Vele verhalen hebben verborgen bewegingen ...
Het verhaal wordt meer levend door er zelf in te gaan bewegen en
te dansen ...
Bij het zien van dansende mensen krijgen kinderen spontaan zin om
te bewegen ...
het spreekt tot hun verbeelding ...
ze exploreren hun vaardigheden en hun creativiteit.
De meeste populaire muziek heeft het ritme van het wiegen van een
baby in de armen van moeder of geliefde, cunita. Dansen benadrukt
het draaien van de heupen. Kleine kinderen voelen hiertoe al instinctief
de neiging en ondervinden er veel plezier van.
Dans laat het kind ervaren dat er meer is dan alleen het denken
met het hoofd. Het geeft de kleine niño bien de kans om zijn
innerlijke wereld naar buiten te brengen zonder dat er wordt gedacht
in de termen goed of slecht, mooi of lelijk.
Immers, ...peuters, kleuters, kinderen en ouderen die zich nog kind
voelen, zijn vol creativiteit en bewegingsdrang. Door beweging ontdekken
ze speels hun omgeving en hoe om te gaan met anderen, evenals de
bewegingsmogelijkheden van hun lichaam.
Tanguito con niños - Programa de la Secretaría
de Cultura
Click screen button to play video clip
Op muziek met een duidelijk ritme zoals argentijnse tango, leren
de tangokids gericht luisteren en bewegen. Er wordt aandacht besteed
aan lichaamsexpressie, tempo, tijdsvolgorde en ritme. De kadans
van de muziek bepaalt de expressie, snelheid en volgorde van bewegingen.
De nadruk ligt op het dansplezier.
Laat het ritme van de milonga je meevoeren naar de expressie van
je hart. Bewegingen vanuit het bekken, wandelen en draaien, de stap...
daarmee gebeurt het.
Blokkades verdwijnen en je energie gaat stromen.
In de dans één worden met je natuur en je eigen krachten ontdekken
is spannend. Techniek, het werken aan basisbewegingen, ruimtegebruik,
danscombinaties en improvisatie, bedoeld om lichaam en geest gezond
te houden in een wereld van competitie en stress.
Tango Argentino is improviseren met je danspartner.
Deze dansexpressie is een vorm van dansen waar de nadruk ligt op
het stimuleren van de creativiteit en spontaniteit van mensen in
beweging. Samenspel is een wisselwerking.
Het levert een belangrijke bijdrage aan de motorische, sociale,
emotionele en cognitieve ontwikkeling.
Dansexpressie gaat niet uit van ingewikkelde danspasjes, maar omvat
dansimpulsen waarin de bewegingen niet van tevoren vast liggen,
het speelt in op de belevingswereld.
De basisbewegingen in tangodans komen op een gevarieerde manier
telkens terug, alle dansfiguren zijn opgebouwd uit enkele basiselementen,
de tangocode... de 8 basisposities in de salida, de basispas.
Figuren onstaan door met deze code feestelijk te spelen.
Dynamische Pedagogie:
Motorische en zintuiglijke (senso-motorisch) ontwikkeling. Bij de
geboorte is alles aan een baby nog heel rond. De bewegingen die
het kind maakt zijn reflexmatig, dus niet bewust. Gedurende zijn
ontwikkeling leert het kind deze reflexen te onderdrukken. Het zintuig
dat nu het duidelijkst te zien is, is de tastzin. Het kind tast
met zijn hele lichaam, m.a.w. hij tast de grens af: waar ben ik
en waar begint iets anders. Als volwassene gebruiken we voor het
tasten alleen nog onze handen, een kleintje gebruikt daarvoor zijn
hele lichaam; ze stoppen het zelfs letterlijk in de mond. De eerste
echte bewegingen die een kleintje maakt zijn strekbewegingen, dit
gebeurt zowel fysiek als ook zintuiglijk. Door een arm te strekken
(fysiek) raakt het bijv. de rand van de wieg (tastzin), het hoort
dat het ergens tegen aan tikt (gehoorszin) en het ziet misschien
ook zijn arm voor zijn gezicht langs gaan (gezichtszin). Zo worden
de zintuigen ook geprikkeld en het kind zoekt deze bewegingsbeleving
vaak weer bewust op. Zo beginnen de motoriek en de zintuigen zich
te ontwikkelen. De nadruk ligt in de eerste zevenjaarsontwikkeling
vooral op de basiszintuigen: tast-, levens-, bewegings- en evenwichts-zin.
