Bezoek concentratiekampen


In 2017, tijdens het verlengde hemelvaart weekend, zijn enkele bestuursleden van NSB Hamme op bezinningsbezoek geweest naar Duitsland.

Op het programma stond een bezoek gepland aan Mittelbau-Dora, Flossenburg alsook aan Buchenwald.

 

1. Mittelbau-Dora:

Het kamp Mittelbau was een naziconcentratiekamp dat in augustus 1943 in gebruik werd genomen nabij Nordhausen. Het gehele Mittelbau-Doracomplex omvatte uiteindelijk circa 40 subkampjes. Het belangrijkste doel van het kamp was niet het uitroeien van de gevangenen (zoals in Auschwitz of Treblinka gebeurde) maar gebruik van hen maken als goedkope arbeidskrachten in de wapenindustrie, voornamelijk in de productie van V1's en V2's.
De aanleiding voor de bouw van dit concentratiekamp, was het bombardement op Peenemünde in de nacht van 17 op 18 augustus 1943, waarbij het proefstation voor de ontwikkeling van raketwapens werd getroffen. Hierop werd besloten de productie van raketten te verplaatsen naar ondergrondse fabrieken. In de berg Kohnstein nabij Nordhausen was door de ontginning van anhydrietgesteente al een uitgebreid gangensysteem ontstaan. Concentratiekampgevangenen moesten de mijngangen vergroten en verbouwen tot een rakettenfabriek, het zogenaamde "Mittelwerk" dat onder leiding stond van Arthur Rudolph.
Vanaf januari 1944 werden in dit bedrijf, waarvan het Rijk eigenaar was, de door Joseph Goebbels aangekondigde vergeldingswapens (V-wapens) gemaakt.
Toen in 1943 de nederlaag van het Duitse Rijk zich steeds duidelijker begon af te tekenen, werkten het ministerie van bewapening en de SS nauw samen om alle beschikbare arbeidskrachten voor de totale oorlog te mobiliseren. Daaronder vielen ook concentratiekampgevangenen en dwangarbeiders.
Om de bouwwerkzaamheden te kunnen uitvoeren deporteerde de SS mensen uit talrijke landen die door de Duitsers bezet waren. Deze dwangarbeiders werden, dag en nacht, in de mijngangen opgesloten.
Velen van hen stierven al na een paar weken vanwege de verschrikkelijke werk- en leefomstandigheden. In het voorjaar van 1944 werd een bovengronds barakkenkamp gebouwd.
De gevangenen van het kamp waren vooral mannen, maar er bestond ook een kleine groep gevangen vrouwen in het kamp Mittelbau-Dora.
Op het (geschatte) totaal van 60.000 gevangenen in Mittelbau-Dora werden er 12.000 doden geteld door de nazi's, maar het ware aantal slachtoffers wordt op ten minste 20.000 geschat.

 

2. Flossenburg

Concentratiekamp Flossenbürg was een nazi-Duitse gevangenis die in 1938 gebouwd werd. Vanaf de oprichting werd de gevangenis als een concentratiekamp volgens het Dachau-principe opgezet en diende het vooral voor gevangenen en krijgsgevangenen uit de bezette gebieden in het oosten. De eerste, hoofdzakelijk Duitse, gevangenen bouwden het kamp op. De plaats van het kamp (en van de 100 subkampen) was zo gekozen dat de gevangenen als gratis arbeiders in de plaatselijke granietgroeves en Messerschmitt-fabrieken konden worden gebruikt. Zij werden in zestien grote houten barakken ondergebracht. Het crematorium lag in de vallei achter het kamp en was voor de gevangenen niet onmiddellijk zichtbaar. Tegen 1945 bevonden er zich 40.000 gevangenen in het Flossenbürg-complex, waarvan 11.000 vrouwen. Zij werden gebruikt in de steengroeves en in de wapenindustrie. Het relaas over Flossenbürg is net als alle andere concentratiekampen: ondervoeding, ziekte en overwerken waren schering en inslag. Daarbij kwam dan nog de hardheid van de bewakers. Dit samen kostte velen het leven. Er werden tussen april 1944 en april 1945 naar schatting 1.500 doodvonnissen uitgevoerd. Op 9 april 1945 werd hier ook kerkleider, theoloog en verzetsstrijder tegen het nazisme Dietrich Bonhoeffer opgehangen. Voor al deze executies werden zes nieuwe galgen geplaatst. In de laatste maanden waren er zelfs meer doodvonnissen dan het crematorium aankon. Daarom liet de SS de lijken op hopen opstapelen en daarna verbranden. Niet alleen de doodvonnissen lagen aan de bron van de extra lijkverbrandingen. Ook de ondervoeding, het werkritme en de ziektes eisten steeds vaker hun tol. Wie tewerkgesteld werd in de steengroeve, had gemiddeld nog drie maanden te leven. Vanaf eind 1944 overleefden 1 op de 3 gevangenen hun tewerkstelling in de steengroeven en in de bosbouw niet. Net voor de bevrijding van het concentratiekamp werden de gevangenen gedwongen te voet naar andere nog niet bevrijde concentratiekampen te marcheren. De uiteindelijke bedoeling van die marsen was de volledige liquidatie van de overlevenden. Op die manier zouden alle sporen uitgewist worden. Dergelijke marsen kregen de toepasselijke naam dodenmarsen. Tijdens het bestaan van het concentratiekamp werden er meer dan 97.000 mensen op inhumane wijze gevangen gezet.

