SPREEK EENS MET ONS OVER 'GODSDIENST'
Het was warm en druk en op een terras kruisten de blikken van
een peergroup jongeren die van een priester. Op het eerste
gezicht hadden ze weinig met mekaar te maken, ze hadden samen
tijd.
De priester leek wel een waterdrager uit een nog te schrijven oud
verhaal, die het moeizaam geputte water stilletjes voelde
wegvloeien langs de ontelbare barstjes van zijn oudere waterzak.
De jongeren deden hem met weemoed terugdenken aan het kwistig
putten en water morsen aan de bron, toen de zak nog nieuw en
elastisch was. Hij wou de jongeren niet negeren, maar ze ook niet
met een conversatie generen. Als oudste nam hij de schuld voor de
moeilijke communicatie maar helemaal op zich: de generatiekloof,
het gemerkt zijn door de Kerk, het zonderlinge en nooit helemaal
integere leven met Jezus in de hoofdrol...
Toch kwam er nogal vlug initiatief van een haantje de voorste,
die als kind heel veel over godsdienst had horen discussiëren,
maar zich niet kon voorstellen hoe een leven met God erbij er wel
zou moeten uitzien: niemand had het hem ooit getoond en uit
zichzelf zou hij het bij God niet weten!
'Wat ben je vandaag nog met godsdienst?' vroeg hij zich zo luid
af, dat de priester en de omzittenden het zeker moesten gehoord
hebben.
Een islamitische jongen liet zich niet onbetuigd: 'Met godsdienst
is er helemaal niets mis: zie maar hoeveel jongeren uit onze
buurt naar de moskee gaan en de ramadan onderhouden!'
De priester kende zichzelf goed genoeg om er zich van te
vergewissen, dat hij veel liever in het kamp van de
geseculariseerde autochtonen toefde dan in het islamitisch
gezelschap.
'Ik geloof echt' zei hij 'dat mensen, die zich inzetten voor een
waardevol leven en hun best blijven doen, God ooit zullen ervaren
en meemaken. Godsdiensten doen enkel maar moeite om God ter
sprake te brengen, zijn wil te zoeken, Hem te eren en te
beminnen, om Hem te danken en samen te leven bij zijn genade!
Hardwerkende mensen willen vooruit en hebben hun kennen en kunnen
uitgeprobeerd en ook meermaals hun grenzen verlegd. Soms duizelen
zij van de eenzame hoogten en gaan zelfs zonder duidelijke
omschrijving van God stiekem hopen op medewerking en kracht van
iemand, die groter is dan zijzelf.
Ook is het zo, dat zij, die de God van hun jeugd trouw bleven,
niet zo vlug als een nieuwe Ikaros uit de hemel vallen!
Het succes van deze wereld streelt je ego en je egoïsme
overhaalt anderen om te slijmen, je te vertroetelen met
afgodische luxe en jouw monopolies veilig te stellen...
Toch gebeurt het wel eens dat de eenzaamheid je terugwerpt op je
grootste geheim en je tijdig weer voor God en de medemens gaat
kiezen.
Niemand, ook de paus niet, kan jou vertellen hoeveel jij voor God
moet overhebben, opdat zijn aanwezigheid in jouw leven zou
binnenraken!
Toch is het niet naast de kwestie alwat we zijn en hebben te
beschouwen als een gave en opgave van iemand groter dan wij. Hier
raken wij een mysterie: God kan jou en mij vragen zijn gaven naar
de mensen te dragen en dan krijgen wij een unieke relatie met God
en een nieuwe verhouding met medemensen... soms raak je daarin
met een godsdienst verder dan in je eentje!'
Een van de omstaanders vond het een lang verhaal en hoog tijd
om het niet eens te worden en ook de tongen van anderen los te
maken:
'Padre, daar geloof jij nu toch zelf niet meer in, hé?'
Hij hield even stil en ging als een bulldozer verder:
'Godsdiensten leven voor zichzelf en hun maatschappijen en zeker
niet voor hun onzichtbare goden! Hoevelen werden en worden er
door godsdiensten onderdrukt en gedupeerd? Hoe dikwijls tellen
macht en centen meer dan mensen? Hoeveel misdaden tegen de
menselijkheid werden en worden er in de naam van goden gepleegd?'
De jonge geweldenaar was een eerstejaars student en oogstte veel
bijval. Hij had zijn maatschappij door en zoveel was voor hem
duidelijk: de Kerk was in hetzelfde bedje ziek!
De priester voelde als bedienaar van de eredienst Gods hete adem
in de hals. Deze derde zet kwam hard aan en hij vreesde een zwaar
stuk op zijn schaakbord te moeten inleveren
hij boorde
verder naar een lichtpunt en een doorbraak.
'Hard werken voor jezelf alleen maakt je nooit minder bedreigd of
ongelukkig, het is gewoon een kwestie van zelfhandhaving. Ook de
Kerk kan zwoegen en offers vragen om zichzelf recht te houden en
ze kan bekoord worden de methoden van de wereld te hanteren:
procedureslagen, lobbywerk, compromissen met politieke leiders,
geld beleggen in minder morele sectoren, enz
Het resultaat
ziet er soms vanbuiten schitterend uit zoals de Sint Pieters te
Rome bij voorbeeld, maar is in feite bedroevend: de Kerk houdt zo
telkens op een ontmoetingskans te zijn voor mensen met God en
mensen met medemensen, ze wordt dan maar een gewone instelling.
Ik geloof dat de Kerk als grote instelling van meer dan één
miljard leden het niet slechter doet dan andere, maar voor het
label 'godsdienst' is dat niet genoeg! '
Een eerlijk olijk warhoofd had moeilijkheden met de waarheid van
al die geloven in een bonte stad als Antwerpen.
De priester voelde dat het ergste voorbij was
'Toen wij nog braaf binnen de muren van onze burchten, steden en
dorpen bleven werd er niet zoveel over de waarheid van de
godsdienst gepiekerd: de godsdienst kwam met de moedermelk, werd
van wieg tot aan het graf gepratikeerd en de gewone man had aan
de studie en de geloofsverdediging niet veel boodschap. Als er al
kritiek op de godsdienst kwam, dan was het omdat pastoors,
kloosterlingen en andere christenen in de fout gingen: leve
Christus, amaai de christenen! Nu pratikeren minder gedoopten hun
godsdienst, maar velen lezen en spreken over het cultuurimpact
van de godsdiensten en zelfs is een vulgariserende vergelijkende
godsdienstwetenschap erg in trek. Soms gaan vrijzinnigen
godsdiensten vergelijken, soms ook religieus bewogen mensen, die
zich een geestelijk cocktail maken. Ja op dit ogenblik krijgt ook
de verkondigde Christus het erg te verduren. Ik vond de actuele
sfeer goed terug in een graffito op een kerkelijke affiche in
Bombay met de tekst: "Jezus is the answer!". De
graffitispuiter had erop geschreven: "What was the question?".
Jezus wordt ervaren als medestander, tegenstander en
buitenstaander! De wereld van vandaag nodigt ons uit tot eerbied
voor het anders-zijn van anderen en godsdienstvrijheid en dat is
onmiskenbaar een historische vooruitgang, maar als een
maatschappij haar leden gaat verplichten hun geestelijke bronnen
te overwelven, ze louter privé-aangelegenheid te laten worden en
een anomalie in het nieuwe Europa, dan zijn wij te ver gegaan en
zonder wortels!'
Een filosofische knaap wou eens weten of de priester zelf wel
gelukkig geworden was door zijn godsdienst met zijn geboden en
verboden, zijn uitdagingen en oproepen allerhande:
'Ik vind het heel normaal dat jij ervoor gaat om je Kerk te
verdedigen: het is tenslotte je levenswerk en je hebt er veel
voor over, maar ben jijzelf er gelukkig door geworden?'
Die vraag was zo bevrijdend en bracht duidelijk allen dichter
bijeen.
'We moeten ons niet gelukkiger voordoen dan we zijn', zei de
priester. 'Het leven is niet steeds een hemel op aarde!'
Hij wou volledig zijn om niet verkeerd begrepen te worden:
'Als geluk verstaan wordt als een licht gevoel, dat ons in de
wolken voert, dan vertrouw ik zo'n Halleluia-gevoel niet als echt
geluk, maar het kan best eens leuk zijn! Geluk is ook iets onafs,
een zwangerschap van wat nog geboren gaat worden. Geluk is het
aanvoelen dat je met je leven in een goed perspectief zit. Geluk
maakt van grote risico's reuze kansen. Geluk is thuiskomen in het
gehele huis van het leven van de kelder tot de zolder! Geluk is
de ervaring van het vooruitgaan onderweg en het altijd opnieuw
mogen beginnen als men op een dwaalspoor kwam: altijd weten dat
schatten van mensen en een kei van een God jou kunnen vergeven!
Van dat alles vind ik veel terug in mijn christelijk geloof en in
mijn onderweg zijn met tochtgenoten van mijn Kerk. De grote
dwaasheid van geestelijken en vrome mensen is, dat zij er niet
steeds voor uitkomen dat men ook als gelovige heel ongelukkig kan
zijn en dat je meermaals de stilte, God en medemensen nodig hebt
om niet af te haken!
Je mag je medemensen niet bedotten en ontmoedigen door
schijnheiligheid, maar ook niet door schijngeluk of een commerciële
kerkelijke spot van opgevoerde positiviteit!'
Het liep op zijn einde ... de jongeren vonden het fijn dat
priesters ook gewone mensen zijn en dat zij het ook zo slecht
niet voorhadden.
De 'Wat mag het zijn?' werd geen volksverlakkerij, maar een
ontspannend gebaar!
God had erbij moeten zijn!
J.M. Willem.
God en de oorsprong van het leven.
Is er een God?
Een computerprogramma op CD rom bevat allerlei informatie en
uitvoeropdrachten voor de computer.
Als ik de CD in de driver stop gaat de computer de opdrachten
uitvoeren en wordt het programma opgestart.
Als ik u nu probeer wijs te maken dat alle informatie op de CD er
gewoon toevallig op terecht gekomen is, ja dat zelfs de CD
toevallig ontstaan is, verklaart u mij waarschijnlijk ter plekke
voor gek. (en terecht)
Maar nu het volgende voorbeeld, de geboorte van een mens.........
Als de bevruchting van een eicel door een zaadcel heeft
plaatsgevonden begint het wonder van de celdeling. Cellen
beginnen zich te delen en hun aantal neemt snel toe. Cellen gaan
weefsel vormen, weefsel dat spierweefsel wordt, of kraakbeen, of
hersenweefsel, of huid.
Hoe 'weten' die cellen wat ze moeten worden? Hoe 'weten' ze welke
plaats ze in het lichaam uiteindelijk moeten innemen? Ze weten
dat kennelijk heel goed, want alles komt keurig op zijn plaats
terecht.
Cellen hebben dus een vorm van 'kennis', een hoeveelheid
informatie in zich, die hun ontwikkeling stuurt in tijd en ruimte.
Hoe komen die cellen aan die informatie? Is het net zoals bij het
voorbeeld van de CD rom er zo maar toevallig op terecht gekomen?
Het antwoord op deze vraag lijkt niet al te moeilijk.
Toch lopen er miljoenen mensen op deze aarde rond, die werkelijk
geloven dat het leven puur toeval is en dat er geen God aan te
pas gekomen is.
Hoe is het mogelijk dat mensen zich een computerprogramma niet
voor kunnen stellen zonder programmeur, maar het oneindig veel
grotere wonder van het menselijk leven wel.
De Bijbel zegt het zo:
'De mensen kunnen heel goed weten dat God er is. Hij
heeft het hun zelf bekendgemaakt.
God is wel onzichtbaar, maar Zijn werk -alles wat Hij geschapen
heeft- bewijst Zijn eeuwige kracht. Want sinds het ontstaan van
de wereld is Zijn bestaan duidelijk te herkennen uit wat Hij
gemaakt heeft. Daarom hebben de mensen geen enkele
verontschuldiging. (Romeinen 1: 19,20)
Maar wie is de echte God?
In onze tijd van tolerantie en verdraagzaamheid is de gedachte
dat alle godsdiensten naar dezelfde god leiden een heel prettige.
Maar is het ook waar? Op geen enkel terrein in het leven nemen we
dit standpunt in. Geen enkele leraar is tevreden wanneer een
leerling zegt: 'Het maakt niet uit welk antwoord ik geef, ze
komen in wezen allemaal op hetzelfde neer.'
Geen enkele politieke partij zal in zijn programma verkondigen
dat het eigenlijk niets uit maakt waar je op stemt omdat alles
toch op hetzelfde neerkomt. Een blinde man die aan de rand van de
afgrond zit, krijgt toch ook niet het advies dat het niet
uitmaakt welke kant hij opgaat, omdat alle wegen naar hetzelfde
doel leiden?
Is het dan wel zo aannemelijk dat alle godsdiensten ons bij
dezelfde God brengen?
Ze zijn immers zo verschillend, zo tegengesteld aan elkaar?
In het hindoeïsme is het goddelijke meervoudig en onpersoonlijk.
De God van de islam is enkelvoudig en onpersoonlijk.
De God van de christenen is de Schepper van de wereld, in het
boeddhisme is het goddelijke niet scheppend en niet persoonlijk.
Grotere tegenstellingen zijn nauwelijks denkbaar.
Het christelijk geloof leert dat God ons vergeeft en bijstaat.
In het boeddhisme bestaat geen mogelijkheid op vergeving en geen
hoop op bovennatuurlijke bijstand.
Daarin is het doel van ieder bestaan het nirwana, het opgaan in
het niets. De Boeddha zelf bereikte dit pas na niet minder dan
547 reïncarnaties.
In het Christelijk geloof is het doel van alle bestaan God te
kennen en zich in Hem te verlustigen voor eeuwig.
In het hindoeïsme worden veel godenbeelden gebruikt, in het
jodendom is dat juist verboden.
De islam staat toe dat een man vier vrouwen heeft, in het
christendom maar één.
Maar het grootste verschil is toch wel dat de mens volgens de
Bijbel nooit zichzelf kan verlossen, terwijl alle andere
godsdiensten beweren dat een mens wordt verlost door zich te
houden aan een bepaalde gedragscode.
Openbaring van God
Als er een God is dan is hij de bron van ons
bestaan en de bron waaruit alles voortkomt.
Dan is Hij de Heer van alle leven. Hoe kan een nietig mens ooit
tot Hem opklimmen of Hem ooit doorgronden?
Dat kan natuurlijk niemand. Onze enige hoop is dat Hij op de een
of andere manier Zelf laat zien wie Hij is. Alleen de Bijbel
beweert dat een dergelijke openbaring heeft plaatsgevonden.
