|
DEEL 7 |
|
|
|
TWEEDE WERELDOORLOG |
|
Veel van de ambachten die destijds in Beerzel werden uitgeoefend zijn
door de veranderende tijden teloor gegaan. Tot ongeveer het midden
van de vorige eeuw had Beerzel nog De streek van Beerzel was en is wijd en zijd bekend voor z'n
landbouwgewassen. Destijds werden in de gewillige zavelgrond grote
hoeveelheden asperges aangeplant (a)spezzeplekke). Nu gebeurt
het ook nog, maar in mindere mate. Asperges worden in bedden geteeld
en met een speciaal mes in de grond afgestoken. De aspergebedden
worden door de boer of boerin op de knieën zorgvuldig gedabd en gladgestreken.
's Morgens zeer vroeg, nog voor de zon op is, worden de bedden gecontroleerd.
Waar de effen zavel een kleine breuklijn vertoont wordt de asperge uitgegraven.
Dit karwei wordt bij het avondschemeren herhaald. Een bewuste strategie,
want eenmaal de aspergekop boven de grond komt, begint ze onder de invloed
van het licht paars te verkleuren, waardoor ze sterk in waarde vermindert.
Er wordt geoogst tussen april en juni. Bij 12° C worden de groeipunten
wakker. De buitentemperatuur bepaalt dan ook het tijdstip TWEEDE WERELDOORLOG In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog bezochten heel wat Duitse spionnen de Beerzelse regio. Ze hadden daarbij vooral aandacht voor de zogeheten IJzeren Muur. Het waren niet alleen agenten van de Reichsdeutsche Gemeinschaft en spionnen voor de Duitse Abwehr die in onze contreien actief waren, ook Duitse kooplui werden ingeschakeld bij het verzamelen van informatie over wegen, vliegvelden en verdedigingslinies. Dit vormde door gebrek aan beveiliging geen probleem. Onder meer Duitse handelaars in huisraad waren voor de oorlog vaak in de streek van Beerzel. Ze zaten er volgens geruchten soms 's middags met de niets-vermoedende boeren mee aan tafel. De Duitsers wisten derhalve veel en de Duitsers wisten bijna alles van de IJzeren Muur toen ze uiteindelijk ons land onder de voet liepen. De aanval op 10 mei 1940 gebeurde om 5.35 u Duitse tijd, dat was 4.35u Belgische tijd. Nederland liept toen 40 minuten achter op ons land. Dus in Nederland begon de Duitse aanval om 3.55 u. Enige tijd later, in 1941, heeft de Duitse bezettingsoverheid de tijd geüniformiseerd in België en Nederland en gelijkgeschakeld met de tijd van Görlitz. Op het moment van het binnenvallen van de Duitse troepen waren langs het Albertkanaal 3 regimenten van de Belgische 7e divisie gelegerd. Men hoopte de Duitse invallers daar tegen te houden tot de geallieerden te hulp zouden komen. Het Albertkanaal werd gezien als een nagenoeg onoverkomelijke brede tankgracht, die de Duitsers zeker 5 dagen tegen konden houden. Achteraf zou blijken, dat de slag aan het kanaal exact twee dagen zou duren. In de nacht van 11 op 12 mei begon bij het kanaal de grote Belgische terugtocht. Tijdens de terugtocht werden vertragende gevechten geleverd, waarmee de Belgen zichzelf een kans gaven zich ordentelijk achter de IJzeren Muur of KW-linie (Koninghooikt-Waver linie) terug te trekken. De KW-linie bestond uit een lange reeks versterkingen met 350 betonnen bunkers en tankversperringen. Verder was er een interessant en opvallend verdedigingsmiddel: de Coutet-elementen. Dit waren grote stalen elementen, die aan elkaar bevestigd en in de grond verankerd een stalen muur vormden van 10-tallen kilometers lengte. Deze versperring diende voornamelijk om tanks en pantservoertuigen tegen te houden. Dit pronkstuk van de Belgische verdediging gaf de Belgen een bijzonder veilig gevoel en ze meenden dat het hart van het land daardoor veilig was. Heel wat jonge soldaten uit Beerzel en omstreken lagen bij de IJzeren muur. Zo deed Albert Goris, die enige tijd tevoren getrouwd was met Euphanie Ceulemans (Fannie van Jef van Merkes), op een gegeven moment tijdens de 18-daagse veldtocht dienst bij de IJzeren muur in de buurt van Haacht. Hij werd er ook krijgsgevangene gemaakt en bleef 10 maanden in Duitsland. Bij Haacht bestond de KW-linie uit een betonnen antitankmuur met antitankgracht en plaatselijk geïnundeerde gebieden. Soldaten van het 26ste Infanterieregiment van het 6de Duitse leger staken echter op 17 mei 1940 de Dijle over tussen Rijmenam en Haacht en trokken om de KW-linie heen. Zo bleek de stalen muur niets anders dan een dure en nutteloze investering. Het gevolg was dat de Belgische troepen andermaal de opdracht kregen terug te trekken. Onwetend van de gebeurtenissen in de rest van het land en in Frankrijk waren de Belgische soldaten woedend dat ze hun IJzeren Muur zonder slag of stoot moesten prijsgeven. Het terugtrekken werd er trouwens niet eenvoudiger op. De wegen waren verstopt door vluchtende burgers en de militaire colonnes waren een doelwit voor de gretige Stuka's. Er speelden zich dan ook hartverscheurende taferelen af op de wegen in de regio. Veel burgers uit de steden probeerden familieleden te bereiken op het platteland, omdat daar te eten was en ze er mogelijk veiliger zouden zijn voor Duitse bombardementen. De verwarring was echter zo groot dat er vaak in twee richtingen gevlucht werd. Heel wat boerengezinnen uit Beerzel vluchtten weg en vonden tijdelijk onderkomen in de omgeving van Booischot en Westmeerbeek. Na een paar dagen keerden de meesten echter naar Beerzel terug. Op 28 mei 1940, om vier uur, hield het Belgisch leger op met
