|
DEEL 2 |
|
|
|
|
|
De vroege bewoners van Beerzel en omstreken waren geen doetjes, maar alvast niet zo barbaars en woest als men ons wil doen geloven, of de missioneringsteksten laten uitschijnen. Trouwens, de barbaarsheid wordt hen voornamelijk in de schoenen geschoven n.a.v. de raids die ze op kerken en abdijen uitvoerden. Men heeft blijkbaar nog nooit de behoefte gevoeld om uit te zoeken waarom altijd weer kerken en abdijen het doelwit werden. Sommigen beweren dat ze tuk waren op de daar samengebrachte rijkdom. De waarheid is dat er religieuze beweegredenen waren. Het waren vergeldingsacties omdat Roomse zendelingen en de soldaten in hun kielzog godenbeelden vernielden, heilige eiken omhakten, en rituele feesten verboden. Voorgangers van de heidense eredienst, die via allerlei rites de voorouders eerden, werden geëxecuteerd... Niet te verwonderen dat er een reactie kwam die gericht was tegen de aanstichter van deze globale cultuurkillerij: de kerk. Maar het onvoorstelbare gebeurde. De kerk en haar trawanten
haalden na vele jaren van strijd ook in het Beerzelse de overhand.
Enkel tovenaars en heksen bleven zich verbonden voelen met een vroegere
cultuur. De dom gehouden en diep gelovige bevolking leefde en Een heksenproces werd "inquisitoriaal" gevoerd, niet "accusatoir". De aanklager of verklikker liep op deze wijze nauwelijks gevaar, aangezien de religieuze "onderzoeksrechter" autonoom de nodige maatregelen (arrestatie, getuigenverhoor, tortuur) nam. De tortuur stond immers borg voor snelle bekentenissen en afdoende bewijzen, hoe absurd ze ook mochten zijn. Dat die tortuur aanleiding gaf tot de meest bizarre bekentenissen, zoals aanbidding van de duivel onder de gedaante van een bok, seksuele omgang met de duivel, door de schoorsteen vliegen naar de heksensabbat, betoveringen, veroorzaken van ziekten onder het vee en de mensen, enz. moet niet verwonderen. Iemand de duimschroeven aanleggen, letterlijk dan, of hem of haar de vuur- of waterproef laten ondergaan om nog niet van de palei te spreken, waarbij de ongelukkige aan handen en voeten gebonden ruggelings opgetrokken werd aan een katrol, leidde praktisch altijd tot zgn. bekentenissen. Het vonnis werd dan geveld en de "schuldige "werd op basis van deze door zware foltering verkregen schuldbekentenissen veroordeeld tot de doodstraf door verbranding, soms tot verbanning, brandmerken, enz. Zonder verder in detail te treden over de perversiteit van de "Maleus Maleficarum" en de uitgevoerde foltermethodes op duizenden onschuldige vrouwen (en soms mannen), vooral in de periode van de 15de tot de 17de eeuw, was de toenmalige geestesgesteldheid van de samenleving een belangrijk sociologisch gegeven. Godsdienstoorlogen, volks(bij-)geloof, door tijdsomstandigheden ontredderde gemeenschappen, hongersnood, epidemieën, militair geweld, oorlogsellende vormden een vruchtbare voedingsbodem voor dergelijke excessen. De grove schuld van de kerk en het pausdom valt hier zeker niet te ontkennen. De martelingen van onschuldigen gebeurde met de zegen van Rome, van pausen die zich later onfeilbaar noemden, terwijl het in feite massamoordenaars waren. De Kerk sataniseerde toverij d.w.z. zij bracht het in verband met de duivel. Tot lang in de 20ste eeuw kregen de catechisten dat nog te leren in de "Mechelse Catechismus": "Tooverij is met de hulp des duivels iets wonderbaars uitwerken." En het eerste gebod verbood "alle afgoderij, superstitie, tooverij, heiligschennis, ketterij en alle ongelovighied, wanhoop en haat tegen God." Heksen werden door de Kerk afgeschilderd als duivelaanbidders met als gekend gevolg: de heksenvervolging. In die tijd van geloof en vooral bijgeloof ontstonden in de regio van de Zuiderkempen ook de verhalen over allerlei kwelgeesten en schrikfiguren. In de volkse fantasie was de natuur bevolkt met duistere wezens, werden levenloze dingen levend, hadden dieren