Daarnaast ontwikkelen de acht andere zintuigen (smaak-, reuk-, gezichts-
en warmtezin (7-14 jaar) en gehoorszin-, woord-, denk- en ikzin
(14-21 jaar)) zich ook wel, maar ze hebben niet die nadruk die de
eerste vier zintuigen wel hebben. Deze vier zintuigen zijn erg verbonden
met de motorische ontwikkeling.
Tastzin
Het kleine kind wil alles betasten, met de handjes en de mond. Het
wil alles grijpen en moet ook alles grijpen om later tot het begrijpen
te komen. Wij kunnen ons precies een bal voorstellen, omdat wij
vroeger die bal hebben afgetast. Het is dus heel belangrijk dat
dit zintuig de mogelijkheid krijgt om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.
Belangrijk zijn dus de materialen waarmee je een kind laat omgaan.
Een groot plastic blok oogt zwaar, maar is het niet en zo wordt
dus dit zintuig in de war gebracht.
Levenszin
Bij het kleine kind uit zich dit in lust of onlustgevoelens. Als
hij honger (onlust) heeft, gaat hij huilen en wordt gevoed (lust).
Het kleine kind schommelt steeds tussen deze twee gevoelens heen
en weer. Hierbij is ook de omgeving van het kind van belang; is
deze rustig, harmonisch of druk, ruzieachtig. Bij dit zintuig spelen
dus omgeving en verzorging een grote rol.
Bewegingszin
Het kleine kind bootst innerlijk alle bewegingen na die het in zijn
omgeving waarneemt. Het is dus belangrijk om je bewust te zijn van
de omgeving die je het kind aanbiedt. Bewegingszin stelt ons in
staat om van binnenuit onze eigen bewegingen waar te nemen.
door de spanningsverschillen in onze spieren. Het kind ervaart hoe
het zich in de ruimte beweegt, dat het loopt, kruipt, springt. Van
belang is beweging, afgewisseld met momenten van rust. Ook ritmische
bewegingen bij liedjes of kringspelen werken bevorderend. Muziek
bezit immers het inherente vermogen om een uniek contact tot stand
te brengen.
Door een goed ontwikkelde bewegingszin kan een kind meebewegen met
de ander en gevoel ontwikkelen voor non-verbale dialoog, een communicatie
met zichzelf en de omgeving. Ontwikkelt de bewegingszin zich goed
dan kan een gevoel van vrijheid ontstaan en - op latere leeftijd
- het vermogen om innerlijk 'bewogen' te raken en innerlijk mee
te voelen met anderen. Als het kind de zwaartekracht leert overwinnen
wordt de evenwichtszin ontwikkeld. Het leert zich op te richten
en te lopen. Vervolgens ontwikkelt het zijn vermogen tot ruimtelijke
oriëntatie. Het vastleggen van een bewegingszin vraagt een
onderzoek naar hoe je een beweging doet, of hoe iemand anders een
beweging uitvoert. Het is een oefening in coördinatie en samenwerking
en een aanzet tot het verwerven van een lichamelijk geheugen.
Via deze sensorische integratie worden de zelfwaarneming alsook
het zelfvertrouwen vergroot.
We zijn gewend om de vorm voornamelijk via de ogen op te nemen.
Door goed te kijken kunnen we innerlijk meebewegen met de vormen,
kan zelfs onze tastzin geactiveerd worden en als het ware de spanningen
in het beeld voelen. Maar het werkt ook in de andere richting: we
kunnen uitgaan van de bewegingszin en de tastzin en vanuit deze
zintuigindrukken het beeld proberen te begrijpen. Ook onze beeldvorming
rond dansexpressie kan vanuit tactiele waarneming vertrekken.
Zo beleven we een sculptuur, een voorstelling, van binnenuit, het
visuele beeld is gereduceerd, de sculpture wordt uitgehold tot enkel
de kern te zien is, de innerlijke essentie, zoals Rodin's
Balzac.
