Komt dat tegen!
Het ging als met een rotte kies: het begin is een geringe onooglijke
kleinigheid en eer je er erg in hebt, is de ramp volledig.
Zo was er die allereerste nacht in mijn nieuw huis een tik. En toen, later,
taste ik door het mij nog onvertrouwde duister van het huis en jawel: in de
douchecel was een piepklein lekje. Maar wat doet dat af aan de glorie van zo'n
verrukkelijk nieuw huis?
Wat kan één zo'n halve druppel per minuut bederven aan een huis dat ik wel van
boven tot onder had willen aaien, omdat het zo mooi en nieuw en lief was, omdat
het zoveel ellende buiten sloot. Het lekje maakte het huis eigenlijk alleen maar
aardiger, want de volmaaktheid is ons immers van nature niet sympathiek.
Onder het lekje zette ik dus een plastiek emmertje, waar trouw iedere avond
anderhalve centimeter water in stond en verder leefde ik nog lang en gelukkig.
Tot anderhalve maand geleden op zekere nacht het ritme van mijn slaap onverhoeds
werd gewijzigd. In plaats van tik, - tik, - tik, ging het in mijn huis opeens
van tik-tik-tik-tik-tik. Bij een terplaatse ingesteld onderzoek bevond ik het
lek lekker. Geen nood echter: aan de geiser was een kraantje waarvan ik het doel
tot dan toe niet had gekend. Als ik dat kraantje dicht draaide, hield het tikken
op, zo bleek. Ik draaide het kraantje dicht en vond mijzelf ontzaglijk slim. Het
enige nodige was nu nog goed opletten dat na gebruik van warm water het kraantje
weer dicht ging.
Een kleinigheid dus. Maar ja... 's morgens rol je uit bed met een hoofd dat van
binnen een kolossale prop watten lijkt, je wast je - met warm water - je zoekt
alle verspreid liggende spullen bij elkaar, smijt ze in je tas, je smeert snel
een paar boterhammen en in de deuropening kijk je nog even om: de elektrische
deken uitgedaan, oliehaard uit, lamp in de keuken uit, kraantje van de geiser
dicht en dan ren je naar de bus.
U voelt het aankomen: zoiets moet misgaan.
Gisteren was het zover. Gisteren belde mijn beneden-buurman me op met de
mededeling: Er loopt water uit uw flat. Terstond gingen mij visioenen open van
geruïneerde vloerbedekking, boze buren onder druipende plafonds, kwaaie
huisbazen en dat vlak na de feestweek.
Zelden was ik sneller thuis. Op de stoep stond een plas water, die gedurig
verrijkt werden met druppels die boven uit de muur van mijn flat dropen. Het
geiserkraantje stond open. Het liep allemaal nog goed af: enkel de douchecel
stond blank en bij de buren was er maar een klein vochtplekje in de muur.
De buurman was niet boos. Integendeel, hij stelde zich vriendelijk op in de deur
van de douchecel, bekeek de zaak staandebeens even met een kennersblik en zei
vluchtig: O, dat is niks anders dan de pakking. Even later was hij terug met een
gereedschapstas en een klein rubberen rondje dat hij pakking noemde.
Het is binnen tien minuten verholpen, grijnsde hij. Ik geloofde het niet. Hoe
kan binnen tien minuten iets tot zwijgen gebracht worden wat anderhalf jaar lang
heeft getikt.
Maar de buurman klaarde het karwei binnen de acht minuten en zonder zichtbare
inspanning. Ik stond met open mond en geheel sprakeloos, zoals Shakespaere heeft
gezegd: Wij, die deze dagen beleven, hebben wel ogen om ons te verwonderen, maar
om ze te prijzen komen we woorden tekort. En dan te bedenken dat ze in
Shakespaere's tijd niet eens geisers hadden.
De buurman verdween en ik loofde hem bij hemel en aarde, bij hoog en bij laag en
bij nat en droog het verschijnsel man.
