|
DEEL 5 |
|
|
|
EN NIEUWE TIJD |
|
In 1789 vond in Frankrijk de Franse Revolutie plaats. Het Ancien
Regime van de koning, adel en clerus werd er weggevaagd ten voordele van
een verlichte burgerij. Een steeds driester wordend regime dat "vrijheid,
gelijkheid en broederlijkheid of de dood" predikte, zorgde voor een permanent
revolutionair klimaat. Al gauw ging het nieuwe Frankrijk zijn idealen exporteren:
de Franse legers vielen verschillende Europese landen binnen om ook de
bevolking aldaar te bevrijden van het oude juk. Na de Oostenrijkers
waren het aldus de Fransen die de lakens kwamen uitdelen in deze
gewesten. NEDERLANDSE TIJD Na de nederlaag van Napoleon te Waterloo in 1815 ging de Nederlandse
tijd bijna ongemerkt voorbij in Beerzel. Voor het volk was
de mislukking van de oogst in 1817 een ramp, oorzaak van hongersnood, plunderingen
en wanhopige bedelarij. Willem I herdoopte de vroegere Franse departementen
in provincies en gaf ze deels hun oude namen terug zonder evenwel territoriale
wijzigingen door te voeren. Het departement van de Twee Neten herdoopte
Willem I in de provincie Antwerpen. Hij richtte ook nieuwe instellingen
om de provincies te besturen. De provinciale staten werden
samengesteld uit drie standen: adel, steden en platteland. Vanaf
1827 groeide echter her en der in de steden het verzet tegen het verlicht
despotisme van Koning Willem I. Daarop deed een strafrijm de ronde:
"Wij willen
DE NIEUWE TIJD Het ontstaan van België mag gezien worden als het begin van een nieuwe tijd. In 1835 noteren we meteen al de opening van de eerste spoorweg op het vasteland van Europa, tussen Brussel en Mechelen. De introductie van de (plattebuis)kachel na circa 1840 is een van de belangrijkste innovaties in het negentiende-eeuwse huishouden. Het bezit van een kachel en/of fornuis verhoogde in hoge mate het wooncomfort. Het had tevens grote gevolgen voor de voedselbereiding en het kookgerei. Men kon nu gemakkelijker verschillende gerechten tegelijkertijd bereiden. Op de buis van de Leuvense stoof bleven de spijzen en de (steeds populairder wordende) koffie warm. Aan de leuningen hing in de winter altijd wat te drogen. Ook de pook of stoofhaak en het " stoofpanneke" hingen er. Ondanks de soms schaarse middelen slaagden de boerinnen uit het Beerzelse er snel in om culinaire hoogstandjes te realiseren. Wijd en zijd bekend zijn zo de Beerzelse pruimenvlaai, aspergebereidingen, rijstpap met safraan, stoofvlees, en de legendarische frikadelle met krieken. Naast de stoof: de kolenbak of hillenbak: een rechthoekige bak in gietijzer voor kolen en steenkoolgruis. Hij diende ook wel als spuwbak want heel veel mannen in Beerzel en omstreken "sjikten" pruimtabak. Het was in het eerste kwart van de 19de eeuw dat het drinken van koffie steeds meer ingang vond in onze contreien. Het woord koffie gaat terug op het arabische kahwah, een vervangmiddel voor wijn, die de Moslims sinds hun bekering niet meer mochten drinken. In 1615 voer het eerste schip met koffie uit Turkije naar Europa. In Venetië werd omstreeks 1645 een "bottega del caffé" geopend: het eerste Europese koffiehuis. Het duurde echter nog ruim een eeuw voor de koffie bij ons populair werd. Vooral de haven van Antwerpen speelt bij de invoer van koffie een grote rol. Ook begon men in eigen land koffie te branden. Henri Jacqmotte deed dat in Brussel in 1828. In de Antwerpse Broederminstraat - ook nu nog het adres van de Roode Pelikaan - werd sinds 1863 koffiegeschiedenis gemaakt. Langzaam maar zeker deed de koffie z'n intrede in de Kempen. Koffiemolens werden ook in Beerzel snel een volprezen huwelijkscadeau. Er werd een juiste hoeveelheid bonen in de koffiemolen gedaan, de molen ging tussen de knieën en dan maar draaien aan de slinger. Er moesten voldoende koffiebonen gebruikt worden want anders was het resultaat "piezelek", fluitjeskoffie waar men de bodem van het kopje (de zjat) door kon zien. De koffie werd meestal opgeschonken bij middel van een linnen zak (een soort kous) die in een metalen ringel in de koffiekan hing, de zogeheten kaffeb(e)us. Afgezien van het metalen binnenwerk waren de meeste koffiemolens uit hout vervaardigd. Sommige pronkstukken waren in Delfts blauw. Circa het midden van de 19de eeuw begon de koffiemolen ook in onze regio een onmisbaar onderdeel van de huisraad te worden. De koffie werd sinds zijn opgang onder de bevolking meer en meer als voornaamste drank bij de broodmaaltijd of als vieruurtje genuttigd. Ook koude koffie ging in Beerzel als verfrissende drank met de boeren mee naar het veld. Het was rond die tijd ook dat de friet z'n populaire opgang kende in ons land. Een zekere Fritz, die uit de Elzas afkomstig was, reisde midden de 19de eeuw met het eerste frietkraam de kermissen af. Zijn frietkot heette “le Sébastopol”. De “Courrier de Verviers” noemde Fritz in 1857 “le roi des pommes de terre frites”. Aan het Steen in Antwerpen stond er in 1862 al een frietkot dat “Max en Fritz” noemde. HET SPOOR De komst van de moderne tijden lieten ook op het vlak van transport
het landelijke Beerzel niet ongemoeid. Sedert 27 juni 1887
verbond de stoomtram Mechelen met Heist-op-den-Berg. Het was
een tramlijn met een spoorwijdte van 1067 mm (tot ca.1919) omdat men in
het begin hoopte de tramlijn te kunnen laten aansluiten op de Nederlandse.
