|
DEEL 6 |
|
|
|
|
|
Ten tijde van het begin van de 20ste eeuw stak ook de kleinindustrie de kop op in Beerzel. Er was een "Stoommouterij en Brouwerij" van de familie Emiel De Cuyper, later gevolgd door een ijsfabriek, een limonadefabriek (Beerzelberg Monopole) en een speelgoedfabriek. Van 1921 tot 1927 was ook de zand- en steenfabriek "Beerzel-Berg" in bedrijf. De ontginning gebeurde bijna nog uitsluitend met handenarbeid. In 1929 startte vlakbij ook de bloeiende "Pelterijen Fauna". Veel mannen en vrouwen vonden zo vele jaren lang werk in "'t pelsfabriek". Rond 1910 kregen de eerste dorpen in de Zuiderkampen elektriciteit. In Beerzel was de bakkerij van de Kinderen Op De Beeck, die vlakbij de school van de Hoogstraat stond, het eerste huis dat op het elektriciteitsnet werd aangesloten. Dat gebeurde in 1912. Voor de straatverlichting gebruikte men echter nog steeds petroleum. In de straten van het dorp hingen daartoe welgeteld 5 petroleumlantaarns. De lantaarnaansteker in deze beginjaren van de 20ste eeuw was Louis Verlinden, beter bekend als "De Wiete". Rond de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw deed in Beerzel de brouwerij van Emiel De Cuyper, bij het begin van de Schrieksesteenweg, goede zaken. Het was grotendeels een familiebedrijf. Het bier werd er op vaten en op flessen getrokken. De plaatselijke levering van het in Beerzel geliefde gerstenat gebeurde in bakken, die op een grote stootkar met twee wielen geladen werden. Korte tijd tevoren, rond 1880, was in de brouwerijnijverheid ook duidelijk de overgang ingeluid van hoge- naar lage-gistingsbieren. Er werd vooral in de winter gebrouwen, koelinstallaties waren er namelijk nog niet en daarom bracht 's zomers brouwen een te groot bederfrisico met zich mee. Omstreeks die tijd kondigde zich echter nog een andere belangrijke vernieuwing aan. Louis Pasteur (1822 - 1895) de grote Franse natuurkundige, bestudeerde in Rijsel de werking van alcoholische gisten en leidde daaruit de theorie van de gisting af. De pasteurisatie, eigenlijk niets anders dan een verwarming van een product zodat de micro-organismen afsterven, was geboren. Bier en andere dranken konden beter geconserveerd worden. In 1856 was op de uiterste rand van Beerzel, op de hoek van de
Mechelbaan en de Heistsesteenweg, de afspanning "De Kroon" gebouwd
door Lambert Laurens-Nagels. Het was een pleisterplaats voor boeren
die met kar en paar van Heist-op-den-Berg en Booischot naar de markt in
Mechelen reden. Op het terras voor het café stonden dan ook
voederbakken voor de paarden. Later stopte ook de tram op de hoek
bij het café. "De Kroon" was niet alleen een herberg, maar
ook een buurtwinkel en een snoepwinkel. Verder deed het pand nog
dienst als duivenlokaal en vaste stek voor andere verenigingen.