In het Oude Testament kregen de mensen zicht op de waarheid
omtrent God. Ze merkten zijn liefde en hoorden zijn woorden;
eerst vaag maar gaandeweg steeds helderder. Op een gegeven moment
was alles klaar voor God om zichzelf op definitieve en
beslissende wijze bekend te maken, namelijk in de komst van zijn
zoon.
Vanaf dat moment is Hij niet langer de onbekende God. 'Niemand
heeft ooit God gezien, maar de eniggeborene, die zelf God is,
heeft Hem bekend gemaakt.' (Joh. 1:18)
Redding
De Bijbel leert dat wij van nature zelfzuchtig
zijn, dat we niet afgaan op een helder licht maar dat we keer op
keer juist de rug toekeren aan het licht of het zelfs proberen te
doven.
De Bijbel zegt ons dat er een 'kronkel' in ons diepste wezen zit,
die maakt dat we het verkeerde doen zonder dat we ons best ervoor
hoeven te doen.
Als dat zo is, dan hoeven we niet te denken dat we ooit God
kunnen bereiken. Geen enkele godsdienst kan de kloof tussen de
heilige God en de zondige mens overbruggen. De enige hoop die
voor ons overblijft, is dat God zelf ons komt redden.
Dan moet God ons niet alleen laten zien wat voor Iemand Hij is,
maar ook een weg openen waarlangs opstandige mensen terug kunnen
komen bij Hem. Dan moet Hij het mogelijk maken dat wij, die ons
vijandig opstelden en onze eigen wegen verkozen, met Hem verzoend
worden.
Alleen de Bijbel vertelt ons dat zo'n God bestaat en dat Hij een
verlossing heeft ontsloten.
De kruisdood van Christus is de manier waarop een rechtvaardige
God onze zonden en zwakheden kan vergeven.
Hij droeg zelf de straf.
Er is niets anders wat hier op lijkt
Het christendom is totaal anders dan welke
godsdienst dan ook. In welke andere godsdienst ter wereld is er
sprake van een God die zelf zorgt voor de redding van zijn volk
door persoonlijk de verantwoordelijkheid van hun zonden op zich
te nemen en voor hen te sterven?
Maar dat is nog niet alles. De God die zichzelf geopenbaard heeft
en ons ook gered heeft, heeft dat met een bepaald doel gedaan.
Hij wil met ons omgaan. En hier begint de opstanding een rol te
spelen. Jezus Christus is geen dode figuur uit een
geschiedenisboek, die al tweeduizend jaar uit de running is. Hij
leeft, en we kunnen met Hem omgaan. Dit is geen sprookje, maar
een geweldige werkelijkheid.
De Bijbel leert ons dat wij een persoonlijke relatie met de
schepper van hemel en aarde kunnen krijgen, is dat geen super
opwindende gedachte? Vaak hoor je dat geloven zo saai is, maar
klinkt het voorgaande u zo in de oren?
Nee, echt Christendom is allesbehalve saai, het is het meest
opwindende en dynamische leven dat er bestaat.
EVOLUTIE :
IS HET EEN GROTE LEUGEN ?
Sinds Charles Darwins boek "De oorsprong van de soorten"
in 1859, is de evolutieleer in gans de Westerse cultuur op grote
schaal verspreid geworden en nog steeds wordt zij gepropageerd
via de media, in de cultuur, in het onderwijs; zelfs meerdere
theologen zijn deze leerstelling bijgetreden ondanks duidelijke
tegenspraak van de evolutieleer met het leergezag van de Kerk.
Het ontbreken van elke wetenschappelijke grond voor de
evolutieleer leidt tot de conclusie dat wanneer mensen er in
blijven geloven, zij dit doen om filosofische redenen en niet om
wetenschappelijke redenen, m.a.w. het willen ontkennen van de
scheppingsleer.
De evolutieleer steunt op volgende beginselen:
Het heelal zou ontstaan zijn uit een materie (gasvormig) waarvan
de oorsprong als niet gekend wordt aangegeven. Die materie zou
vervolgens geëxplodeerd zijn en het hele heelal puur bij toeval
voortgebracht hebben. Deze explosie heeft men de "big bang"
genoemd.
Vervolgens zou er leven ontstaan zijn als gevolg van chemische
reacties. De aanvankelijk zeer elementaire levensvormen zouden
gaandeweg veranderd zijn in complexere gehelen, te weten: algen,
ongewervelde dieren...
In de loop der tijden zouden vervolgens door veranderingen,
vissen, amfibieën, reptielen, dinosaurussen, zoogdieren enz.
ontstaan zijn. De mens tenslotte zou op dezelfde manier zijn
ontstaan, enkele miljoenen jaren geleden uit een of andere
aapachtige voorouder.
Dit proces zou miljarden jaren geduurd hebben. Het werd
onderverdeeld in grote tijdvakken die hoofdtijdperken genoemd
werden zoals bv. het Mesozoïcum dat drie perioden omvat, nl. het
Trias, het Jura en het Krijt.
De evolutieleer gaat er dus van uit dat het heelal miljarden
jaren oud is; dit is immers nodig om de hypothese van de
geleidelijke vorming aannemelijk te maken.
De boeken die de onjuistheid van deze evolutietheorie aantonen,
rijzen de laatste jaren als paddestoelen uit de grond.
Blijkbaar wordt het voor steeds meer wetenschappers een
uitgemaakte zaak.
Een bijzonder te vermelden boek op dit gebied is het werk van een
befaamde Amerikaanse professor: Michael J.Behe, nl. : 'Darwin's
Black Box; The Biochemical Challenge to Evolution" (De
zwarte doos van Darwin - het biochemisch vraagteken bij de
evolutie). In dit boek stelt hij dat Darwin nog geen enkel benul
had van de ingewikkelde, biochemische structuren en processen van
de cel. De cel was dus voor Darwin nog een 'zwarte doos'.
De complexe celprocessen en structuren konden pas vanaf de jaren
1950 door het gebruik van o.a. de elektronenmicroscoop ontrafeld
worden. Volgens Behe zijn ze allen 'onherleidbaar complex' en
kunnen niet ontstaan zijn door een niet-intelligent proces, dus
niet door mutaties en natuurlijke selectie zoals de
Darwinistische evolutietheorie beweert. Alhoewel Behe geen
creationist is (scheppingsleer), argumenteert hij toch dat al
deze complexe cellulaire mechanismen doelbewust zijn ontworpen
door God of door een andere zeer intelligent wezen...
Bijzonder te vermelden is het in 1997 verschenen boek in het
Nederlands taalgebied, van Peter M. Scheele: "Degeneratie"
- het einde van de evolutietheorie - De schrijver beperkt zich
hier tot de kern van de evolutieleer. Namelijk : kunnen door de
bekende mechanismen zoals mutaties, natuurlijke selectie,
genetische isolatie, enz., nieuwe genen ontstaan? Het antwoord is
een klaar en duidelijk NEEN. Macro-evolutie, het ontstaan van
nieuwe soorten (typen) in de loop van de tijd is onmogelijk. Het
slot van het eerste deel van het boek is dan ook een 'aanklacht'
tegen 'meester-oplichter mutatie' en een open brief aan Darwin.
Over de ouderdom van de aarde
Een van de basisprincipes van de evolutietheorie
is de hoge ouderdom van de aarde die ongeveer 4,6 miljard jaar
zou bedragen. Deze tijdspanne was broodnodig om het ontstaan van
het leven in al zijn vormen te verklaren, want indien de aarde
jong is dan is evolutie onmogelijk.
Veel geologen baseren zich nog steeds op de radiometrische
opmetingen voor het bepalen van de ouderdom van gesteenten.
Sedert de diepgaande studie van Dr.Andrew Snelling (USA 1998) is
duidelijk gebleken dat de K-Ar dateringen, één der zogenaamd
meest betrouwbare en meest gebruikte radiometrische methoden, op
zijn zachtst gezegd, onbetrouwbaar zijn.
Dit wordt trouwens bevestigd door de '70 argumenten voor een
jonge aarde' zoals die werden geformuleerd door Henry Morris en
het boek "The Young Earth" door dr.John Morris.
Een interessant feit op dit vlak was het ontdekken in 1988 in
Montana (VSA) van een Tyrannosaurusskelet dat voor 90 % volledig
was. Het werd onderzocht door wetenschappers van het Museum van
de Staatsuniversiteit van Montana. Hun verbazing was enorm toen
bleek dat de beenderen nog niet volledig gefossiliseerd (versteend)
bleken te zijn. Verder onderzoek bracht de aanwezigheid aan het
licht van rode bloedcellen. Een onmogelijk iets voor een
tyrannosauriër die geacht wordt minstens 65 miljoen jaar oud te
zijn...
Het belang van deze vondst kan moeilijk overschat worden. Het
zijn duidelijk aanwijzingen voor een jonge ouderdom van die
dinosauriërs, hoogstens enkele duizenden jaren!
Volgens de evolutieleer zou de dinosaurus geleefd hebben 60
miljoen jaar vóór het verschijnen van de mens. Ook dit is
volkomen onjuist. Er zijn vele oude geschriften, fresco's en
verhalen in culturen die vreemde wezens beschrijven. Vaak noemt
men deze 'draken' en de beschrijving ervan lijkt zeer veel op die
van een dinosaurus.
Een ontdekking die de doorslag gaf was het vinden van afdrukken
van dinosaurussen in de nabijheid van afdrukken van mensen; dat
gebeurde in Mexico en in verschillende staten van de VS.
Toen geologen deze zagen waren ze zeer verrast. Het kalksteen
waarin men deze vond, is een gesteente uit het Krijt, een
tijdperk waarin de mens volgens de evolutieleer geacht wordt niet
te bestaan. Verder onderzoek kon enkel de gedane vaststelling
bevestigen: de miljoenen jaren die de mens van de dinosaurus
scheiden bestaan slechts in de mythe van de evolutieleer.
Voor de plots verdwijning van de dinosaurus heeft de evolutieleer
evenmin een steekhoudende verklaring.
Als men de verschillende generaties van Adam tot Abraham en zo
verder optelt, dan komt men tot ongeveer 4000 jaar vóór
Christus voor het ontstaan van de Schepping.
Naast dit belangrijk Bijbels argument is er ook een historisch
argument. Er zijn immers nog heel wat andere oude historische
geschriften, los en onafhankelijk van de Bijbel.
Bij meer dan 200 oude volkeren, verspreid over gans de wereld,
vinden we verhalen over de grote watercatastrofe in het verleden
(de zondvloed).
De historicus Bill Cooper bericht hierover in zijn boek 'After
the Flood' hoe de oude Ierse Kelten (dus vóór de
christianisatie) geschriften hadden met stambomen die teruggingen
tot Jafeth, Noach en Adam en dat ze tevens een eigen tijdrekening
hadden die omgerekend de schepping plaatste op ongeveer 4000 vóór
Christus... Dit voorbeeld is trouwens niet het enige.
Verder bestaan er ook wetenschappelijke argumenten die duiden op
een jonge leeftijd van de aarde.
De tussensoorten
De tweede steunpilaar van de evolutieleer is het
bestaan van de zgn. "tussensoorten"; zij worden geacht
de verbindingsschakel te hebben gevormd tussen de bekende soorten
en een gemeenschappelijke voorouder.
Lange tijd heeft men beweerd dat de schakel tussen vissen en
amfibieën een vis was die behoorde tot dezelfde familie als de
coelacant. Fossielen van de coelacant laten kenmerkende kopvinnen
zien.
Evolutionisten beweerden dat deze uit het water kwam met behulp
van zijn vinnen. Volgens hen leefde deze vis 60 miljoen jaar
geleden. In 1938 vond men hem levend en wel in de Indische Oceaan!
Verdere onderzoekingen bevestigden dit en toonden aan dat deze
vis hoegenaamd geen
zeldzaamheid is.
Het geval van de coelacant is trouwens niet het enige. Er zijn
namelijk wezens die vandaag rondlopen, vliegen, zwemmen of
kruipen en die bijzonder sterk gelijken op fossiele
overblijfselen die men terugvindt in de gesteenten en waarvan de
evolutionisten beweren dat ze honderden miljoenen jaren oud zijn.
Deze vandaag nog levende wezens noemt men daarom 'levende
fossielen'.
Darwin was zich trouwens reeds bewust geworden van het gevaar
hiervan voor zijn theorie.
Een andere leugen van de evolutieleer betreft de overgang van aap
naar mens : de aapmens.
Volgens de evolutieleer immers stamt de mens af van de aap door
toevallig en willekeurig optredende natuurprocessen. Ondanks
duidelijke bewijzen van het ongerijmde van deze theorie wordt zij
nochtans in de media en het onderwijs als vrijwel zeker
verkondigd.
Enkele voorbeelden.
* de Piltdown-mens
De schedel hiervan kreeg gedurende veertig jaar een
belangrijke plaats in het British Museum.
Honderden doctorandi promoveerden op dissertaties over de "Piltdown-mens".
Het duurder meer dan dertig jaar eer wetenschappers zich bewust
werden van de waarheid. Op een gegeven moment kreeg men door dat
de kaak afkomstig was van een orang-oetang. Deze was bijgevijld
zodat ze op een menselijke schedel paste. De tanden waren
afkomstig van mensen maar ook deze waren bijgevijld zodat ze op
de tanden van een aap leken.
* de Neanderthaler
De talrijke vondsten hiervan hebben tot heel wat
discussies geleid. Uiteindelijk kwam men tot de bevinding dat het
gewoon een mens betrof. Geleerden schreven in hun verslag dat een
modern geschoren, gewassen en geklede Neanderthaler in deze tijd
niet zou opvallen.
De door Dr. John Cuozzo verzamelde gegevens tonen duidelijk aan
dat de Neanderthaler-mens in feite de mensen van hoge ouderdom
zijn die beschreven staan in de Bijbel.
* de Nebraska-mens
De Amerikaanse paleontoloog Dr.Henry Fairfield Osborne
beweerde in 1922 de "ontbrekende schakel" gevonden te
hebben. Bij nader inzicht bleek het enkel om een tand te gaan...
waarrond Osborne een kaak had getekend en zo uiteindelijk het
hele individu had "gereconstrueerd". Toen ze deze tand
nader onderzochten kwamen verstandigere wetenschappers (in 1927)
tot de conclusie dat deze afkomstig was van een uitgestorven
varken...
* de Pithecanthtropus.
Hier gaat het over een andere vondst waarmee een "aapmens"
kon worden gereconstrueerd op grond van een zgn. perfecte schedel.