Na de eerste wereldoorlog werd de spoorwijdte Voor de basisinvestering voor de tram was vrijwel geen interesse geweest vanuit privegroepen, alleen in landbouwlijnen, zoals die van Mechelen naar Heist, waren er enkele pastoors die een aantal aandelen kochten. Alle lijnen konden er alleen maar komen dank zij de financiële participatie van de gemeenten, de provincies en de Staat. Het pendelen werd aangemoedigd én sterk gesteund door de clerus. Hiermee kon de werkzoekende landarbeider immers wel naar de fabriek in de stad, maar zonder dat hij daar de nefaste gevolgen van de socialistische propagande zou ondergaan. Dat religieus gezondheidsstandpunt werd verder aangekleed met de boodschap dat deze arbeider nog een stukje grond kon blijven bewerken, zodat zijn gezin goed gevoed zou zijn. Om die pendel extra aantrekkelijk te maken werd het systeem van goedkope arbeidersabonnementen ingevoerd. Naast die pendelbevordering zocht men met de uitbouw van een tramnet ook de uitvoer van landbouwproducten te bevorderen, zeker al naar de dichtsbijzijnde grote stad. Maar de boerinnen bleven echter nog lang te voet met een kruiwagen vol groenten en boter naar de markt in Mechelen trekken omdat een rit met de stoomtram te duur was. Een tramreisje naar de markt in Mechelen kostte op zaterdag 30 cent, want op die dag kreeg men vermindering. Op 31 juli 1935 reed de reizigersstoomtram voor het laatst. Daarna volgde de elektrische tram: een grote gele «boerentram» met een conducteur die vrolijk op een koperen toeter blies. Nog later, op 30 april 1957, werd de tram vervangen door bussen. De tramconducteurs werden omgeschoold tot buschauffeurs. VAN LOKALE NAAR BELGISCHE TIJD Met de komst van trein en tram in ons land rezen er onmiddellijk problemen met de lokale tijd. De torenklokken van stad en dorp wezen eeuwenlang de plaatselijke zonnetijd aan. Men zette in het dorp regelmatig om 12 uur de klok gelijk aan de zonnewijzer als die de hoogste stand van de zon aanwees. De kerktoren besliste hoe laat het was. Dit betekende dat niet alleen Beerzel maar ook alle andere dorpen en steden in ons land hun eigen tijd hadden. De tijd week van het westen naar het oosten van het land soms wel een kwartier af. In de losjes georganiseerde samenleving van paard en trekschuit viel dat niet zo op, maar de telegraaf en vooral de spoorwegen struikelden erover. De vele plaatselijke tijden zorgden uiteraard voor een heleboel problemen bij het opstellen van de uurroosters. Met de komst van de trein werd door de spoorwegen aldus de invoering van de Belgische Tijd nagestreefd. De gemeentebesturen werden aangemaand om de torenklokken en de openbare uurwerken "gelijk te zetten" met het horloge van het nabijgelegen station. Later (in 1892) werd door het parlement de invoering van één standaardtijd voor het hele land goedgekeurd. Voortaan werden de uurwerken van alle Belgische stations gelijk gezet met de tijdsbepaling die door het observatorium van Ukkel aan de stationschef van Brussel-Noord werd overgemaakt. SCHOOLSTRIJD Van 1879 tot 1884 woede in het ganse land de schoolstrijd, dus ook in Beerzel. In 1879 werd voor de eerste keer in de Belgische geschiedenis een minister van onderwijs benoemd: minister Van Humbeek. Tot dan werd het onderwijs beheerd door Binnenlandse Zaken. Minister Van Humbeek voerde een paar nieuwigheden in die grote gevolgen zouden hebben. Het toezicht, de inspectie zou voortaan gedaan worden door rijksinspecteurs. Voorheen was het toezicht steeds in de handen van de geestelijkheid geweest. De pastoor van het dorp moest dus controle uitvoeren in de school. Minister Van Humbeek besliste dat ook de godsdienstlessen voortaan moesten gegeven worden vóór of na de gewone schooluren. Godsdienst werd een niet verplicht vak. Ook het kruisbeeld moest uit de klassen verwijderd worden. De reactie van het bisdom was enorm. Hoewel het wetsvoorstel