Tanguera
Een beweging wordt als ‘juist’ beoordeeld als het een
vertrouwde beweging is maar , zoals alle zintuigen, de bewegingszin
is niet altijd onfeilbaar. Frederick Matthias Alexander (1869-1955),
een Australisch acteur, ontwikkelde de Alexandertechniek.
Om een goede coördinatie te vinden, leidt het tot niets om
een beweging te ‘verbeteren’ door er een andere voor
in de plaats te stellen, maar men dient eerder te vermijden dat
een overbodige, vaak onbewuste productie van bewegingen de coördinatie
belemmeren. Herken, ontdek, het verkeerde, de overbodige
spierinspanningen, en dan gebeurt het juiste uit zichzelf, als in
een aha-erlebnis. Leren tijd nemen is hierin fundamenteel.
Zo komt men steeds dichter bij een neutrale, ontspannen toestand,
een innerlijke rust van waaruit het evenwichtige groeit.
Evenwichtszin
Dit zintuig is natuurlijk zeer waarneembaar. Als het kind gaat zitten,
kruipen, staan en lopen, dan is dat een steeds zoeken naar evenwicht
tussen boven-onder, links-rechts en voor-achter. Dit zintuig ervaar
je als je een hele dag hebt geschaatst en je gaat daarna weer lopen,
dan moet je a.h.w. je evenwicht weer even opnieuw vinden. Om dit
zintuig goed te ontwikkelen heb je bewegingsruimte nodig en uitdaging
om te komen tot bewegen. Het kleine kind gaat zich dus bewuster
bewegen, zoekt gedane ervaringen weer op en zo ontwikkelen de motoriek
en de zintuigen zich.
Het kind ontwikkelt zich verder en komt tot staan en lopen en vooral
dit laatste is zeer belangrijk, omdat dan de handen vrij komen om
zelf te bewegen. Het kan dan dingen met twee handen vastpakken,
zonder de loopbeweging te verstoren. Het kind verkent nu het verticale
vlak en ontdekt nu voor-achter en links-rechts. Links en rechts
doe in deze fase gelijktijdig hetzelfde. Deze beweging wordt geregeld
via de hersenstam, ruggemerg en de grote hersenen. Deze fase heeft
dan ook de symmetrische fase. Kinderen die deze fase niet goed hebben
doorgemaakt of er te lang in zijn blijven hangen, spiegelen letters
en cijfers om de verticale as.
Lateralisatie Allebei de motorische fasen sluiten niet uit dat er al een handvoorkeur
(dominantie) zichtbaar wordt. Na de symmetrische fase komt het kind
in de fase die wij de lateralisatie noemen. Hier krijgen links en
rechts verschillende taken, er ontstaat een werkhand en een helphand.
Deze fase rijpt zich in de tweede zevenjaarsperiode echt uit en
wordt steeds meer verfijnd. Zo maken we dus een ontwikkeling door,
waarbij de bewegingen eerst vanuit de romp komen, met gebruik van
veel spiergroepen en dit rijpt uit tot kleinere, verfijndere bewegingen,
waarbij maar enkele spiergroepen gebruikt worden en verder van de
romp is verwijderd. Het lateralisatieproces moet wel op gang zijn
gekomen wil het kind in de eerste klas met cijfers en letters kunnen
gaan werken. Je ziet vaak nog wel veel symmetrieresten aan de spiegelingen
die kinderen maken, maar deze moeten in de loop van de eerste klas
echt verdwenen zijn. Veel symmetrische oefeningen, waarbij het kind
veel links-rechts beleeft, zijn op hun plaats in de kleuterklas
maar zeer zeker ook in de eerste!
Schoolrijp
Dit hele proces, van overgang van kleuter naar lagere schoolkind,
wordt geplaatst tussen het vijfde en zevende jaar, want ieder kind
ontwikkelt zich op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. Het
ene kind is dus wel schoolrijp met 6 jaar en een ander kind heeft
gewoon wat meer tijd nodig. In deze eerste zevenjaarsperiode werkt
het kind met alle krachten aan de opbouw van zijn fysieke lichaam.