In het begin van de 20ste eeuw openden in Beerzel steeds meer cafés
hun
deuren. Op de hoek van de Heistsesteenweg en de Schriekstesteenweg
was er "'t Schaapke" dat via een grote poort ook toegang verschafte
tot een danszaal boven de herberg. (In de jaren '70 heette de herberg
nog een tijd "de Pussycat"). Op de scheiding van het Kerkplein en
de Heistsesteenweg werd rond 1905 ook een herberg uitgebaat door "Jef
van de Hoef" (Jozef Nauwelaerts). Eén van de bekendste herbergen
in Beerzel was "In de Zon", tevens een dorpswinkel, in 1912
uitgebaat door Jakke Cams (Jean In het recordjaar 1907 brouwde men in België trouwens meer dan 16 miljoen hectoliter bier, geschonken in meer dan 150.000 cafés en gebrouwen door bijna 3.400 brouwerijen. Er zullen er echter veel verdwijnen tijdens de Eerste Wereldoorlog, als hun installaties in beslag worden genomen omdat men van het koper wapens wil maken. In heel wat Beerzelse herbergen was destijds ook een spaarmaatschappij gevestigd. Daarom hing er een spaarkastje voorzien van een 50-tal gleuven en vakjes. Twee sloten waren aan de kant bevestigd zodat bij het openen telkens twee leden, die elk één sleutel hadden, het tegelijkertijd moesten openen om de spaarcenten te tellen. Dat gebeurde wekelijks en de som werd op het postkantoor gedeponeerd. Van de jaarlijkse intrest werd dan een "souper" of "een reis" georganiseerd. Dit gebruik is trouwens heden nog in voege in sommige volkscafe's. De Kempen is een gebied waar het verenigingsleven een belangrijke rol speelde en speelt. Vele harmonie- en fanfaregezelschappen, maar ook andere culturele organisaties, vormden jarenlang een bindende factor binnen de diverse dorpsgemeenschappen. Met de bewustwording van de arbeidersklasse ontstonden in de tweede helft van de 19de eeuw in onze contreien naast katholiek geïnspireerde verenigingen ook op socialistische leest geschoeide fanfares, harmonieën, zangkoren en toneelkringen. Het verenigingsleven bloeide ook in Beerzel. Ondermeer
waren er heel wat duivenmelkers in Beerzel, waaronder ook flink
wat boeren. Het houden van duiven was destijds met de kruistochten
naar onze contreien overgewaaid. In 1613 konden trouwens in het hertogdom
Brabant alleen boeren, die 3 (later 9) bunder rogge hadden, duiven houden.
De duiven uit de typische duiventorens werden toen gekweekt voor
het vlees en voor de mestproductie. Pas veel later liet men de duiven
wedstrijd vliegen. De zondag werd dan voor de duivenmelkers in de
regio de hoogdag van hun "onthaastende" sport. De duiven werden
in het duivenlokaal ingekorfd en door de "convoyeurs" naar de losplaats
gebracht in Lyons of Orleans. Voor 1900 brachten lopers de duif bij aankomst
thuis zelf in een duivenzak naar het inkorvingslokaal. Langzamerhand
beschikte elke duivenliefhebber later over een "constateur", zodat
in Beerzel de tocht naar duivenlokaal "De Kroon" een veel
rustiger gang kon gaan. De constateur werd uitgevonden door een zekere
Vanden Bossche uit Oudenaarde. Rijke boeren gingen in die tijd Tijdens de Eerste Wereldoorlog moesten de duiven geslacht worden. De Duitsers vreesden spionage. Duivenspel was verboden. Na de oorlog was het weer van nul beginnen. Heel wat duivenliefhebbers kochten tijdens de jaren '30 een radio om de weerberichten voor de duivenliefhebbers te beluisteren en om te weten of hun duiven gelost waren. (In 1947 waren er nog 175 380 duivenspelers in België. In 1994 waren er dat nog 70 000. Duivenspelers kunnen niet op vakantie gaan en daar gaan de vrouwen vaak niet mee akkoord.) Een Vlaamse gemeente zonder fanfare kon in de periode van 1880 tot 1980 gewoon niet. In 1800 tellen we 18 verenigingen voor gans Vlaanderen. In 1860 waren er reeds 536 fanfares. Zoals de meeste