|
door aj beirens DEEL 1 |
|
|
|
|
|
Beerzel, in het hart van de Zuiderkempen, maakt sedert de fusiegolf van Vlaamse gemeenten in 1977, met Grasheide en een stuk van het gehucht Peulis, deel uit van de fusiegemeente Putte. In de annalen wordt de parochie reeds in het jaar 975 vermeld, maar de huidige naam kwam later. Het is de plaats waar in de 12de eeuw het grote huis van Ber stond. Vandaar in 1164 reeds de naam
Bersela.
In de uitgang "sela" vinden we trouwens met gemak ons moderne woord "zaal"
terug. En wat is een zaal anders dan een groot huis... Vlakbij Beerzel
strekte zich destijds een groot woud uit, met eiken en berken en struiken,
met laagten en gevaarlijke moerassen: het Waverwoud. Die beboste
streek besloeg het hele gebied tussen de Dijle en de beide Neten.
Beerzel heeft een oppervlakte van 783 hectaren, met in het midden een 50 meter hoge getuigenheuvel: "de Bjeizelberg". Meteen het hoogste punt van de provincie Antwerpen. Zeventig miljoen jaar geleden, in het Tertiair Tijdperk, werd ons land vaak overspoeld door de zee. Het water liet telkens een laag bezinksel achter, nu eens zand, dan weer klei. Toen de zee zich terugtrok werden de zachte lagen weggespoeld door de regen. Alleen de plaatsen met de hardste lagen boden weerstand. Zij vormen nu een rij van zo'n 16 zuidwest-noordoost georiënteerde getuigenheuvels, van Ieper tot het Leuvense. Ooit was de hele streek rond Beerzel overal zo hoog als de top van de Beerzelberg. De berg is daar nog een stille getuige van. Op de berg hebben archeologen sporen van vuursteenbewerking gevonden. De benaming "het Tummeke" zou erop wijzen dat de berg wel eens de begraafplaats van een vooraanstaand persoon uit een ver verleden zou kunnen verbergen. Vergelijk het woord trouwens met "tombe" en met het Engels woord "tomb". De berg is over de jaren volledig ontbost. In het begin van de 20ste eeuw (rond 1905) stond er nog slechts één grote lindeboom bovenop de berg. Na de eerste wereldoorlog was de berg helemaal kaal en stonden er nog enkel struiken, heide en brem. Inmidels is de Beerzel berg echter een natuurreservaat geworden en wordt de flora er weer in de goede richting gestuurd. De Kempen was een streek die geen oord van zeer vroege bewoning is geweest. Maar van circa 3500 tot 2000 voor onze tijdrekening leefden er de culturen van het Midden-Neolithicum. Het staat vast dat Kelten, uit Midden-Duitsland overgekomen, in het gebied nederzettingen hebben ingeplant vanaf ongeveer 2 000 jaar voor onze tijdrekening. Later werden deze volksstammen door de "Oude Belgen" afkomstig uit Westfalen verdrongen. Eerst vestigden zich de Menapiërs in de Kempen, daarna de Eburonen. Nadien drongen de Romeinen tot in de Kempen door. Het was toen een dunbevolkt gebied. De Romeinen herinterpreteerden de plaatselijke Germaanse godheden en stelden ze gelijkstelden aan min of meer overeenkomstige Romeinse goden. Dat was de zogeheten 'Interpretatio Romana'. Op die manier hadden de veroverde volkeren niet de indruk dat ze hun goden moesten prijsgeven. Er deden zich dan ook op religieus vlak weinig problemen voor door de verovering van de Romeinen in onze regio. VESTIGING VAN DE SALISCHE FRANKEN Met de verovering werden ook hier en daar wegen aangelegd. Sommige wegen volgen ook nu nog het tracé van oude Romeinse heirbanen; archeologische vondsten wijzen in die richting. Nadat Julius Caesar de plaatselijke stammen overwon trokken de Germaanse Taxandri de regio binnen. Uiteindelijk zullen de Salische Franken zich rond het einde van de derde eeuw in de Kempen vestigen en krijgt het de naam "Toxandria". In alle geval Toxandria of Toxandrië is de naam (met als varianten Taxandrië en Texandrië), die middeleeuwse teksten tussen de 7e en de 12 eeuw geven aan het grondgebied van een zogeheten gouw, soms een graafschap, die in die periode een groot deel van de huidige provincies Antwerpen, Limburg en Noord-Brabant moet hebben bestreken. De naam Kempen (wat "woeste grond" betekende) ontwikkelde zich vanaf de 11e eeuw tot een streeknaam en verving stilaan de oude naam Toxandrië. Ten tijde van het Frankisch stelsel werden delen van de grond in gemeenschap bewonnen, in 3-jaarlijkse bezaaiingen. Vandaar de benaming driesakkers of driezen. De benaming Beerzel Dries is daar nog een herinnering aan. Rogge was de meest uitgebreide graanteelt. Rogge past zich zeer goed aan, aan de lichte Kempische zandgrond. Haver diende tot voedsel van de trekdieren, paarden, ossen en ook wel koeien. Gerst was er voor de bierbrouwerij. Er bestond ook een uitgebreide bonenteelt. Bonen vormen met brood en varkensvlees ( met jacht- en visopbrengsten) de volksvoeding, immers aardappelen waren er niet, want Amerika was nog lang niet ontdekt. De Romeinen hadden klaarblijkelijk geen
bijzondere belangstelling voor de zwaarbeboste gebieden en met de Franken
die aldus onze streken binnenkwamen ging het om kultuurarme stammen, die
een karig leven leidden zonder comfortbehoeften. Tussen de Romeinen
en deze Frankische stammen werd rond 296 een verbond gesloten en werden
ze als foederati (verbondenen) in het Romeinse Rijk opgenomen.
