SPREEK EENS MET ONS OVER 'GODSDIENST'

Het was warm en druk en op een terras kruisten de blikken van een peergroup jongeren die van een priester. Op het eerste gezicht hadden ze weinig met mekaar te maken, ze hadden samen tijd.
De priester leek wel een waterdrager uit een nog te schrijven oud verhaal, die het moeizaam geputte water stilletjes voelde wegvloeien langs de ontelbare barstjes van zijn oudere waterzak.
De jongeren deden hem met weemoed terugdenken aan het kwistig putten en water morsen aan de bron, toen de zak nog nieuw en elastisch was. Hij wou de jongeren niet negeren, maar ze ook niet met een conversatie generen. Als oudste nam hij de schuld voor de moeilijke communicatie maar helemaal op zich: de generatiekloof, het gemerkt zijn door de Kerk, het zonderlinge en nooit helemaal integere leven met Jezus in de hoofdrol...

Toch kwam er nogal vlug initiatief van een haantje de voorste, die als kind heel veel over godsdienst had horen discussiëren, maar zich niet kon voorstellen hoe een leven met God erbij er wel zou moeten uitzien: niemand had het hem ooit getoond en uit zichzelf zou hij het bij God niet weten!
'Wat ben je vandaag nog met godsdienst?' vroeg hij zich zo luid af, dat de priester en de omzittenden het zeker moesten gehoord hebben.
Een islamitische jongen liet zich niet onbetuigd: 'Met godsdienst is er helemaal niets mis: zie maar hoeveel jongeren uit onze buurt naar de moskee gaan en de ramadan onderhouden!'
De priester kende zichzelf goed genoeg om er zich van te vergewissen, dat hij veel liever in het kamp van de geseculariseerde autochtonen toefde dan in het islamitisch gezelschap.
'Ik geloof echt' zei hij 'dat mensen, die zich inzetten voor een waardevol leven en hun best blijven doen, God ooit zullen ervaren en meemaken. Godsdiensten doen enkel maar moeite om God ter sprake te brengen, zijn wil te zoeken, Hem te eren en te beminnen, om Hem te danken en samen te leven bij zijn genade!
Hardwerkende mensen willen vooruit en hebben hun kennen en kunnen uitgeprobeerd en ook meermaals hun grenzen verlegd. Soms duizelen zij van de eenzame hoogten en gaan zelfs zonder duidelijke omschrijving van God stiekem hopen op medewerking en kracht van iemand, die groter is dan zijzelf.
Ook is het zo, dat zij, die de God van hun jeugd trouw bleven, niet zo vlug als een nieuwe Ikaros uit de hemel vallen!
Het succes van deze wereld streelt je ego en je egoïsme overhaalt anderen om te slijmen, je te vertroetelen met afgodische luxe en jouw monopolies veilig te stellen...
Toch gebeurt het wel eens dat de eenzaamheid je terugwerpt op je grootste geheim en je tijdig weer voor God en de medemens gaat kiezen.
Niemand, ook de paus niet, kan jou vertellen hoeveel jij voor God moet overhebben, opdat zijn aanwezigheid in jouw leven zou binnenraken!
Toch is het niet naast de kwestie alwat we zijn en hebben te beschouwen als een gave en opgave van iemand groter dan wij. Hier raken wij een mysterie: God kan jou en mij vragen zijn gaven naar de mensen te dragen en dan krijgen wij een unieke relatie met God en een nieuwe verhouding met medemensen... soms raak je daarin met een godsdienst verder dan in je eentje!'

Een van de omstaanders vond het een lang verhaal en hoog tijd om het niet eens te worden en ook de tongen van anderen los te maken:
'Padre, daar geloof jij nu toch zelf niet meer in, hé?'
Hij hield even stil en ging als een bulldozer verder: 'Godsdiensten leven voor zichzelf en hun maatschappijen en zeker niet voor hun onzichtbare goden! Hoevelen werden en worden er door godsdiensten onderdrukt en gedupeerd? Hoe dikwijls tellen macht en centen meer dan mensen? Hoeveel misdaden tegen de menselijkheid werden en worden er in de naam van goden gepleegd?'
De jonge geweldenaar was een eerstejaars student en oogstte veel bijval. Hij had zijn maatschappij door en zoveel was voor hem duidelijk: de Kerk was in hetzelfde bedje ziek!
De priester voelde als bedienaar van de eredienst Gods hete adem in de hals. Deze derde zet kwam hard aan en hij vreesde een zwaar stuk op zijn schaakbord te moeten inleveren… hij boorde verder naar een lichtpunt en een doorbraak.
'Hard werken voor jezelf alleen maakt je nooit minder bedreigd of ongelukkig, het is gewoon een kwestie van zelfhandhaving. Ook de Kerk kan zwoegen en offers vragen om zichzelf recht te houden en ze kan bekoord worden de methoden van de wereld te hanteren: procedureslagen, lobbywerk, compromissen met politieke leiders, geld beleggen in minder morele sectoren, enz… Het resultaat ziet er soms vanbuiten schitterend uit zoals de Sint Pieters te Rome bij voorbeeld, maar is in feite bedroevend: de Kerk houdt zo telkens op een ontmoetingskans te zijn voor mensen met God en mensen met medemensen, ze wordt dan maar een gewone instelling. Ik geloof dat de Kerk als grote instelling van meer dan één miljard leden het niet slechter doet dan andere, maar voor het label 'godsdienst' is dat niet genoeg! '
Een eerlijk olijk warhoofd had moeilijkheden met de waarheid van al die geloven in een bonte stad als Antwerpen.
De priester voelde dat het ergste voorbij was…
'Toen wij nog braaf binnen de muren van onze burchten, steden en dorpen bleven werd er niet zoveel over de waarheid van de godsdienst gepiekerd: de godsdienst kwam met de moedermelk, werd van wieg tot aan het graf gepratikeerd en de gewone man had aan de studie en de geloofsverdediging niet veel boodschap. Als er al kritiek op de godsdienst kwam, dan was het omdat pastoors, kloosterlingen en andere christenen in de fout gingen: leve Christus, amaai de christenen! Nu pratikeren minder gedoopten hun godsdienst, maar velen lezen en spreken over het cultuurimpact van de godsdiensten en zelfs is een vulgariserende vergelijkende godsdienstwetenschap erg in trek. Soms gaan vrijzinnigen godsdiensten vergelijken, soms ook religieus bewogen mensen, die zich een geestelijk cocktail maken. Ja op dit ogenblik krijgt ook de verkondigde Christus het erg te verduren. Ik vond de actuele sfeer goed terug in een graffito op een kerkelijke affiche in Bombay met de tekst: "Jezus is the answer!". De graffitispuiter had erop geschreven: "What was the question?". Jezus wordt ervaren als medestander, tegenstander en buitenstaander! De wereld van vandaag nodigt ons uit tot eerbied voor het anders-zijn van anderen en godsdienstvrijheid en dat is onmiskenbaar een historische vooruitgang, maar als een maatschappij haar leden gaat verplichten hun geestelijke bronnen te overwelven, ze louter privé-aangelegenheid te laten worden en een anomalie in het nieuwe Europa, dan zijn wij te ver gegaan en zonder wortels!'

Een filosofische knaap wou eens weten of de priester zelf wel gelukkig geworden was door zijn godsdienst met zijn geboden en verboden, zijn uitdagingen en oproepen allerhande:
'Ik vind het heel normaal dat jij ervoor gaat om je Kerk te verdedigen: het is tenslotte je levenswerk en je hebt er veel voor over, maar ben jijzelf er gelukkig door geworden?'
Die vraag was zo bevrijdend en bracht duidelijk allen dichter bijeen.
'We moeten ons niet gelukkiger voordoen dan we zijn', zei de priester. 'Het leven is niet steeds een hemel op aarde!'
Hij wou volledig zijn om niet verkeerd begrepen te worden:
'Als geluk verstaan wordt als een licht gevoel, dat ons in de wolken voert, dan vertrouw ik zo'n Halleluia-gevoel niet als echt geluk, maar het kan best eens leuk zijn! Geluk is ook iets onafs, een zwangerschap van wat nog geboren gaat worden. Geluk is het aanvoelen dat je met je leven in een goed perspectief zit. Geluk maakt van grote risico's reuze kansen. Geluk is thuiskomen in het gehele huis van het leven van de kelder tot de zolder! Geluk is de ervaring van het vooruitgaan onderweg en het altijd opnieuw mogen beginnen als men op een dwaalspoor kwam: altijd weten dat schatten van mensen en een kei van een God jou kunnen vergeven!
Van dat alles vind ik veel terug in mijn christelijk geloof en in mijn onderweg zijn met tochtgenoten van mijn Kerk. De grote dwaasheid van geestelijken en vrome mensen is, dat zij er niet steeds voor uitkomen dat men ook als gelovige heel ongelukkig kan zijn en dat je meermaals de stilte, God en medemensen nodig hebt om niet af te haken!
Je mag je medemensen niet bedotten en ontmoedigen door schijnheiligheid, maar ook niet door schijngeluk of een commerciële kerkelijke spot van opgevoerde positiviteit!'