Dit proces loopt van het hoofd, via romp naar de ledematen. Zo is
het lichaam vertrouwd geworden en van top tot teen doorleefd. Je
bent dus schoolrijp als je die krachten niet meer nodig hebt voor
de rijping van je fysieke lichaam. Met de tanden-wisseling geeft
het kind aan dat deze krachten nu gebruikt kunnen worden voor iets
anders, nl. voor het leren, voor het geheugen. Als je dus een kind
bewust te jong aanspreekt op leren/geheugen, dan onttrek je krachten
aan het kind die het nodig heeft voor het opbouwen van het fysieke
lichaam. Het kind gaat zich steeds bewuster bewegen, zoekt gedane
ervaringen weer op en zo ontwikkelen de motoriek en de zintuigen
zich. Zo komen we van grijpen tot begrijpen, van vatten tot bevatten,
van zien tot in- en doorzien, van pakken tot oppakken, van proeven
tot beproeven, van nemen tot op- en waarnemen en van voelen tot
aan- en invoelen. Eerst vanuit een handelings / ervaringsniveau
en zo wordt het tot een voorstellings / denkniveau gebracht.
Bij een schoolrijp kind staan het denken, voelen
en willen nu in zo'n verhouding tot elkaar, dat het kind zijn eigen
lichaam kent en kan besturen in de ruimte. Nu kunnen alle zintuigindrukken
op een juiste manier binnen komen en verwerkt worden.
Dansen versterkt de harmonie
tussen hoofd en buik, dit via een geleidelijke ontwikkeling van
een meer accuraat lichaamsbewustzijn-lichaamsbeeld. Dit brengt een
bewuste herontdekking van het eigen lichaam en verfijnt het lichaamskontakt.
Men leert de beleving bewust waarnemen en ermee omgaan.
"Pas als ik weet wat ik doe kan ik doen wat ik wil" (Feldenkrais).
Men leert dansen met het gehele lijf.
Door een steeds meer evenwichtige verdeling van onze aandacht over
ons gehele lichaam, krijgen we een completer lichaamsbeeld. We worden
we ons bewuster van elke inspannig/verandering die elk lichaamsonderdeel
apart doet, langzaam beseffen we wat er gebeurt en hapert.
Dit laatste komt vaak door overbodige spierinspanningen die de effectiviteit
van een beweging hinderen. De leidraad is een minimum aan inspannig
en een maximum aan effect. Dit bereikt men via skeletbeweging en
spierontspannig. Het geeft een vloeiende energetische doorstroming.
Met dit zelfonderzoek veranderen we bewust bewegingspatronen en
het zuivert tevens onze denkwijzen.
In kontakt met de danspartner worden zo de eigen
vaardigheden tastbaar. Hierdoor kan men met de ander leren omgaan
en de eigen mogelijkheden realistisch erkennen en ontwikkelen. Men
kan zo het samenspel in het "hier en nu" met alle zinnen
beleven en in zich opnemen hoe het aanvoelt, als men zich volledig
aan de ander kan geven en toevertrouwen. Het schept de basis om
met de dans te groeien.
Door het ontwikkelen van hoger lichaamsbewustzijn leert men zichzelf
steeds meer als een totale eenheid ervaren. Pas wanneer iemand duidelijk
in het eigen lichaam 'woont', kan de dans een zekere harmonie uitdrukken.
De danseres/danser leert het lichaam beter kennen en gebruiken,
hierdoor is het gemakkelijker om vaardigheden aan te leren. Het
lichaam wordt alerter, meer gevoellig waardoor het leiden en volgen
in tangos een subtiel spel wordt.
In het begin "stuurt" men veel met de armen, dit wordt
geleidelijk vervangen door kleine positie-wijzigingen (borst/schouders).
De lichamen bewegen harmonisch met elkaar, vandaar het beeld van
1 lichaam met 4 benen.
In die positie leunt men ontspannen tegen elkaar, waardoor men 1
as krijgt, de dansers houden elkaar in evenwicht. Door de houding
van de armen is de danshouding rechts gesloten en links open, men
leunt ietwat schuin met de schouders tegen elkaar.