Ze werden als verdedigers van de Romeinse rijksgrens tussen Nijmegen en
de zee aangesteld. Later mochten ze zich ook verder in Toxandrië
verspreiden. Met de bewoners van het historische Beerzel dorp
ging het dus hoofdzakelijk om Saal-Franken. De Franken waren
aanvankelijk niet op verovering van grondgebied uit, wel op roof en avontuur.
Van bezetting van grondgebied is kort na 296 dus nog helemaal geen sprake.
Eigenlijke ontginning van gronden door de Franken kwam pas veel later.
De leden van deze volksstam hadden de gewoonte om hun lemen hutten te groeperen
rondom een driehoekige dorpsplaats, op een kruispunt van min of
meer grote boswegels. Het embryonale Beerzel was een zogeheten
akkerdorp:
een groep boerderijen, rond een driehoekig met gras begroeid plein,
dat "plaatse" heet. De plaatse, ook wel biest, brink of opstal
genoemd,
is omzoomd door wegen en er is een waterkuil in gegraven. De plaatse diende,
behalve als dorpsplein, als verzamel- en drenkplaats voor het vee, dat
van daaruit via één der uitvalswegen van het plein naar de
graasvelden werd gedreven. De Franken
waren eigenlijk meer veehouders
dan
landbouwers. Ze fokten ganzen en schapen, maar vooral varkens. Ook de bijenkweek
was de Franken niet onbekend. Hoornvee was aanvankelijk eerder schaars,
maar de jacht met de afgerichte valk en ook met de jachthonden was voor
de Franken een levensnoodzaak. Ze wonnen verder haver voor de pap en rogge
voor het brood. In ieder geval is de driehoekige plaatse in de Kempen
dikwijls de grondslag van de dorpsvorm. De wegen waarlangs
men de plaatse kon verlaten heten: dreef, dijk en straat. De dreef is de
weg die van de plaatse naar de graasgronden leidt. Men mag aannemen dat
het kleine gehucht dat nu Beerzel heet mogelijk in de beginne slechts een
vijftal boerderijen omvatte. Het akkerdorp telde dus niet veel meer dan
een goede 50 inwoners. De boerderijkavels werden afgesloten met heggen
of hagen, met het oog op het telkens verplaatsen van het vee. Om dit ter
plaatse te kunnen houden waren de uitvalswegen van de dorpsplaatse afgesloten
met draaibomen, veken genoemd. Een aantal familienamen, zoals
Vanderveken, herinnert daar ook vandaag nog aan. In het huidige Beerzelse
dorpsplein De mensen die zich in de tijd van de Frank in onze streken vestigden hadden slechts één naam: hetgeen wij tegenwoordig de voornaam zouden noemen. Familienamen bestonden niet en waren ook overbodig. De naamgeving van onze vroege voorouders was namelijk geniaal in haar verscheidenheid. Een Germaanse naam is samengesteld uit twee naamstammen; de tweede stam geeft het geslacht van de naam aan. Zo ontstaat uit adel- en -bert- de naam Adelbert (beter bekend in de variant Albert) en uit -ger- en -trud Gertrud (een variant is Geertruida). Het combineren van naamdelen werd gebruikt bij de vernoeming naar familieden. Het kind kreeg dan een naam die werd samengesteld uit naamstammen van ouders of andere familieleden. Vader Hildebrant en moeder Gertrud noemden hun zoon bijvoorbeeld Gerbrant en hun dochter Hiltrud. Als men de lijsten van naamstammen bekijkt en de mogelijke combinaties optelt stelt men vast dat onze voorouders beschikten over een schat van wel tienduizend verschillende namen. Door een doorgedreven kerstening en de strijd tegen de oude gebruiken gingen in de 11de en 12de eeuw bij het ongeletterde volk de combinatiemogelijkheden van de eeuwenoude Germaanse namen meer en meer verloren. Alhoewel de christelijke doop aanvankelijk niet samenging met een christelijke naamgeving stuurde de kerk bij dopen geleidelijk steeds meer aan op het geven van namen die voorkwamen in de bijbel, in heiligenkalenders, of van bekende personen uit de geschiedenis. De verering van zogezegde Christelijke heiligen verdrong het bijgeloof dat vaak stamde uit de tijd van de oude Germanen en Kelten. Daarbij kwam nog dat vanaf de twaalfde eeuw in de ogen van het volk de heiligen gaan fungeren als beschermer voor vastomlijnde doelen: tegen een bepaald onheil, van gilden en genootschappen, van reizigers en dergelijke. Dit leidde tot een enorme opbloei van de heiligenverering, waardoor de namen van de heiligen veel gehoord werden en zich zo tot op zekere hoogte als doopnaam opdrongen. Die nieuwe uitheemse namen waren in de mode... Vóór het Concilie van Trente (1545-1563) kende