|
|
|
Het betreft een open standaardmolen van middelmatige grootte, die tegen de Hoogstraat stond even buiten het dorp. Hij had twee paar stenen van 1,50 m. doormeter. De molen stond op teerlingen op een lage berg, die omstreeks 1908 met 80 cm werd verhoogd. De aanvraag tot het plaatsen van een nieuwe molen te Beerzel sectie C, nr. 189-190 werd door de bestendige deputatie afgeleverd op 02-03-1855. (R.A. Antwerpen-Prov. Reeks C 395ter nr. 1519 f 35/2).
Tien jaar later werd de molen en het molenhuis openbaar verkocht door notaris Borré van Putte, nl. op 10 oktober 1865. In de akte werd gestipuleerd dat de molen op dat ogenblik voor 450 Fr per jaar verhuurd was aan Jan Baptist Witters tot 15 maart 1866. Het betrof :”eenen schoonen en welgecalandeerden graen windmolen met sterke maalderswooning, zeer wel geschikt voor herberg, bestaande uit: groote plaats eertijds herbergplaats, keuken, kelder, twee klederkamers, twee ovens en stal met hof en land gestaan en gelegen nabij het dorp te Beersel, tegen den steenweg naar Putte, aldaar op het kadaster bekend ter plaatselijke benaming Zellaerschendries wijk C nummers 190a 189a en 189b zamen groot in oppervlakte 68 are 20 ca. De molensteenen, zeilen en allen het draayende werk van den molen hoort toe aan den huurder Joannes Baptist Witters en wordt niet mede verkocht.” De koopdagen werden vastgesteld op dinsdag 26 september in de herberg van Theodoor Caluwaert in de Bergstraat te Heist en op dinsdag 10 oktober in de herberg “Den Ouden Ketel” te Heist. Peter Witters, landbouwer van Beerzel bood 3000 fr. en verhoogde met 50 verdieren. Waarop Jan Baptist Bruyndoncx, herbergier te Heist het bod verhoogde met 100 verdieren. Op de tweede koopdag verhoogde dokter-burgemeester Egidius De Preter van Putte nog met 50 verdieren. (Elk verdier was 4 fr.) dus was de som reeds 3800 fr, waarvan 3600 te betalen. Mijnheer de doktoor had de molen gekocht als geldbelegging en was zeker niet van plan om zelf molenaarke te spelen. Toen het volgend jaar op 15 maart Jan Baptist Witters met de molenstenen, zeilen en het draaiende werk vertrok naar een andere molen, bleef de molen ledig staan. De doktoor wist ook wel dat zulks de verwaarlozing en ondergang van de molen en het molenhuis zou betekenen. Hij was dan ook zeer gelukkig toen hij een maand later op 29 april 1866 de molen en het molenhuis kon verkopen aan het echtpaar Peter Liekens x Elisabeth Serneels voor de som van 3860 fr. Veel winst had hij dus niet gemaakt. (R.A. Antwerpen not. Nr. 9634 nr. 94). Deze Peter Liekens was te Heist geboren op 9 november 1822 als zoon
van Peter Frans Liekens (°11-05-1798 Werchter) x Trees Van Rompaey.
Peter had eerst gewerkt op de molen te Booischot, maar verhuisde nu naar
Beerzel, waar hij enkele jaren later burgemeester werd.
Dr. Jozef Weyns noteerde in zijn tweede veldboekje op p. 22 en 207 en in zijn derde veldboekje op p. 74 dat ’s avonds voor het slapen gaan heel het gezin nog een vaderons moest bidden voor zijn duiver die zo jammerlijk verongelukt was. Duiven-Liekens nam toen hij 80 jaar was de ploeg nog ter hand. Hij was kloek gebouwd en woog toen hij in 1886 te Heist stierf nog 90 kg. Zijn oudste zoon Peter was veel zachter van aard. Het is deze Peter Liekens die de molen te Beerzel kocht en er burgemeester werd. Na zijn dood in 1887 hebben zijn zonen de molen verder doen draaien. In 1891 was de standaard stuk en moest hij vervangen worden. In het jaar 1893 heeft de weduwe met haar vijf kinderen de molen openbaar verkocht. Het eerste bod van 10100 fr. kwam van haar derde zoon Jan Frans, die toen molenaar was te Walem. Maar het was uiteindelijk haar tweede zoon Victor die bij “den uitgang van de ontstoken kaars” de molen verwierf voor 10100 fr. plus 215 verdieren (R.A.Antwerpen-Notariaat Caluwaert nr. 9883). In 1901 werd een nieuw paar roeden gestoken en in 1910 nog een tweede
nieuw paar. Victor bleef de molenaar tot hij overleed in 1918. Daarna waren
het diens zonen Frans en August die de molen deden draaien tot in 1935
de ijzeren roede brak. De molen heeft dan nog een jaar gedraaid op één
paar roeden maar in 1940 werd het tweede paar afgenomen en verkocht aan
Rijkevorsel. Zo bleef hij van zijn wieken beroofd nog een tijd als duivenhok
dienen. In 1944 werd hij afgebroken.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|