Deze omarming/abrazo-positie of de tangohouding,
is een ritueel op zich. Het is het zoeken van het juiste lichaamskontakt,
eutonie. Het bereiken van de goede samen-spanning,
ook collusie of collusio genoemd (geheime verstandhouding), geeft
een gevoel van veiligheid. Dit lichaamsgevoel uit zich zich in de
eerste stap. Via het leiden geeft de leider aan de volger een aangename
en veilige, energetische cirkel om in te bewegen.
Argentijnse Tangodans wordt vaak vergeleken met schaken,
samenspel. Een acteur kan een schaakspeler naspelen en met overtuiging
doen alsof, net zoals je een tangohouding of een dansfiguur perfect
kan imiteren, modelleren. Maar de kunst van schaakspelen is het
inspelen op de ander, gelijk tango. Dat is het plezier van het spel.
Tango is samen in één lichaam zijn, en dansen met
vier benen. Het is een manier om contact te maken met jezelf en
de ander. Tango is sensueel en brengt het lichaam tot beroering.
Een voorbeeld: Wanneer ik , zoals een blinde, een wandelstok
neem.... dan stopt mijn gevoel niet bij dat hout, ik voel doorhéén
de stok, het wordt een deel van mij. Dit is een wezensverandering,
iets-buiten-mij... wordt een deel van mij. Zodra ik me echter terug
naar de-stok-op-zich richt, dan wordt het opnieuw een objekt, iets-buiten-mij.
Dit fenomeen gebeurt veel tijdens het dansen. Gaat mijn
gewaarwording doorhéén mijn partner, of niet... Tijdens
het dansen is het hoofd is leeg, de bewegingen zijn lichaamservaringen.
Geen... ik denk, dus ik... doe bewegingen, deze vertrekken vanuit
het hoofd naar het lichaam. Dat zijn gedachten die het lichaam in
bezit nemen, spookzelfbeelden. Volgens de Franse filosoof Merleau-Ponty
(1908-1961) schuilt onder de bewuste akten van het ‘ik denk’
een lichamelijk ‘ik kan’, dat op een ’voorbewuste’
en onpersoonlijke wijze de waargenomen omgeving organiseert en structureert.
Het bewuste denken heeft als basis een ‘zwijgend denken’
dat is gelokaliseerd in zintuigen en ledematen. Merleau-Ponty noemt
dit het ‘lichaam-subject’ (corps sujet). In onze dagelijkse
omgang zijn we niet meer gewoon om mensen lijfelijk te benaderen.
Onze levenssituatie brengt tevens spanningen, stress mee die ons
lichaam onder druk zet. De danskunst is een weg om de taal
van het lichaam te herontdekken. Zo komen we als vanzelf een stapje
dichter bij het oorspronkelijke gevoel.
De moderne danscultuur ontstond aan het einde
van de 19e eeuw in de VS en Europa, voordien gebeurde
het sociale dansen voornamelijk tijdens wereldlijke vieringen en
op trouwfeesten. Volksdans houdt verband met de levensomstandigheden
van het volk of de groep, in tegenstelling tot het artistiek concept
van de choreograaf. De nieuwe Engelse ballroomdansen, jazzdansen
en Zuid-Amerikaanse gezelschaps-dansen (cafédansen) waren
volkomen anders als de al bestaande paardansen. In het begin van
de 20ste eeuw kwamen er fonografische salons waarbij
de muziekanten werden vervangen door muziekopnames, ook live optredens
van bekende orkesten waren nog steeds van cruciale betekenis.
Na de eerste wereldoorlog werd het dansen als vrijetijdsbesteding
steeds populairder. Door de toenemende industrialisering nam het
aantal jonge werknemers toe. Zij hadden de behoefte én de
financiële middelen en vrijwel elk cafédansant had een
dansorgel, een jukebox. Op initiatief van een dansleraren en meesterdansers
werden dansverenigingen opgericht.
Met de rock-'n-roll van de jaren 50 verscheen
de popmuziek als de toonaangevende muziek in de danscultuur, en
dit ook in Argentinië. Begin jaren 60 waren danslessen niet meer
hip, vooral bij openlucht festivals zag men steeds meer een individuele
dansbeleving, samendans werd door jongeren als oudbollig gezien.
