De kinderen
zitten in een kring. Iemand staat in het midden van de kring met een opgerolde
krant. In de kring begint iemand met het noemen van een naam van een kind in de
kring.
Op dat moment mag de 'mepper' het genoemde kind met de krant slaan. Het genoemde
kind noemt zo snel mogelijk de naam van iemand anders in de kring. Lukt het niet
voor de klap een naam te noemen, dan wordt het gemepte kind de nieuwe 'mepper'.
Een zin wordt door de leider in het oor gefluisterd van een kind. Het kind fluistert wat het verstaan heeft op zijn beurt door aan een ander kind. Uiteindelijk krijgt men iets heel anders dan wat het oorspronkelijke bericht was.
De kinderen zitten in een kring en houden handen vast. Eén kind zit in het midden. Eén kind begint met te telefoneren naar een ander kind in de groep. Het zegt: "Ik telefoneer naar...". Hierna knijpt het in een van de 2 handen die het vasthoudt, waarna het zegt: "vertrokken". Het handenknijpen wordt nu doorgegeven: het is het bericht. Dus als kind A in kind B's hand knijpt, knijpt kind B in kind C's hand... Als het bericht aangekomen is, zegt de persoon naar wie het werd verzonden: "aangekomen". De persoon in het midden moet proberen het bericht te onderscheppen. Dit doet hij door te raden bij wie het nu is. Hij mag slechts 3 keer raden. Men kan ook centrales invoegen. Dit is een kindje dat met kruiselingse armen handjes geeft. De centrale geeft een seintje, bijv. biepbiep, zodat het kindje in het midden gemakkelijker te weten komt waar geknepen wordt. De centrale kan echter ook de verbinding terug laten keren vanwaar deze kwam (een changé-module dus), maar dit moet niet.
De kinderen krijgen allen evenveel kaarten, maakt niet uit of het kaartspel onvolledig is of niet. De leider begint zich voor te stellen met bijvoorbeeld: ik heb bruin haar, ik heb een hond,... Wanneer een kind een gelijkenis vindt in de voorstelling met haar eigen leefwereld, gooit het een kaart neer en zegt wat de gelijkenis is... bijvoorbeeld: ik heb ook een hond. Het kind dat een gelijkenis heeft gevonden mag verder gaan.
De groep wordt
in twee gesplitst. Van elke groep wordt er iemand geblinddoekt. De rest van de
groep staat achter een aangegeven lijn.
De spelleider legt een muntstuk in het vak van beide partijen. De
geblinddoekte moet proberen de munt te vinden. De groep mag de geblinddoekte
instructies geven maar moet achter zijn lijn blijven staan. De groep van wie de
geblinddoekte het eerst de munt heeft gevonden, krijgt een punt.
De kinderen zitten in kleermakerszit in een kring. Eén kind staat in de kring en roept terwijl ze de ballon omhoog gooit een naam van een ander kind. Dit kind moet zorgen dat ze in de kring is voordat de ballon de grond raakt.
De kinderen staan in een kring. In het midden staat een kind dat een bal omhoog gooit en noemt de naam van een ander kind. Het kind van wie de naam werd geroepen vangt de bal zo snel mogelijk en roept stop. Tot het stopsein is gegeven mogen de andere kinderen weglopen. Het kind dat de bal heeft gevangen mag nu 3 grote passen zetten om zo dicht mogelijk bij een kind te komen. Wanneer het kind niemand kan raken met het gooien van de bal heeft het een rot ei. Wanneer het kind wel iemand kan raken heeft degene die geraakt is een rot ei. Het is de bedoeling zo min mogelijk rotte eieren te halen.
De kinderen moeten zo snel mogelijk in een rij gaan staan in alfabetische volgorde. Als hulpmiddel kan het ABC op het bord worden geschreven.
Bepaalde gedrags,- of uiterlijkeigenschappen blijven je altijd bij. Daar associeer je iemand mee. Dus je kan er bewust mee omgaan. Iedereen staat in de kring. De spelleider begint met het roepen van zijn eigen naam. Daarbij maakt hij een bepaalde beweging, zoals een buiging. De volgende in de kring (met de klok mee) noemt ook zijn of haar naam en maakt hierbij een andere beweging. Zo gaat de hele kring rond. Hierna ga je weer de kring rond, maar moet je steeds de namen en bewegingen van de vorige mensen opnoemen en voordoen. Dus de eerste persoon in de kring doet alleen zijn eigen naam en beweging, maar de laatste in de kring moet alle voorgaande namen en bewegingen doen.
Er zijn groepjes gemaakt. De deelnemers staan achter elkaar met de gezichten in één richting. De voorste noemt zijn naam, daarna nummer twee en zo het rijtje af. Het is de bedoeling dat iedereen om de beurt zijn naam in verschillende emoties presenteert (verdrietig, vrolijk, bang, verlegen)
De spelers zitten in een kring op een stoel. Op teken van de spelleider gaan alle handen in de lucht, dan slaat ieder op de kniën, klapt in de handen en 'lift' om beurten boven de linker en rechter schouder. Goed onthouden dus: klets op de billen, klap in de handen, lift links, lift rechts. Bij het links liften, roept een kind zijn eigen naam en bij het krechts liften roept hij de naam van iemand in de kring. Die neemt de beurt over. De groep slaat weer op de kniën en klapt in de handen, allen liften links en rechts. Zo gaat verder. Wie het ritme verstoort, of de verkeerde handeling uitvoert, moet opstaan.