Na nauwkeurige bestudering moest men toegeven dat het enige bot
dat ten grondslag lag aan deze "wetenschappelijke
vooruitgang", een knieschijf van een olifant was....
Uit deze voorbeelden blijkt eens te meer hoezeer het
evolutionistisch begrip "mutanten" bedrog is.
De waarheid over de "zondvloedcatastrofe"
Tot ongeveer de jaren 1800 was het feit van de
zondvloed een algemeen aanvaarde verklaring voor het ontstaan van
de bovenste aardlagen en de fossielen die men erin terugvindt.
Fossiele resten van planten en dieren heeft men reeds in groot
aantal en dikwijls goed bewaard teruggevonden, hetgeen
duidelijk wijst op een snelle begraving.
Prof.F.Hibben beschrijft hoe o.m. in Alaska a.h.w. massagraven
werden aangetroffen vol dierlijke beenderen en resten. (mammoets,
mastodont, bizons, paarden wolven, beren en leeuwen....)
Dergelijke vondsten vindt men trouwens in elk werelddeel.
In het bevroren toendraslijk dat op meerdere plaatsen in Siberië
meer dan duizend meter (!) dik is, vindt men veel aanwijzingen
van de catastrofale vernietiging van honderdduizenden dieren, ter
plekke bevroren en overweldigd door een immense vloed.
Een typisch voorbeeld zijn de vondsten van de mammoets waarvan
het (diepgevroren) vlees soms nog zo goed bewaard is dat het
perfect eetbaar is.
In hun maag vindt men dikwijls de overblijfselen van grassen en
bloemen die wijzen op een zacht klimaat vóór de zondvloed.
Dergelijke drastische en plots klimaatwijziging van subtropisch
tot arctisch, is enkel te verklaren door het plotseling
neerstorten van de watermantel die zich oorspronkelijk rond de
aarde bevond.
Het bestaan van deze watermantel wordt o.m. bevestigd door
meerdere wetenschappers o.a. Prof.Joseph C. Dillow - "The
waters Above"
Deze watermantel zorgde voor een gelijkvormig zacht klimaat over
ganse de aarde.
Een dergelijke watermantel bestaat trouwens nog steeds op de
planeet Venus die zonder grote luchtturbulenties zorgt voor een
gelijkvormig klimaat van pool tot evenaar.
Geologen weten aan de hand van waarnemingen in de meeste
gesteenten, dat ons klimaat vroeger veel warmer is geweest en dit
over gans de aarde.
Zo vindt men steenkoollagen in de ondergrond van de meeste
werelddelen. Deze lagen getuigen van een subtropische rijke
plantengroei (fossielen). Ook de dierenwereld was veel rijker en
weelderiger. (reuzereptielen, dinosauriërs...)
De hoge partiële zuurstofdruk verklaart ook de grote afmetingen
van insecten, ongewervelde en gewervelde dieren. Mogelijk is dit
ook een verklaring voor de hoge ouderdom van de aartsvaders.
Datum?
Volgens Dominique Tassot, burgerlijk
mijningenieur en auteur van het boek: "A l'Image de Dieu, Préhistoire
Transformiste ou Préhistoire Biblique", volstaan enige
kennis van de bevolkingsgroei en enkele berekeningen om te kunnen
stellen dat de zondvloed is opgetreden in de 24 ? eeuw vóór
Christus.
Ook andere studies over de bevolkingsgroei wijzen naar een totale
ouderdom van 5 à 6000 jaar voor de afstamming van de huidige
wereldbevolking van één ouderpaar.
Deze statistische schattingen staan in schril contrast met de
ouderdommen die door de evolutieleer worden voorgesteld. Deze
variëren van 30.000 jaar voor de Homo Sapiens - 300.000
jaar voor de Neanderthaler die evengoed reeds zijn doden begroef,
kon spreken en werktuigen maakte, en bijna 2.000.000 voor de Homo
Erectus.
Indien deze evolutionistische ouderdommen juist zouden zijn, dan
zouden er nu evenveel mensen zijn als bacteriën!! En indien al
die mensen ooit op aarde zouden hebben geleefd, waar zijn dan hun
fossiele overblijfselen?
Conclusie
Deze beknopte samenvatting van de bijzonderste
aspecten van evolutie- en scheppingsleer bevat geen antwoord op
alle vragen die men zich in verband met dit boeiend onderwerp zou
kunnen stellen. Daarvoor verwijzen wij dan ook naar de
bronvermelding hierna.
Samengevat kunnen we zeggen dat de evolutietheorie niet meer is
dan een hypothese. Zij wordt echter nog steeds opgedrongen als
een realiteit zowel in de schoolboeken als in de media, in musea,
vakliteratuur enz.
Het werkelijke doel van de evolutietheorie is niet enkel het
ontkennen dat er een schepping is geweest maar vooral het bestaan
van de Schepper.
_______________________________________________________________
1 "Big bang": reeds tientallen jaren zitten astronomen
hierover met de handen in het haar want bepaalde ontdekkingen
hebben aangetoond dat deze theorie niet klopt.
Astronoom W. Kaufmann formuleerde dit duidelijk als volgt: "Als
deze (ontdekkingen) juist zijn, dan stort een van de pijlers van
de moderne sterrenkunde en kosmologie in elkaar met een
verwarring zonder voorgaande sedert Copernicus."
_______________________________________________________________
EVOLUTIE :
EEN THEORIE IN TERMINAAL VERVAL ?
De evolutietheorie is altijd de drijfveer geweest achter de
interpretatie van veel wetenschappers sinds Darwin deze leer in
1859 introduceerde in zijn boek 'Origin of Species', in het
Nederlands 'Over het ontstaan van soorten'.
Het wordt alom geaccepteerd als de enige rationele verklaring
voor het ontstaan en de ontwikkeling van het leven. De meeste
mensen beschouwen het als een vanzelfsprekende waarheid. Maar
wist u dat steeds meer wetenschappers uit vrijwel alle
wetenschapstakken de ware grondbeginselen in twijfel trekken?
Over deze kwestie bestaat veel onenigheid tussen religie en
wetenschap, met name als het gaat om opvoeding. Wetenschappers
beschouwen degenen die volharden in een bijbelse verklaring als
primitieven, vastberaden hun kinderen volgens de donkere
Middeleeuwen op te voeden. Aan de andere kant schilderen zij die
volharden in een bijbelse verklaring van de Schepping de
wetenschappers af als goddeloze atheïsten, wat de meeste
wetenschappers overigens niet zijn.
Wat moet een gemiddeld persoon met de gebeurtenissen in deze
arena, waar meer hitte dan licht voortgebracht lijkt te worden?
Wij willen u helpen bij uw zoektocht naar het waarom. Waarom
vinden sommige wetenschappers dat de Evolutietheorie barsten
vertoont en waarom is de bijbelse verklaring, mits juist geïnterpreteerd,
essentieel voor ons inzicht in wie wij zijn en waar wij vandaan
komen.
Dient evolutie een theorie te zijn?
Op basis van haar aard moet wetenschap gebaseerd zijn op
kennis. Kennis is gebaseerd op feiten. Maar van de feitelijke
basis voor evolutie ontbreekt, op zijn zachts gezegd, elk spoor.
Kennis neemt toe in alle takken van de wetenschap, maar er zijn
daarentegen steeds minder harde bewijzen voor evolutionaire
mechanismen. De gehele grondslag van de theorie wordt nu in
twijfel getrokken door bepaalde evolutionisten zelf.
Volgens de eigen normen van de natuurwetenschap is het begrip
evolutie niet krachtig genoeg om als een theorie beschouwd te
worden; het is een hypothese. Een hypothese wordt voorgesteld
wanneer er enig bewijs blijkt te zijn dat leidt tot een conclusie.
Het is een manier om te zeggen: "misschien is dit de manier
maar wij moeten meer bewijs hebben". Een hypothese wordt
alleen dan een theorie als het bewijs zeer overtuigend is. Het
bewijs dat evolutie het proces is waarbij leven is ontstaan en
ontwikkeld, is niet overtuigend genoeg. Recente ontdekkingen in
de biologie, scheikunde en andere wetenschappen hebben geleid tot
ernstige twijfels.
Scherpe kritiek.
Evolutie wordt aangevallen op diverse fronten:
1. Het voortdurende gebrek aan bewijs voor macro-evolutie, de
geleidelijke ontwikkeling van soorten in andere soorten over een
zeer lange tijdsperiode (miljoenen jaren).
2. Recente ontdekkingen dat levensvormen van hetzelfde
evolutionaire 'pad' geheel verschillende genen kunnen hebben.
3. Het besef dat micro-evolutie, d.w.z. mutaties binnen
organismen gewoonlijk geen positieve 'evolutionaire' vooruitgang
oplevert maar eerder neigt naar degeneratie van een levensvorm (een
van de redenen voor het uitsterven van vele soorten). Het is
aangetoond dat zelfs positieve mutaties van dit type niet hebben
geleid tot macro-evolutie.
4. De bewustwording dat er onvoldoende tijd is geweest voor het
optreden van complexe evolutiepatronen binnen de aanvaarde
huidige levensduur van het universum, die hebben geleid tot het
huidige leven op aarde.
5. Voortdurend gebrek aan bewijsmateriaal dat 'chemische'
evolutie van leven heeft plaatsgevonden.
6. Steeds meer bewijzen die aantonen dat, mits juist geïnterpreteerd,
de Bijbel niet strijdig is met een wetenschappelijke
interpretatie van de natuurlijke wereld.
7. Het aanhoudende onvermogen van evolutie om een verklaring te
geven voor menselijk denken en zelfbewustzijn.
8. De beperkingen van de natuurwetenschap zelf om het
onverklaarde te verklaren.
Laten we deze problemen eens nader bekijken.
Het gebrek aan bewijs voor macro-evolutie
Macro-evolutie beschrijft het proces waarbij een
levensvorm zich ontwikkelt tot een andere soort, bijvoorbeeld van
aapmens tot mens. De meningen van evolutionisten zijn echter
verdeeld over de manier waarop dergelijke ontwikkelingen tot
stand komen, maar zij zijn het wel eens over het feit dat het
gebeurt. Van oudsher nemen evolutionisten aan dat willekeurige
mutaties in organismen plaatsvinden over een zeer lange
tijdsperiode (gewoonlijk miljoenen jaren) waarbij geleidelijk
nieuwe en verschillende soorten organismen ontstaan.
Logischerwijze zouden ook veel overgangsvormen worden
geproduceerd. In feite zou men verwachten veel meer tussen- of
overgangsvormen in de fossielrecords te vinden dan de
'afgemaakte' vormen. Er zijn echter hellemaal geen
overgangsvormen geregistreerd. Sommigen beweren dat de
fossielrecord niet compleet is en dat slechts een klein
percentage van fossielresten daadwerkelijk wordt gevonden. Als
dit het geval is, blijft het vreemd dat de overgangsvormen,
waarvan er verreweg de meeste zouden moeten zijn, doorgaans
geheel ontbreken.
In de vroege jaren '80 van de vorige eeuw brachten evolutionisten
als Hichings het standpunt naar voren dat evolutie van soorten
tot stand komt door (grote' of 'macro' stappen rechtstreeks van
het ene organisme in het andere. Dat zou voor een deel het gebrek
aan fossiele overgangsvormen verklaren maar veel evolutionaire
wetenschappers, waaronder Richard Dawkins, professor aan de
Universiteit van Oxford, hebben dergelijke opvattingen sceptisch
ontvangen. In zijn boek, The Blind Watchmaker, wordt deze
benadering weerlegd en het Darwinisme sterk verdedigd. Het bewijs
voor 'overgangsvormen' zoals in het Darwinisme wordt verdedigd,
ontbreekt echter nog steeds in de fossielrecords en aanwijzingen
voor het mechanisme voor macro-evolutie zijn nog steeds niet
duidelijk.
Dawkins stelt dat het gebrek aan overgangsvormen kan worden
verklaard door geografische middelen en het 'fossiele gat'. Het
probleem is hier echter dat de gaten lijken te ontstaan daar waar
fossiele overgangsvormen zouden moeten zijn! Om deze moeilijkheid
te omzeilen beweert Dawkins dat een 'extra rijke' fossielenrecord
nodig is om de overgangsvormen op te sporen. Maar dergelijke
vormen zouden talrijker moeten zijn dan 'gewone' fossielen en dus
ook gemakkelijker te vinden? Wij moeten erudiete argumenten niet
het feit laten vertroebelen dat evolutionisten geloven dat,
aangezien evolutie waar moet zijn, er een verklaring moet zijn
voor deze anomalieën.
Maar dat is dus geloof en niet wetenschap, toch?
Onlangs heeft de aan de Universiteit van Auckland verbonden
professor Neil Broom een boek gepubliceerd als antwoord op het
werk van Darwins met de titel 'How Blind is the Watchmaker?'
Broom bestrijd ten zeerste de thesis dat leven het product is van
toevallige gebeurtenissen.
Genetisch bewijs
De darwinistische evolutie verondersteld dat visuele
gelijkenissen in levensvormen het bewijs zijn dat soorten die op
elkaar lijken zich hebben ontwikkeld langs hetzelfde
evolutionaire pad. Dit lijkt logisch, maar recent werken over
genstructuren laten zien dat gelijk uitziende soorten compleet
verschillende genstructuren kunnen hebben.
Neem bijvoorbeeld de cichlide (vis) die voorkomt in de meren van
Oost-Afrika.Cichliden van het ene meer hebben geheel andere
mitochrondriale DNA-reeksen dan de vissen in een ander meer en
kunnen dus niet volgens hetzelfde evolutionaire pad zijn ontstaan.
Bovendien vertonen bepaalde cichlidesoorten in hetzelfde meer
genetische verschillen.
Evolutionisten verklaren dit door te zeggen dat deze
cichlidesoorten meerdere malen onafhankelijk moeten zijn ontstaan.
Maar een dergelijke 'herhaalde' evolutie is niet verenigbaar met
natuurlijke selectie, die plaatsvindt door willekeurig toeval.
Dawkins bespreekt andere voorbeelden van 'herhaalde' evolutie en
concludeert dat ondanks het feit dat de kans op dergelijke
'herhalingen' vrijwel nihil is, het toch 'moet' zijn gebeurd.
Neem bijvoorbeeld de Neanderthaler. Genetici hebben ontdekt dat
mitochondriaal DNA dat werd onttrokken aan overblijfselen van een
Neanderthaler, geen genetische bijdrage heeft geleverd aan de
moderne mens. Mensen en Neanderthalers zijn derhalve geen
gerelateerde levensvormen en mensen kunnen niet zijn ontstaan uit
Neanderthalers.