Het liep op zijn einde ... de jongeren vonden het fijn dat priesters ook gewone mensen zijn en dat zij het ook zo slecht niet voorhadden.
De 'Wat mag het zijn?' werd geen volksverlakkerij, maar een ontspannend gebaar!

God had erbij moeten zijn!

J.M. Willem.

 


Home

 

 

 


Geloof.

 

Is er een god ?

Evolutie: de grote leugen ?

God en de oorsprong van het leven.

God en ons geloof in hem.

Opnieuw geboren worden.

 



Is er een God?

Een computerprogramma op CD rom bevat allerlei informatie en uitvoeropdrachten voor de computer.
Als ik de CD in de driver stop gaat de computer de opdrachten uitvoeren en wordt het programma opgestart.
Als ik u nu probeer wijs te maken dat alle informatie op de CD er gewoon toevallig op terecht gekomen is, ja dat zelfs de CD toevallig ontstaan is, verklaart u mij waarschijnlijk ter plekke voor gek. (en terecht)

Maar nu het volgende voorbeeld, de geboorte van een mens.........
Als de bevruchting van een eicel door een zaadcel heeft plaatsgevonden begint het wonder van de celdeling. Cellen beginnen zich te delen en hun aantal neemt snel toe. Cellen gaan weefsel vormen, weefsel dat spierweefsel wordt, of kraakbeen, of hersenweefsel, of huid.
Hoe 'weten' die cellen wat ze moeten worden? Hoe 'weten' ze welke plaats ze in het lichaam uiteindelijk moeten innemen? Ze weten dat kennelijk heel goed, want alles komt keurig op zijn plaats terecht.
Cellen hebben dus een vorm van 'kennis', een hoeveelheid informatie in zich, die hun ontwikkeling stuurt in tijd en ruimte.
Hoe komen die cellen aan die informatie? Is het net zoals bij het voorbeeld van de CD rom er zo maar toevallig op terecht gekomen?
Het antwoord op deze vraag lijkt niet al te moeilijk.
Toch lopen er miljoenen mensen op deze aarde rond, die werkelijk geloven dat het leven puur toeval is en dat er geen God aan te pas gekomen is.
Hoe is het mogelijk dat mensen zich een computerprogramma niet voor kunnen stellen zonder programmeur, maar het oneindig veel grotere wonder van het menselijk leven wel.

De Bijbel zegt het zo:
'De mensen kunnen heel goed weten dat God er is. Hij heeft het hun zelf bekendgemaakt.
God is wel onzichtbaar, maar Zijn werk -alles wat Hij geschapen heeft- bewijst Zijn eeuwige kracht. Want sinds het ontstaan van de wereld is Zijn bestaan duidelijk te herkennen uit wat Hij gemaakt heeft. Daarom hebben de mensen geen enkele verontschuldiging. (Romeinen 1: 19,20)


Maar wie is de echte God?

In onze tijd van tolerantie en verdraagzaamheid is de gedachte dat alle godsdiensten naar dezelfde god leiden een heel prettige. Maar is het ook waar? Op geen enkel terrein in het leven nemen we dit standpunt in. Geen enkele leraar is tevreden wanneer een leerling zegt: 'Het maakt niet uit welk antwoord ik geef, ze komen in wezen allemaal op hetzelfde neer.'

Geen enkele politieke partij zal in zijn programma verkondigen dat het eigenlijk niets uit maakt waar je op stemt omdat alles toch op hetzelfde neerkomt. Een blinde man die aan de rand van de afgrond zit, krijgt toch ook niet het advies dat het niet uitmaakt welke kant hij opgaat, omdat alle wegen naar hetzelfde doel leiden?
Is het dan wel zo aannemelijk dat alle godsdiensten ons bij dezelfde God brengen?
Ze zijn immers zo verschillend, zo tegengesteld aan elkaar?
In het hindoeïsme is het goddelijke meervoudig en onpersoonlijk. De God van de islam is enkelvoudig en onpersoonlijk.
De God van de christenen is de Schepper van de wereld, in het boeddhisme is het goddelijke niet scheppend en niet persoonlijk.
Grotere tegenstellingen zijn nauwelijks denkbaar.
Het christelijk geloof leert dat God ons vergeeft en bijstaat.
In het boeddhisme bestaat geen mogelijkheid op vergeving en geen hoop op bovennatuurlijke bijstand.
Daarin is het doel van ieder bestaan het nirwana, het opgaan in het niets. De Boeddha zelf bereikte dit pas na niet minder dan 547 reïncarnaties.
In het Christelijk geloof is het doel van alle bestaan God te kennen en zich in Hem te verlustigen voor eeuwig.
In het hindoeïsme worden veel godenbeelden gebruikt, in het jodendom is dat juist verboden.
De islam staat toe dat een man vier vrouwen heeft, in het christendom maar één.

Maar het grootste verschil is toch wel dat de mens volgens de Bijbel nooit zichzelf kan verlossen, terwijl alle andere godsdiensten beweren dat een mens wordt verlost door zich te houden aan een bepaalde gedragscode.

Openbaring van God
Als er een God is dan is hij de bron van ons bestaan en de bron waaruit alles voortkomt.
Dan is Hij de Heer van alle leven. Hoe kan een nietig mens ooit tot Hem opklimmen of Hem ooit doorgronden?
Dat kan natuurlijk niemand. Onze enige hoop is dat Hij op de een of andere manier Zelf laat zien wie Hij is. Alleen de Bijbel beweert dat een dergelijke openbaring heeft plaatsgevonden.
In het Oude Testament kregen de mensen zicht op de waarheid omtrent God. Ze merkten zijn liefde en hoorden zijn woorden; eerst vaag maar gaandeweg steeds helderder. Op een gegeven moment was alles klaar voor God om zichzelf op definitieve en beslissende wijze bekend te maken, namelijk in de komst van zijn zoon.
Vanaf dat moment is Hij niet langer de onbekende God. 'Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeborene, die zelf God is, heeft Hem bekend gemaakt.' (Joh. 1:18)

Redding
De Bijbel leert dat wij van nature zelfzuchtig zijn, dat we niet afgaan op een helder licht maar dat we keer op keer juist de rug toekeren aan het licht of het zelfs proberen te doven.
De Bijbel zegt ons dat er een 'kronkel' in ons diepste wezen zit, die maakt dat we het verkeerde doen zonder dat we ons best ervoor hoeven te doen.
Als dat zo is, dan hoeven we niet te denken dat we ooit God kunnen bereiken. Geen enkele godsdienst kan de kloof tussen de heilige God en de zondige mens overbruggen. De enige hoop die voor ons overblijft, is dat God zelf ons komt redden.
Dan moet God ons niet alleen laten zien wat voor Iemand Hij is, maar ook een weg openen waarlangs opstandige mensen terug kunnen komen bij Hem. Dan moet Hij het mogelijk maken dat wij, die ons vijandig opstelden en onze eigen wegen verkozen, met Hem verzoend worden.
Alleen de Bijbel vertelt ons dat zo'n God bestaat en dat Hij een verlossing heeft ontsloten.
De kruisdood van Christus is de manier waarop een rechtvaardige God onze zonden en zwakheden kan vergeven.
Hij droeg zelf de straf.

Er is niets anders wat hier op lijkt
Het christendom is totaal anders dan welke godsdienst dan ook. In welke andere godsdienst ter wereld is er sprake van een God die zelf zorgt voor de redding van zijn volk door persoonlijk de verantwoordelijkheid van hun zonden op zich te nemen en voor hen te sterven?
Maar dat is nog niet alles. De God die zichzelf geopenbaard heeft en ons ook gered heeft, heeft dat met een bepaald doel gedaan. Hij wil met ons omgaan. En hier begint de opstanding een rol te spelen. Jezus Christus is geen dode figuur uit een geschiedenisboek, die al tweeduizend jaar uit de running is. Hij leeft, en we kunnen met Hem omgaan. Dit is geen sprookje, maar een geweldige werkelijkheid.
De Bijbel leert ons dat wij een persoonlijke relatie met de schepper van hemel en aarde kunnen krijgen, is dat geen super opwindende gedachte? Vaak hoor je dat geloven zo saai is, maar klinkt het voorgaande u zo in de oren?
Nee, echt Christendom is allesbehalve saai, het is het meest opwindende en dynamische leven dat er bestaat.

 

Naar boven.

 

 


 

EVOLUTIE :

IS HET EEN GROTE LEUGEN ?

