Palmen

Palmen behoren tot de familie van de Arecaceae. Ze komen voornamelijk voor in tropisch en subtropisch klimaat. Momenteel zijn er ongeveer 3800 soorten gekend. Palmen behoren tot de eenzaadlobbigen. Het zaad, dus ook het kiemplantje, bezit maar één zaadlob. Palmen ontwikkelen een enkele stam met één groeipunt. Heel apart is ook dat palmen geen secundaire groei diktegroei kennen, de stam is in één keer op dikte, en rijst zo de hoogte in.

Botanische kenmerken

Wortelstelsel

Het wortelstelsel ontspruit aan de onderkant van de stam en dient om de palm te verankeren en om voedingstoffen uit de bodem op te nemen. Men onderscheidt het primaire en secundaire wortelstelsel, doch hun functie is dezelfde. Het primaire wortelstel of de kiemwortel kent maar een korte levensduur. Het secundaire wortelstelsel wordt belangrijker naarmate de palm groeit.

Stam

Palmen hebben een houten stam welke groter wordt naarmate ze ouder worden. Aan het uiteinde van de stam bevindt zich het groeipunt. Het wordt beschermd door de gevormde bladeren. Het groeipunt dient een bepaalde diameter te hebben bereikt alvorens de stam zich begint te ontwikkelen. Dit verklaart ook meteen het trage groeistadium van jonge palmen. Palmen hebben geen schors en bij wijze van bescherming is de buitenzijde verhard. Eens de diameter van de stam is bepaald zal deze enkel nog in hoogte toenemen. Elke verdikking die zich later voordoet is een gevolg van het zwellen van de celwanden zelf. De onderkant van de stam kan ook toenemen als gevolg van het aanmaken van secundair wortelstelsel.

Blad

De bladeren van palmen verschillen in basis struktuur niet zoveel van andere planten. Alhoewel ze zeer groot kunnen zijn en prachtig gevormd, bezitten ze toch een aantal specifieke eigenschappen. De jonge bladeren komen vertikaal op vanuit het groeipunt in de vorm van een speer, om zo de blootstelling aan straling en verdamping tegen te gaan. Vele palmen kunnen zeer goed tegen de droogte vanwege hun water conserverende eigenschappen. Het bladoppervlak is vaak blinkend, bedekt met wax, of geplooid. De bladsteel is vaak bedekt met stekels, tanden of doorns. Hier volgen de 4 bladtypen.

Waaiervormig (palmate, fan-leaved)

De bladschijf is volledig of half cirkelvormig en verdeeld vanuit een centraal punt in vele segmenten. Indien de bladsteel doorloopt in het blad spreken we van costapalmate. Het stuk dat doorloopt in het blad noemt men de rib. Het uitspringend stukje tussen de bladsteel en de bladschijf, langs één of beide zijden, noemt men de hastula. De bladschijf kan op verschillende manieren ingesneden zijn. Ongeveer 1/4 zoals bij Sabal minor, volledig zoals bij Licuala spinosa, of bijna niet zoals bij Licuala grandis. Ook de bladsegmenten nemen verschillende vormen aan, met ertussen soms de vorming van draden, zie Washingtonia filifera.

Vedervormig (pinnate, feather-leaved)

Het blad is langwerpig en verdeeld in segmenten die reiken tot aan de nerf of rachis. Men herkent hierin de graat van een vis. De nerf kan recht of gebogen zijn op een specifieke wijze. De bladjes kunnen verschillen in vorm en in bladstand. Bij de meeste palmen zijn de bladeinden naar beneden gericht, men noemt ze reduplicate. Indien ze naar boven gericht zijn noemt men ze induplicate, zoals bij Phoenix.

Dubbel-gevederd (bipinnate, fishtail)

Het blad is tweemaal verdeeld. Deze bladvorm is vrij uitzonderlijk en beperkt zich voornamelijk tot het geslacht Caryota.

