal kunnen geven (16 mei werd naar 29 mei verschoven). De brief van de dienstdoende burgemeester voegt er aan toe dat mejuffer Orianne per briefkaart een derde uitnodigde (die we niet in opspraak willen brengen) en deze de wens te kennen gaf dat de gemeenteoverheid niet zou verwittigd of zelfs maar gevraagd zou worden om eventueel mee te werken... Daarop volgen, betreffende Orianne, een aantal insinuaties die we hier niet hoeven te reproduceren en die haar zeker niet raken. De dienstdoende burgemeester begrijpt tenslotte niet dat de Minister van Landsverdediging de decoraties naar Orianne stuurde zonder op zijn minst de gemeentelijke overheid daarvan verwittigd te hebben - de Minister zal daar zeker zijn redenen voor hebben! - en hij besluit: “De gemeenteraad van Londerzeel, sterk door zijn vaderlandslievende gevoelens, overtuigd zijn plicht en zijn volledige plicht te hebben gedaan, daar waar het nodig was, maar zonder afstand te doen van zijn recht om initiatieven te nemen, zal als in het verleden verder gaan om zijn burgers de cultus voor hun voor de vrijheid gestorven kinderen te laten onderhouden en laat het graag aan anderen over om rondom hun naam luidruchtige reclame te maken!” Deze zin komt nochtans niet van mensen die op reclame spuwen. Hij toont eerder aan dat ze er zich met een zekere kennis kunnen van bedienen. Hadden ze dat om te beginnen maar gedaan om de Minister van Landsverdediging om de decoraties, waar het hier om gaat, te vragen. Ze hebben daarentegen niets gedaan om ze te bekomen. Ze hebben de zorg daarvoor, zoals we reeds zegden, aan de rijkswachtcommandant overgelaten. Ten slotte hebben we de brieven van M. Dubourg en Mejuffer Orianne gepubliceerd om aan te tonen met welke dankbaarheid de gemeenteoverheid degenen ontvingen die in hun dorp hun vaderlandse plicht kwamen vervullen. Ze kunnen er fier over zijn! Tenslotte laat de Nationale Unie van Vaderlandslievende Verenigingen ons weten dat ze aan de Minister van Binnenlandse zaken en aan de gouverneur van Brabant een brief geschreven hebben met de vraag om maatregelen tegen de gemeentelijke administratie van Londerzeel te nemen, die op een grove manier in haar burgerplicht te kort geschoten is. Bij twee gelegenheden, wilde geen enkel lid van deze administratie, systematisch aanwezig zijn bij de onthulling van een monument voor onze soldaten en bij de uitreiking door de afgevaardigde van de Minister van Landsverdediging van decoraties aan de weduwen van op het veld van eer gevallen Londerzeelse militairen. Op het gemeentehuis hing niet de bij dergelijke vaderlandslievende omstandigheden reglementaire nationale vlag. Misschien zal de dienstdoende burgemeester hem ook verwijten om niet ‘ter plekke’ geïnformeerd te zijn geweest.”

 

Van de bewuste brief van de dienstdoende burgemeester van Londerzeel hebben we in de ‘copies de lettres’ geen spoor teruggevonden. Wellicht werd hij ten persoonlijken titel geschreven. Het zal echter voor iedereen duidelijk zijn dat het hierna tussen de eigengereide Orianne en de gemeenteraadsleden van Londerzeel, die ze door haar Franstalige vrienden van de pers liet beschimpen, nooit meer goed gekomen is.  Kort na deze krantenartikels (we vermoeden begin 1922) is Orianne uit Londerzeel verdwenen.

Later, in 1934, hebben we haar in Elsene, 74, rue du collège, teruggevonden. Toen was ze op zoek naar geld voor haar twaalfde grote oorlogsmonument. Nog steeds was de Franstalige pers haar bijzonder goed gezind. En opnieuw was ze in conflict met een Vlaams gemeentebestuur. Hieronder een (vertaald) artikel van Jules Blasse dat verscheen in ‘La Province’. Opnieuw een duidelijk voorbeeld van de manier waarop haar in se nobel initiatief door een bepaalde francofone pers gebruikt en misschien wel misbruikt werd om haar vlaamshatende gevoelens te ventileren.

