GESCHIEDENIS BEERZEL
DEEL 4
 
Portaal Beerzel
 
Geschied.Beerzel Deel 1
Geschied.Beerzel Deel 2
Geschied.Beerzel Deel 3
Geschied.Beerzel Deel 4
Geschied.Beerzel Deel 5
Geschied.Beerzel Deel 6
Geschied.Beerzel Deel 7
Geschied.Beerzel Deel 8
Beerzelse Molens
Beerzelse Recepten
Nieuwjaarzingen
Beerzels Dialect
Geschiedenis Algemeen
Geschiedenis 17de Eeuw
Burgemeesters
Foto's Beerzel
 TIJDELIJKE BLOEI IN DE
OOSTENRIJKSE TIJD (1713 - 1794)
LANDSCHAP

De landbouw, onder druk van een groeiende bevolking, veranderde ook in de 15de, 16de en 17de eeuw steeds meer het landschap in en rond Beerzel.  De boeren kapten en brandden het bos weg om plaats te maken voor akkers. De voedselarme zandgrond raakte echter snel uitgeput zodat steeds nieuwe stukken bos moesten worden ontgonnen. Vroeger liepen er op een gegeven moment niet minder dan 27 dreven met bomen op de Beerzelberg toe.  Ze kwamen allen uit op een kerktoren of een windmolen.  Maar zelfs de berg viel langzaam maar zeker ten prooi aan de ontbossing.  Op de achtergelaten, uitgeputte akkers vestigden zich vervolgens typische planten voor voedselarme zandgronden, zoals heide. Pas bij intensievere veeteelt konden de akkers voldoende bemest, en dus langere tijd gebruikt worden. De schapen en koeien die op de heide graasden aten ook de jonge boompjes op, zodat spontane verbossing uitbleef.  (De Beerzelberg herbergt tegenwoordig in de 21ste eeuw echter een prachtig natuurreservaat met een sterke variatie aan planten en bomen). 

DE OOSTENRIJKSE TIJD

In de 18de eeuw, tijdens de regering van landvoogdes Maria-Theresia van Oostenrijk (1740-1780), kent de gemeente een nieuwe bloei. Grote delen van het Waverwoud werden verder ontbost en in cultuur gebracht.  Meer boerderijen worden gebouwd. De Klein Schranshoeve uit 1771 is één van de mooiste hoeves uit die tijd. Het domein bevat ook nog de binnenkoer, paardenstallen, schuur, bak- en koetshuis zoals eertijds.  In de voortuin, die is afgeboord met haagbeuk, staat er een mooie antieke waterput. Naast de deur bevindt zich een uitgebeitelde steen met de letters "A.V.A. MET E.L.N." hetgeen staat voor Adriaan Van Der Auwera en Elisabeth Lenaerts. Dit echtpaar gaf de opdracht tot de bouw van de hoeve.  De meeste boerderijen die destijds in Beerzel gebouwd werden behoorden tot het langgeveltype, waarbij de woon- en bedrijfsruimten en stallingen naast elkaar onder een dak gegroepeerd waren. In de traditionele Kempische boerderij viel men letterlijk ‘met de deur in huis’. Door de deur in de lange gevel betrad men de voorplaats, ‘den herd’. Dit was de centrale ruimte die het best te karakteriseren is als een woonkeuken. De herd was een rechthoekige ruimte met als belangrijkste element de schouw met het open haardvuur. Er werd gestookt op een vuurijzer dat op een lemen vloer onder het rookkanaal was geplaatst. Het vuur diende ter verwarming (en in mindere mate ook ter verlichting) van het huis en ter bereiding van het voedsel voor mens en dier.  Pas veel later deed de Leuvense stoof haar intrede. De langgevelboerderij beschikte over een koele kelder waarboven men via een trap toegang had tot een kelderkamer, in het dialect "de kellekoamer” geheten.  Ook beschikte men over slaapkamer(s), een afgang en buiten het "heske", een primitieve vorm van wc.  Soms was aan een dergelijke boerderij ook nog een klein extra woonhuis met slaapplaats bijgebouwd, wat men het "klaan hoas" noemde.  Die piepkleine woning werd vaak tijdelijk gebruikt door pasgetrouwde kinderen of door bejaarde grootouders waarvoor gezorgd werd.  Bejaardentehuizen met aanleunwoningen bestonden destijds uiteraard nog niet.   De vaak hoge vensters van de langgevelhoeve werden meestal bij avondval afgesloten door houten luiken, de zogeheten slagvensters.   Daarnaast kon men via een grote poort in de hoeve van het langgeveltype de stal bereiken.  Daarboven in de zolder was de schelft (in Beerzel ook wel: het schelft) waar men het hooi stockeerde voor de winter.  Elke boerderij beschikte ook over z'n eigen diepe waterput met helder en (zelfs 's zomers) bijzonder koel water.  In het dialect noemt men deze waterput, de "berrepit".  Dit is afkomstig van de oorspronkelijke benaming "bornput", een bronput.  Hier en daar deelden in Beerzel ook twee of meer woningen een waterput.  Het water uit deze zandgrond had in de meeste gevallen een bijzonder lekkere smaak. Oorspronkelijk waren de meeste van de niet al te diepe waterputten uitgerust met een hefboomsysteem met tegengewicht om water te putten. In de "Omwenteling van 1830" noemde Hendrik Conscience dit "een bornput met zijne hooge wip".  Bij diepe putten werd het water met een katrol naar boven gehaald.  Sommige putten waren gedeeltelijk afgedekt om te verhinderen dat stof en bladeren in het putwater zouden terecht komen.   Bij het steken van een waterput werd naar beneden toe gebouwd.  Later werd eerst een put gegraven met de diepte van een vooraf aangemaakt buisvormig element.  Eenmaal het eerste element waterpas in de put stond, werd met een kleine schop rondom rond onder het element de aarde gelijkmatig weggegraven, tot een tweede element boven het eerste kon worden neergelaten.  Soms stonden 10 of meer elementen boven mekaar voor men in de waterhoudende laag terecht kwam.  Dat was soms een gevaarlijk moment voor de putgraver.  In de afgang, de kelder of een ander bijhuis werd onder meer de klus van het karnen geklaard.  De melk moest namelijk ontroomd worden om boter te kunnen maken.  Het restproduct was karnemelk. Het verzuren of rijpen van de vette room wordt veroorzaakt door bacteriën. Gedurende het rijpen komen de vetbolletjes in een vaste toestand. Men laat de room rijpen in roomteilen bij een temperatuur van + 18°C en dit gedurende 24 tot 48 uur. Om boter te vormen moeten de vetbolletjes verenigd worden. Dit doet men door de verzuurde room in beweging te brengen. Het karnen gebeurde met de hand. De room werd gestampt of gedraaid in een stampkarn of een draaikarn. Deze handeling moest men gedurende 45 minuten volhouden. Na het karnen diende de boter goed gekneed te worden om overtollig vocht te verwijderen en de boterkorrels tot één homogeen geheel te verenigen.  De boter werd vervolgens in perkamentpapier ingepakt en op de markt (veelal in Mechelen) verkocht.  Voor de eigen consumptie werd in Beerzel later de verse boter vaak half om half gemengd met margarine.  Er werd daarbij dan ook zout toegevoegd. 