In lopende genetische onderzoeken worden steeds opnieuw
aanwijzingen gevonden die grote vraagtekens oproepen bij de
evolutionaire werken. Dit bewijsmateriaal moet toch serieus in
aanmerking worden genomen.
Micro-evolutie
Dit beschrijft het proces waardoor variatie in soorten
ontstaat. Dit gebeurt en vormt in feite de basis voor selectieve
voortplanting. Maar ondanks het feit dat micro-evolutie variatie
binnen een soort kan voortbrengen (bijv. poedels, herders en
dalmatiërs binnen het hondenras) en de motor vormt voor de
ontwikkeling van leven, zou er bewijsmateriaal moeten zijn dat
nieuwe soorten kunnen worden geproduceerd. Maar dit bewijs
ontbreekt.
Integendeel, het is afdoende bewezen dat de meeste mutaties
binnen een levensvorm schadelijk zijn en niet leiden tot
'verdere' evolutie maar zelfs leiden tot het uitsterven van
soorten.
Bovendien bestaan tegenwoordig nog een aantal zeer oude
levensvormen op aarde die zich niet verder hebben ontwikkeld
gedurende miljoenen jaren. Het beste voorbeeld hiervan is de
blauwgroene alg. Het is de oudste verschijningsvorm onder de
fossielen en bestaat nog steeds. Minimaal drie miljard jaar is
deze alg onveranderd gebleven.
Indien micro-evolutie daadwerkelijk nieuwe soorten voortbrengt,
is er in het geval van de blauwgroene alg meer dan tijd genoeg
voor geweest maar hier zijn geen enkele aanwijzingen voor.
Diverse andere voorbeelden kunnen worden gegeven, waaronder de
coelacant. Dit is een vis die voorkomt in zee en in de
fossielrecords en zich miljoenen jaren lang niet heeft ontwikkeld
en door wetenschappers als een 'levende fossiel' wordt beschouwd.
De longvis is nog een ander voorbeeld.
De levensduur van het universum
en chemische evolutie
Evolutionisten nemen aan dat het leven is begonnen met
een enkele, eenvoudige cel. Men heeft berekend dat als de meest
eenvoudige levende cel werd opgebouwd uit zijn constituerende
atomen onder volledig ideale omstandigheden, dat de kans dat de
cel zou assembleren één op tien met 100 miljard nullen erachter
zou zijn.
De leeftijd van het universum bedraagt ongeveer 17 miljard jaar
of 5 x 10, met slechts zeventien nullen erachter, seconden.
Onder perfecte omstandigheden, en ervan uitgaande dat pogingen
zijn gedaan om de cel eenmaal per microseconde gedurende het hele
bestaan van het universum te assembleren, zou het aantal kansen
om de cel te vormen 10 met 84 nullen zijn. Vergeleken met de
eerder genoemde kans op het assembleren van cellen, is dit aantal
bijna oneindig te klein om enige kans te geven op een succesvol
assembleren van cellen. De realistische kansen liggen veel
slechter.
Het is dus gewoonweg onmogelijk je een beeld te vormen van een
spontane celvorming door een natuurlijk proces.
Ondanks vele onderzoeken, verschaft ook chemische evolutie geen
realistische antwoorden voor de oorsprong van het bestaan.
Evolutie en de menselijke geest
De grootste uitdaging voor evolutie is waarschijnlijk de
oorsprong van de menselijke geest. Evolutie kan absoluut geen
mogelijke verklaring geven voor het zelf-bewuste menselijke
verstand.
Dieren hebben niet het zelfbewustzijn van mensen; de mogelijkheid
'te weten dat zij weten'; de mogelijkheid naar waarheden te
zoeken voor hun eigen belang; moralen en de waardering van
schoonheid. Deze eigenschappen laten het enorme gat zien tussen
de menselijke geest en die van dieren. Een gat dat evolutie niet
kan verklaren. Dit onderwerp is onlangs uitvoerig besproken door
filosoof Anthony O'Hear, die concludeert dat de evolutietheorie
nooit in staat zal zijn deze dingen te verklaren.
De Bijbel, evolutie en creationisme
Wanneer evolutie volgens eigen wetenschappelijke normen
wordt bestudeerd, komt men tot de slotsom dat het hoogstens een
hypothese is. Een inzichtelijke en briljante hypothese maar bij
lange na geen bewezen feit, of zelfs geen uitvoerbare theorie. Er
is gewoonweg te veel dat nog moet worden verklaard.
Tenzij en totdat de theorie kan worden bewezen, verdienen andere
verklaringen over de oorsprong en ontwikkeling van leven te
worden gehoort. Hiertoe behoort de informatie die wij vinden in
de Bijbel.
Een belangrijke reden voor het feit dat de evolutie door
Christenen en evengoed door ongelovigen wordt geaccepteerd, is de
veronderstelling dat de bijbelse uiteenzetting over de schepping
niet in overeenstemming is met de feiten der natuur, bijvoorbeeld
de overblijfselen van rotsen in de aardkost. Een ander heeft op
zijn beurt een afkeer die hoort bij de eigentijdse mens om een
'hogere macht' dan zichzelf te accepteren.
Maar hier beperken wij ons tot de wetenschappelijke feiten.
De meeste evolutionisten zouden ons de bijbelse verklaring van de
schepping laten verwerpen als een fabel, zonder wetenschappelijke
waarde. Theïstische evolutionisten kunnen suggereren dat deze
uiteenzetting evolutie 'afschildert' als Gods schepping.
Er zijn ook mensen die geloven dat de Bijbel letterlijk moet
worden genomen, woord voor woord, als de manier waarop het heeft
plaatsgevonden. Deze filosofie is het creationisme en wil ons
doen geloven dat het universum en de aarde 6000 jaar geleden, in
zeven letterlijke dagen, werden geschapen. De oorsprong en alle
natuurlijke fenomenen dienen vanuit dit uitgangspunt te worden
verklaard. Indien de argumenten van de creationisten waar zijn,
moeten wij onze opvattingen over de manier waarop wij het
wetenschappelijke bewijs voor de levensduur van de aarde en
natuurlijke processen interpreteren, drastisch herzien. Desondanks
kan men in wetenschappelijke literatuur altijd discussies over
creationisme vinden.
De schrijver van dit artikel is van mening dat de argumenten van
creationisten geen betere verklaring bieden dan evolutionisten.
Er is simpelweg onvoldoende wetenschappelijk bewijs om de
argumenten te bevestigen. Sterker nog, er zijn net als bij
evolutie belangrijke aanwijzigingen die in een geheel andere
richting wijzen.
Creationisme is niet de meest logische of redelijke verklaring en
de meer orthodoxe 'gezond verstand' benaderingen brengen niet per
definitie de Bijbel aan het wankelen.
De bijbelse verklaring van de schepping hoeft niet te worden
verdedigd maar behoeft slechts een juiste interpretatie. Mits
juist geïnterpreteerd stemt deze uitleg overeen met de
wetenschappelijke feiten betreffende de oorsprong en
natuurverschijnsels.
Allereerst moeten wij begrijpen dat het boeg Genesis
oorspronkelijk poëtisch is geschreven, mogelijk zelfs in de vorm
van een lied.
Uitleggers van het Joodse Oude Testament bevestigen dit. De
uitleg dient derhalve niet per se letterlijk te worden genomen.
De Bijbel bevat in werkelijkheid meer dan één verwijzing naar
de Schepping (Psalm 104) De term 'dag' die in de uitleg wordt
gebruikt hoeft niet te verwijzen naar een 24-uurs periode. Het
kan een dag van 24 uur betekenen maar evengoed ook een andere
gedefinieerde of niet-gedefinieerde periode (Genisis 4:3,15)
De Hebreeuwse woorden voor 'avond' en 'morgen' kunnen ook gewoon
'einde van de dag of periode' en begin van de dag of periode'
betekenen, afhankelijk van hoe 'dag' is gedefinieerd. De term
'dag' kan daarom verwijzen naar een niet-gedefinieerde, langere
tijdsperiode.
Als wij deze punten in gedachten houden, wordt de interpretatie
van het boek Genesis veel flexibeler. In deze flexibiliteit is
het, verbluffend genoeg, vrij ongecompliceerd de geologische
bevindingen te harmoniëren met de bijbelse verklaring. Dat kan
bijvoorbeeld in de vorm van een lied.
In de tabel bij dit artikel worden wetenschappelijke feiten met
betrekking tot de geologische bevindingen geharmoniseerd met de
bijbelse verklaring van de schepping volgens Genesis.
Opgemerkt dient te worden dat de hier vermelde harmonisatie geen
geloof hecht aan de evolutietheorie enkel en alleen omdat het om
langere perioden kan gaan. Het is hier niet mogelijk op alle
bijzonderheden in te gaan; de geïnteresseerde lezer wordt
verwezen naar verdere bestaande literatuur.
(De beperkingen van de wetenschap, met betrekking tot evolutie,
de schepping en God, zijn onlangs uitvoerig besproken door Del
Ratzsch, professor in de filosofie van het 'Calvin College', VS.
Hij is groot voorstander van de opvatting dat er geen onenigheid
bestaat tussen enerzijds de natuurwetenschap en haar methoden en
anderzijds het bestaan van God.)
Samenvatting
De opvatting van evolutionisten is vrijwel altijd
geweest: evolutie moet de waarheid zijn dus moeten
wetenschappelijke feiten in het licht van evolutie worden geïnterpreteerd.
Dit klinkt erg als een religieuze geloofsuiting. Het is zeker
niet de wetenschappelijke methode. Zoals we hebben gezien kunnen
een aantal essentiële wetenschappelijke feiten niet op deze
manier worden geïnterpreteerd.
Daarnaast geeft de bijbelse uiteenzetting van de schepping, geïnterpreteerd
in het licht van wetenschappelijke feiten, een geloofwaardige
alternatieve verklaring van het natuurlijke universum en de
natuurlijke geschiedenis van de aarde.
Een reden tot bezorgdheid is dat terwijl evolutionisten hun
geloof in de evolutie volgen, sommige vaak zeer intolerant zijn
ten aanzien van diegenen die vasthouden, dankzij hun geloof, aan
de bijbelse verklaring.
Zoals wij hebben gezien dient aan de bijbelse verklaring, gezien
de lopende wetenschappelijke onderzoeken en de actuele feiten,
minimaal dezelfde status te worden toegekend als aan evolutie.
Bemoedigende recente ontwikkelingen laten zien dat een aantal
mensen in de wetenschappelijke wereld zich dit beginnen te
realiseren.
Verder is er voor Christenen geen reden om zich te
verontschuldigen voor de 'niet-wetenschappelijke' aard van de
uiteenzetting in Genesis. Als dit boek juist wordt geïnterpreteerd,
is het in overeenstemming met de wetenschappelijke feiten en
vormt des te meer een bewijs van het bestaan van God.
| Natuurwetenschap | Genesis | |
| Vorming van het universum door de Big
Bang. Aansluitende evolutie van het fysische universum gedurende miljarden jaren Het eerste tijdperk was het universum in duisternis gehuld. Vorming van de melkweg en het zonnestelsel. Ontbranding van de zon. Der aarde begint te draaien. |
Vers 1: In den beginne schiep God den
hemel en de aarde. Vers 2: ... de aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond. Vers 3: En God zeide: daar zij licht. Vers 4: ... en Hij maakte scheiding tussen het licht en de duisternis... |
|
| Aanwezigheid van water op aarde,
inclusief zeeën, waterdamp. Vorming van het begin van de atmosfeer. |
Vers 6-8: En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren... | |
| Ontwikkeling van de aardkorst. Begin van
de vormingscyclus van korsten. Verschijning van blauwgroene algen. Algen beginnen met verspreiden van zuurstof in de lucht. Begin van fotosynthese. Verschijning van landplanten. |
Vers 9-10: ... dat de wateren van onder
de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge
gezien worde... Vers 11: Dat de aarde groene materie voort zal brengen. Vers 11-13: ... planten en bomen... |
|
| Atmosferische dampen beginnen helderder
te worden; de aard van de atmosfeer verandert geleidelijk. |
Vers 14-19: ... dat er lichten zijn in
het uitspansel des hemels... Vers 16-18: God dan maakte die twee grote lichten... (Deze verzen in historische tijdsvorm; zon en maan waren al eerder gevormd. Opheldering van de atmosfeer zorgde ervoor dat ze beter gezien konden worden.) |
|
| Een grote hoeveelheid levende wezens in
zeeën en zoetwater Cambrium 'explosie' van levensvormen. De eerste vliegende wezens boven de aarde. (insecten, vogels) |
Vers 20: ... dat de wateren
overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende
wezens... Vers 20: ... en vliegende wezens vliege boven de aarde ... Vers 21-22: God schiep de grotere zeedieren. |
|
| Zoogdieren, amfibieën, wezens, reptielen
in wateren. Verschijning van drie klassen wezens en zoogdieren: wilde dieren, tembare dieren, kruipende dieren. Verschijning van mensen. |
Vers 24-25: ... de aarde brenge levende
wezens voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild
gedierte der aarde, naar zijn aard. Vers 26-27: ... laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Vers 28-31: en God schiep den mens ... man en vrouw ... |
|
| Tot nu toe geen nieuw ontwikkelde soorten meer ontdekt. | Gen 2:1-3: Alzo heeft God op de zevende
dag volbracht Zijn werk ... dus Hij ruste. (God's werk van de fysische schepping was voltooid) |
|
God en de oorsprong van het leven.
door Tim Hawthorne.
Sommige mensen zijn misschien bang om toe te geven dat er een Schepper God bestaat, omdat ze niet naïef of onwetend willen overkomen. Die verhalen in de bijbel, zeggen ze, zijn misschien wel goed voor kinderen en eenvoudige mensen in primitieve samenlevingen, maar geschoolde mensen weten toch wel beter, of niet soms?
Als geleerde wetenschappers - die hun leven lang al deze zaken bestudeerden - het idee van een schepper afdoen als een fabeltje, dan weten ze toch zeker wel waar ze het over hebben? Mensen die niet onwetend willen lijken zouden hen toch moeten geloven, of niet soms?
Nee, dat moeten ze niet! Ik ben een wetenschapper en ik
bestudeer mijn hele leven al een deel van de schepping. Niets wat
ik te weten ben gekomen, heeft mij doen betwijfelen dat er een
schepper van ons heelal is die zorgt voor die schepping en voor
ons. Inderdaad, hoe meer ik te weten kom, hoe meer reden ik heb
om dit te geloven.