de kerk echter nog geen voorschriften ten aanzien van de naamgeving. Nadien moésten heiligennamen. Dat werd toen de officiële naam van het kind. De meeste ouders hanteerden destijds echter een roepnaam die afweek of zelfs volledig anders was dan de meestal latijnse heiligennaam. Om de eenheid van een familie hechter te maken over de generaties heen gebruikte men ook het middel vernoeming. De pasgeborenen werden genoemd naar familieleden. Veelal kwamen eerst de grootouders aan de beurt en vervolgens de tantes en ooms van het kind. Door deze gewoonte was er eeuwenlang nauwelijks vernieuwing van de namenvoorrraad mogelijk. Omdat ook de bevolking verder toenam kwam het steeds vaker voor dat twee personen in dezelfde woongemeenschap dezelfde naam hadden, en dan moest er een toevoeging bijkomen. Dit kon een patronym zijn (bijvoorbeeld Theofiel Lambrechs zoon), een bijnaam (Herman de Vette) of een aanduiding van beroep (De Cuyper) of geboorteplaats (Ceulemans). Die toevoegingen vormden het begin van de huidige familienamen. De godsdienstbeoefening van de Franken
(en ook de Kelten voor hen) was zeer nauw met het bos en de boom
verbonden.
Na de bekering trachtte het Christendom de heidense
boom- en bosverering
uit
te bannen. Maar de oude gebruiken bleven nog zeer lang in voege.
In 658 werd op een bijeenkomst in Nantes echter besloten tot de vernietiging
van de druïdenstenen en tot het omhakken van de heilige
bomen die tot dan toe hoog in aanzien waren gebleven. Ook werd gestipuleerd
dat om ’t even welk ritueel nabij megalieten verboden was. Dit waren
de zogeten "dolmens" (dol-men = tafel van steen) of "menhirs"
(men-hir = rechtopstaande steen).
Vanaf de achtste eeuw neemt de kerstening van de Kempen pas goed een aanvang en worden de eerste kerken gebouwd. De bekering van de heidense inwoners verliep echter aanvankelijk bijzonder traag en heeft zeker zo'n 200 jaar geduurd. Maar de missionarissen van de Roomse kerk drongen steeds verder noordwaarts en ook de streek van Beerzel ontsnapte niet aan een verplichte kerstening. De voortdurende verdraaiing van de realiteit door het christendom, zijn religieuze manipulatie van de oude Indo-Europese beeldspraak, en zijn onverdraagzaamheid tegenover andersdenkenden staan in schril contrast met de interpretatio Romana, die in ieder geval, hoe verwarrend ze soms ook mocht zijn, eerlijk bleef. Zoals we dat vandaag nog bij andere totalitaire denkvormen kunnen vaststellen, wordt de tegenstander in het christendom gediaboliseerd en wel op zodanige wijze dat er geen plaats meer weggelegd is voor alternatieve denkvormen. Of men behoort tot de orthodoxe leer, óf men is een ketter, heeft een pact met de duivel gesloten, zweert bij de krachten van de onderwereld... De oude zeden, gebruiken en goden werden bij ons door de drieste zendelingen vervangen door de nieuwe leer, die uit Palestina was geïmporteerd door een groepje joden dat op die manier een nieuwe macht binnen het Romeinse Rijk wilde opbouwen. Grote delen van de joodse godsdienst werden daartoe geMcDonaldiseerd om deze ook voor niet-joden toegankelijk te maken. Een multi-national dus avant la lettre. De rijke waaier van heidense rituelen en gebruiken werden vertrappeld door het papengebroed. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. In Beerzel en in grote delen van onze contreien stierven de oude gebruiken maar langzaam, of werden naast de nieuwe eredienst ook nog in ere gehouden. Sommige gebruiken konden de zendelingen blijkbaar niet uitroeien. Daarom verzonnen ze voor de populairste heidense feestdagen nieuwe rituelen en een nieuwe inhoud. Daarbij lieten ze hun fantasie de vrije loop. Later werden ook die fabels onderdeel van de kerkelijke leer. Het Joelfeest (rond 21/23 december) werd
door de vroege bewoners van de regio meestal binnen rond het haardvuur
gevierd. Het woord is afkomstig van hjól, in vertaling ‘wiel’,
wat slaat op het zonnewiel. Dit is het traditionele winterzonnewendefeest.
In het heidense Het feest van het Wilde Heir, waarbij de
voorvaderen en Wodan via de schouw de huizen binnendringen en Recht en
Orde op de wereld herstellen, werd door de kerk vervangen door het
Klaasfeest. Het is voornamelijk een kinderfeest dat gelijkt op Sinterklaasavond
en |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|