gemeenten had ook Beerzel harmonieën. Veelal werd in Vlaanderen een fanfare opgericht door de liberalen als een tegenreactie op het katholieke parochiale zangkoor. Maar in Beerzel beten de katholieken de spits af en richtten in 1887, onmiddellijk na de schoolstrijd, de fanfare "Sint Remigius" op. Naast de veelal oudere "harmonies", zijnde blaasorkesten met hout- en koperblazers en slagwerk, kwamen later vooral de "fanfares" in de belangstelling, die zich enkel van koperblaas- en slaginstrumenten bedienden. De grote impuls tot deze nieuwe ontwikkeling werd ongetwijfeld gegeven door het succes van van de Sax-instrumenten: de saxhoorns en de saxofoons gingen algauw de basis vormen van vele fanfares. Later kwam in Beerzel ook fanfare "De Gouden Lier" een woordje meespreken. In de streek waren de boogschuttersgilden al van oudsher bijzonder levenskracbtig. Ze waren oorspronkelijk ontstaan uit verdedigingsorganisaties van Frankische boeren. Zeer dikwijls traden zij op in oud-Kempense klederdracht. Hun ‘schietingen’ beantwoordden aan de eeuwenoude voorschriften. Na de eerste oorlog ging Beerzel ook korte tijd prat op een overdekte wip. Deze stond dicht bij de kerk in de hof van de brouwerij van Emiel De Cuyper. Een lang leven was de wip niet beschoren. Waarschijnlijk omdat deze bij de wipschutters niet werd gewaardeerd. De wip was namelijk veel te smal. Ze werd daarom ook "mollepijp" genoemd. Ze heeft er gestaan tussen 1920 en 1927. Daarna is ze afgebroken en verhuisd naar Putte. Om zich te wapenen tegen de opmars van socialistische en liberale verenigingen in de streek probeerde de kerk via allerlei nieuwe verenigingen de plaatselijke bevolking aan zich te binden. Vrouwenbonden werden gesticht, maar vooral de mannen mochten volgens de kerk niet bezwijken voor de goddeloosheid van de socialisten en liberalen. Naar voorbeeld van andere gemeenten richtte pastoor Brusselaers, die in 1912 in Beerzel kwam, de "Mannenbond van het Heilig Hart" op! Ook werd de "Christen Werkgeversbond van Beerzel opgericht". Allemaal middelen om zowel arbeider als werkverschaffer met handen en voeten aan de kerk te binden. Pastoor Brusselaers, die als een harde werker voor de zaak werd omschreven, verliet Beerzel in 1935. Het volksleven in Vlaanderen en de Kempen omvatte destijds zeer veel folkloristische en katholiek-religieuze tradities, die soms tot in de middeleeuwen of zelfs vroeger teruggingen, zoals de net vernoemde boogschuttersgilden, de sterk regionaal gekleurde processies, bedevaarten, praalstoeten, reuzenoptochten en niet in het minst de kermissen en jaarmarkten. De volkse tradities waren honderden jaren lang de enige echte uitingen van de Vlaamse volksaard, vermits het hoger politiek, cultureel, sociaal en economisch leven grotendeels verfranst was. Die volkse inslag kleurt tot op vandaag zelfs nog de programmatie van de Vlaamse tv-zenders... Hoogtepunten in het Beerzelse dorpsleven waren de jaarlijkse kermissen. Niet alleen in het dorp was er kermis, maar ook in bepaalde wijken, zoals over de berg in de Koeisteert. Kermis was de fanfare die rondtrok, de boeren die na de mis een stuk in hun frak dronken. Boerinnen die zich naar huis haasten om een lekkere maaltijd te bereiden voor de hele familie die bij ouders of grootouders samenkwamen. Kermis was een groot feest, misschien wel het grootste feest na kerstmis en pasen. Het was vooral goed en veel eten. Het varken werd geslacht, pensen en kop gemaakt en natuurlijk frikadellen met krieken mochten niet ontbreken. Als dessert steenvast rijstpap met bruine suiker en zelf gebakken krieken- of pruimenvlaaien. Als iedereen goed dik gegeten was, gingen de ouders wat rusten. Rond een uur of vier, vijf werd er met de ganse