Ik wil graag mijn standpunt onderbouwen. Ik zal proberen u niet
te overdonderen met feiten, maar, zoals Albert Einstein eens
opmerkte, we moeten dingen zo eenvoudig mogelijk maken, maar niet
eenvoudiger dan ze zijn.
Weet u, zelfs de 'eenvoudigste' levensvormen zijn eigenlijk niet
zo eenvoudig.
Een niet zo eenvoudige cel.
Wat wij zien als een eenvoudige bacteriële cel is in
werkelijkheid een ingewikkelde samenstelling van vele complexe
chemische stoffen.
Bijvoorbeeld, een gemiddelde bacterie heeft ongeveer 2000
enzymeiwitten, elk gebouwd als een kralenketting, waarbij de
kralen aminozuren zijn. Elk eiwit kent zijn specifieke volgorde
van honderden aminozuren, waarvan er uit 20 kan worden gekozen en
dat voor elke kraal van de keten. Twee astronomen, Sir Fred Hoyle
en N.C. Wickramasinghe, maakten een schatting van de kans op het
verkrijgen van een simpele bacteriële cel door willekeurig te
kiezen uit de 20 aminozuren waar eiwitten uit zijn opgebouwd. De
kans om op deze manier per toeval een bacteriële cel te creëren,
is één op 1040.000 - dat is een 10 gevolgd door 39.999
nullen - best een groot getal! Astronomen zijn gewend aan zulke
getallen, maar dit betekend dat het zo goed als onmogelijk is.
Dat het ongeveer net zo waarschijnlijk, in de beroemde woorden
van Hoyle, is als wanneer een wervelwind die door een schroothoop
raast, een Boeing 747 samenstelt.
En we hebben het slechts over één kleine bacterie.
Richard Dawkins beschrijft dit onmogelijk proces in zijn boek
'The Selfish Gene': Op een bepaald moment werd per ongeluk een
nogal merkwaardig molecuul gevormd. We noemen het maar de
'Reproduceerder'. Het was niet meteen het grootste of meest
complexe molecuul die er was, maar hij bezat de ongelofelijke
eigenschap dat hij zichzelf kon reproduceren.
Het lijkt misschien zeer onwaarschijnlijk dat dit per ongeluk zou
gebeuren. Dat was het ook. Het was uitermate onwaarschijnlijk,
maar bij onze menselijke schattingen van wat wel of niet mogelijk
is, zijn we niet gewend om om te gaan met honderden miljoenen
jaren.
In zijn voorwoord probeert Dawkins het prestige van zijn sprookje
te verhogen door het wetenschappelijk te noemen. Maar het lijkt
geenszins, op wat we tegenwoordig weten van het proces waarop
Reproduceerder (DNA) in levende cellen wordt gekopieerd. Het kopiëren
vereist tientallen complexe enzymeiwitten en nog eens tientallen
om de chemische energie voor het proces te leveren. Als u gelooft
dat de Reproduceerder dit alles in zijn eentje kan, dan gelooft u
alles!
Een moeilijke evenwichtsoefening.
Realiseert u zich wel hoe precies de omstandigheden die het leven
mogelijk maken, eigenlijk in evenwicht zijn? Ons fysisch
universum hangt af van vier basiskrachten, of constanten. Deze
zijn de elektromagnetische kracht, de sterke kernkracht, de zwake
kernkracht en de zwaartekracht.
Leven zoals wij dat kennen, zou niet kunnen bestaan zonder water,
dat, zoals u ongetwijfeld weet, een samenstelling is van
waterstof en zuurstof. De waterstof in water zou niet bestaan als
twee van de natuurconstanten niet precies in evenwicht waren. Als
de zwakke kernkracht in de atomen en de zwaartekracht niet
precies correct zouden zijn, dan zou alle waterstof in het heelal
binnen enkele seconden na de oerknal, die door kosmologen wordt
gezien als het begin van alles, omgevormd zijn tot helium.
Koolstof is evenzo noodzakelijk voor het leven en is één van de
stappen in het opbouwproces van alle elementen in sterren. Als de
sterke kernkracht die atoomkernen bindt en de elektromagnetische
kracht tussen geladen deeltjes die atomen bijeen houdt, niet
nauwkeurig in evenwicht zouden zijn, dan zou alle koolstof zijn
omgezet in zuurstof en zwaardere elementen. De wetenschap kan
niet verklaren waarom de natuurconstanten deze specifieke waarden
aannemen, maar we weten dat, als het niet zo zou zijn, het heelal
nooit leven zou hebben voortgebracht en dat wij er niet zouden
zijn om het te bespreken.
Dit nauwkeurig instellen van het heelal wordt het 'antropisch (mens)
principe' genoemd - het idee dat de kosmos is bedoeld om als
habitat voor mensen te dienen. Wijst dit 'afstemmen' op een
schepper die ons vanaf het allereerste begin in gedachten had?
Dit idee moet toch zeker niet achteloos van de hand worden gedaan
als een fabeltje, wanneer zoveel bewijzen de redelijkheid ervan
aantonen. Sommige filosofen die dit idee hebben verworven,
stellen als alternatief voor dat er miljoenen verschillende
heelals bestaan die elk verschillende eigenschappen hebben,
zodat het volstrekt per toeval mogelijk is, dat er één tussen
zit met de juiste omstandigheden om leven mogelijk te maken. Dit
is een redelijk vergezochte gedachte en er zijn weinig bewijzen
om het te ondersteunen. Het is tevens een zeer ingewikkelde
verklaring en er is in de wetenschap een beginsel dat zegt dat de
makkelijkste verklaring die bij de feiten past,
hoogstwaarschijnlijk de correcte is.
Er is niets eenvoudigs aan een grote hoeveelheid heelals!
Het begin.
Men gaat ervan uit dat de aarde 4.500 miljoen jaar oud is en er
is fossielbewijs voor het bestaan van leven in sedimentgesteente
tot zo'n 3.800 miljoen jaar geleden. De eerst levende organismen
lijken bacteriën en algen te zijn geweest.
Hoe zijn zij ontstaan?
Ongeveer 70 jaar geleden wezen Oparine in Rusland en Haldane in
Engeland erop dat een 'primitieve soep' van chemische stoffen
zich als eerste vormde op aarde in een zuurstofvrije (reducerende)
atmosfeer. Zuurstof zou veel van die chemische stoffen hebben
vernietigd. Deze reducerende atmosfeer zou zijn opgebouwd uit
waterstof, waterdamp, methaan en ammonia. Wanneer dit krachtige
mengsel werd blootgesteld aan bliksem en ultraviolet licht zouden
enkele simpelere chemische stoffen van het leven, zoals
aminozuren, ontstaan.
Anderen wijzen er echter op dat de geologische bewijslast
bestrijdt dat zo'n atmosfeer lang genoeg kon hebben bestaan voor
de vorming van een primitieve soep. Sterker nog, het
precambrische gesteente dat het fossielbewijs voor de vroegste
levende cellen bevat, bevat niet de verwachte organische stoffen
uit de soep.
Nou, dat 'kleine probleem' zal degenen die vastberaden zijn het
mogelijk bestaan van een schepper uit te sluiten, niet
tegenhouden. Als de chemische stoffen van het leven niet op die
wijze gevormd werden, werden ze misschien wel gebracht door
meteorieten, waarvan sommige zeker zulke chemische stoffen
bevatten. Men schat dat zware bombardering van het aardoppervlak
door meteorieten zo'n 3.800 tot 4.000 miljoen jaar geleden heeft
plaatsgevonden. Astronomen maken ook melding van kleine
koolstofbevattende moleculen zoals formaldehyde en methylamine,
in de interstellaire ruimte.
Natuurkundige Paul Davies, auteur van het boek 'The Fifth
Miracle' (over de oorsprong van het leven), heeft ook zijn
twijfels over de primitieve soep. Hij beweert dat het leven diep
onder de zee in hete vulkaankraters is ontstaan. Zijn scenario is
net zo waarschijnlijk als alle andere.
Maar hoe waarschijnlijk zijn ze?
Stuart Kauffman kan het idee dat leven voortgekomen is uit het
niet-levende door stuk voor stuk bij elkaar gebracht te worden
door evolutie, niet aannemen. Zijn theorie is dat wanneer het
aantal moleculen in de primitieve soep een bepaalde drempel
overschrijdt, er plotseling een autokatalyserend metabolisme (een
reeks van chemische omzettingen die elkaar in stand houden) zal
ontstaan. Voor hem lijkt het optreden van leven haast
onvermijdelijk. Kauffman schrijft overtuigend, maar geeft toe dat
er tamelijk weinig harde bewijzen zijn.
Alle hoop opgegeven.
Omdat zij ontsteld waren over de kans op het door toeval ontstaan
van leven op aarde, bliezen Hoyle en Wickramasinghe een oude
theorie dat het leven uit de ruimte kwam, weer nieuw leven in.
Bacteriën en virussen, zo beweerde zij, bereikten de aarde en
bereiken de aarde nog steeds in de staarten van kometen.
Kosmische krachten, zo concluderen zij, zijn niet alleen
verantwoordelijk voor de oorsprong van het leven, maar ook voor
sommige aspecten van haar evolutie.
Biologen zijn niet onder de indruk.
Het dubbelhelix model voor DNA van Watson en Crick legde de basis
voor moderne, biochemische genetica. Crick heeft genoeg verstand
van DNA om te weten dat het maken van de eerste levende cel
nagenoeg onmogelijk moet zijn geweest. Hij is daarom van mening
dat het leven opzettelijk naar de aarde is overgebracht door
hoogontwikkelde beschavingen elders in het heelal.
Er zijn geen harde bewijzen voor dit alles en natuurlijk wordt
door het verplaatsen van het probleem van de oorsprong van het
naar de ruimte of de diepste oceanen, geen antwoord verkregen op
de ultieme vraag hoe het in eerste instantie allemaal begonnen is.
Charles Darwin zat er misschien wel dichterbij toen hij het hele
vraagstuk omzeilde. In zijn boek 'The Orgin Of Species' schreef
hij dat 'er leven, met de verscheidene krachten van het leven,
oorspronkelijk in enkele vormen werd ingeblazen of in één ...'
Door wie er werd geblazen, zegt hij niet.
Ontwerp.
Wij hoeven de vraag niet te omzeilen. Eens komen we er misschien achter hoe het
leven is ontstaan, hoe onwaarschijnlijk dat op dit moment ook lijkt. Wij hoeven
de oorsprong van het leven niet te zien als het resultaat van een rechtstreekse
tussenkomst van God. Misschien kwam het door een natuurlijk proces - maar zoiets
kon niet zomaar in elke wereld gebeuren. Alle omstandigheden moeten precies
kloppen en de kansen zijn te groot dat dit het gevolg is
van pure toeval. De fijne evenwichten in de natuurwetten die het
leven mogelijk maken wijzen op een welwillende schepper, die
zowel u, als mij, als de hele wereld in gedachte had.
Als wetenschapper heb ik geen moeite dat te geloven. Het druist
tegen absoluut niets in waarvan ik weet dat het wetenschappelijk
is aangetoond.
Mijn geloof als Christen hangt echter niet alleen af van
wetenschappelijke bewijzen - maar dat is een heel ander verhaal.
(Tim Hawthorne is Emeritus Professor Biochemie aan de Universiteit van Nottingham, Verenigd Koninkrijk.)
God en ons
geloof in Hem.
1. Het Godsgeloof bij de mens.
2. Is God te bewijzen ?
3. Het Godswezen.
4. De verborgen God.
5. Gods persoonlijkheid.
6. Eigenschappen die God met
ons deelt.
7. Eigenschappen die alleen
God heeft.
8. De onbegrensde God.
9. God beminnen.
1. Het Godsgeloof bij de mens.
Het geloof in God is bij ieder mens verschillend.
Niemand weet werkelijk wat 'daarbuiten' is, voorbij de dood,
voorbij de sterren, niet eens de grootste wetenschapper of
theoloog. Alle manieren die we hebben om ons bestaan te
benaderen, van wetenschap tot godsdienst, zijn tenslotte niet
meer dan modellen of paradigma's, en je kiest je eigen paradigma.
Moest het bestaan van God kunnen aangetoond worden door een
wiskundige formule of door een wetenschappelijke proef, dan zou
geloof een wetenschap geworden zijn. Dan zou er ook een exact
beeld van God kunnen gevormd worden. Juist door het transparant
zijn van God kan echter elk mens zijn eigen godsbeeld vormen.
De wetenschap heeft God vervangen, zegt men wel eens. God is
overbodig geworden. Maar vooral in sombere perioden in een
mensenleven gaat men op zoek naar God. Als het weer beter wordt,
wordt God terug overbodig en het zoeken ernaar vermindert
geleidelijk. Bij elke geloofsvorm zijn er onbeantwoorde vragen en
onweerlegbare feiten.
Een paar voorbeelden: Is er een God?
Zo ja, heeft Hij na het scheppen van het universum alle
beslissingen aan zijn schepselen overgelaten of blijft Hij actief
met zijn schepselen bezig?
Zo nee, waarom is er dan 'iets' en niet 'niets'?
Hoe is de zonde in de wereld gekomen?
Wat is de zin van het lijden?
Waarom grijpt God, althans voor onze ogen, niet in?
Wat komt er na de dood?
Als we God gaan vereenzelvigen met het universum, dan kunnen we
stellen dat Hij én ruimte én tijd is. Staat God dan boven dat
alles of is Hij ook gebonden aan deze factoren?
De twee extremen kunnen niet bestaan: een universum zonder God is
niet denkbaar, want dan had er evengoed niets kunnen zijn in
plaats van iets. Anderzijds stelt een universum mét een God ons
niet in staat die God voor te stellen. Dus ligt de waarheid
waarschijnlijk ergens tussenin.
Het feit dat mensen met hun geest de materie kunnen bestuderen en
begrijpen, doet de vraag rijzen:
staat de geest bóven de materie of is de geest zelf materie?
Of ligt ook hier de waarheid tussenin: de geest is materie, die
door evolutie zover gevormd is, dat deze zelf het stoffelijke kan
gaan begrijpen.
Als dat zo is, bepaalt God dan niet deze ordening en hebben wij
dus geen vat op deze gebeurtenissen?
Dan staat het lot van de mens reeds vast vóór zijn geboorte.
Is dat niet zo, dan staat geest werkelijk bóven materie en
blijft deze nog na het afsterven van het lichaam verder bestaan.
Welke argumenten tonen het bestaan van God aan, een God van
liefde en trouw, zoals deze volgens het christendom beleden
wordt?
1. Ieder mens heeft ergens diep in zich een 'gevoel' van wat goed
en wat kwaad is: het geweten.
De beslissing ligt bij hemzelf.