Volledig (entire)

Het blad is niet verdeeld maar volledig. Vaak kent het bladpunt een inkeping. Als men naar de onderliggende struktuur kijkt herkent men de eigenschappen van een vedervormig blad. Tot dit type behoort oa Johannesteijsmannia altifrons.

Bloeiwijze

Palmen bloeien als ze volwassen zijn, de leeftijd echter waarop dit gebeurt verschilt enorm van soort tot soort. Sommige dwerg soorten zoals Chamaedorea elegans kunnen reeds na vijf jaar bloeien, anderen zoals Lodoicea maldivica maar na vijftig jaar. De meeste palmen bloeien jaarlijks. Sommige soorten sterven na de bloei. Als palmen bloeien, brengen ze meestal kleine, weinig opvallend bloemen voort.

De bloeiwijze zelf is opvallend, eenvoudig of complex vertakt, meestal trosvormig en omhuld door vlees- of houtachtige schutbladen. De bloeiwijze ontstaat boven, onder of vanuit de bladkroon, respektievelijk suprafoliar, subfoliar of interfoliar. Bij sommige soorten ontstaat de bloeiwijze onderaan de stam, zoals bij Chamaedorea radicalis. De bloeiwijze van palmen is vrij complex, doch zeer belangrijk voor taxonomie.

Bloem

De bloemen afzonderlijk zijn klein en weinig opvallend. De kleur varieert meestal van groenachtig tot creme-achtig wit. Enkele uitzonderingen zijn Archontophoenix cunninghamiana paars, Nypa fruticans geel, Arenga engleri oranje. De levensduur van de bloemen is kort en duurt zelden langer dan één dag. Bestuiving gebeurt door wind en of insekten.

De bloemen kunnen eenslachtig of tweeslachtig zijn, resulterend in volgende groepen: Eenhuizig, mannelijke en vrouwelijke bloemen aanwezig op één en dezelfde plant.Tweehuizig, mannelijke en vrouwelijke bloemen gescheiden op verschillende planten. Polygaam, eenslachtige en tweeslachtige bloemen op dezelfde plant. Hermafrodiet, enkel tweeslachtige bloemen op dezelfde plant.

Vrucht en zaad

Palmen dragen steenvruchten of bessen. Deze kunnen enorm verschillen in vorm en grootte. In kleur, Trachycarpus blauw, Thrinax wit, Livistona zwart, Archontophoenix rood. In aantal, opvallend veel bij Phoenix. Vruchten van sommige maritieme soorten blijven drijven en worden zo verspreid, zoals de kokosnoot. Vele vruchten zijn sappig en eetbaar, doch andere bevatten toxische stoffen zoals calcium oxalaat met een irriterend en bijtend karakter. Zeer groot zijn de vruchten van Lodoicea maldivica welke tot 20 kg kunnen wegen en zeer kleine deze van Chamaedoreae welke slechts enkele grams wegen. Meestal bevat de vrucht één zaadje, doch meerdere kan ook.

De structuur van de vrucht wordt gekenmerkt door, de buitenste dunne schil of epicarp, het vlezige gedeelte van variabele dikte of mesocarp en de binnenste harde laag of endocarp. Het zaad zelf bestaat uit endosperm, het voedselreservoir voor de kiem, waarin aan de zijkant het embryo ligt. Het endocarp is afwezig bij bessen.

Verzorging

De meest palmbomen houden van een goed doorlatende grond, met genoeg organisch materiaal in de grond. Indien nodig kan men ze op en verhoogd bed planten. Zanderige gronden moeten voeding krijgen. Hoe beter de grond hoe beter het resultaat van de plant. Container planten kunnen gans het jaar door in volle grond worden geplaatst, maar best wacht men tot de grond voldoende is opgewarmd. Plant niet te diep.
Als de palm goed is ingeworteld zal hij goed bestand zijn tegen droogte. Maar het is aan te raden ze toch wat water bij te geven in periodes van droogte.
Geef voeding gedurende de warme maanden, gebruik osmocote, of een universele plantvoeding, goed verteerde mest is ook welkom.