Individueel dansen zonder partner had als voordeel dat iedereen
mee kon doen, zodoende stond partnerdansen asociaal tegenover de
groepsgeest van de jeugd van toen. De zwarte soul muziek echter
bleef haar koppeldans-functie behouden en ook de salsa bleef. Invloeden
daarvan kwamen op de voorgrond in de disco van
de jaren 70, opnieuw puur dansmuziek en weer paarsgewijs. Het woord
"party" kwam op voor groepsdansfeest. Dit leefde in dejaren 90 voort
in de "houseparty". De neveneffecten die de danscultuur omgeven
(geluidsoverlast) veroorzaakten weer strikte regelgeving van de
autoriteiten.
Tango als sociaal dansgebeuren werd vanaf
1955 gemarginaliseerd door reglementen van de autoriteiten na Juan
Peron en de opkomst van de popmuziek. Tangoclubs verdwenen en het
improviserend samenspel op de dansvloer werd niet meer gecultuveerd
en doorgegeven. Tangodans echter kon overleven als show, als dansvoorstelling
in een cabaret-artistique. Dit leidde naar het ontstaan van de "Tango
por enscenario" (for stage performance). Tango als choreografisch
dansspektakel, een avondvullende dans- en theatercreatie.
Sinds de jaren '80-'90 is de salontango bij jongeren in Argentinië
bezig aan een comeback. Belangstelling uit landen als België,
Duitsland, Italie, Frankrijk en Japan hebben het tangoleven in de
dansclubs in Buenos Aires een nieuwe impuls gegeven en de dansgeheimen
van de oude "maestros de baile" worden opgegraven.
Dans als kunst, als dansvoorstelling,
ontstond in het midden van de 17e eeuw, voordien was dans een soort
gezelschapsspel waarmee het volk en de adel zich vermaakte. De Franse
Zonnekoning, Lodewijk de 14e, stichtte toen de "Koninklijke
Academie voor Dans" om mensen danstechnisch op te leiden. De
dans werd daarmee van het marktplein en uit de balzalen gehaald
en naar het podium gebracht.
De balletkunst op zich, de kunst van het dansen, had haar oorsprong
in het Italië van de 15de eeuw. Een belangrijke ontwikkeling waren
de dans-tussenspelen, deze noemde men 'balletti' (letterlijk: dansen,
'ballet'), te vertalen als figuur-dansen. Voor het
eerst waren de dansen speciaal gearrangeerd met het oog
op bepaalde ruimtelijke figuren of patronen, die waren bedoeld om
de toeschouwers esthetisch te bekoren. Deze figuur-dansen
hadden zoveel sukses dat ze aan het einde van de vijftiende eeuw in
de dansfeesten aan de Italiaanse hoven een steeds belangrijkere rol
gingen spelen. De figuurdansen waren van wezenlijk belang bij de ontwikkeling
van de theaterdans.
In de negentiende eeuw verscheen romantische ballet, deze specifieke
danskunst was gebaseerd op de techniek van het uitgedraaid zijn van
de voeten en het streven naar de lichamelijke verbeelding van hogere
menselijke idealen door - letterlijk - verticale bewegingslijnen.
De dansers maakten grote luchtsprongen, de danseressen kregen spitzen
aan de voeten waarmee ze gedwongen werden op hun tenen te dansen.
Alles om 'de hemel aan te raken', als een klassieke variant op 'The
sky is the limit', dit alles om bovennatuurlijke wezens en onbereikbare
liefdes te verbeelden. De vorstelijke hoge romp- en hoofdhouding
in ballroom stijldansen verwijst naar die voorname kringen,volksdans
verwijst meer naar de buik.
Ten tijde van de Zonnekoning beleefde de danskunst dus hoogtijdagen
en vanwege Franse culturele dominantie namen vele Europese vorstenhuizen
deze danscultuur over. Later verplaatste de danskunst zich van paleis
naar theater.
In de 19e eeuw was er een danscultuur met volksdansen
en salondansen, de oriëntatie was Europees. De kracht van de
volksdans houdt, met de betekenis die de dans heeft,
onmiddellijk verband met de levensomstandigheden van
het volk of de groep, in tegenstelling tot het artistiek concept van
de choreograaf.