Sinds Charles Darwins boek "De oorsprong van de soorten" in 1859, is de evolutieleer in gans de Westerse cultuur op grote schaal verspreid geworden en nog steeds wordt zij gepropageerd via de media, in de cultuur, in het onderwijs; zelfs meerdere theologen zijn deze leerstelling bijgetreden ondanks duidelijke tegenspraak van de evolutieleer met het leergezag van de Kerk.
Het ontbreken van elke wetenschappelijke grond voor de evolutieleer leidt tot de conclusie dat wanneer mensen er in blijven geloven, zij dit doen om filosofische redenen en niet om wetenschappelijke redenen, m.a.w. het willen ontkennen van de scheppingsleer.
De evolutieleer steunt op volgende beginselen:
Het heelal zou ontstaan zijn uit een materie (gasvormig) waarvan de oorsprong als niet gekend wordt aangegeven. Die materie zou vervolgens geëxplodeerd zijn en het hele heelal puur bij toeval voortgebracht hebben. Deze explosie heeft men de "big bang" genoemd.
Vervolgens zou er leven ontstaan zijn als gevolg van chemische reacties. De aanvankelijk zeer elementaire levensvormen zouden gaandeweg veranderd zijn in complexere gehelen, te weten: algen, ongewervelde dieren...
In de loop der tijden zouden vervolgens door veranderingen, vissen, amfibieën, reptielen, dinosaurussen, zoogdieren enz. ontstaan zijn. De mens tenslotte zou op dezelfde manier zijn ontstaan, enkele miljoenen jaren geleden uit een of andere aapachtige voorouder.
Dit proces zou miljarden jaren geduurd hebben. Het werd onderverdeeld in grote tijdvakken die hoofdtijdperken genoemd werden zoals bv. het Mesozoïcum dat drie perioden omvat, nl. het Trias, het Jura en het Krijt.
De evolutieleer gaat er dus van uit dat het heelal miljarden jaren oud is; dit is immers nodig om de hypothese van de geleidelijke vorming aannemelijk te maken.
De boeken die de onjuistheid van deze evolutietheorie aantonen, rijzen de laatste jaren als paddestoelen uit de grond.
Blijkbaar wordt het voor steeds meer wetenschappers een uitgemaakte zaak.
Een bijzonder te vermelden boek op dit gebied is het werk van een befaamde Amerikaanse professor: Michael J.Behe, nl. : 'Darwin's Black Box; The Biochemical Challenge to Evolution" (De zwarte doos van Darwin - het biochemisch vraagteken bij de evolutie). In dit boek stelt hij dat Darwin nog geen enkel benul had van de ingewikkelde, biochemische structuren en processen van de cel. De cel was dus voor Darwin nog een 'zwarte doos'.
De complexe celprocessen en structuren konden pas vanaf de jaren 1950 door het gebruik van o.a. de elektronenmicroscoop ontrafeld worden. Volgens Behe zijn ze allen 'onherleidbaar complex' en kunnen niet ontstaan zijn door een niet-intelligent proces, dus niet door mutaties en natuurlijke selectie zoals de Darwinistische evolutietheorie beweert. Alhoewel Behe geen creationist is (scheppingsleer), argumenteert hij toch dat al deze complexe cellulaire mechanismen doelbewust zijn ontworpen door God of door een andere zeer intelligent wezen...
Bijzonder te vermelden is het in 1997 verschenen boek in het Nederlands taalgebied, van Peter M. Scheele: "Degeneratie" - het einde van de evolutietheorie - De schrijver beperkt zich hier tot de kern van de evolutieleer. Namelijk : kunnen door de bekende mechanismen zoals mutaties, natuurlijke selectie, genetische isolatie, enz., nieuwe genen ontstaan? Het antwoord is een klaar en duidelijk NEEN. Macro-evolutie, het ontstaan van nieuwe soorten (typen) in de loop van de tijd is onmogelijk. Het slot van het eerste deel van het boek is dan ook een 'aanklacht' tegen 'meester-oplichter mutatie' en een open brief aan Darwin.

Over de ouderdom van de aarde
Een van de basisprincipes van de evolutietheorie is de hoge ouderdom van de aarde die ongeveer 4,6 miljard jaar zou bedragen. Deze tijdspanne was broodnodig om het ontstaan van het leven in al zijn vormen te verklaren, want indien de aarde jong is dan is evolutie onmogelijk.
Veel geologen baseren zich nog steeds op de radiometrische opmetingen voor het bepalen van de ouderdom van gesteenten.
Sedert de diepgaande studie van Dr.Andrew Snelling (USA 1998) is duidelijk gebleken dat de K-Ar dateringen, één der zogenaamd meest betrouwbare en meest gebruikte radiometrische methoden, op zijn zachtst gezegd, onbetrouwbaar zijn.
Dit wordt trouwens bevestigd door de '70 argumenten voor een jonge aarde' zoals die werden geformuleerd door Henry Morris en het boek "The Young Earth" door dr.John Morris.
Een interessant feit op dit vlak was het ontdekken in 1988 in Montana (VSA) van een Tyrannosaurusskelet dat voor 90 % volledig was. Het werd onderzocht door wetenschappers van het Museum van de Staatsuniversiteit van Montana. Hun verbazing was enorm toen bleek dat de beenderen nog niet volledig gefossiliseerd (versteend) bleken te zijn. Verder onderzoek bracht de aanwezigheid aan het licht van rode bloedcellen. Een onmogelijk iets voor een tyrannosauriër die geacht wordt minstens 65 miljoen jaar oud te zijn...
Het belang van deze vondst kan moeilijk overschat worden. Het zijn duidelijk aanwijzingen voor een jonge ouderdom van die dinosauriërs, hoogstens enkele duizenden jaren!
Volgens de evolutieleer zou de dinosaurus geleefd hebben 60 miljoen jaar vóór het verschijnen van de mens. Ook dit is volkomen onjuist. Er zijn vele oude geschriften, fresco's en verhalen in culturen die vreemde wezens beschrijven. Vaak noemt men deze 'draken' en de beschrijving ervan lijkt zeer veel op die van een dinosaurus.
Een ontdekking die de doorslag gaf was het vinden van afdrukken van dinosaurussen in de nabijheid van afdrukken van mensen; dat gebeurde in Mexico en in verschillende staten van de VS.
Toen geologen deze zagen waren ze zeer verrast. Het kalksteen waarin men deze vond, is een gesteente uit het Krijt, een tijdperk waarin de mens volgens de evolutieleer geacht wordt niet te bestaan. Verder onderzoek kon enkel de gedane vaststelling bevestigen: de miljoenen jaren die de mens van de dinosaurus scheiden bestaan slechts in de mythe van de evolutieleer.
Voor de plots verdwijning van de dinosaurus heeft de evolutieleer evenmin een steekhoudende verklaring.
Als men de verschillende generaties van Adam tot Abraham en zo verder optelt, dan komt men tot ongeveer 4000 jaar vóór Christus voor het ontstaan van de Schepping.
Naast dit belangrijk Bijbels argument is er ook een historisch argument. Er zijn immers nog heel wat andere oude historische geschriften, los en onafhankelijk van de Bijbel.
Bij meer dan 200 oude volkeren, verspreid over gans de wereld, vinden we verhalen over de grote watercatastrofe in het verleden (de zondvloed).
De historicus Bill Cooper bericht hierover in zijn boek 'After the Flood' hoe de oude Ierse Kelten (dus vóór de christianisatie) geschriften hadden met stambomen die teruggingen tot Jafeth, Noach en Adam en dat ze tevens een eigen tijdrekening hadden die omgerekend de schepping plaatste op ongeveer 4000 vóór Christus... Dit voorbeeld is trouwens niet het enige.
Verder bestaan er ook wetenschappelijke argumenten die duiden op een jonge leeftijd van de aarde.

De tussensoorten
De tweede steunpilaar van de evolutieleer is het bestaan van de zgn. "tussensoorten"; zij worden geacht de verbindingsschakel te hebben gevormd tussen de bekende soorten en een gemeenschappelijke voorouder.
Lange tijd heeft men beweerd dat de schakel tussen vissen en amfibieën een vis was die behoorde tot dezelfde familie als de coelacant. Fossielen van de coelacant laten kenmerkende kopvinnen zien.
Evolutionisten beweerden dat deze uit het water kwam met behulp van zijn vinnen. Volgens hen leefde deze vis 60 miljoen jaar geleden. In 1938 vond men hem levend en wel in de Indische Oceaan! Verdere onderzoekingen bevestigden dit en toonden aan dat deze vis hoegenaamd geen
zeldzaamheid is.
Het geval van de coelacant is trouwens niet het enige. Er zijn namelijk wezens die vandaag rondlopen, vliegen, zwemmen of kruipen en die bijzonder sterk gelijken op fossiele overblijfselen die men terugvindt in de gesteenten en waarvan de evolutionisten beweren dat ze honderden miljoenen jaren oud zijn. Deze vandaag nog levende wezens noemt men daarom 'levende fossielen'.
Darwin was zich trouwens reeds bewust geworden van het gevaar hiervan voor zijn theorie.