Vooral het verschijnsel buurman.
't Café van Lewie. (02)
Hij had zopas de erfenis gedaan van een toogkruk die gedurende twee uren
gechambreerd was door een makelaar, en hij uitte daarvoor zijn dankbaarheid door
zijn koffie te heffen op de gezondheid van zijn voorganger.
Te voren had hij al ferm in de klinch geweest met Richard over het aantal filets
die er aan een haring zijn. Twee, had hij gezegd, dat ondervindt je best als je
hem aan zijne staart trekt. En als ik op ene val die goed gepluimd is dan maak
ik er zelfs drie van!
Toen ontdekte hij opeens madam Nelissen die zwalpend met haar veel te korte
benen aan zijn linkerzijde op haar schavotje zat. Dag madam Nelissen, zei hij,
hoe maakt gij het.
Heel goed, dank u, deed madame Nelissen en ze helde een heel eind uit de gewone
richting om hem heel beaat in zich op te nemen. Sinds wanneer drinkt gij koffie?
zo haakte ze verder in.
Dat is een lang verhaal, zei hij. Sinds wij er thuis geen meer kunnen opzetten
kom ik hier bij Lewie drinken. De koffiepot is naar de bliksem. Koffie zetten en
scheren dat gaat niet samen. Net toen ik mij afgetalkt had begaf de bodem het.
De moor zag er zwart van, de bodem weg en de kalk was in gruizel, de fluit lag
op de grond maar verder was daar niks aan. Ik ben direct voor een nieuwe moor
gaan zien die op de fluit paste, maar zo gauw vind je zoiets niet. Het zal
wachten zijn tot zaterdag op de markt...
Nog altijd dezelfde, zei madame Nelissen en ze glimlachte vertederend naar hem
op zodat er een derde dimensie loskwam in haar kin en op haar voorhoofd die de
kleurenschikking helemaal in de war stuurde. Waarop ze verder bouwde aan haar
avond op het schavotje met haar sigaret die lijnrecht voor haar stond mee te
bouwen en met het stilstaand watertje waarin nog maar alleen de bloemen
ontbraken om het stilleven te completeren.
De man met de koffie stapte terug over naar de haring.
Kijk, zei hij tot Richard en hij tekende een haring in profiel op de rugzijde
van een bierviltje. Het was een mooie haring, weldoorvoed, waarop hij bovendien
met zijn bic enkele schaduwvlekken aanbracht die hem deden blinken. Wat vind je
ervan? Is dat nu een beest om éénzijdig te zijn? ...
Ik heb eens haring sui canapé gegeten... Hij toonde nog meer visgraatmotieven
aan zijn vis-à-vis. Over goudvissies had hij het die hij in Amsterdam aan de
Prinsengracht op een zondagsmarkt had gezien. Voor- en achteruit zwommen die. En
's nachts kwamen die uit hun bokaal om te wateren. Hij imiteerde nu de
marktkramer van ginds aan de gracht: Goudfissies, slechts vijfentwintig cent.
Swemme foor en achteruit! ... Feertig cent voor hen die er 's nachts uitkomme om
te watere...
Het buffet was nu een aanlegsteiger waar alle aanliggers aardig dooreen geschud
werden.
De man met de koffie die intussen op cognac was overgeschakeld bracht op een
nieuw bierviltje nu een sardien in galop. Gij lacht ermee, zei hij, maar bij
nonkel Armand hebben wij prikkeldraad rond de vijvers moeten plaatsen om de
forellen te beletten lopen te gaan. Bergforellen zijn dat. Het is een erg
springerige soort en je treft ze maar zelden aan hier in de 't Antwerpse.
Achter haar stilstaand watertje legde madame Nelissen heel even haar breinaald
uit de hand neer, waarmee ze haar avond aan elkaar aan het driegen was. Altijd
dezelfde, zei ze en ze glimlachte haar derde dimensie helemaal bloot...