pas zou gestemd worden op 6 juni 1879, hebben de bisschoppen deze datum niet afgewacht om tot de actie over te gaan. Elke pastoor, zelfs in de kleinste parochie werd verplicht een vrije school op te richten. De onderwijzer uit de gemeenteschool werd gevraagd 'over te lopen'. Hij kon dus dadelijk aan de slag in de nieuwe vrije school. Echter met een groot verlies aan wedde, tot ongeveer 40 %. Wee de onderwijzer die weigerde hierop in te gaan. De hysterische bisschoppen sloegen de onderwijzers, die in de gemeentescholen op post bleven, in de kerkelijke ban. Hij, zijn ganse familie en zelfs zijn vrienden werden "geuzen". En met name in Beerzel waren er heel wat liberaal gezinde geuzen, die de strijd aangingen met de katholieken die de bijnaam "sissen" kregen. In hun vastenbrief in het voorjaar 1879 lanceerden de bisschoppen hun beroemd gebleven smeekbede: "Van scholen zonder god en meesters zonder geloof, verlos ons heer!" Ook in de moderne tijden bleef het papengebroed aldus proberen om de indoctrinatie en hersenspoeling van het volk in handen te houden, precies zoals de ayatollahs dat tegenwoordig proberen in Iran. Na de nederlaag van de liberalen in de verkiezingen juni 1884 namen de katholieken het roer in handen en werden de religieuze kaste zo goed als volledig in ere hersteld. In 1884 werd in Beerzel in het vijfde huisje aan de bergkant van de Heistsesteenweg de katholieke school van de zusters opgericht. Frans Van Loon werd er hoofdonderwijzer. Na de eeuwwende opende in 1905 langs de Diepestraat en de Hoogstraat de gemeentelijke jongensschool z'n deuren. Als hoofdonderwijzer werd Gust Verelst aangesteld. Franciscus Truyts (Susken Truts) gaf toen les aan het tweede studiejaar. In 1926 zouden er houten barakken bijkomen om het toenemend aantal leerlingen te kunnen onderbrengen. Ook de katholieken had nood aan meer ruimte. In 1919 werd de danszaal achter herberg "De Ster" van Livinus De Preter (Vines Kloon) aan het Kerkplein omgebouwd tot twee schoolklassen voor de zusters. Later bouwden de zusters een totaal nieuwe school langs het Bergstraatje, het pad dat van de Heistsesteenweg naar de berg liep. Tot laat in de 20ste eeuw werden de kinderen van Beerzel in de verbeten tweestrijd gedompeld tussen de scholen van de nonnen en de "mestesse". De "mestesse", vermoedelijk afkomstig van het Engelse "mistresses", gaven modern en liberaal onderwijs, terwijl de nonnen toen de reactionair conservatieve koers vaarden, waar voor de kinderen het gaan zwemmen zelfs als ontoelaatbaar en zondig werd omschreven. Met verschillende klaslokalen in gebruik in de onmiddellijke nabijheid van het Kerkplein is het alvast niet verwondelijk dat men daar ook snoep voor de kinderen ging verkopen. Dat gebeurde niet alleen in de "snoephuizekes", maar ook in de woonwagen van "Marus" (Gommaar Ellens) en "Stinneke" (Celestina Van Reck), die voor de eerste oorlog op het Kerkplein naast de waterpomp stond opgesteld. Men kon er "bollen en bezen" kopen en zogeheten "affairekes" (twee voor 1 cent), dit was geharde stroop in een puntzakje. Ten tijde van de schoolstrijd was er trouwens nog geen leerplicht
in
ons land. Pas op 19 mei 1914 werd de wet Poullet uitgevaardigd
waarbij de leerplicht in het lager onderwijs werd geregeld tot de leeftijd
van 14 jaar. Vóór die wet er was, kon
niemand ouders verplichten om hun kinderen te laten studeren. Veel kinderen
gingen dan ook niet naar school en konden als volwassene niet eens hun
eigen naam schrijven. Ze werkten samen met hun ouders in de fabriek of
op het platteland om mee te helpen het gezinsinkomen te verhogen. Dat was
ook nodig, want gewone mensen leefden in grote armoede. 85% van hun inkomen
hadden ze nodig om voedsel te kopen. De leerplicht (er is
géén schoolplicht) kwam in ons land eigenlijk pas na de Eerste
Wereldoorlog volledig in voege.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|