Een andere leugen van de evolutieleer betreft de overgang van aap naar mens : de aapmens.
Volgens de evolutieleer immers stamt de mens af van de aap door toevallig en willekeurig optredende natuurprocessen. Ondanks duidelijke bewijzen van het ongerijmde van deze theorie wordt zij nochtans in de media en het onderwijs als vrijwel zeker verkondigd.

Enkele voorbeelden.
* de Piltdown-mens
De schedel hiervan kreeg gedurende veertig jaar een belangrijke plaats in het British Museum.
Honderden doctorandi promoveerden op dissertaties over de "Piltdown-mens". Het duurder meer dan dertig jaar eer wetenschappers zich bewust werden van de waarheid. Op een gegeven moment kreeg men door dat de kaak afkomstig was van een orang-oetang. Deze was bijgevijld zodat ze op een menselijke schedel paste. De tanden waren afkomstig van mensen maar ook deze waren bijgevijld zodat ze op de tanden van een aap leken.
* de Neanderthaler
De talrijke vondsten hiervan hebben tot heel wat discussies geleid. Uiteindelijk kwam men tot de bevinding dat het gewoon een mens betrof. Geleerden schreven in hun verslag dat een modern geschoren, gewassen en geklede Neanderthaler in deze tijd niet zou opvallen.
De door Dr. John Cuozzo verzamelde gegevens tonen duidelijk aan dat de Neanderthaler-mens in feite de mensen van hoge ouderdom zijn die beschreven staan in de Bijbel.
* de Nebraska-mens
De Amerikaanse paleontoloog Dr.Henry Fairfield Osborne beweerde in 1922 de "ontbrekende schakel" gevonden te hebben. Bij nader inzicht bleek het enkel om een tand te gaan... waarrond Osborne een kaak had getekend en zo uiteindelijk het hele individu had "gereconstrueerd". Toen ze deze tand nader onderzochten kwamen verstandigere wetenschappers (in 1927) tot de conclusie dat deze afkomstig was van een uitgestorven varken...
* de Pithecanthtropus.
Hier gaat het over een andere vondst waarmee een "aapmens" kon worden gereconstrueerd op grond van een zgn. perfecte schedel. Na nauwkeurige bestudering moest men toegeven dat het enige bot dat ten grondslag lag aan deze "wetenschappelijke vooruitgang", een knieschijf van een olifant was....
Uit deze voorbeelden blijkt eens te meer hoezeer het evolutionistisch begrip "mutanten" bedrog is.

De waarheid over de "zondvloedcatastrofe"
Tot ongeveer de jaren 1800 was het feit van de zondvloed een algemeen aanvaarde verklaring voor het ontstaan van de bovenste aardlagen en de fossielen die men erin terugvindt. Fossiele resten van planten en dieren heeft men reeds in groot aantal en dikwijls goed bewaard teruggevonden, hetgeen
duidelijk wijst op een snelle begraving.
Prof.F.Hibben beschrijft hoe o.m. in Alaska a.h.w. massagraven werden aangetroffen vol dierlijke beenderen en resten. (mammoets, mastodont, bizons, paarden wolven, beren en leeuwen....)
Dergelijke vondsten vindt men trouwens in elk werelddeel.
In het bevroren toendraslijk dat op meerdere plaatsen in Siberië meer dan duizend meter (!) dik is, vindt men veel aanwijzingen van de catastrofale vernietiging van honderdduizenden dieren, ter plekke bevroren en overweldigd door een immense vloed.
Een typisch voorbeeld zijn de vondsten van de mammoets waarvan het (diepgevroren) vlees soms nog zo goed bewaard is dat het perfect eetbaar is.
In hun maag vindt men dikwijls de overblijfselen van grassen en bloemen die wijzen op een zacht klimaat vóór de zondvloed.
Dergelijke drastische en plots klimaatwijziging van subtropisch tot arctisch, is enkel te verklaren door het plotseling neerstorten van de watermantel die zich oorspronkelijk rond de aarde bevond.
Het bestaan van deze watermantel wordt o.m. bevestigd door meerdere wetenschappers o.a. Prof.Joseph C. Dillow - "The waters Above"
Deze watermantel zorgde voor een gelijkvormig zacht klimaat over ganse de aarde.
Een dergelijke watermantel bestaat trouwens nog steeds op de planeet Venus die zonder grote luchtturbulenties zorgt voor een gelijkvormig klimaat van pool tot evenaar.
Geologen weten aan de hand van waarnemingen in de meeste gesteenten, dat ons klimaat vroeger veel warmer is geweest en dit over gans de aarde.
Zo vindt men steenkoollagen in de ondergrond van de meeste werelddelen. Deze lagen getuigen van een subtropische rijke plantengroei (fossielen). Ook de dierenwereld was veel rijker en weelderiger. (reuzereptielen, dinosauriërs...)
De hoge partiële zuurstofdruk verklaart ook de grote afmetingen van insecten, ongewervelde en gewervelde dieren. Mogelijk is dit ook een verklaring voor de hoge ouderdom van de aartsvaders.

Datum?
Volgens Dominique Tassot, burgerlijk mijningenieur en auteur van het boek: "A l'Image de Dieu, Préhistoire Transformiste ou Préhistoire Biblique", volstaan enige kennis van de bevolkingsgroei en enkele berekeningen om te kunnen stellen dat de zondvloed is opgetreden in de 24 ? eeuw vóór Christus.
Ook andere studies over de bevolkingsgroei wijzen naar een totale ouderdom van 5 à 6000 jaar voor de afstamming van de huidige wereldbevolking van één ouderpaar.
Deze statistische schattingen staan in schril contrast met de ouderdommen die door de evolutieleer worden voorgesteld. Deze variëren van 30.000 jaar voor de Homo Sapiens - 300.000 jaar voor de Neanderthaler die evengoed reeds zijn doden begroef, kon spreken en werktuigen maakte, en bijna 2.000.000 voor de Homo Erectus.
Indien deze evolutionistische ouderdommen juist zouden zijn, dan zouden er nu evenveel mensen zijn als bacteriën!! En indien al die mensen ooit op aarde zouden hebben geleefd, waar zijn dan hun fossiele overblijfselen?

Conclusie
Deze beknopte samenvatting van de bijzonderste aspecten van evolutie- en scheppingsleer bevat geen antwoord op alle vragen die men zich in verband met dit boeiend onderwerp zou kunnen stellen. Daarvoor verwijzen wij dan ook naar de bronvermelding hierna.
Samengevat kunnen we zeggen dat de evolutietheorie niet meer is dan een hypothese. Zij wordt echter nog steeds opgedrongen als een realiteit zowel in de schoolboeken als in de media, in musea, vakliteratuur enz.
Het werkelijke doel van de evolutietheorie is niet enkel het ontkennen dat er een schepping is geweest maar vooral het bestaan van de Schepper.

_______________________________________________________________
1 "Big bang": reeds tientallen jaren zitten astronomen hierover met de handen in het haar want bepaalde ontdekkingen hebben aangetoond dat deze theorie niet klopt.
Astronoom W. Kaufmann formuleerde dit duidelijk als volgt: "Als deze (ontdekkingen) juist zijn, dan stort een van de pijlers van de moderne sterrenkunde en kosmologie in elkaar met een verwarring zonder voorgaande sedert Copernicus."
_______________________________________________________________

 

 

 

EVOLUTIE :

EEN THEORIE IN TERMINAAL VERVAL ?

De evolutietheorie is altijd de drijfveer geweest achter de interpretatie van veel wetenschappers sinds Darwin deze leer in 1859 introduceerde in zijn boek 'Origin of Species', in het Nederlands 'Over het ontstaan van soorten'.
Het wordt alom geaccepteerd als de enige rationele verklaring voor het ontstaan en de ontwikkeling van het leven. De meeste mensen beschouwen het als een vanzelfsprekende waarheid. Maar wist u dat steeds meer wetenschappers uit vrijwel alle wetenschapstakken de ware grondbeginselen in twijfel trekken?

Over deze kwestie bestaat veel onenigheid tussen religie en wetenschap, met name als het gaat om opvoeding. Wetenschappers beschouwen degenen die volharden in een bijbelse verklaring als primitieven, vastberaden hun kinderen volgens de donkere Middeleeuwen op te voeden. Aan de andere kant schilderen zij die volharden in een bijbelse verklaring van de Schepping de wetenschappers af als goddeloze atheïsten, wat de meeste wetenschappers overigens niet zijn.
Wat moet een gemiddeld persoon met de gebeurtenissen in deze arena, waar meer hitte dan licht voortgebracht lijkt te worden? Wij willen u helpen bij uw zoektocht naar het waarom. Waarom vinden sommige wetenschappers dat de Evolutietheorie barsten vertoont en waarom is de bijbelse verklaring, mits juist geïnterpreteerd, essentieel voor ons inzicht in wie wij zijn en waar wij vandaan komen.