 

Het schandaal van Eppegem

 

“Mejuffer Orianne heeft ons geschreven. U herinnert zich ongetwijfeld deze brave vrouw die, sedert de oorlog, geen moment opgehouden heeft om de cultus van onze doden in ere te houden. Het is zij die, vier jaar geleden, voorstelde om in Eppegem een monument op te richten ter nagedachtenis van de mannen van het 2de en 3de Jagers te voet die daar gevallen zijn. Een riskante onderneming. Ik had het plezier om haar toentertijd de redelijk aanzienlijke bijdrage van de lezers van ‘La Province’ over te maken. Dat was uiteraard niet voldoende; maar juffer Orianne is koppig. Ze zegt me dat, niettegenstaande de huidige prijs der materialen die de laatste jaren schoon gestegen is, ze haar doel bijna bereikt heeft. Het monument zal op 12 september eerstkomend (1934) ingehuldigd worden. Degenen onder u die de inhuldiging wensen bij te wonen kunnen invitatiekaarten bekomen. Het volstaat om een woordje te richten aan Mejuffer Orianne, 74, rue du collège, Ixelles... De oorlog is veraf. Dat is zeker. Die monumenten, dat zegt niets meer. Uiteraard. Weldra staat  er een op elke hoek. Hoe dan? Iedereen beweert dat, en sterker nog, deze mening wordt door mij gedeeld. En nochtans heb ik van harte voor dit monument aan de kar getrokken en vandaag doe ik dat nog, want juffer Orianne zit met een klein gat in haar kas. Als u dus een stuk van 1 of 2 belgas bezit, dat u wat hindert in de zak van uw gilet, dan kunt u dat sturen naar “La Province”. Maar ik insisteer niet, vanzelfsprekend, want de crisis is daar, onverzoenlijk, en heel wat genereuze bedoelingen worden door bittere noodzaak gesmoord. Het is crisis. Dat belet de flaminganten echter niet om onder alle omstandigheden hun venijn te spuwen. Inzake de oprichting van dit monument durf ik niet in detail te treden over alle mishandelingen die Juffer Orianne heeft moeten ondergaan. Deze heren wilden hun inscripties, genre Diksmuide, opleggen en wij Walen zouden uiteraard uitgesloten worden. Ze kenden geen schaamte om deze respectabele dame te slaan. En toen ze zich tot hogere instanties wendde, werd ze daar, schreef ze me toen, geconfronteerd met een samenloop van slechte wil die alles overstijgt wat men zich indenken kan. Maar wat wil je, tot zover zijn we in België gekomen. Is het daarvoor dat Bradfer, Lebrun, Letellier, Devos, Clooten en zoveel anderen zich in de bossen van Eppegem laten afslachten hebben. Ik weet het wel, we worden een beetje figaro door het steeds maar opnieuw over die dingen te hebben. Het is niet meer in de mode. Men verkiest zich in woorden te bedwelmen door te spreken over de broederschap tussen de volkeren, over de grote Europese vriendschap en over een eeuwige lente onder een altijd blauwe hemel. De een of andere dag zal er terug onweer komen. Niemand zal het dan nog kunnen ontkennen, zelfs niet degenen die nu hard roepen dat het nooit zal gebeuren... Dank zij hen, dit artikel, opdat de kiezers het zich zouden herinneren wanneer ze naar de urnen gaan. Dat is mejuffer Orianne vast en zeker ook niet ontgaan. Vele anderen zouden zich in haar plaats al lang laten ontmoedigen hebben. Maar zij, een officiersdochter, heeft diep in haar hart dat ietwat ouderwetse gevoel behouden waarmee alleen de slecht opgevoeden kunnen spotten. Tijdens de oorlog, geholpen door haar bejaarde meid, ontgroef ze de kadavers op de slagvelden. Om het op zijn ouderwets te zeggen... ze riskeerde haar vel. Toen de Duitsers vertrokken waren, heeft ze gewild dat de ouderen zich zouden herinneren en de jongeren zouden weten.”