familie naar de kermis gegaan. Daar stonden meestal een paardenmolen, een schietkraam, een snoepkraam met "warme rek" en dergelijke. Met een ferme zak smoutebollen ging men nadien naar huis. Ook was er dansen in de kermistent, meestal op de tonen van een kermisorgel. Soms stonden in de Koeisteert, op de weiden bij het kruispunt van de Diepestraat met de Mechelbaan, wel twee tenten opgesteld, maar dat heeft niet lang geduurd. De kermistent in de Koeisteert was na de oorlog een initiatief van de plaatselijke middenstander "de Schipper". Lang voor het kermisbal 's avonds begon kregen de kinderen de gelegenheid om te schuiven op het zaagmeel dat op de dansvloer was uitgestrooid. Op die manier werd het 's avonds moeiteloos dansen op de gladde ondergrond. Ook Carnaval werd (en wordt) in Beerzel in tenten en zalen zoals de Roxy gevierd. Men mocht namelijk op een gegeven moment door een politiereglement niet langer gemaskerd op straat rondlopen. Dat kwam nadat kort voor de Eerste Wereldoorlog een jongeman tijdens de Carnavalnacht was doodgestoken door een gemaskerd persoon. De 17-jarige jongen, Pol Delen uit de Minkbossen (Minksebosse) te Heist-op-den-Berg, werd dodelijk gewond bij een steekpartij aan het kerkplein. Hij werd zieltogend aangetroffen onder het venster van "Het Tamboerkeshuis", naast de toenmalige herberg "In den Valk". De dader heeft men nooit kunnen ontmaskeren. Een inwoner van Beerzel werd in 1913 ook een van de allereerste slachtoffers van voetbalhooliganisme dat toen ook in ons land voor het eerst de kop opstak. Tijdens het seizoen 1912-1913 speelde Racing Mechelen in wat men tegenwoordig de tweede afdeling kan noemen. Op twee wedstrijden van het einde der competitie was de stand als volgt: 1 Gantoise 33, 2 Leopold 31, 3 Racing Mechelen 28 en 4 FC Mechelen 28 punten. Promotie naar de ere-afdeling zat er dus nog in. Het toeval wou echter dat Racing het op dat moment thuis moest opnemen tegen Leopold. Een kapitale match, want als Racing ze zou winnen, zat een promotie er dik in. De wedstrijd, die (dixit Le Soir) op een correcte manier geleid werd door de Brusselse scheidsrechter Barette, eindigde in een 1-3 overwinning voor de Brusselaars. Op diverse plaatsen in het stadion ontstonden rellen. Er werd met stenen gegooid naar de supporters van de tegenpartij. De politie hield met revolver en sabel in de hand de menigte uit elkaar. Op de Oude Liersebaan en in de Katelijnestraat deden hooligans rijtuigen, taxi's en auto's stoppen, waarin de politie de Brusselaars had gezet en naar het station wilde begeleiden. Alzo wilden zij de Brusselaars beletten te ontsnappen. Bij een van de rellen kreeg een zekere August Guldentops, een houtzagersgast, geboren te Beerzel in 1873, en wonende in de Heembeemd, een paraplupunt in de neus. De punt bleef vaststeken in de wang van de man. Dokter Geerts moest hier de eerste zorgen verstrekken. De man verbleef later nog lang in het hospitaal. Dit voorval stak het vuur aan de lont voor verdere ongeregeldheden. Ten gevolge van incidenten verbood de Belgische Voetbalbond alle matchen op Mechelse terreinen. EERSTE WERELDOORLOG Op 4 augustus 1914 trok het Duitse leger bij Visé ons land binnen, waarbij een zelden geziene brutaliteit aan de dag werd gelegd. Meteen was de Eerste Wereldoorlog ingeluid. Het zou echter nog geruime tijd duren vooraleer er zich in Beerzel een "Pruis" liet zien. De Duitsers installeerden zich in het ganse dorp. De bezetter hield zoveel mogelijk het bestuurlijk apparaat intakt opdat ons land zo optimaal mogelijk zou bijdragen tot de Duitse oorlogsvoering. Maar er werd een parallel Duits apparaat uitgebouwd dat de belangrijke beslissingen nam. De gemeente draaide op voor alle kosten van de