Dient evolutie een theorie te zijn?
Op basis van haar aard moet wetenschap gebaseerd zijn op kennis. Kennis is gebaseerd op feiten. Maar van de feitelijke basis voor evolutie ontbreekt, op zijn zachts gezegd, elk spoor. Kennis neemt toe in alle takken van de wetenschap, maar er zijn daarentegen steeds minder harde bewijzen voor evolutionaire mechanismen. De gehele grondslag van de theorie wordt nu in twijfel getrokken door bepaalde evolutionisten zelf.
Volgens de eigen normen van de natuurwetenschap is het begrip evolutie niet krachtig genoeg om als een theorie beschouwd te worden; het is een hypothese. Een hypothese wordt voorgesteld wanneer er enig bewijs blijkt te zijn dat leidt tot een conclusie. Het is een manier om te zeggen: "misschien is dit de manier maar wij moeten meer bewijs hebben". Een hypothese wordt alleen dan een theorie als het bewijs zeer overtuigend is. Het bewijs dat evolutie het proces is waarbij leven is ontstaan en ontwikkeld, is niet overtuigend genoeg. Recente ontdekkingen in de biologie, scheikunde en andere wetenschappen hebben geleid tot ernstige twijfels.

Scherpe kritiek.
Evolutie wordt aangevallen op diverse fronten:
1. Het voortdurende gebrek aan bewijs voor macro-evolutie, de geleidelijke ontwikkeling van soorten in andere soorten over een zeer lange tijdsperiode (miljoenen jaren).
2. Recente ontdekkingen dat levensvormen van hetzelfde evolutionaire 'pad' geheel verschillende genen kunnen hebben.
3. Het besef dat micro-evolutie, d.w.z. mutaties binnen organismen gewoonlijk geen positieve 'evolutionaire' vooruitgang oplevert maar eerder neigt naar degeneratie van een levensvorm (een van de redenen voor het uitsterven van vele soorten). Het is aangetoond dat zelfs positieve mutaties van dit type niet hebben geleid tot macro-evolutie.
4. De bewustwording dat er onvoldoende tijd is geweest voor het optreden van complexe evolutiepatronen binnen de aanvaarde huidige levensduur van het universum, die hebben geleid tot het huidige leven op aarde.
5. Voortdurend gebrek aan bewijsmateriaal dat 'chemische' evolutie van leven heeft plaatsgevonden.
6. Steeds meer bewijzen die aantonen dat, mits juist geïnterpreteerd, de Bijbel niet strijdig is met een wetenschappelijke interpretatie van de natuurlijke wereld.
7. Het aanhoudende onvermogen van evolutie om een verklaring te geven voor menselijk denken en zelfbewustzijn.
8. De beperkingen van de natuurwetenschap zelf om het onverklaarde te verklaren.
Laten we deze problemen eens nader bekijken.

Het gebrek aan bewijs voor macro-evolutie
Macro-evolutie beschrijft het proces waarbij een levensvorm zich ontwikkelt tot een andere soort, bijvoorbeeld van aapmens tot mens. De meningen van evolutionisten zijn echter verdeeld over de manier waarop dergelijke ontwikkelingen tot stand komen, maar zij zijn het wel eens over het feit dat het gebeurt. Van oudsher nemen evolutionisten aan dat willekeurige mutaties in organismen plaatsvinden over een zeer lange tijdsperiode (gewoonlijk miljoenen jaren) waarbij geleidelijk nieuwe en verschillende soorten organismen ontstaan. Logischerwijze zouden ook veel overgangsvormen worden geproduceerd. In feite zou men verwachten veel meer tussen- of overgangsvormen in de fossielrecords te vinden dan de 'afgemaakte' vormen. Er zijn echter hellemaal geen overgangsvormen geregistreerd. Sommigen beweren dat de fossielrecord niet compleet is en dat slechts een klein percentage van fossielresten daadwerkelijk wordt gevonden. Als dit het geval is, blijft het vreemd dat de overgangsvormen, waarvan er verreweg de meeste zouden moeten zijn, doorgaans geheel ontbreken.
In de vroege jaren '80 van de vorige eeuw brachten evolutionisten als Hichings het standpunt naar voren dat evolutie van soorten tot stand komt door (grote' of 'macro' stappen rechtstreeks van het ene organisme in het andere. Dat zou voor een deel het gebrek aan fossiele overgangsvormen verklaren maar veel evolutionaire wetenschappers, waaronder Richard Dawkins, professor aan de Universiteit van Oxford, hebben dergelijke opvattingen sceptisch ontvangen. In zijn boek, The Blind Watchmaker, wordt deze benadering weerlegd en het Darwinisme sterk verdedigd. Het bewijs voor 'overgangsvormen' zoals in het Darwinisme wordt verdedigd, ontbreekt echter nog steeds in de fossielrecords en aanwijzingen voor het mechanisme voor macro-evolutie zijn nog steeds niet duidelijk.
Dawkins stelt dat het gebrek aan overgangsvormen kan worden verklaard door geografische middelen en het 'fossiele gat'. Het probleem is hier echter dat de gaten lijken te ontstaan daar waar fossiele overgangsvormen zouden moeten zijn! Om deze moeilijkheid te omzeilen beweert Dawkins dat een 'extra rijke' fossielenrecord nodig is om de overgangsvormen op te sporen. Maar dergelijke vormen zouden talrijker moeten zijn dan 'gewone' fossielen en dus ook gemakkelijker te vinden? Wij moeten erudiete argumenten niet het feit laten vertroebelen dat evolutionisten geloven dat, aangezien evolutie waar moet zijn, er een verklaring moet zijn voor deze anomalieën.
Maar dat is dus geloof en niet wetenschap, toch?
Onlangs heeft de aan de Universiteit van Auckland verbonden professor Neil Broom een boek gepubliceerd als antwoord op het werk van Darwins met de titel 'How Blind is the Watchmaker?' Broom bestrijd ten zeerste de thesis dat leven het product is van toevallige gebeurtenissen.

Genetisch bewijs
De darwinistische evolutie verondersteld dat visuele gelijkenissen in levensvormen het bewijs zijn dat soorten die op elkaar lijken zich hebben ontwikkeld langs hetzelfde evolutionaire pad. Dit lijkt logisch, maar recent werken over genstructuren laten zien dat gelijk uitziende soorten compleet verschillende genstructuren kunnen hebben.
Neem bijvoorbeeld de cichlide (vis) die voorkomt in de meren van Oost-Afrika.Cichliden van het ene meer hebben geheel andere mitochrondriale DNA-reeksen dan de vissen in een ander meer en kunnen dus niet volgens hetzelfde evolutionaire pad zijn ontstaan. Bovendien vertonen bepaalde cichlidesoorten in hetzelfde meer genetische verschillen.
Evolutionisten verklaren dit door te zeggen dat deze cichlidesoorten meerdere malen onafhankelijk moeten zijn ontstaan. Maar een dergelijke 'herhaalde' evolutie is niet verenigbaar met natuurlijke selectie, die plaatsvindt door willekeurig toeval. Dawkins bespreekt andere voorbeelden van 'herhaalde' evolutie en concludeert dat ondanks het feit dat de kans op dergelijke 'herhalingen' vrijwel nihil is, het toch 'moet' zijn gebeurd.
Neem bijvoorbeeld de Neanderthaler. Genetici hebben ontdekt dat mitochondriaal DNA dat werd onttrokken aan overblijfselen van een Neanderthaler, geen genetische bijdrage heeft geleverd aan de moderne mens. Mensen en Neanderthalers zijn derhalve geen gerelateerde levensvormen en mensen kunnen niet zijn ontstaan uit Neanderthalers.
In lopende genetische onderzoeken worden steeds opnieuw aanwijzingen gevonden die grote vraagtekens oproepen bij de evolutionaire werken. Dit bewijsmateriaal moet toch serieus in aanmerking worden genomen.

Micro-evolutie
Dit beschrijft het proces waardoor variatie in soorten ontstaat. Dit gebeurt en vormt in feite de basis voor selectieve voortplanting. Maar ondanks het feit dat micro-evolutie variatie binnen een soort kan voortbrengen (bijv. poedels, herders en dalmatiërs binnen het hondenras) en de motor vormt voor de ontwikkeling van leven, zou er bewijsmateriaal moeten zijn dat nieuwe soorten kunnen worden geproduceerd. Maar dit bewijs ontbreekt.
Integendeel, het is afdoende bewezen dat de meeste mutaties binnen een levensvorm schadelijk zijn en niet leiden tot 'verdere' evolutie maar zelfs leiden tot het uitsterven van soorten.
Bovendien bestaan tegenwoordig nog een aantal zeer oude levensvormen op aarde die zich niet verder hebben ontwikkeld gedurende miljoenen jaren. Het beste voorbeeld hiervan is de blauwgroene alg. Het is de oudste verschijningsvorm onder de fossielen en bestaat nog steeds. Minimaal drie miljard jaar is deze alg onveranderd gebleven.
Indien micro-evolutie daadwerkelijk nieuwe soorten voortbrengt, is er in het geval van de blauwgroene alg meer dan tijd genoeg voor geweest maar hier zijn geen enkele aanwijzingen voor.
Diverse andere voorbeelden kunnen worden gegeven, waaronder de coelacant. Dit is een vis die voorkomt in zee en in de fossielrecords en zich miljoenen jaren lang niet heeft ontwikkeld en door wetenschappers als een 'levende fossiel' wordt beschouwd.
De longvis is nog een ander voorbeeld.