L'initiation à la danse
La danse permet à l'enfant de découvrir un moyen d'expression
artistique et corporelle. Grâce à des exemples, des
mises en situation, des images poétiques, l'enfant pourra
intégrer de nombreuses coordinations et des notions importantes
pour la danse mais aussi pour son développement corporel.
L'enfant apprend à se repérer dans l'espace, à coordonner ses mouvements,
à se déplacer au sein d'un groupe, tout en suivant une musique.
L'enfant, souvent en situation d'improvisation, pourra ainsi développer
sa liberté d'expression, son sens artistique et sa confaince
en lui. Il évolue du simple mouvement à la danse,
il se déplace dans l'espace sur un ryhme, sur une musique.
L'enfant développe ainsi sa sensibilité et ses aptitudes
créatrices dans de petites chorégraphies. Motivé
par le jeu, l'enfant, va à la découverte de son corps
au sol et dans l'espace.
Visita las escuelas y convoca a niños jóvenes
a conocer la Danza del tango.
Clases para niños - Classes for children
Program :
Children from 3-5 are introduced to creative movement and encouraged
to discover the unique ways in which the body may express itself.
Techniques for enhancing flexibility and building strength are systematically
introduced within a nurturing environment suitable for children
of this age.
Children from 5-7 begin to explore basic elements, including use
of breath, shift of weight and concepts of spiral. Emphasis is on
expanding the possibilities of movement through focus on proper
alignment and development of technical skills within a creative
environment.
Older children 7-11 are introduced formally to basic technique vocabulary,
including physical contraction and release, use of spiral and shift
of weight. Learning about the relationship to other art forms such
as music, art, and literature helps students experience the power
of dance and the process of creative collaboration. Children create
their own short dance studies and perform them for their peers.
Teenagers 12-17 learn floorwork, center work, and combinations across
the floor. In addition, they are introduced to the formal elements
of the creative process through study of composition and repertory.
Works suitable to their age and development are choreographed specifically
for them.
Proyecto educativo, Target Tango:
Awakening that what many people have inside and transform it into
dance.
Children and The Magic of Imitation
When dancing Argentine tango in public places, it can happen that humorous
young people, often girls, jump on the floor and start tangoing, stereotyping
it with a lot of fun. Although imitation is often thought of as a low-level,
relatively childish or even mindless phenomenon, it is in fact something
complex, having an instinctive motive like humour. It seems that children
can catch our goals even if we fail to fulfill them, thus imitating unseen
things. It is as if they are copying underlying desires. It seems that
children sense the intention and choose to imitate what we meant
to do, rather than what we "mistakenly" do.
As there is an inbuilt drive to act like the others in society,
an urge to duplicate, it creates an unconscious recurring pattern of behavioral
codes. Imitation is a part of prosperous relationship building, which
is an important concept to understand if one is to adapt and function
effectively in society. Sameness or similarity tend to be perceived as
belonging together, making it a safe unit. The culture of interpersonal
connections contains implicit mutual obligation, conduct assurance and
understanding teamwork. It governs attitudes toward long-term relationships.
Sociability and socializing are the primary focuses of the social dancing.
Socialization is, in essence, learning.
In the context of lifelong learning, one can find new inspiration
in the streaming videos. As there are always experiences you disregard,
maybe you need to go back, view and identify them. Thus, for changing
creatively like a learning child, detect crucial distinctions and signs
of deception. Looking at the imitations on the video, it is amazing to
see how good the girls captured the spirit of the cell block tango
movie.
The most sophisticated forms of imitative learning are those that require
an ability to read below the perceived behavior to infer the underlying
goals and intentions of the actor. This brings the human infant to the
threshold of theory of mind, in which they attribute not only
visible behaviors to others, but develop the idea that others have internal
mental states (intentions, perceptions, emotions) that underlie, predict,
and generate these visible behaviors.
The experimental question in the development of imitation in children,
was whether infants also read through the literal body movements to the
underlying desire of the act. The measure of how they interpreted the
event was what they chose to re-enact. In this case, the correct answer
was not to imitate the movement that was actually seen, but the actor’s
goal, which remained unfulfilled. Children chose to re-enact the unseen
but sensed goal.