In de Oostenrijkse tijd werden in de regio ook de heidevelden in cultuur gebracht.  Eeuwenlang waren heidegebieden een essentiële schakel in een landbouwsysteem met schapenteelt en kleinschalige akkerbouw als belangrijkste elementen. Met de plakkaten van keizerin Maria Theresia en later met de ontginningswetten van het jonge België werd het heideareaal drastisch ingekrompen. In de Kempen blijven er thans nog zo'n 11.000 hectare over. Niet eens één tiende van de vroegere oppervlakte. 

Jozef II, zoon en opvolger van Maria Theresia, heerste als een "verlicht despoot". Men noemde hem de Keizer-Koster.  Hij verordende zelfs hoeveel kaarsen mochten branden bij de kerkdiensten. Jozef II drukte zijn stempel op de Oostenrijkse Nederlanden door het gebied te verdelen in negen kreitsen. De kreits Antwerpen omvatte naast het markgraafschap eveneens de heerlijkheid Mechelen, die tot dan toe een afzonderlijke enclave had gevormd.  Hij moderniseerde grondig het hele bestuursstelsel en het gerecht (1787). Daardoor krenkte hij zoveel gevoelens en belangen, dat in brede kringen van de bevolking het verzet rijpte, dat tot de Brabantse Omwenteling leidde. Deze opstand mondde op 11 januari 1790 uit in de oprichting van een republiek onder de benaming Verenigde Belgische Staten.  Jozef II wordt vervallen verklaard van de regering en het bevrijdingsleger doet een inval in de Kempen.  Nog geen jaar later werd deze republiek echter weer door de Oostenrijkse wapens opgeruimd. 

Tegen het einde van de 18de eeuw namen bedelarij, landloperij en bendevorming ook in de streek van Beerzel grote vormen aan.  Door oorlogen, conflicten en epidemieën konden velen niet in hun eigen onderhoud voorzien.  Burgers maar ook boeren die van de markt terug kwamen werden vaak gedwongen geld of goederen af te staan. Door de strengere bepalingen van de stadsbesturen werden bedelaars verdreven uit de stad. Deze bedelaars gingen zich in toenemende mate organiseren om in bendeverband te nemen wat ze niet kregen.  Zo werden regelmatig woningen op het platteland overvallen. Volgens de overlevering zou de "Beerzelschrans", die in de volksmond de "Wijnskenshoeve" werd genoemd, zijn ingenomen door de beruchte roversbende "De Binders van de Pijpelheide".  Hierbij zou de meid "Siska" het leven hebben gelaten.  De wijnskenshoeve, was één van de bekende omwalde hoeven uit de streek.  De toegang kon door een ophaalbrug worden afgesloten.  De hoeve dateert uit de 18de eeuw. In de Kempen zijn begrippen als 'de schans' en 'het schrans' niet onbekend: 'de schans' heeft betrekking op een versterkte ruimte, terwijl 'het schrans' slaat op een omwalde hoeve.  De schans werd omgeven door een vesting van water en bij dreigend gevaar, konden de omwoners hier veiligheid en bescherming zoeken. De Hallaarse dichter-novellist Philemond Caluwaert (1855-1899) schreef een jaar voor z'n dood het verhaal van de "De binders van de Pijpelheide". De stof hiervoor was hem door Lodewijk Liekens en Frans Coeckelbergs aangereikt en in 1950 werd het als boek bij Laumans heruitgegeven.
 

 
Geschied.Beerzel Deel 1
Geschied.Beerzel Deel 2
Geschied.Beerzel Deel 3
Geschied.Beerzel Deel 4
Geschied.Beerzel Deel 5
Geschied.Beerzel Deel 6
Geschied.Beerzel Deel 7
Geschied.Beerzel Deel 8
Beerzelse Molens
Beerzelse Recepten
Nieuwjaarzingen
Beerzels Dialect
Geschiedenis Algemeen
Geschiedenis 17de Eeuw
Burgemeesters
Foto's Beerzel
ORO Home
http://go.to/kempen
Fax: 03.611.29.02
http://beerzel.tk
Email Portaal Beerzel