2. Wanneer we de evolutie van het universum, meer
bepaald van het wereldgebeuren nagaan, dan kunnen we een bepaalde
'richting' gewaar worden.
En waar een richting is moet er ook een 'richter' zijn.
3. Ieder mens heeft wel eens een persoonlijke religieuze
ervaring opgedaan waaraan hij zelf geen logische verklaring kan
geven: een visioen, een droom, een bepaalde gebeurtenis, een
voorgevoel,...
Het aantonen van het bestaan van een gekromd heelal, waar tussen
tijd en ruimte een onderlinge band bestaat die afhankelijk is van
massa en energie, kan een God suggereren, die boven dat alles
staat: een God die alles weet en zelf alles is, maar die ons een
zekere vrijheid van beslissen laat, misschien slechts in onze
eigen ogen.
Het is een merkwaardig verschijnsel dat een mens, die zich van
dit alles niet bewust is, die als het ware leeft van de ene dag
op de andere, meestal op discussies over geloof gaat antwoorden:
"Wat doet dat er toe? Laat ons er het beste van maken voor
de tijd dat we te leven hebben."
Er is immers een wijze uitspraak die zegt: "Wie God zoekt
zal niet gelukkig zijn en Hem nooit vinden. Wie zich echter
blindelings aan God toevertrouwt, heeft Hem reeds gevonden."
2. Is God te bewijzen?
Velen verlangen naar een bewijs voor het bestaan
van God. Dat verlangen is echter even dwaas als wanneer iemand
het bewijs voor het bestaan van het licht zou willen leveren. Als
we onze ogen openen, zien we niet het licht, maar de dingen zoals
ze beschenen worden door het licht. Zo zien wij God ook niet,
terwijl alles er in het licht van God anders uit gaat zien. Het
moet daarom niet zozeer gaan om bewijzen, als wel om aanwijzingen
en aspecten.
Honderden jaren hebben de mensen gepoogd te bewijzen dat God
bestaat. Sommige van de argumenten die men gebruikte, kunnen
worden teruggevoerd tot de Griekse filosofie.
A. Het ontologische bewijs
Het ontologische bewijs werd voor het eerst geponeerd door
Anselmus (1033 - 1109).
Het uitgangspunt van de redenering is de definitie van God als
het hoogste dat men zich kan denken.
Als dit denkobject niet bestaat, is een ander, wel bestaand
denkobject groter. Dan zou het denkobject van God niet meer het
allergrootste zijn. Besluit: God bestaat.
Deze bewijsvoering heeft in haar verschillende vormen de
filosofen tot vandaag toe geboeid.
De theologen daarentegen hebben er nooit voor gevoeld. Maar
tegenwoordig beschouwen ook de meeste filosofen het als een
schijnbewijs, op zijn best een stukje abstracte logica. Logisch
kan de definitie dus juist zijn, maar heeft ze nog een raakvlak
met de werkelijkheid?
B. Het kosmologische bewijs
Dit bewijs gaat uit van een Eerste Oorzaak van alle dingen. Niets
van wat wij zien is zijn eigen oorzaak. Al wat wij ervaren heeft
oorzaken die buiten zichzelf liggen en aan zichzelf voorafgaan.
Als er geen Eerste Oorzaak zou zijn die zijn eigen oorzaak was en
uiteindelijk de oorzaak van alle volgende oorzaken, dan zou het
hele causale proces nooit op gang zijn gekomen.
Daarom is er een Eerste Oorzaak, die wij God noemen.
C. Het teleologische bewijs
Het teleologische bewijs neemt, in tegenstelling tot het
kosmologische bewijs, de kennelijke planmatigheid en
doelgerichtheid van de dingen in de wereld in ogenschouw, met
name van de levenloze voorwerpen, die zelf geen intelligentie
bezitten. Levenloze dingen dienen een doel buiten zichzelf, en
zoals een horloge een horlogemaker veronderstelt, zo verwijst de
klaarblijkelijkheid van ontwerp doel van de dingen naar een
doelbewuste Schepper.
D. Het morele bewijs
Dit vraagt naar de bron van onze morele waarden.
Hoe komt de mens aan zijn onderscheidingsvermogen met betrekking
tot goed en kwaad?
Ook atheïsten en agnostici komen op voor eerlijkheid en recht.
Maar de materie kent geen moraliteit. In een zuiver
materialistische wereld zijn er geen normen; zij die over de
macht beschikken, bepalen wat goed en fout is. Het morele bewijs
beroept zich op het gevoel voor zedelijke waarden waar de mensen
blijk van geven en dat, of zij dit nu erkennen of niet, wijst op
het bestaan van een persoonlijke, zedelijke Schepper, die in onze
zedelijke natuur gevoel voor recht en voor plicht tegenover
anderen heeft ingeplant.
De tweede en de derde bewijsvorm hebben een zekere
aantrekkelijkheid, maar zij missen bewijskracht. Geen van beide
bewijst de God van het christelijk geloof of van eender welk
ander geloof. Ze laten verscheidene vragen onbeantwoord: Hoe
weten wij dat de Eerste Oorzaak en de grote Ontwerper één en
dezelfde zijn als de drie-enige God van het christelijk geloof?
Beide bewijzen veronderstellen een zekere onderliggende eenheid
in de wereld, maar kunnen wij het als vaststaand beschouwen dat
alle oorzaken en alle evidenties van planmatigheid en
doelgerichtheid terug te voeren zijn tot één enkel begin?
En wat te zeggen van het bestaan van het kwaad en van het
duidelijke gebrek aan harmonie in de wereld? Als God de Eerste
Oorzaak van alles is, is Hij dan ook de oorzaak van het kwaad?
Sinds Charles Darwins De oorsprong der soorten (1859) moet de
vraag onder ogen worden gezien: hoe ver reikt de
verantwoordelijkheid van de schepselen zelf voor hun aanpassing
aan hun omgeving en dus voor hun karakterstructuur? Deze vraag
maakt zelfs de eerste drie bewijzen vrijwel krachteloos.
Evenmin als het kosmologische en het teleologische is het morele
bewijs doorslaggevend voor het bestaan van God. Maar alle drie
vestigen zij onze aandacht op hetzelfde feit: wij zijn als
schepselen niet volstrekt onafhankelijk. Ons bestaan in de wereld
roept vragen op, waar deze wereld zelf geen antwoord op heeft.
Jezus heeft nooit geprobeerd te bewijzen dat God bestaat, maar
zijn leer vooronderstelt bij zijn hoorders wat Calvijn een
'zintuig voor God' genoemd heeft. Dit gevoel voor God is iets wat
alle mensen eigen is. Daardoor is het mogelijk dat de prediking
van het evangelie gehoor vindt.
Paulus trachtte niet Gods bestaan af te leiden uit de natuur.
Eerder is het zo dat de natuur ons op haar manier op God wijst.
Wij moeten God niet verwarren met iets uit de schepping. Het
tweede, derde en vierde bewijs schieten tekort als het erom gaat
de God van het christelijk geloof te bewijzen: rationele
bewijsvoering kan dat uiteindelijk niet. Maar zij trekken onze
aandacht op enkele van de meest fundamentele vragen die ons
bestaan in de wereld oproept. Het christelijk geloof in de
Schepper beantwoordt aan ons diepste gevoel voor God. Op een
wijze als geen ander geheel van overtuigingen ooit heeft gedaan,
stelt het ons in staat de wereld waarin wij leven te doorzien en
zin te geven aan de evidentie van oorzakelijkheid,
doelgerichtheid en zedelijke waarden die wij allen om ons heen
waarnemen.
3. Het Godswezen.
Wanneer de Heilige Schrift moet zeggen wie God
is, spreekt zij niet met abstracte en ingewikkelde begrippen. De
bijbel spreekt over God in allerlei beelden, soms zelfs in zeer
menselijke (antropomorfe) uitdrukkingen. In de psalmen vinden wij
bijvoorbeeld: · 'Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
· Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind, mijn schild, mijn
behoud en bescherming' (Ps. 18,2-3).
Natuurlijk weet ook de Heilige Schrift, dat men van God geen
beeld kan en mag maken, want Hij is uniek en onvergelijkelijk. Om
uit te drukken dat God verheven is boven al het wereldlijke en
menselijke, noemt de bijbel Hem op vele plaatsen de Heer. Hij is
de Heer-God, de Heer van alle heren, de heerser over de hele
wereld. Het wezen van God is heiligheid en heerlijkheid, die
duidelijk worden in zijn liefde die in Jezus Christus openbaar is
geworden.
4. De verborgen God.
Hoe ver reiken al deze beschouwingen? Blijkbaar
is God geen pasklaar antwoord op onze vragen.
God is een diep mysterie. Hij is geen voorwerp, dat men zoals
andere voorwerpen zou kunnen constateren. God bestaat niet op de
wijze, zoals de dingen en ook de mensen in de wereld bestaan.
Hij is niet ergens 'daarboven'. Zijn mysterie omvat ons van alle
kanten. Daarom is Hij ook niet een 'God-gatenopvuller', die
slechts aan de grenzen van de menselijke kennis op het toneel
verschijnt.
De bijbel noemt Hem de verborgen God, die in het ontoegankelijk
licht woont. Als eindige wezens kunnen wij de Oneindige, die
alles omvat, nooit of te nimmer begrijpen.
Wij kunnen dit mysterie van God ook niet afleiden uit het
mysterie van ons wezen. God is geen maaksel van de mens, geen
zelfgemaakte afgod, geen vervulling van onze eigen wensen en
verlangens. God is pas dan werkelijk goddelijk, wanneer zijn
mysterie dieper en groter is dan het mysterie van de mens.
Ten aanzien van het mysterie van God moeten onze menselijke
voorstellingen van God wel telkens weer opnieuw schipbreuk lijden.
Wij moeten daarom steeds opnieuw op pad gaan en ons geloof
telkens weer verdiepen.
Hoe meer een mens bezig is God te zoeken, des te minder zullen
alle tot nu toe gegeven antwoorden hem als bevredigend voorkomen.
In de bijbel is het meest indrukwekkende voorbeeld hiervan de
figuur van Job. De zwaarste slagen van het noodlot hebben hem
getroffen, hij heeft alles verloren: zijn goederen, zijn familie,
zijn eigen gezondheid. Hij kan God niet meer begrijpen en twist
met Hem.
Tenslotte echter moet hij erkennen: met God kan men niet
redetwisten, God kan men niet doorgronden. De grote mystici
spreken over de 'donkere nacht' waarin de mens door de
godservaring wordt binnengeleid. Deze nacht is het verblindend
licht van God, dat onze ogen verduistert, omdat zij daarvoor te
zwak zijn.
Omdat God een bovenmate groot mysterie is, kan de mens Hem ook
ontkennen. Hij kan aan het mysterie, dat zich in het mysterie van
het eigen leven aan hem voordoet, andere namen geven.
Hij kan het op de meest uiteenlopende manieren benoemen:
alomvattende natuur; materie die zich nog in het stadium van
wording, gisting en voortbrenging bevindt; naamloos en zinloos
niets, zodat ons leven verzinkt in de bodemloze leegte en eindigt
in de woestenij van het niets. God is dus niet slechts een
antwoord, maar ook een vraag aan ons. Hij vraagt ons, hoe wij het
mysterie van ons leven willen verstaan: als hoop op een
toekomstige voleinding die wij zelf tot stand moeten brengen, als
gril van het noodlot, als vluchtige ademstroom van het niets of
als geschenk, dat voortkomt uit de volheid van het zijn en naar
onze volheid terugverlangt. De gelovige is ervan overtuigd dat
alleen het mysterie van God beantwoordt aan het mysterie van de
mens en hij gelooft, dat daarvoor argumenten aan te voeren zijn.
Tenminste is hij de overtuiging toegedaan, dat alle argumenten
die tegen het godsgeloof worden ingebracht, niet steekhoudend
zijn en ook rationeel ontzind kunnen worden. Maar alle
argumenten, voor en tegen, zijn ten aanzien van het steeds
grotere mysterie van God niet meer dan een gegronde uitnodiging
tot het geloof.
God is geen probleem en mensen die het beschouwende
leven leiden - zoals monniken - hebben uit ervaring geleerd dat
men God niet kan kennen zolang men probeert het godsprobleem
op te lossen.
Proberen het godsprobleem op te lossen is zoiets als proberen
zijn eigen ogen te zien. Men kan zijn eigen ogen echter niet
zien, omdat men daar juist mee kijkt. God nu is het licht
waardoor wij zien: niet een helder bepaald object dat
God heet, maar al het andere in Hem, de onzichtbare Ene. God is
dus de Ziende en het Zien zelf, maar Hij wordt op aarde niet
gezien. In de hemel is Hij de Ziende, het Zien en de Geziene, dit
is Degene die Ziet, in wie wij zien en Die door ons gezien wordt.
God zoekt zichzelf in ons, en de dorheid en het verdriet in ons
hart is het verdriet van God die in ons onbekend blijft, die zich
nog niet in ons herkent, omdat wij niet durven geloven en
vertrouwen in de ongelooflijke waarheid dat Hij kan wonen in ons,
uit vrije keuze, uit voorkeur.
5. Gods persoonlijkheid.
God is. Maar hoe moeten wij ons Hem voorstellen?
De vraag is niet alleen van academische aard, omdat als de
voorstelling die wij ons van Hem maken, fundamenteel verkeerd is,
het wel een onware God, een afgod kan zijn die wij aanbidden. En
wat wij aanbidden, vormt ons. Wij zijn geneigd iets over te nemen
van het karakter van wat wij aanbidden: geld, plezier, succes,
God of iets anders.
Als wij dus God willen aanbidden, moeten wij ons Hem voorstellen
zoals Hij is. Anders zal het verkeerd gevormde beeld onze
motieven vertekenen en een misvormende invloed hebben op onze
persoonlijkheid.
Welke voorstelling moeten wij ons dus van God maken? Welke zijn
Zijn voornaamste eigenschappen? Sommige ervan delen tot op zekere
hoogte de mensen met Hem.
Dit maakt het ons mogelijk een voorstelling van Hem te vormen.
Maar de eigenschappen, die God met ons deelt, zijn niet geheel
gelijk aan die van ons, want onze woorden zijn ontoereikend om
zijn volkomenheid uit te drukken. God heeft een wil en wij hebben
een wil; God heeft lief en wij hebben lief; God kan haten en wij
kunnen haten. Maar Gods wil, Gods liefde en Gods haat zijn niet
precies dezelfde als die van ons. In elk geval moeten wij
proberen te ontdekken in welke opzichten Gods eigenschappen met
die van ons overeenkomen en in welke zij verschillen.
