|
LANDSCHAP
De landbouw,
onder druk van een groeiende bevolking, veranderde ook in de 15de, 16de
en 17de eeuw steeds meer het landschap in en rond Beerzel. De boeren
kapten en brandden het bos weg om plaats te maken voor akkers. De voedselarme
zandgrond raakte echter snel uitgeput zodat steeds nieuwe stukken bos moesten
worden ontgonnen. Vroeger liepen er op een gegeven moment niet minder dan
27
dreven met bomen op de Beerzelberg toe. Ze kwamen allen
uit op een kerktoren of een windmolen. Maar zelfs de berg viel langzaam
maar zeker ten prooi aan de ontbossing. Op de achtergelaten, uitgeputte
akkers vestigden zich vervolgens typische planten voor voedselarme zandgronden,
zoals heide. Pas bij intensievere veeteelt konden de akkers voldoende bemest,
en dus langere tijd gebruikt worden. De schapen en koeien die op de heide
graasden aten ook de jonge boompjes op, zodat spontane verbossing uitbleef.
(De Beerzelberg herbergt tegenwoordig in de 21ste eeuw echter een prachtig
natuurreservaat
met een sterke variatie aan planten en bomen).
DE OOSTENRIJKSE TIJD
In de 18de eeuw, tijdens de regering van landvoogdes Maria-Theresia
van
Oostenrijk
(1740-1780), kent de gemeente een nieuwe bloei. Grote delen van het
Waverwoud werden verder ontbost en in cultuur gebracht. Meer
boerderijen worden gebouwd. De Klein Schranshoeve uit 1771 is één
van de mooiste
hoeves uit die tijd. Het domein bevat ook nog de binnenkoer, paardenstallen,
schuur, bak- en koetshuis zoals eertijds. In de voortuin, die is
afgeboord met haagbeuk, staat er een mooie antieke waterput. Naast de deur
bevindt zich een uitgebeitelde steen met de letters "A.V.A. MET E.L.N."
hetgeen staat voor Adriaan Van Der Auwera en Elisabeth Lenaerts. Dit echtpaar
gaf de opdracht tot de bouw van de hoeve. De meeste boerderijen die
destijds in Beerzel gebouwd werden behoorden tot het langgeveltype,
waarbij de woon- en bedrijfsruimten en stallingen naast elkaar onder een
dak gegroepeerd waren. In de traditionele Kempische boerderij viel men
letterlijk ‘met de deur in huis’. Door de deur in de lange gevel betrad
men de voorplaats, ‘den herd’. Dit was de centrale ruimte die het
best te karakteriseren is als een woonkeuken. De herd was een rechthoekige
ruimte met als belangrijkste element de schouw met het open haardvuur.
Er werd gestookt op een vuurijzer dat op een lemen vloer onder het rookkanaal
was geplaatst. Het vuur diende ter verwarming (en in mindere mate ook ter
verlichting) van het huis en ter bereiding van het voedsel voor mens en
dier. Pas veel later deed de Leuvense stoof haar intrede. De langgevelboerderij
beschikte over een koele kelder waarboven men via een trap toegang
had tot een kelderkamer, in het dialect "de kellekoamer” geheten.
Ook beschikte men over slaapkamer(s), een afgang en buiten het "heske",
een primitieve vorm van wc. Soms was aan een dergelijke boerderij
ook nog een klein extra woonhuis met slaapplaats bijgebouwd, wat
men het "klaan hoas" noemde. Die piepkleine woning werd vaak tijdelijk
gebruikt door pasgetrouwde kinderen of door bejaarde grootouders waarvoor
gezorgd werd. Bejaardentehuizen met aanleunwoningen bestonden destijds
uiteraard nog niet. De vaak hoge vensters van de langgevelhoeve
werden meestal bij avondval afgesloten door houten luiken, de zogeheten
slagvensters.
Daarnaast kon men via een grote poort in de hoeve van het langgeveltype
de stal bereiken. Daarboven in de zolder was de schelft
(in Beerzel ook wel: het schelft) waar men het hooi stockeerde voor
de winter. Elke boerderij beschikte ook over z'n eigen diepe waterput
met helder en (zelfs 's zomers) bijzonder koel water. In het dialect
noemt men deze waterput, de "berrepit".
Dit is afkomstig van de oorspronkelijke benaming "bornput", een
bronput. Hier en daar deelden in Beerzel ook twee of meer woningen
een waterput. Het water uit deze zandgrond had in de meeste gevallen
een bijzonder lekkere smaak. Oorspronkelijk waren de meeste van de niet
al te diepe waterputten uitgerust met een hefboomsysteem met tegengewicht
om water te putten. In de "Omwenteling van 1830" noemde Hendrik Conscience
dit "een bornput met zijne hooge wip". Bij diepe putten werd het
water met een katrol naar boven gehaald. Sommige putten waren gedeeltelijk
afgedekt om te verhinderen dat stof en bladeren in het putwater zouden
terecht komen. Bij het steken van een waterput werd naar beneden
toe gebouwd. Later werd eerst een put gegraven met de diepte van
een vooraf aangemaakt buisvormig element. Eenmaal het eerste element
waterpas in de put stond, werd met een kleine schop rondom rond onder het
element de aarde gelijkmatig weggegraven, tot een tweede element boven
het eerste kon worden neergelaten. Soms stonden 10 of meer elementen
boven mekaar voor men in de waterhoudende laag terecht kwam. Dat
was soms een gevaarlijk moment voor de putgraver. In de afgang, de
kelder of een ander bijhuis werd onder meer de klus van het karnen geklaard.