 

Nationale erkentelijkheid

 

Het laatste woord over Orianne is wellicht nog niet geschreven. Belasterd door sommigen in Londerzeel en elders; meer dan 15 jaar na het einde van de oorlog door anderen nog altijd vereerd. Welke decoraties ze voor haar werk gekregen heeft, is ons niet bekend. Begin 1920 ontving ze de medaille van koningin Elisabeth, maar die kreeg ze niet vanwege haar werk maar omdat ze naar Duitsland was gedeporteerd. Herhaalde malen stuurde (onder andere) de redactie van La Belgique Militaire, gesteund door een luitenant-generaal van het Belgisch leger (waarschijnlijk de Hennin), verzoekschriften ten gunste van Orianne  naar de ‘Commissie voor Nationale Beloningen’. Op 20 mei 1920 bevestigde minister van landsverdediging Janson: “Teneinde zijn erkentelijkheid te manifesteren heeft mijn departement voorgesteld om een eervolle beloning toe te kennen aan mejuffer Orianne”. Desondanks was daar in augustus 1921 nog altijd niets van gekomen. Dat de waarde en edelmoedigheid van haar initiatief echter door niemand in twijfel werd getrokken, blijkt uit volgende brief die, ten gunste van haar medewerkster Marie Moens-Ringoot, op 1 november 1929 naar de Minister van Binnenlandse Zaken werd geschreven: “De ondergetekende, Politiecommissaris der gemeente Londerzeel, neemt de eerbiedige vrijheid Uwe welwillende aandacht te roepen op een der prachtigste daden van moed en zelfopoffering, waarvan ene volksvrouw belangloze bewijzen gaf. Onmiddellijk na het bezet onzer streek door de vijandelijke legers in 1914, en na de gevechten die te Londerzeel en in andere gemeenten van den omtrek plaats hadden, heeft Ringoot Maria Julia, weduwe van Moens Emmanuel, geboren te Opwijk den 16 februari 1863, wonende te Londerzeel, zich bewonderenswaardig onderscheiden door het opzoeken en vereenzelvigen onzer gevallen soldaten die ten allen kante, in de velden ene eenzame plaats en onvoldoende begraven waren. Men kan zich voorstellen, Mijnheer de Minister, hoe belangrijk zulk liefdadigheidswerk was en welke moed en vaderlandsliefde er nodig is om reeds sedert weken en maanden gesneuvelde soldaten te ontgraven en ze ene behoorlijke rustplaats te bezorgen. Dit werk van moed en opoffering volbracht de volksvrouw in samenwerking met Mejuffer Orianne. Nooit kwam in het inzicht der goede vrouw op ene beloning te rekenen. Uw nederige dienaar, Mijnheer de Minister, handelend op eigen initiatief, is er van overtuigd de tolk te zijn aller dankbare inwoners en andere belanghebbenden en oordeelt tot plicht Uwe welwillende aandacht te roepen op die edele daden van zelfopoffering en Vaderlandsliefde en voor de voorbeeldige vrouw de Nationale Beloning te vragen die zij zelf, uit nederigen, ootmoed niet aanvroeg. Th. Turf, Politiecommissaris.”

 

Maria Juliana Ringoot werd vereerd met de Herdenkingsmedaille van koningin Elisabeth voor bewezen diensten tijdens Wereldoorlog 1914-1918 en met de zilveren Erkentelijkheidmedaille van het N.V.I.  Hendrik Jozef Broothaers ontving het kenteken 1ste klas van de Leopoldsorde en het kenteken van de vrijwilligers van het ontgravingskorps. Wellicht hebben ook een aantal andere helpers van Orianne dergelijke eretekens gekregen.

 

 

 

 

Over het boek

 

Orianne

 

“Het laatste woord over Orianne is wellicht nog niet geschreven” zegden we in 1999.

Sedertdien zijn Francis Hallemans en Louis De Boeck onverdroten verder blijven speuren in de minst voor de hand liggende archieven. En met succes.

Zelfs het persoonlijk archief van Orianne is boven water gekomen!

 

Het leven van deze ware “romanfiguur” zal binnen afzienbare tijd in boekvorm verschijnen.

 

Gedetailleerde gegevens over dit project, waaraan momenteel de laatste (?) hand wordt gelegd, zijn nog niet beschikbaar.

