|
De Bist
Tijdens een wandeling langs grauwe
asfaltwegen,
Kwam ik een grijsaard tegen.
Deze man oud van jaren,
Stond moedeloos voor zich uit te staren.
Ik sprak hem aan maar kreeg geen wederwoord,
Het was alsof ik hem had verstoord.
Na een wijl sprak hij mij aan,
Met zachte stem, moeilijk te verstaan.
Lange tijd had ik het hier goed,
Maar nu is het mijn hart dat bloedt.
Vele jaren heb ik van gezondheid geblaakt,
Maar de moderne tijd heeft mij kapot gemaakt.
Waar mensen werkten en kromden hunne lijven,
Staan nu stinkende bedrijven.
Mijn tijd is nu afgedaan,
Vaarwel ik moet nu gaan.
Ik zegde hem dat ik zijn naam nog niet wist,
En in zwarte rook en grijze mist sprak hij, voor hij
verdween: “Ik ben De Bist”.
Een anonieme
sympathisant
(2 augustus 2004)
|
Verleden, Heden en Toekomst
Waar men
gaat langs Bistse wegen,
Komt men groene velden tegen.
Hier zaait men nu nog maïs en koren,
En begroet menig vogel het ochtendgloren.
In sappige weiden grazen koeien en paarden,
Dat alles zijn hier eeuwenoude waarden.
Toen wij jong waren speelden wij hier oorlogje en dief,
Later kusten wij er ons eerste lief.
Op de Nijlenbeek schoten wij waterratten,
En in hun verdroogde loof bakten wij achtergebleven patatten.
In de Laakbeek gingen wij vissen,
En soms lagen er in de pan kikkerbillen te sissen.
Wij roofden eieren van eend en fazant,
Toen was het op de Bist nog plezant.
Och, wat zijn wij Nijlenaars toch aan de Bist verknocht,
Maar de Verkozenen van het volk hebben dit prachtig stuk natuur verkocht.
Als bange hazen,
Slippendragers van hun politieke bazen.
Maar deze heren van het dorp zijn vergeten,
Dat in de oorlog, zij en hun ouders, van de Bist hebben gegeten.
Maar na de volgende verkiezingen zullen zij zingen een lager toontje,
Want d’oude spreekwoord zegt: “Boontje komt om zijn loontje”.
De anonieme sympathisant
(21 oktober 2004)
|