Bovendien heeft God eigenschappen die geen enkele overeenkomst
vertonen met wat dan ook in het heelal. Die zijn voor ons veel
moeilijker te begrijpen, zelfs wanneer ze ons worden beschreven.
Maar zij kunnen in beeld gebracht worden en ze vormen een
wezenlijk deel van wat God maakt tot wat God is.
6. Eigenschappen die God met ons deelt.
God is persoonlijk. Dit houdt in, dat Hij zich
zijn eigen existentie bewust is, dat Hij overwegingen kent, dat
Hij vrij beslist. Hij is een intelligent zedelijk wezen, niet
zomaar een abstract idee, een 'iets' dat op de een of andere
manier fatalistisch inwerkt op het heelal.
Hij handelt en spreekt omdat Hij dat verkiest te doen. Alle
zedelijke deugden behoren tot God. Jezus heeft laten zien dat God
goed is, liefdevol, vergevend, barmhartig, genadig, heilig,
getrouw, rechtvaardig; dat Hij vrede sticht, bijstand biedt,
meedogend in onze noden voorziet; dat Hij de dingen leidt volgens
Zijn eigen volmaakte wil.
Daar God volstrekt rechtvaardig is, is Hij vertoornd op de
zondaars vanwege hun zonden, want licht verdraagt geen duister.
Met jaloersheid ziet Hij hoe degenen die Hem toebehoren zich van
Hem afkeren of in toewijding te kort schieten. Al deze
eigenschappen treffen wij in zekere mate ook bij de mensen aan:
ook wij kunnen barmhartig, trouw, medelevend, boos en jaloers
zijn.
Wat maakt deze eigenschappen bij God anders dan ze bij ons zijn?
Het is dat zij in God volmaakt en onbeperkt aanwezig zijn, niet
aangetast door de zonde. God is volkomen goed.
Alles wat Hij is, doet en zegt is goed; Hij kan niet anders dan
goed zijn.
God heeft lief. Zozeer dat de bijbel kan zeggen: God is liefde.
Anders dan de onze faalt Zijn liefde nooit. Zijn
vergevingsgezindheid verschilt wezenlijk van de onze. Wanneer wij
vergeven, weten wij dat ook wij gezondigd hebben; maar wanneer
God vergeeft, doet Hij dat omdat Hij altijd de gekrenkte partij
is en nooit zondigde.
De bijbel vertelt ons dat God gevoelens van gramschap kent tegen
alle zonden en zondaars.
Maar anders dan bij ons is Zijn toorn niet het gevolg van een
gepikeerd zijn. Zijn toorn is een wezenlijk aspect van Zijn
gerechtigheid. Hij moet wel vertoornd zijn op zonden en zondaars.
Als Hij er onverschillig tegenover zou staan, zou Hij in strijd
zijn met Zijn eigen heiligheid.
Dit betekent niet dat Gods boosheid onpersoonlijk is, zinnebeeld
slechts van zijn gerechtigheid.
Ze is heel persoonlijk, maar zonder wraakzucht, willekeur of
gebrek aan beheersing; Zijn jaloersheid is volstrekt
gerechtvaardigd omdat Hij God is, die rechtmatig aanspraak maakt
op onze toewijding.
Onze jaloezie is daarentegen te vaak het gevolg van ons verlangen
iets te behouden waarop wij geen recht kunnen doen gelden.
Nog belangrijker is, dat wij meestal liefhebbend óf boos,
vergevingsgezind óf jaloers zijn, ons van falende mensen
distantiëren óf hen barmhartigheid betonen; niet beide tegelijk.
God kent zulke beperkingen niet. Hij kan niet anders zijn dan
meedogend en heilig. In zijn gevoelens voor een zondigend mens
zullen Zijn liefde en toorn altijd onvermijdelijk samengaan. Om
te begrijpen hoe dit mogelijk is, moeten we enkele andere van
zijn eigenschappen nader bezien.
7. Eigenschappen die alleen God heeft.
Er zijn een paar dingen, die alleen van God
gezegd kunnen worden. Alleen God is onafhankelijk.
Alles en iedereen is voor zijn bestaan van Hem afhankelijk. Hij
is echter in geen enkel opzicht van hen afhankelijk. Hij leeft
leven uit zichzelf en Hij is de bron van alle leven in het
universum; Hijzelf echter heeft geen oorzaak. Hieruit volgt dat
God geen verandering kan ondergaan: zijn leven niet, zijn wezen
niet, zijn wijze van handelen niet, zijn doelstellingen niet.
Zelfs zijn Zoon verandert niet. Daarom kan men op God volstrekt
bouwen.
Het is van groot belang Gods onveranderlijkheid niet verkeerd te
begrijpen. Ze betekent niet, dat Hij geen gemoedsbewegingen kent.
De bijbel toont ons een God die blijk geeft van zeer diep
gevoelen.
Ze betekent evenmin dat de wijze waarop Hij met mensen en volken
omgaat geen ander beeld kan gaan vertonen. Ze betekent wel, dat
Gods omgang met ons altijd gebaseerd zal zijn op hetzelfde: op
wat Hij is.
8. De onbegrensde God.
Zowel Gods majesteit als ons worstelend pogen te
verstaan wat Hij over zichzelf geopenbaard heeft, komt voort uit
het feit dat Hij de grenzen van onze ervaring te boven gaat. God
is naar zijn wezen zonder beperking.
Wij mensen daarentegen zijn beperkt naar tijd (we zijn geboren,
leven en sterven in een bepaalde periode van de geschiedenis),
naar plaats (als ik hier ben, ben ik nergens anders aanwezig),
naar macht (er is veel wat ik niet kan), naar kennis (we kunnen
nooit alles weten) en nog zoveel meer.
God is in dit alles onbegrensd.
Hij wordt niet begrensd door tijd: zijn Rijk is eeuwig. Ons
tijdsbegrip hangt samen met de beweging van de sterren en
hemellichamen die God schiep. Maar God wordt door dit systeem
niet gefixeerd.
Hij heeft het ingesteld, dus Hij staat er boven. Ons probleem is
dat wij nauwelijks kunnen begrijpen wat het inhoudt boven de tijd
te staan. Het betekent zeker niét dat God statisch is; de God
van de bijbel staat in actieve relatie tot het heelal dat Hij
schiep. Wij zijn in de tijd geschapen, en wanneer God zich
openbaart, zal dit dus in historisch verband gebeuren, in termen
van 'vóór' en 'na'. Jezus werd geboren, stierf en verrees in de
tijd, op een aanwijsbaar ogenblik in de geschiedenis.
Het brengt ons in verwarring: de eeuwige, tijdloze God heeft zich
aan ons in de tijd willen openbaren, omdat wij uitsluitend binnen
dit kader in staat zijn tot begrijpen. En als wij het al moeilijk
vinden te begrijpen wat het inhoudt dat God boven de tijd staat,
hoeveel moeilijker is het dan niet voor ons te bevatten hoe de
eeuwige God zich aan ons kan openbaren in de tijd. Er steekt
niets in dat onlogisch klinkt, maar er steekt veel in dat zich
aan ons begrip onttrekt.
God wordt evenmin begrensd door de begrenzingen van plaats.
Hij is, zoals de theologie het uitdrukt, 'omnipresent' of
alomtegenwoordig. Het is onmogelijk zich voor God te verbergen of
Hem te ontvluchten. Hij is in alle dingen.
Maar dit wil niet zeggen dat Hij zich niet soms op een bepaalde
plaats aan de mensen openbaart.
In het Oude Testament heeft God ontmoetingen met zijn volk op
bijzondere plaatsen. Wanneer Hij zich toornig van hen terugtrekt,
maakt Hij het hun onmogelijk Hem te ontmoeten of te ervaren; maar
zelfs dan kunnen zij aan zijn tegenwoordigheid niet ontkomen. In
het Nieuwe Testament komt God tot zijn volk op de meest menselijk-persoonlijke
manier: in zijn Zoon Jezus Christus.
Wanneer Jezus in Galilea is, is Hij niet in Jeruzalem of Jericho.
Hij is aan ruimtelijke beperkingen onderworpen. Terwijl God
tijdloos is, komt Hij ons in de geschiedenis tegemoet, en terwijl
Hij alomtegenwoordig is, komt Hij tot ons in zijn Zoon Jezus.
Jezus leefde in een bepaald land, Palestina, en ontmoette
verschillende mensen op verschillende plaatsen. Ook vandaag komt
God tot ons in zijn heilige Geest daar waar wij zijn.
Gods macht is onbeperkt: Hij is, zoals de theologie het uitdrukt,
'omnipotent' of almachtig.
Hij kan alles, wat in zich mogelijk is en niet in strijd is met
zijn oneindige volmaaktheid, door zijn wil alleen voortbrengen,
veranderen en vernietigen. Maar van dit feit, waar in bijbel
veelvuldig wordt op gewezen, is vaak een verkeerde voorstelling
gegeven. In de middeleeuwen waren er professoren die hun
studenten voor theologische raadsels stelden, in de trant van:
beschikt God over het vermogen om een steen zo zwaar te maken,
dat Hij hem zelf niet kan optillen? Een bevestigend antwoordt zou
inhouden dat God de steen niet kon optillen, en een ontkennend
dat Hij zo'n steen niet kon maken.
In feite is het een strikvraag, die vraagt of God iets kan doen
wat met zichzelf in tegenspraak is.
Het is dan ook geen serieuze vraag naar de grenzen van Gods
kunnen, maar een vraag die zelf vragen oproept naar de grenzen
van een logisch vraagstelling.
God kan niet iets doen wat een inbreuk betekent op zijn eigen
karakter of wat een van zijn beloften schendt. Als christenen
zeggen dat God almachtig is, bedoelen zij gewoon dat Hij geen
innerlijke zwakheid of onmacht kent. Hij kan doen wat Hem
behaagt, maar wat Hem behaagt, zal altijd in overeenstemming zijn
met zijn wezen.
God is ook niet beperkt in kennis: Hij is 'omnisciënt', alwetend.
Dit houdt in dat God niet alleen weet wat er gebeurt, maar ook
dat Hij alle meningen en gedachten kent. Hij kent de toekomst
evenzeer als het verleden en het heden - misschien omdat Hij
boven de tijd staat zoals wij die kennen en niet gebonden is aan
de structuur van verleden, heden en toekomst, die ons leven
bepaalt.
Sommige eigenschappen, zoals zijn eeuwigheid, zijn heel moeilijk
naar hun wezen te vatten.
Nog moeilijker wordt het wanneer wij erkennen dat deze God zich
genadig tot ons neerbuigt om ons te ontmoeten zoals we zijn:
kleine, zondige mensen, gebonden door tijd en plaats en door de
beperkingen van kennen en kunnen. Het is bijzonder moeilijk over
Gods tijdloosheid diep na te denken. Maar nog moeilijker is het
te vatten hoe deze tijdloze God ons in de geschiedenis tegemoet
kwam en ons gehoor geeft in de wisselwerking van echte
persoonlijke verhoudingen.
Het is heel moeilijk Gods onbeperkte macht, zijn volstrekte
soevereiniteit te begrijpen.
Maar moeilijker nog valt te verstaan hoe deze soevereine God, die
doet wat Hij wil, zinvolle relaties met ons, zijn schepselen kan
onderhouden zonder ons te degraderen tot robots ofwel zonder zijn
eigen soevereiniteit prijs te geven. Toch kunnen deze zelfde
begripsproblemen ons ook verder helpen.
Als we ze enigszins kunnen ontwarren, kan dat ons helpen enkele
van onze eerdere vragen te verklaren.
We zeiden dat God op zondaars toornig kan zijn, terwijl Hij hen
tegelijkertijd liefheeft.
Hoewel hier de vergelijking met ouderliefde voor de hand ligt,
kunnen we het ons misschien gemakkelijker voorstellen als wij
bedenken dat God boven de tijd staat. Het geheimenis van Gods
eeuwig, tijdloos wezen kan zeker licht werpen op sommige andere
mysteries.
Hoe moeten wij antwoorden?
Het probleem dat wij met Gods unieke eigenschappen hebben, is dat
onze menselijke ervaring van wat 'personen' en 'persoonlijke
verhoudingen' zijn zich geheel afspeelt binnen de grenzen van
tijd, ruimte, kennis en vermogen. Maar in God hebben wij te maken
met een Persoon die boven al zulke beperkingen verheven is.
Het is dus begrijpelijk dat wij niet precies weten hoe wij dit
kunnen
oplossen. Ons ontbreken de daartoe benodigde gegevens. Maar er
zijn verschillende nuttige dingen die een christen kan doen
wanneer hij of zij probeert helder na te denken over Gods natuur.
Wij moeten onze onwetendheid erkennen. Alleen wat God over
zichzelf onthult, kunnen wij weten.
Om alles van God te kunnen weten zouden wij de grenzen die ons
tot schepselen maken moeten overschrijden. Wij zouden God zelf
moeten zijn.
Wij moeten ook aanbidden. Het is de enige gepaste reactie op de
God die ons schiep en die, ondanks ons halsstarrig verzet en onze
onverschilligheid, er behagen in schept zichzelf te doen kennen.
Zulk een God kan ons brengen tot een diepe verering, tot grote
gedachten over Hem en over de kleine mensen, precies het
tegenovergestelde van de houding die in onze wereld overheerst.
Het is van belang dat wij de problemen in het juiste licht
stellen. Wij kunnen niet tot in bijzonderheden bevatten hoe God,
boven de tijd uit, zichzelf openbaart en in de tijd met mensen
omgaat. Maar, zoals vele geleerden naar voren hebben gebracht, is
er in dit denkbeeld niets wat fundamenteel onlogisch is.
Bovenal moeten wij in de bijbel nagaan hoe Gods eigenschappen in
de praktijk tot uiting komen.
Nemen wij als voorbeeld Gods onbeperkte macht: de
bijbelschrijvers leiden er nooit uit af dat wij allemaal robots
zijn, of dat het niet geeft wat wij doen, omdat God op de duur
toch altijd zijn zin krijgt. Integendeel: de bijbel wijst op Gods
almacht om zijn volk te bemoedigen en zijn vijanden te
waarschuwen. Kijken wij bijvoorbeeld naar Gods
alomtegenwoordigheid: de bijbelschrijvers gebruiken deze gedachte
nooit alsof ze zou betekenen dat, aangezien God overal is en in
alles is, een orchidee of een madeliefje deel uitmaakt van God.
Dat God overal is, dient tot waarschuwing voor hen die Hem
proberen te ontvluchten en tot troost en bemoediging voor hen die
Hem liefhebben en zijn wil wensen te doen.