inkwartieringen. De Duitsers voerden een streng regime in. Er mocht praktisch niets meer. Tot in het belachelijke volgden de verordeningen elkaar op: fietsen mocht niet meer, vissen evenmin. De kinderen mochten geen windvliegers meer oplaten. De klokken mochten zelfs niet meer geluid worden, enz... De controle op de bevolking was totaal. Ook de stoomtramlijn tussen Mechelen en Heist-op-den-Berg werd bij het begin van de oorlog onderbroken. Op 1 januari 1915 werd de verbinding echter terug in gebruik gesteld. Heel wat jonge mannen uit de streek trokken naar het noorden en overschreden op risico van lijf en leden de elektrische draad op de grens met het neutrale Nederland. De elektrische draad was eind 1915 hoofdzakelijk aangebracht om de uittocht van weerbare mannen tegen te gaan. De Belgische regering in Le Havre had de mannen tussen 18 en 30 jaar namelijk opgeroepen om zich bij het Belgisch leger te voegen. In Vlissingen werden ze ingescheept om aan het IJzerfront ingezet te worden. Hoewel alle dieren, koeien en varkens, sedert begin 1917 door de Duitse bezetter geteld en geregistreerd waren, slaagden boeren in Beerzel en omstreken er toch nog in aan sluikslachten te doen ten einde hun menu wat aan te vullen of vlees te verkopen. INTERBELLUM De tijd na de Eerste Wereldoorlog was er een van "rechtkrabbelen", na vier jaren van zware ontberingen. Voor velen betekende het opnieuw beginnen. Op het kerkplein werden korte tijd na het beëindigen van de vijandelijkheden de koeien verkocht, die tijdens de voorbije oorlogsjaren in weiden en velden ronddoolden. Indien de eigenaar van het koebeest op de verkoop kwam opdagen kreeg hij z'n dier terug. Was dat niet het geval dan wer de koe per opbod verkocht. Een paar welgestelde boeren in Beerzel en omstreken beschikten trouwens in de jaren '20 reeds over een kristalontvanger, waarmee ze vanaf 1926 naar regionale omroepen zoals Radio 't Kerkse van Georges Decaluwé uit Edegem konden luisteren. In hetzelfde jaar kwam ook de nationale Radio Belgique in de lucht. Men moest in huis wel zeer stil zijn om het programma te kunnen horen want een kristalontvanger werkt zonder stroom en het ontvangen signaal werd derhalve ook niet versterkt. Eind 1934 werden de boeren in Beerzel en in de rest van
ons land zwaar getroffen door het faillissement van de Middenkredietkas,
de bank van de Boerenbond. De meeste boeren hadden er al hun
spaarcenten staan. De Boerenbond was op 20 juli 1890 in Leuven gesticht
op initiatief van pastoor Jacob-Ferdinand Mellaerts en de katholieke
volksvertegenwoordigers Joris Helleputte en Franz Schollaert.
Mellaerts had 3 jaar tevoren in Heist-Goor reeds de Boerengilde
opgestart, een aankoopcoöperatie voor de landbouwers in de streek.
Hij was de eerste pastoor van de parochie Heist-Goor, die in 1873 werd
opgericht. Een juridisch statuut had de Boerenbond niet en
enig startkapitaal evenmin. De opzet was evenwel des te grootser. De Boerenbond
wilde door het behartigen van de godsdienstige, sociale en economische
belangen van zijn leden, "een christelijke en machtige boerenstand bekomen".
In realiteit was de Boerenbond opgericht omdat de katholieke kerk en de
toenmalige katholieke partij de plattelandsvlucht van de boeren vreesde.
Want als de verarmde boeren naar de wereldse stad trokken was het gevaar
groot dat zij de kerk de rug zouden toekeren en zouden overlopen naar de
opkomende socialistische partij. De Boerenbond probeerde vanaf
het begin zijn leden te overtuigen om te moderniseren. Daarvoor was echter
vers kapitaal nodig. Er werd inspiratie gezocht in het Duitse Raiffeisensysteem
en vanaf 1892 werden de eerste Spaar- en Leengilden opgericht, ook |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|