De levensduur van het universum
en chemische evolutie
Evolutionisten nemen aan dat het leven is begonnen met een enkele, eenvoudige cel. Men heeft berekend dat als de meest eenvoudige levende cel werd opgebouwd uit zijn constituerende atomen onder volledig ideale omstandigheden, dat de kans dat de cel zou assembleren één op tien met 100 miljard nullen erachter zou zijn.
De leeftijd van het universum bedraagt ongeveer 17 miljard jaar of 5 x 10, met slechts zeventien nullen erachter, seconden.
Onder perfecte omstandigheden, en ervan uitgaande dat pogingen zijn gedaan om de cel eenmaal per microseconde gedurende het hele bestaan van het universum te assembleren, zou het aantal kansen om de cel te vormen 10 met 84 nullen zijn. Vergeleken met de eerder genoemde kans op het assembleren van cellen, is dit aantal bijna oneindig te klein om enige kans te geven op een succesvol assembleren van cellen. De realistische kansen liggen veel slechter.
Het is dus gewoonweg onmogelijk je een beeld te vormen van een spontane celvorming door een natuurlijk proces.
Ondanks vele onderzoeken, verschaft ook chemische evolutie geen realistische antwoorden voor de oorsprong van het bestaan.

Evolutie en de menselijke geest
De grootste uitdaging voor evolutie is waarschijnlijk de oorsprong van de menselijke geest. Evolutie kan absoluut geen mogelijke verklaring geven voor het zelf-bewuste menselijke verstand.
Dieren hebben niet het zelfbewustzijn van mensen; de mogelijkheid 'te weten dat zij weten'; de mogelijkheid naar waarheden te zoeken voor hun eigen belang; moralen en de waardering van schoonheid. Deze eigenschappen laten het enorme gat zien tussen de menselijke geest en die van dieren. Een gat dat evolutie niet kan verklaren. Dit onderwerp is onlangs uitvoerig besproken door filosoof Anthony O'Hear, die concludeert dat de evolutietheorie nooit in staat zal zijn deze dingen te verklaren.

De Bijbel, evolutie en creationisme
Wanneer evolutie volgens eigen wetenschappelijke normen wordt bestudeerd, komt men tot de slotsom dat het hoogstens een hypothese is. Een inzichtelijke en briljante hypothese maar bij lange na geen bewezen feit, of zelfs geen uitvoerbare theorie. Er is gewoonweg te veel dat nog moet worden verklaard.
Tenzij en totdat de theorie kan worden bewezen, verdienen andere verklaringen over de oorsprong en ontwikkeling van leven te worden gehoort. Hiertoe behoort de informatie die wij vinden in de Bijbel.
Een belangrijke reden voor het feit dat de evolutie door Christenen en evengoed door ongelovigen wordt geaccepteerd, is de veronderstelling dat de bijbelse uiteenzetting over de schepping niet in overeenstemming is met de feiten der natuur, bijvoorbeeld de overblijfselen van rotsen in de aardkost. Een ander heeft op zijn beurt een afkeer die hoort bij de eigentijdse mens om een 'hogere macht' dan zichzelf te accepteren.
Maar hier beperken wij ons tot de wetenschappelijke feiten.
De meeste evolutionisten zouden ons de bijbelse verklaring van de schepping laten verwerpen als een fabel, zonder wetenschappelijke waarde. Theïstische evolutionisten kunnen suggereren dat deze uiteenzetting evolutie 'afschildert' als Gods schepping.
Er zijn ook mensen die geloven dat de Bijbel letterlijk moet worden genomen, woord voor woord, als de manier waarop het heeft plaatsgevonden. Deze filosofie is het creationisme en wil ons doen geloven dat het universum en de aarde 6000 jaar geleden, in zeven letterlijke dagen, werden geschapen. De oorsprong en alle natuurlijke fenomenen dienen vanuit dit uitgangspunt te worden verklaard. Indien de argumenten van de creationisten waar zijn, moeten wij onze opvattingen over de manier waarop wij het wetenschappelijke bewijs voor de levensduur van de aarde en natuurlijke processen interpreteren, drastisch herzien. Desondanks kan men in wetenschappelijke literatuur altijd discussies over creationisme vinden.
De schrijver van dit artikel is van mening dat de argumenten van creationisten geen betere verklaring bieden dan evolutionisten. Er is simpelweg onvoldoende wetenschappelijk bewijs om de argumenten te bevestigen. Sterker nog, er zijn net als bij evolutie belangrijke aanwijzigingen die in een geheel andere richting wijzen.
Creationisme is niet de meest logische of redelijke verklaring en de meer orthodoxe 'gezond verstand' benaderingen brengen niet per definitie de Bijbel aan het wankelen.
De bijbelse verklaring van de schepping hoeft niet te worden verdedigd maar behoeft slechts een juiste interpretatie. Mits juist geïnterpreteerd stemt deze uitleg overeen met de wetenschappelijke feiten betreffende de oorsprong en natuurverschijnsels.
Allereerst moeten wij begrijpen dat het boeg Genesis oorspronkelijk poëtisch is geschreven, mogelijk zelfs in de vorm van een lied.
Uitleggers van het Joodse Oude Testament bevestigen dit. De uitleg dient derhalve niet per se letterlijk te worden genomen. De Bijbel bevat in werkelijkheid meer dan één verwijzing naar de Schepping (Psalm 104) De term 'dag' die in de uitleg wordt gebruikt hoeft niet te verwijzen naar een 24-uurs periode. Het kan een dag van 24 uur betekenen maar evengoed ook een andere gedefinieerde of niet-gedefinieerde periode (Genisis 4:3,15)
De Hebreeuwse woorden voor 'avond' en 'morgen' kunnen ook gewoon 'einde van de dag of periode' en begin van de dag of periode' betekenen, afhankelijk van hoe 'dag' is gedefinieerd. De term 'dag' kan daarom verwijzen naar een niet-gedefinieerde, langere tijdsperiode.
Als wij deze punten in gedachten houden, wordt de interpretatie van het boek Genesis veel flexibeler. In deze flexibiliteit is het, verbluffend genoeg, vrij ongecompliceerd de geologische bevindingen te harmoniëren met de bijbelse verklaring. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een lied.
In de tabel bij dit artikel worden wetenschappelijke feiten met betrekking tot de geologische bevindingen geharmoniseerd met de bijbelse verklaring van de schepping volgens Genesis.
Opgemerkt dient te worden dat de hier vermelde harmonisatie geen geloof hecht aan de evolutietheorie enkel en alleen omdat het om langere perioden kan gaan. Het is hier niet mogelijk op alle bijzonderheden in te gaan; de geïnteresseerde lezer wordt verwezen naar verdere bestaande literatuur.
(De beperkingen van de wetenschap, met betrekking tot evolutie, de schepping en God, zijn onlangs uitvoerig besproken door Del Ratzsch, professor in de filosofie van het 'Calvin College', VS. Hij is groot voorstander van de opvatting dat er geen onenigheid bestaat tussen enerzijds de natuurwetenschap en haar methoden en anderzijds het bestaan van God.)

Samenvatting
De opvatting van evolutionisten is vrijwel altijd geweest: evolutie moet de waarheid zijn dus moeten wetenschappelijke feiten in het licht van evolutie worden geïnterpreteerd. Dit klinkt erg als een religieuze geloofsuiting. Het is zeker niet de wetenschappelijke methode. Zoals we hebben gezien kunnen een aantal essentiële wetenschappelijke feiten niet op deze manier worden geïnterpreteerd.
Daarnaast geeft de bijbelse uiteenzetting van de schepping, geïnterpreteerd in het licht van wetenschappelijke feiten, een geloofwaardige alternatieve verklaring van het natuurlijke universum en de natuurlijke geschiedenis van de aarde.
Een reden tot bezorgdheid is dat terwijl evolutionisten hun geloof in de evolutie volgen, sommige vaak zeer intolerant zijn ten aanzien van diegenen die vasthouden, dankzij hun geloof, aan de bijbelse verklaring.
Zoals wij hebben gezien dient aan de bijbelse verklaring, gezien de lopende wetenschappelijke onderzoeken en de actuele feiten, minimaal dezelfde status te worden toegekend als aan evolutie.
Bemoedigende recente ontwikkelingen laten zien dat een aantal mensen in de wetenschappelijke wereld zich dit beginnen te realiseren.
Verder is er voor Christenen geen reden om zich te verontschuldigen voor de 'niet-wetenschappelijke' aard van de uiteenzetting in Genesis. Als dit boek juist wordt geïnterpreteerd, is het in overeenstemming met de wetenschappelijke feiten en vormt des te meer een bewijs van het bestaan van God.