Wanneer Jezus zegt dat Hij tot het einde der tijden met zijn
discipelen zal zijn, geeft Hij een belofte waarin men zich kan
verheugen, een aansporing tot gehoorzaamheid, lofprijzing en
evangelieverkondiging.
Wij moeten ook duidelijk zijn met betrekking tot de vraag wat
Gods onbegrensde kennis in de praktijk betekent. Dat God alles
weet, is in de bijbel geen duistere theorie en maakt Hem ook niet
tot een soort helderziende. Maar het is van grote waarde omdat
het Gods volk verzekert dat Hij nooit voor een verrassing kan
gesteld worden. Hij kent en begrijpt al onze noden en verlangens.
Hij heeft weet van de meest onbeduidend schijnende
bijzonderheden, van ons vallen en ons opstaan.
Wij hoeven ons dus nooit door bezorgdheid te laten overheersen.
Een ander aspect van Gods alwetendheid is, dat wij Hem en zijn
gerechtigheid nooit kunnen misleiden:
Hij is altijd volstrekt onpartijdig.
Twee dingen komen ons bij wat de bijbel over Gods karakter zegt
helder voor ogen te staan.
Ten eerste zijn Zijn eigenschappen nooit met elkaar in conflict.
Het is verkeerd een van Gods eigenschappen zo in het licht te
stellen, dat andere in de schaduw blijven. Men kan bijvoorbeeld
zo hoog denken van Gods grenzeloze macht, dat zijn eigenschappen
als liefde, toorn en persoonlijke omgang met zijn schepselen
vervagen.
Ook kan men zo lang stilstaan bij Gods Persoon zijn, dat men in
feite aan zijn almacht voorbijgaat.
Sommige mensen leggen nadruk op Zijn liefde en besluiten hieruit
dat zijn toorn van onpersoonlijke aard moet zijn. Soms komen zij,
tegen de leer van de bijbel in, tot de slotsom dat iedereen zich
tenslotte aan zulk een overvloedige liefde zal overgeven. Zo over
God denken is gevaarlijk. Door met datgene wat ons minder ligt
ook minder rekening te houden, vervormen wij het enige getuigenis
waarover wij beschikken. Wat moeten eerlijk toegeven dat, al
kunnen wij God kennen zoals Hij is, wij zonder dat wij God zijn
niet alles over Hem kunnen weten. Dit houdt in dat wij ons moeite
moeten geven om Hem te leren kennen zoals Hij zich heeft
geopenbaard. Het is rampzalig zo over God te speculeren, dat het
beeld dat wij ons van Hem vormen heel anders uitvalt dan het
beeld dat Hij van zichzelf geeft.
In de tweede plaats heeft God zijn karakter niet aan ons
geopenbaard om onze nieuwsgierigheid te prikkelen, maar om ons
tot berouw, tot geloof en tot aanbidding te brengen. Wij moeten
zeker diep nadenken over God. Hij heeft zich echter niet aan ons
geopenbaard om ons verstand te bevredigen, maar om in onze vele
behoeften te voorzien. God openbaart zijn mededogen met de
verlorenen, zijn genade voor de schuldigen, zijn liefde aan de
liefdelozen, zijn tijdloosheid aan hen die geobsedeerd worden
door wat voorbij is, zijn toorn aan de weerspannigen. God is meer
dan de som van zijn geopenbaarde eigenschappen. Wij kennen Hem
niet volkomen, maar wat Hij van zichzelf heeft onthuld, is groots.
9. God beminnen.
God beminnen is God kennen.
God kennen is het goede kennen door met het goede één te worden.
God kennen is daarom aanwezig zijn in het zijnde. Louter door
zijn bestaan kent de mens God, hoe gedeeltelijk ook. We kunnen
God slechts benaderen als we ons echt klein maken en ons vol
vertrouwen aan Hem overgeven.
Dan zullen wij inzien dat de God van elke religie in wezen
dezelfde is, namelijk een vergevende, liefhebbende God.
De aanwezigheid van de mens in de wereld is de bewuste deelneming
van de mens aan het scheppingsproces. Door deze aanwezigheid
bezit de mens kennis van de wereld en neemt hij de
verantwoordelijkheid op voor de toestand van de wereld. In de
mate dat de mens deze fysieke en morele aanwezigheid realiseert,
kent Hij God.
Omdat de mens door zijn beperktheid slechts onvolkomen aanwezig
is in de wereld, is zijn kennis van God en zijn liefde voor God
noodzakelijk onvolledig. Elke menselijke voorstelling van God is
daarom onvermijdelijk gebrekkig, elke poging hem te benaderen is
onbevredigend.
Omdat de mens beschikt over het vermogen tot liefde waarmee hij
in staat is het goede te doen en het goede voort te brengen,
beschikt hij over een middel om zich een voorstelling van God te
maken en een weg naar hem te vinden. In de mate dat hij liefdevol
is, is de mens goed, 'is' hij, en kent hij God.
De beelden en voorstellingen van God die binnen alle culturen en
in alle tijdperken van de geschiedenis gemaakt werden, zijn alle
onvolkomen weergaven van de werkelijkheid. Al deze voorstellingen
zijn waarheidbevattende mythen of concepten die diverse facetten
aanwijzen van een werkelijkheid die in haar geheel méér omvat
dan de menselijke geest kan vatten.
Omdat niemand de volle werkelijkheid van God kent, is geen enkele
menselijke persoon of instelling in staat in de naam van God te
spreken. Maar de mens die liefdevol handelt staat het dichtst bij
God en drukt het best uit wat God betekent. Een betere
voorstelling van God dan wat hij te tonen heeft, kan men zich
niet vormen.
Elk antropomorf beeld van God, hoe naïef en ontoereikend ook,
staat daarom dichter bij de werkelijkheid dan welk ander beeld of
concept ook.
Daarom is de beste voorstelling van God, hoe onvolkomen ook, die
van een persoon die volkomen liefheeft. Bijgevolg moet men God
niet zoeken in de mathematische orde van de wereld, niet in de
fysische processen die het ontstaan van het heelal gaven, niet in
de schoonheid van planten en dieren, hoewel Hij in dat alles
zintuiglijk waarneembaar aanwezig is, en ook niet in de abstracte
filosofische constructies, hoewel die het verstand tot op zekere
hoogte kunnen bevredigen, maar in een aandacht voor het
innerlijke van de mens waarin Hij het duidelijkst te herkennen en
te beminnen is.
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.
Als mens is het onmogelijk om een verklaring te vinden voor Gods
bedoelingen. Wanneer wij ons de ene maal bewust zijn van Gods
aanwezigheid, worden we even later weer geconfronteerd met zijn
afwezigheid, zijn verborgenheid, zijn stilzwijgen.
Zo worden wij in ons leven heen en weer geslingerd tussen
zekerheid en twijfel, tussen geloof en ongeloof. Zo groeien we in
ons geloof.
Opnieuw geboren worden.
Er is een oud verhaal van een varken. De boer nam het varken mee
in huis. Hij gaf het een wasbeurt, poetste zijn hoeven op en
parfumeerde het een beetje, deed een lint om zijn nek en gaf het
een plaats in het woonvertrek. Het varken zag er keurig uit. Het
leek bijna een huisgenoot die in het gezelschap van mensen thuis
was. Helder en fris. Een paar minuten lang was het een lust dit
dier in de kamer te hebben. Totdat de deur openging. Terstond
liep het varken de kamer uit op weg naar de eerste de beste
modderpoel. En waarom? Omdat het innerlijk hetzelfde varken
gebleven was. Zijn natuur was niets veranderd. Van buiten zag het
er anders uit, maar van binnen niet.
Stelt u zich eens voor dat iemand zich op een dag voorneemt (misschien
wel op oudejaarsavond) om heel godsdienstig te gaan leven. Elke
zondag naar de kerk, elke dag een stuk uit de bijbel gaan lezen
en minstens een kwartier bidden en volkomen eerlijk en oprecht
gaan leven.
Hoe lang houdt die persoon dit vol? Een dag, een week, misschien
wel een maand. Maar dan komt de ware natuur weer om de hoek
kijken die dat helemaal niet wil. Er komt een moment dat die
persoon weer terugrent naar het oude leven. Waarom? Omdat zijn
innerlijk niet veranderd is.
Uiterlijk probeerde hij weliswaar godsdienstig te leven, maar van
binnen is er nog niets veranderd.
En daarom zegt Jezus ons dat we wedergeboren moeten worden.
Wedergeboorte, wat is dat nu weer
wedergeboorte is niets anders dan dat de Geest van God
in een mens komt wonen.
God zendt zijn Geest in een mens en pas dan kan een mens zich op
God richten en Hem liefhebben.
Alleen dan kun je begrijpen wat God van je verlangt en kun je
Gods opdrachten uitvoeren.
Pas dan begin je in te zien wat de inhoud van de Bijbel, Gods
woord, betekend.
Je wilt dan meer van God weten en krijgt honger naar alles wat
over Hem geschreven is.
Dan weet je waarom je op deze wereld bent en waar je straks, na
dit aardse leven, naar toe zult gaan. Zolang jouw geest nog geen
nieuw leven is ingeblazen, ben je niet in staat om gods
bedoelingen met je leven te begrijpen. Daar is eerst een
verandering, een bekering voor nodig.
De noodzaak van de wedergeboorte
Hoe noodzakelijk het voor de mens is om wederomgeboren
te worden zien we in het gesprek dat Jezus met de vooraanstaande
leraar van Israël, Nicodemus, heeft gevoerd. Nicodemus was een
oprecht en naar de mens gesproken rechtschapen man. Dat blijkt
uit het feit dat hij Jezus zocht en zich een beeld trachtte te
vormen wie Hij werkelijk was. Hij zocht het Koninkrijk Gods.
In dit gesprek openbaarde Jezus hem een van de belangrijkste
waarheden die Hij ooit heeft onderwezen. De mens moet een
geestelijke wedergeboorte hebben om God en Zijn Koninkrijk te
verstaan!
En er was iemand uit de Farizeeën, wiens naam was Nicodemus, een
overste der Joden; deze kwam s nachts tot Hem en zeide tot
Hem: Rabbi, wij weten dat Gij van God gekomen zijt als
leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij
God met hem is.'
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik
zeg u, tenzij iemand wederomgeboren wordt, kan hij het Koninkrijk
Gods niet zien.'
Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden,
als hij oud is?
Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en
geboren worden?'
Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij
iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk
Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees en
wat uit de Geest geboren is, is Geest. Verwonder u niet, dat ik u
gezegd heb: Gijlieden moet wederomgeboren worden.
De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar
gij weet niet vanwaar hij komt of waar hij heen gaat; zo is een
ieder, die uit de Geest geboren is.' (Johannes 3:1-8)
Nicodemus moet opnieuw onderwezen worden.
Het antwoord op wat Jezus had gezegd was eenvoudig en oprecht:
Hoe kan dit geschieden?'
Jezus antwoordde en zei tot Hem: Gij zijt de leraar van
Israël, en deze dingen verstaat gij niet?' (Johannes 3:9,10)
Eigenlijk zei Jezus: Je denkt dat je door je opleiding en afkomst
heel veel van God weet, maar je snapt er nog helemaal niets van.
Het was Nicodemus totaal niet duidelijk dat de mens een
geestelijke dimensie bezat die verloren is gegaan.
Nicodemus was trots op het feit dat hij in Gods uitverkoren volk
geboren was. Hij vertrouwde voor zijn verlossing teveel op zijn
afkomst naar het vlees. Daarom ging Jezus recht op zijn doel af
en trok hem de grond onder zijn voeten weg.
De dimensie die verloren ging
Met de mens is er iets verschrikkelijk mis, dat is u
waarschijnlijk wel duidelijk. En als u dat nog niet helemaal
duidelijk is kijkt u dan maar eens in de krant of naar het
journaal. Niets anders dan moord, verkrachting, corruptie tot in
de hoogste kringen, oorlogen enz.
De belangrijkste dimensie van het menselijk wezen, de geest,
functioneert niet goed. En zonder dit schijnt niets anders in het
leven lang goed te gaan. Maar wanneer is deze dimensie dan
verloren gegaan?
Het antwoord: In de hof van Eden na de zondeval.
Toen Adam en Eva gezondigd hadden werd het contact met God
verbroken. Hun geestelijke antenne' functioneerde daarna
niet meer. En zo is het met alle mensen die van nature uit hen
zijn voortgekomen, de geestelijke dimensie ontbreekt. En zonder
die dimensie kunnen wij helemaal niks van God zien en begrijpen.
En daarom maakt Jezus hier aan Nicodemus duidelijk dat de mens
wederomgeboren moet worden.
Daardoor wordt de menselijke geest weer levend gemaakt en krijgt
de mens er als het ware een hele dimensie bij. Pas dan kan de
antenne weer op God gericht worden.
Het zesde zintuig: geloof
Wanneer een mens wedergeboren is, wordt aan zijn geest
het leven teruggegeven en dan is hij in staat om God te verstaan,
lief te hebben en te aanbidden op de wijze waar de nieuwe natuur
naar verlangt.
En de dingen van de geestelijke wereld zijn niet langer
onwerkelijk en vreemd. De Heilige Geest komt in zijn herschapen
geest woning maken en begint het wezen Gods aan hem te openbaren.
Dit herstel van geestelijk leven geeft de mens terug wat Adam
heeft verloren. Het wordt het zesde zintuig genoemd, het geloof.
Geloof is het gezichtsvermogen van de geest. Het bewerkt een
verlangen naar God om Hem te kennen. Geloof stelt ons in staat om
te vertrouwen dat wanneer God zegt, dat Hij iets zal doen, Hij
het doet!
Het lichaam heeft vijf zintuigen, die de stoffelijke wereld tot
een werkelijkheid maken.
Maar de diepere en ware kennis van God kan alleen door het zesde
zintuig worden verkregen.
Zolang dat zintuig niet functioneert begrijpt u er helemaal niets
van. (ook al gaat u misschien wel zondags 2 keer naar de kerk)
En daarom is het dat Jezus er zo de nadruk op legt dat de mens
wederomgeboren moet worden.
Want zonder die wedergeboorte kan hij het koninkrijk Gods
niet zien', dan kan hij het niet begrijpen.
Pas na de wedergeboorte is de mens, door de inwonende Geest van
God, in staat om de dingen van God te zien en te begrijpen.
Als u christen wordt, wordt u van binnen helemaal nieuw. U bent
als het ware opnieuw door God geschapen. Er is een heel nieuw
leven begonnen. Al dit nieuwe komt van God, die ons door Jezus
Christus bij zichzelf heeft teruggebracht. (II Cor 5:17)