 

3. Buchenwald

Het kamp werd in 1937 aangelegd door SS'ers en gevangenen. Buchenwald werd op 11 april 1945 bevrijd. Heinrich Himmler gaf opdracht om Buchenwald te bouwen. Het kamp was berekend op 8.000 gevangenen en was in eerste instantie bedoeld voor politieke gevangenen en criminelen. De eerste 149 gevangenen kwamen in kamp Buchenwald aan op 15 juli 1937. Ze waren afkomstig uit andere kampen, zoals Sachsenhausen en Lichtenburg. De gevangenen werden tewerkgesteld bij de aanleg van het kamp, de bouw van de barakken, kazernes, woonhuizen en de aanleg van straten. Tegen het einde van 1937 waren in het kamp al 2561 gedetineerden, 48 waren er overleden en gecremeerd in het crematorium van Weimar. Vanaf april 1938 werden duizenden 'werkschuwen' (mensen die toegewezen werk hebben geweigerd) en daklozen in het kamp geïnterneerd. Tevens werd in elke categorie gevangenen een subcategorie Joden gedefinieerd. In het najaar van 1938 kwamen de eerste Oostenrijkse gevangenen uit Dachau aan in Buchenwald. Onder hen veel vooraanstaande Joodse kunstenaars en wetenschappers. Tegen het einde van 1938 waren er meer dan 11.000 gevangenen in Buchenwald. Na het uitbreken van de oorlog in 1939 arriveerden 8.500 mannelijke gevangenen. Drieduizend Polen en Joden werden in het Sonderlager samengeperst, waar ze van honger en uitputting omkwamen. In 1939 werd het voedsel voor de Joden gerantsoeneerd op 400 gram brood en een liter soep per dag. De aanslag op Adolf Hitler werd door de SS gewroken met de executie van 21 Joden in een steengroeve. De overgebleven Joden moesten het drie dagen zonder eten doen. In 1940 werd begonnen met de bouw van een crematorium in het kamp. Vanaf september 1941 arriveerden ook Sovjet krijgsgevangenen in het kamp. Er werd een speciale executieplaats aangelegd, waar men in de daaropvolgende twee jaar ongeveer 8000 van deze krijgsgevangenen met een nekschot executeerde. Later arriveerden de eerste groepen gevangenen, uit het doorvoerkamp Compiègne, in Buchenwald. Er werd gestart met de bouw van subkamp Dora, waar een raketfabriek werd gebouwd. In de zomer van 1944 was het kamp met 31.491 gevangenen overvol. Veel gevangenen moesten noodgedwongen in de open lucht of in tenten bivakkeren. Door het oprukken van het Rode Leger werden steeds meer gevangenen uit andere kampen naar Buchenwald geëvacueerd. Zo kwamen er 4.200 Joden uit Czestochowa, 7.350 uit Auschwitz en nog eens 7800 uit Groß-Rosen. Degenen die levend aankomen zijn op sterven na dood door uitputting, kou en honger. Buchenwald werd daarmee het grootste kamp, er verbleven in februari 1945 112.000 gevangenen, waarvan 25.000 vrouwen. Ongeveer een derde was Joods. De omstandigheden werden nu ook door overbevolking steeds slechter, dagelijks stierven er tientallen mensen door ontberingen. De dwangarbeid werd tot op het laatst in stand gehouden. Na de bevrijding dwongen de geallieerden de inwoners van Weimar om het kamp te bezoeken. Aanvankelijk dachten de inwoners dat het een 'uitje' was. Tijdens de kennismaking met de wreedheden in het kamp waren velen geschokt, men beweerde niets te weten van hetgeen in het kamp gebeurde.