vechten tegen de Duitse overmacht. Het hele leger, koning incluis, werd
krijgsgevangen gemaakt en kreeg het bevel ter plaatse te blijven en verdere
Duitse orders af te wachten. Dagenlang lieten de Duitsers het Voor velen was het leven tijdens de Tweede Wereldoorlog niet gemakkelijk. Naast het directe oorlogsgevaar was er de zorg voor de dagelijkse bevoorrading. Naarmate de oorlog duurde werden zowat alle producten schaars en zeer duur. België was nog maar nauwelijks bezet toen de bevolking moest leren leven met rantsoenering van voedsel en kleding. Iedereen bekwam een rantsoeneringskaart en haast alles moest voort met bonnen bekomen worden. Men kreeg rantsoenen toebedeeld die in grootte varieerden, naargelang men een volwassene of een kind was, of naargelang de zwaarte van de arbeid die men moest verrichten. Een paar voorbeelden van rantsoenen: 225 gram brood, 4 tot 10 gram boter, 20 à 30 gram vlees per dag en 150 kg kolen per gezin van vier personen per maand. Men zocht naar allerlei gelegenheden om aan extra rantsoenen te geraken. In een landbouwdorp als Beerzel viel dat een stuk makkelijker dan bijvoorbeeld in de stedelijke gebieden. Mensen uit Mechelen die familie hadden in Beerzel kwamen er tijdens de oorlog dan ook regelmatig op bezoek om er mee te eten. Sommigen bleven weken en maanden bij hun boerenfamilie op visite. Ook eigenaars van boerderijen, die in de stad woonden, kwamen nu bij hun pachters langs... Dankbaar waren de mensen ook voor de wonderbaarlijke haringvangsten in de fameuze hongerwinters 1943 en 1944. Vanuit Beerzel trok men dan onder meer met de fiets naar Putte. Want ondernemer De Haes was er daar in geslaagd een grote partij haring op de kop te tikken. Z'n hele opslagplaats lag vol. In die dagen ging niemand in de geburen met een lege maag naar bed... In de haven van Nieuwpoort alleen al werd in 1943 liefst 37.835 ton haring aangevoerd en het jaar erna 22.710 ton. In de strijd om het bestaan begon men in Beerzel op grote schaal zelf weer te bakken, men liet in 't geheim koren malen, haver pletten, aardappelen raspen voor "patatbloem" en van raapzaad maakten de mensen een soort smout. Men ging ook weer aan 't boteren. Koffie was er niet meer en men gebruikte gebrande gerst als ersatz-koffie. Ook werd koffie gezet uit gemalen chicorei-wortel of 'bitterpeen'. Zelfs het bier, dat de mensen even de oorlog kon doen vergeten, werd minder. Gebrek aan grondstoffen en leveringsproblemen zorgde voor het ontstaan van het beruchte "oorlogsbier". Vanaf 15 december 1941 zakte het alcoholgehalte van het bier naar 1,5°. Ook kwam er bier op basis van suikerbieten en werden voor het eerst synthetische verzoetingsmiddelen gebruikt tijdens het brouwen. Omdat de rantsoenering en verregaande zelfbehulpzaamheid niet voldoende was om grote gezinnen te onderhouden ontstond ook in het Beerzelse de "zwarte markt". Het was verboden runderen te slachten, graan te malen, kleinvee te kopen en te verkopen zonder speciale toelating. Maar het gebeurde toch. In maart 1942 werd een eerste wet op de verplichte tewerkstelling
ingesteld, gevolgd door een tweede wet op 6 oktober 1942. Deze wet voorzag
een tewerkstelling in het ‘Reich’ voor Lang voor de datum was echter Beerzel reeds bevrijd. Britse, Amerikaanse
en Belgische troepen (Brigade Piron) heroverden in een blitsoperatie op
3 en 4 september 1944 nagenoeg de hele streek van Brussel tot Antwerpen.
Toen de soldaten door Beerzel trokken, op weg naar Geel en Nederland
werden ze luid toegejuicht door de bevolking. De Belgische vlaggen
wapperden weer. Sommige kleine meisjes (o.a. Maria Goris) droegen
zelfs strikjes in de nationale driekleur. Op 5 september verscheen
in Het Staatsblad het besluit waardoor het gebruik van Duits geld
verboden was. Het afhalen van deposito's werd beperkt tot 2000fr
en de bevolking werd verplicht de hoeveelheid buitenlandse bankbiljetten
aan te geven. Tien dagen later was ook Geel bevrijd. Op dezelfde
dag werden in de bevrijde gebieden in ons land de bioscoopzalen weer geopend.
Korte tijd later werden ook in Beerzel tientallen onuitgegeven Amerikaanse
en Britse films vertoond. Her en der lagen in de streek ook geallieerde
soldaten. Onder meer hadden Amerikaanse troepen hun tenten opgeslagen
op de Ixenheuvel in Putte. Meer en meer leek de oorlog voorbij,
maar dat was niet zo. Want dan kwam de dreiging van Hitlers vergeldingswapens.
Op 7 oktober noteerde men de eerste V-2 inslag in de provincie Antwerpen
te Brasschaat. Daarna kreeg vooral Antwerpen en het havengebied het
te verduren. Er vielen daarbij nog honderden doden.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|