 

Natuurwetenschap   Genesis
Vorming van het universum door de Big Bang.
Aansluitende evolutie van het fysische universum gedurende miljarden jaren
Het eerste tijdperk was het universum in duisternis gehuld.
Vorming van de melkweg en het zonnestelsel.
Ontbranding van de zon.
Der aarde begint te draaien.
  Vers 1: In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

Vers 2: ... de aarde nu was woest en ledig,
en duisternis was op den afgrond.

Vers 3: En God zeide: daar zij licht.
Vers 4: ... en Hij maakte scheiding tussen het licht en de duisternis...
     
Aanwezigheid van water op aarde, inclusief zeeën, waterdamp.
Vorming van het begin van de atmosfeer.
  Vers 6-8: En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren...
     
Ontwikkeling van de aardkorst. Begin van de vormingscyclus van korsten.
Verschijning van blauwgroene algen. Algen beginnen met verspreiden van zuurstof in de lucht. Begin van fotosynthese.
Verschijning van landplanten.
  Vers 9-10: ... dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde...

Vers 11: Dat de aarde groene materie voort zal brengen.
Vers 11-13: ... planten en bomen...
     
Atmosferische dampen beginnen helderder te worden;
de aard van de atmosfeer verandert geleidelijk.
  Vers 14-19: ... dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels...
Vers 16-18: God dan maakte die twee grote lichten...
(Deze verzen in historische tijdsvorm; zon en maan waren al eerder gevormd. Opheldering van de atmosfeer zorgde ervoor dat ze beter gezien konden worden.)
     
Een grote hoeveelheid levende wezens in zeeën en zoetwater
Cambrium 'explosie' van levensvormen.
De eerste vliegende wezens boven de aarde. (insecten, vogels)
  Vers 20: ... dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende wezens...
Vers 20: ... en vliegende wezens vliege boven de aarde ...
Vers 21-22: God schiep de grotere zeedieren.
     
Zoogdieren, amfibieën, wezens, reptielen in wateren.
Verschijning van drie klassen wezens en zoogdieren:
wilde dieren, tembare dieren, kruipende dieren.

Verschijning van mensen.
  Vers 24-25: ... de aarde brenge levende wezens voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard.

Vers 26-27: ... laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.
Vers 28-31: en God schiep den mens ... man en vrouw ...
     
Tot nu toe geen nieuw ontwikkelde soorten meer ontdekt.   Gen 2:1-3: Alzo heeft God op de zevende dag volbracht Zijn werk ...
dus Hij ruste.
(God's werk van de fysische schepping was voltooid)
     

 

 

 

 

Naar boven.

 


God en de oorsprong van het leven.

door Tim Hawthorne.

Sommige mensen zijn misschien bang om toe te geven dat er een Schepper God bestaat, omdat ze niet naïef of onwetend willen overkomen. Die verhalen in de bijbel, zeggen ze, zijn misschien wel goed voor kinderen en eenvoudige mensen in primitieve samenlevingen, maar geschoolde mensen weten toch wel beter, of niet soms?

Als geleerde wetenschappers - die hun leven lang al deze zaken bestudeerden - het idee van een schepper afdoen als een fabeltje, dan weten ze toch zeker wel waar ze het over hebben? Mensen die niet onwetend willen lijken zouden hen toch moeten geloven, of niet soms?

Nee, dat moeten ze niet! Ik ben een wetenschapper en ik bestudeer mijn hele leven al een deel van de schepping. Niets wat ik te weten ben gekomen, heeft mij doen betwijfelen dat er een schepper van ons heelal is die zorgt voor die schepping en voor ons. Inderdaad, hoe meer ik te weten kom, hoe meer reden ik heb om dit te geloven.
Ik wil graag mijn standpunt onderbouwen. Ik zal proberen u niet te overdonderen met feiten, maar, zoals Albert Einstein eens opmerkte, we moeten dingen zo eenvoudig mogelijk maken, maar niet eenvoudiger dan ze zijn.
Weet u, zelfs de 'eenvoudigste' levensvormen zijn eigenlijk niet zo eenvoudig.

Een niet zo eenvoudige cel.
Wat wij zien als een eenvoudige bacteriële cel is in werkelijkheid een ingewikkelde samenstelling van vele complexe chemische stoffen.
Bijvoorbeeld, een gemiddelde bacterie heeft ongeveer 2000 enzymeiwitten, elk gebouwd als een kralenketting, waarbij de kralen aminozuren zijn. Elk eiwit kent zijn specifieke volgorde van honderden aminozuren, waarvan er uit 20 kan worden gekozen en dat voor elke kraal van de keten. Twee astronomen, Sir Fred Hoyle en N.C. Wickramasinghe, maakten een schatting van de kans op het verkrijgen van een simpele bacteriële cel door willekeurig te kiezen uit de 20 aminozuren waar eiwitten uit zijn opgebouwd. De kans om op deze manier per toeval een bacteriële cel te creëren, is één op 1040.000 - dat is een 10 gevolgd door 39.999 nullen - best een groot getal! Astronomen zijn gewend aan zulke getallen, maar dit betekend dat het zo goed als onmogelijk is. Dat het ongeveer net zo waarschijnlijk, in de beroemde woorden van Hoyle, is als wanneer een wervelwind die door een schroothoop raast, een Boeing 747 samenstelt.
En we hebben het slechts over één kleine bacterie.
Richard Dawkins beschrijft dit onmogelijk proces in zijn boek 'The Selfish Gene': Op een bepaald moment werd per ongeluk een nogal merkwaardig molecuul gevormd. We noemen het maar de 'Reproduceerder'. Het was niet meteen het grootste of meest complexe molecuul die er was, maar hij bezat de ongelofelijke eigenschap dat hij zichzelf kon reproduceren.
Het lijkt misschien zeer onwaarschijnlijk dat dit per ongeluk zou gebeuren. Dat was het ook. Het was uitermate onwaarschijnlijk, maar bij onze menselijke schattingen van wat wel of niet mogelijk is, zijn we niet gewend om om te gaan met honderden miljoenen jaren.
In zijn voorwoord probeert Dawkins het prestige van zijn sprookje te verhogen door het wetenschappelijk te noemen. Maar het lijkt geenszins, op wat we tegenwoordig weten van het proces waarop Reproduceerder (DNA) in levende cellen wordt gekopieerd. Het kopiëren vereist tientallen complexe enzymeiwitten en nog eens tientallen om de chemische energie voor het proces te leveren. Als u gelooft dat de Reproduceerder dit alles in zijn eentje kan, dan gelooft u alles!

Een moeilijke evenwichtsoefening.
Realiseert u zich wel hoe precies de omstandigheden die het leven mogelijk maken, eigenlijk in evenwicht zijn? Ons fysisch universum hangt af van vier basiskrachten, of constanten. Deze zijn de elektromagnetische kracht, de sterke kernkracht, de zwake kernkracht en de zwaartekracht.
Leven zoals wij dat kennen, zou niet kunnen bestaan zonder water, dat, zoals u ongetwijfeld weet, een samenstelling is van waterstof en zuurstof. De waterstof in water zou niet bestaan als twee van de natuurconstanten niet precies in evenwicht waren. Als de zwakke kernkracht in de atomen en de zwaartekracht niet precies correct zouden zijn, dan zou alle waterstof in het heelal binnen enkele seconden na de oerknal, die door kosmologen wordt gezien als het begin van alles, omgevormd zijn tot helium.
Koolstof is evenzo noodzakelijk voor het leven en is één van de stappen in het opbouwproces van alle elementen in sterren. Als de sterke kernkracht die atoomkernen bindt en de elektromagnetische kracht tussen geladen deeltjes die atomen bijeen houdt, niet nauwkeurig in evenwicht zouden zijn, dan zou alle koolstof zijn omgezet in zuurstof en zwaardere elementen. De wetenschap kan niet verklaren waarom de natuurconstanten deze specifieke waarden aannemen, maar we weten dat, als het niet zo zou zijn, het heelal nooit leven zou hebben voortgebracht en dat wij er niet zouden zijn om het te bespreken.
Dit nauwkeurig instellen van het heelal wordt het 'antropisch (mens) principe' genoemd - het idee dat de kosmos is bedoeld om als habitat voor mensen te dienen. Wijst dit 'afstemmen' op een schepper die ons vanaf het allereerste begin in gedachten had?
Dit idee moet toch zeker niet achteloos van de hand worden gedaan als een fabeltje, wanneer zoveel bewijzen de redelijkheid ervan aantonen. Sommige filosofen die dit idee hebben verworven, stellen als alternatief voor dat er miljoenen verschillende heelals bestaan die elk verschillende eigenschappen hebben, zodat het volstrekt per toeval mogelijk is, dat er één tussen zit met de juiste omstandigheden om leven mogelijk te maken. Dit is een redelijk vergezochte gedachte en er zijn weinig bewijzen om het te ondersteunen. Het is tevens een zeer ingewikkelde verklaring en er is in de wetenschap een beginsel dat zegt dat de makkelijkste verklaring die bij de feiten past, hoogstwaarschijnlijk de correcte is.
Er is niets eenvoudigs aan een grote hoeveelheid heelals!