 

 

Laat ons alvast via deze

 

LINK

 

weten of u wenst geïnformeerd te worden bij het verschijnen van dit boek.

(vermeld: interesse in boek “Orianne”)

 

Aarzel ook niet om contact te nemen

 mocht u informatie hebben over deze vrouw of over haar werk

 

 

 

 

Over het boek

 

De Grote Oorlog in de Regio Londerzeel

Een authentieke reconstructie van de gebeurtenissen in Noordwest-Brabant

tijdens wereldoorlog I

 

Twee generaties en een handvol decennia volstonden om alles over één der meest aangrijpende perioden uit onze regionale geschiedenis te vergeten.

Van 20 augustus tot 5 oktober 1914, werd het gebied ten zuiden van de spoorlijn Mechelen-Dendermonde afwisselend gecontroleerd door het Belgische leger en de Duitse troepen die de vesting Antwerpen belegerden.

Zeven weken lang vormde deze streek het toneel voor verkenningen, schermutselingen, gevechten en bloedige veldslagen.

Wat er gedurende deze periode ten oosten van hat kanaal Brussel-Willebroek gebeurde, werd door onze historici overvloedig beschreven.

Over de gebeurtenissen ten westen van het kanaal werd daarentegen in alle talen gezwegen.

Dit boek toont aan of dat al dan niet terecht is geweest.

Aan de hand van militaire en burgerlijke, Belgische en Duitse, nationale en plaatselijke bronnen, beschrijft het van dag tot dag wat er tijdens de eerste wereldoorlog in de regio Londerzeel (de vierhoek Willebroek-Humbeek-Asse-Puurs) is gebeurd.

Een volledig, authentiek, onthullend en dikwijls verbijsterend verslag met onder meer:

-         De bloedige gevechten te Imde, Westrode, Beigem, Eversem, Kapelle-op-den-Bos, de Wolf, Eeksken, Opstal, Hogelinde, Peisegem, Malderen, Opdorp, Ramsdonk, Sneppelaar, Sint-Jozef en Neeravert…

-         De talrijke deportaties, plunderingen, brandstichtingen en willekeurige executies.

-         Een thematische behandeling van diverse aspecten van de bezetting (in dit geval van Londerzeel): incidenten met de bezettingstroepen, het opeisen van goederen, dieren en mensen, het ‘comiteit’ voor hulp- en voeding, collaboratie, smokkel…

-         Het werk van juffer Orianne van Londerzeel voor de ontgraving en identificatie van gesneuvelde en ter plaatse begraven Belgische soldaten.

-         En, speciaal voor de Londerzelenaars, het fotoboek van de groot-Londerzeelse oud-strijders.

 

Auteurs: Louis De Bondt en Francis Hallemans.

Formaat A4 – 470 blz.

Eerste uitgave: 1999 door de Geschied- en Heemkundige Kring van Londerzeel Vzw. (uitverkocht)

 

 

Laat ons via deze

 

LINK

 

weten of u wenst geïnformeerd te worden bij het verschijnen van de volgende (licht bijgewerkte) uitgave van het boek.

(Vermeld: interesse in het boek De grote Oorlog in de Regio Londerzeel)

 

 

 

 

 

Terug naar het begin van de website

 

 

 



[1] La Belgique Militaire van 2 juli 1922: “… Het feest heeft 21.000 fr. opgebracht. Dat is een mooi resultaat. Maar het zou nog mooier geweest zijn als aan het werk van Juffer Orianne een subsidie van 30.000 à 40.000 fr. zou toegekend geweest zijn, om het deficit te dekken dat veroorzaakt werd door haar werken en om de kosten te dekken voor de monumenten die nog door deze dame opgericht moeten worden.”

[2]  Van der Poel Jan Corneel was op 7 februari 1917 bij de grote opeising van werklieden in Londerzeel naar Duitsland gedeporteerd. Op 21 juli 1917 keerde hij terug naar huis, waar hij 1 maand later, op 21 augustus overleed. Over hem schreef pastoor-deken Heremans in zijn verslag aan kardinaal Mercier: “overleden te Londerzeel na zijne terugkomst, waarschijnlijk ten gevolge van zijn ballingschap.”