De melk moest namelijk ontroomd worden om boter te kunnen maken.
Het restproduct was karnemelk. Het verzuren of rijpen van de vette
room wordt veroorzaakt door bacteriën. Gedurende het rijpen komen
de vetbolletjes in een vaste toestand. Men laat de room rijpen in roomteilen
bij een temperatuur van + 18°C en dit gedurende 24 tot 48 uur. Om boter
te vormen moeten de vetbolletjes verenigd worden. Dit doet men door de
verzuurde room in beweging te brengen. Het karnen gebeurde met de hand.
De room werd gestampt of gedraaid in een stampkarn of een draaikarn. Deze
handeling moest men gedurende 45 minuten volhouden. Na het karnen diende
de boter goed gekneed te worden om overtollig vocht te verwijderen en de
boterkorrels tot één homogeen geheel te verenigen.
De boter werd vervolgens in perkamentpapier ingepakt en op de markt (veelal
in Mechelen) verkocht. Voor de eigen consumptie werd in Beerzel
later de verse boter vaak half om half gemengd met margarine. Er
werd daarbij dan ook zout toegevoegd.
In de Oostenrijkse tijd werden in de regio ook de heidevelden in
cultuur gebracht. Eeuwenlang waren heidegebieden een essentiële
schakel in een landbouwsysteem met schapenteelt en kleinschalige akkerbouw
als belangrijkste elementen. Met de plakkaten van keizerin Maria Theresia
en
later met de ontginningswetten van het jonge België werd het heideareaal
drastisch ingekrompen. In de Kempen blijven er thans nog zo'n 11.000 hectare
over. Niet eens één tiende van de vroegere oppervlakte.
Jozef II, zoon en opvolger van Maria Theresia, heerste
als een "verlicht despoot". Men noemde hem de Keizer-Koster. Hij
verordende zelfs hoeveel kaarsen mochten branden bij de kerkdiensten. Jozef
II drukte zijn stempel op de Oostenrijkse Nederlanden door het gebied te
verdelen in negen kreitsen. De kreits Antwerpen omvatte naast het markgraafschap
eveneens de heerlijkheid Mechelen, die tot dan toe een afzonderlijke enclave
had gevormd. Hij moderniseerde grondig het hele bestuursstelsel en
het gerecht (1787). Daardoor krenkte hij zoveel gevoelens en belangen,
dat in brede kringen van de bevolking het verzet rijpte, dat tot de Brabantse
Omwenteling leidde. Deze opstand mondde op 11 januari 1790 uit in de oprichting
van een republiek onder de benaming Verenigde Belgische Staten.
Jozef II wordt vervallen verklaard van de regering en het bevrijdingsleger
doet een inval in de Kempen. Nog geen jaar later werd deze republiek
echter weer door de Oostenrijkse wapens opgeruimd.
Tegen het einde van de 18de eeuw namen bedelarij, landloperij en
bendevorming ook in de streek van Beerzel grote vormen aan.
Door oorlogen, conflicten en epidemieën konden velen niet in hun eigen
onderhoud voorzien. Burgers maar ook boeren die van de markt terug
kwamen werden vaak gedwongen geld of goederen af te staan. Door de strengere
bepalingen van de stadsbesturen werden bedelaars verdreven uit de stad.
Deze bedelaars gingen zich in toenemende mate organiseren om in bendeverband
te nemen wat ze niet kregen. Zo werden regelmatig woningen op het
platteland overvallen. Volgens de overlevering zou de "Beerzelschrans",
die in de volksmond de "Wijnskenshoeve" werd genoemd, zijn ingenomen
door de beruchte roversbende "De Binders van de Pijpelheide".
Hierbij zou de meid "Siska" het leven hebben gelaten. De wijnskenshoeve,
was één van de bekende omwalde hoeven uit de streek.
De toegang kon door een ophaalbrug worden afgesloten. De hoeve dateert
uit de 18de eeuw. In de Kempen zijn begrippen als 'de schans' en 'het schrans'
niet onbekend: 'de schans' heeft betrekking op een versterkte ruimte, terwijl
'het schrans' slaat op een omwalde hoeve. De schans werd omgeven
door een vesting van water en bij dreigend gevaar, konden de omwoners hier
veiligheid en bescherming zoeken. De Hallaarse dichter-novellist Philemond
Caluwaert (1855-1899) schreef een jaar voor z'n dood het verhaal van
de "De binders van de Pijpelheide". De stof hiervoor was hem door
Lodewijk Liekens en Frans Coeckelbergs aangereikt en in 1950 werd het als
boek bij Laumans heruitgegeven.
|