zielen. Net zoals pastoors hun gelovigen dreigden met niet bestaande duivels, branden in de hel, en het niet naar de hemel gaan, maakten de volwassenen hun kinderen bang met al even verzonnen boemannen. Zo werd gedreigd met: de Korenpater, de Loekebeer, de Loekeman, de Nekker (Waterduivel), de Vriezeman enz... Het moet wel gezegd dat sommige van die schrikfiguren ontstaan zijn uit veel oudere verhalen over de Germaanse goden, die (zij het in aangepaste vorm) de tand des tijds en der kerk hadden doorstaan. Honderden jaren lang en zelfs tot in het begin van de 20ste eeuw werden de kinderen in Beerzel gewaarschuwd voor de Korenpater. De Korenpater leefde volgens het verhaal tussen de halmen op de graanakker. Hij lokte of trok de kinderen mee in het koren, sneed een grote teen af en liet het bloed in flessen lopen. (vgl. Een grote teen is één tiende van het aantal tenen). De kollebloem wordt trouwens de 'Korenpatersbloem' geheten omdat ze bloedrood ziet zoals het kleed van de legendarische Korenpater. Het verhaal van de Korenpater was bedoeld om de kinderen uit het veld te houden zodat ze tijdens het spelen de oogst niet zouden plattrappen. Als ze langs het korenveld voorbijgingen zongen de kinderen vaak uitdagend: Korepoater,
Meestal werden slechts de eerste zes regels gezongen. Paters van abdijen en ook de kosters kwamen in de regio destijds een deel van de oogst opeisen voor "bewezen diensten": bidden, genezen, zingen, klokken luiden. Soms wilden de paters dat een tiende werd afgestaan. De mensen noemden die religieuze belastingsinners toen ook "korenpaters". De bijdrage voor de koster noemde men "kosterskoren". Dreigen met de Loekebeer of de Loekeman was eveneens een
zeer oud gebruik. De De onbekende natuurelementen boezemden de primitieve volksmensen angst in. Wie zich vermetel gedroeg, kon een vijandige reactie verwachten van de water-, lucht-, of vuurgeesten. Vijvers, bronnen en poelen waren voor de de vroegere bewoners van de Zuiderkempen toegangspoorten tot de onderwereld. Met name in het water leefde de Nekker, de Waterduivel, in de streek ook wel de Hakeman genoemd. Verhalen deden de ronde van de "waternekker", die men "op slag van middernacht in de vijver hoorde "boddelen en spartelen". Het woord "nekker" komt van het Indogermaanse "nigw" wat wassen betekent. Het feit dat men ook spreekt van een "waterduivel" wijst weer op de satanisering door de Kerk. Volgens het verhaal had deze "duivel" de macht om mensen in de vijver te lokken. (Vergelijk Nekkerspoel in Mechelen: poel van de nekker). Later werd de dreiging met de Nekker of Hakeman gebruikt om de kinderen bij de waterput weg te houden. De nu verdwenen Hoefput in de Minkbossen, werd volgens de overlevering in Beerzel, door zo'n Hakeman onveilig gemaakt. De Vriezeman is zeer waarschijnlijk de terug te leiden tot de oudemanvoorstelling van de Germaanse godheid Wodan. In Rusland heet hij Vader Vorst. Vroeger meende het volk dat de wisseling der seizoenen niet zomaar een natuurverschijnsel was, maar een door een bovennatuurlijk wezen gewilde ommekeer. Tot diep in de 20ste eeuw werd de kinderen gedreigd: "Straks komt Jan de Vriezeman, van ginderboven uit de maan, en hij zal uw oren afvriezen". Oorspronkelijk was Beerzel gelegen in het zogeheten Waverland,
dat vóór 1008 reeds toebehoorde aan de bisschoppen
van Luik. Uit akten van 1221 en 1238 blijkt dat het dorp vervolgens
behoorde tot de uitgestrekte bezittingen van de Berthouts, heren
van Mechelen en vazallen van de Hertogen van Brabant. Aan de onderhorigheid
onder de Berthouts kwam in de veertiende eeuw een einde en van dan af zwaaiden
de Bourgondische hertogen (en later de Habsburgers) de plak. We vermelden
hier dat ook de Zuiderkempen verscheidene malen duchtig werd ontvolkt,
zo bijvoorbeeld in 1346 door de zwarte pest of de "haestige
sieckte". De |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|