Het begin.
Men gaat ervan uit dat de aarde 4.500 miljoen jaar oud is en er is fossielbewijs voor het bestaan van leven in sedimentgesteente tot zo'n 3.800 miljoen jaar geleden. De eerst levende organismen lijken bacteriën en algen te zijn geweest.
Hoe zijn zij ontstaan?
Ongeveer 70 jaar geleden wezen Oparine in Rusland en Haldane in Engeland erop dat een 'primitieve soep' van chemische stoffen zich als eerste vormde op aarde in een zuurstofvrije (reducerende) atmosfeer. Zuurstof zou veel van die chemische stoffen hebben vernietigd. Deze reducerende atmosfeer zou zijn opgebouwd uit waterstof, waterdamp, methaan en ammonia. Wanneer dit krachtige mengsel werd blootgesteld aan bliksem en ultraviolet licht zouden enkele simpelere chemische stoffen van het leven, zoals aminozuren, ontstaan.
Anderen wijzen er echter op dat de geologische bewijslast bestrijdt dat zo'n atmosfeer lang genoeg kon hebben bestaan voor de vorming van een primitieve soep. Sterker nog, het precambrische gesteente dat het fossielbewijs voor de vroegste levende cellen bevat, bevat niet de verwachte organische stoffen uit de soep.
Nou, dat 'kleine probleem' zal degenen die vastberaden zijn het mogelijk bestaan van een schepper uit te sluiten, niet tegenhouden. Als de chemische stoffen van het leven niet op die wijze gevormd werden, werden ze misschien wel gebracht door meteorieten, waarvan sommige zeker zulke chemische stoffen bevatten. Men schat dat zware bombardering van het aardoppervlak door meteorieten zo'n 3.800 tot 4.000 miljoen jaar geleden heeft plaatsgevonden. Astronomen maken ook melding van kleine koolstofbevattende moleculen zoals formaldehyde en methylamine, in de interstellaire ruimte.
Natuurkundige Paul Davies, auteur van het boek 'The Fifth Miracle' (over de oorsprong van het leven), heeft ook zijn twijfels over de primitieve soep. Hij beweert dat het leven diep onder de zee in hete vulkaankraters is ontstaan. Zijn scenario is net zo waarschijnlijk als alle andere.
Maar hoe waarschijnlijk zijn ze?
Stuart Kauffman kan het idee dat leven voortgekomen is uit het niet-levende door stuk voor stuk bij elkaar gebracht te worden door evolutie, niet aannemen. Zijn theorie is dat wanneer het aantal moleculen in de primitieve soep een bepaalde drempel overschrijdt, er plotseling een autokatalyserend metabolisme (een reeks van chemische omzettingen die elkaar in stand houden) zal ontstaan. Voor hem lijkt het optreden van leven haast onvermijdelijk. Kauffman schrijft overtuigend, maar geeft toe dat er tamelijk weinig harde bewijzen zijn.

Alle hoop opgegeven.
Omdat zij ontsteld waren over de kans op het door toeval ontstaan van leven op aarde, bliezen Hoyle en Wickramasinghe een oude theorie dat het leven uit de ruimte kwam, weer nieuw leven in. Bacteriën en virussen, zo beweerde zij, bereikten de aarde en bereiken de aarde nog steeds in de staarten van kometen. Kosmische krachten, zo concluderen zij, zijn niet alleen verantwoordelijk voor de oorsprong van het leven, maar ook voor sommige aspecten van haar evolutie.
Biologen zijn niet onder de indruk.
Het dubbelhelix model voor DNA van Watson en Crick legde de basis voor moderne, biochemische genetica. Crick heeft genoeg verstand van DNA om te weten dat het maken van de eerste levende cel nagenoeg onmogelijk moet zijn geweest. Hij is daarom van mening dat het leven opzettelijk naar de aarde is overgebracht door hoogontwikkelde beschavingen elders in het heelal.
Er zijn geen harde bewijzen voor dit alles en natuurlijk wordt door het verplaatsen van het probleem van de oorsprong van het naar de ruimte of de diepste oceanen, geen antwoord verkregen op de ultieme vraag hoe het in eerste instantie allemaal begonnen is.
Charles Darwin zat er misschien wel dichterbij toen hij het hele vraagstuk omzeilde. In zijn boek 'The Orgin Of Species' schreef hij dat 'er leven, met de verscheidene krachten van het leven, oorspronkelijk in enkele vormen werd ingeblazen of in één ...'
Door wie er werd geblazen, zegt hij niet.

Ontwerp.
Wij hoeven de vraag niet te omzeilen. Eens komen we er misschien achter hoe het leven is ontstaan, hoe onwaarschijnlijk dat op dit moment ook lijkt. Wij hoeven de oorsprong van het leven niet te zien als het resultaat van een rechtstreekse tussenkomst van God. Misschien kwam het door een natuurlijk proces - maar zoiets kon niet zomaar in elke wereld gebeuren. Alle omstandigheden moeten precies kloppen en de kansen zijn te groot dat dit het gevolg is van pure toeval. De fijne evenwichten in de natuurwetten die het leven mogelijk maken wijzen op een welwillende schepper, die zowel u, als mij, als de hele wereld in gedachte had.
Als wetenschapper heb ik geen moeite dat te geloven. Het druist tegen absoluut niets in waarvan ik weet dat het wetenschappelijk is aangetoond.
Mijn geloof als Christen hangt echter niet alleen af van wetenschappelijke bewijzen - maar dat is een heel ander verhaal.

(Tim Hawthorne is Emeritus Professor Biochemie aan de Universiteit van Nottingham, Verenigd Koninkrijk.)

 

 

Naar boven.

 

 

 


God en ons geloof in Hem.

1. Het Godsgeloof bij de mens.
2. Is God te bewijzen ?
3. Het Godswezen.
4. De verborgen God.
5. Gods persoonlijkheid.
6. Eigenschappen die God met ons deelt.
7. Eigenschappen die alleen God heeft.
8. De onbegrensde God.
9. God beminnen.

Naar boven.

 

 


1. Het Godsgeloof bij de mens.
Het geloof in God is bij ieder mens verschillend. Niemand weet werkelijk wat 'daarbuiten' is, voorbij de dood, voorbij de sterren, niet eens de grootste wetenschapper of theoloog. Alle manieren die we hebben om ons bestaan te benaderen, van wetenschap tot godsdienst, zijn tenslotte niet meer dan modellen of paradigma's, en je kiest je eigen paradigma.
Moest het bestaan van God kunnen aangetoond worden door een wiskundige formule of door een wetenschappelijke proef, dan zou geloof een wetenschap geworden zijn. Dan zou er ook een exact beeld van God kunnen gevormd worden. Juist door het transparant zijn van God kan echter elk mens zijn eigen godsbeeld vormen.
De wetenschap heeft God vervangen, zegt men wel eens. God is overbodig geworden. Maar vooral in sombere perioden in een mensenleven gaat men op zoek naar God. Als het weer beter wordt, wordt God terug overbodig en het zoeken ernaar vermindert geleidelijk. Bij elke geloofsvorm zijn er onbeantwoorde vragen en onweerlegbare feiten.
Een paar voorbeelden: Is er een God?
Zo ja, heeft Hij na het scheppen van het universum alle beslissingen aan zijn schepselen overgelaten of blijft Hij actief met zijn schepselen bezig?
Zo nee, waarom is er dan 'iets' en niet 'niets'?
Hoe is de zonde in de wereld gekomen?
Wat is de zin van het lijden?
Waarom grijpt God, althans voor onze ogen, niet in?
Wat komt er na de dood?
Als we God gaan vereenzelvigen met het universum, dan kunnen we stellen dat Hij én ruimte én tijd is. Staat God dan boven dat alles of is Hij ook gebonden aan deze factoren?
De twee extremen kunnen niet bestaan: een universum zonder God is niet denkbaar, want dan had er evengoed niets kunnen zijn in plaats van iets. Anderzijds stelt een universum mét een God ons niet in staat die God voor te stellen. Dus ligt de waarheid waarschijnlijk ergens tussenin.
Het feit dat mensen met hun geest de materie kunnen bestuderen en begrijpen, doet de vraag rijzen:
staat de geest bóven de materie of is de geest zelf materie?
Of ligt ook hier de waarheid tussenin: de geest is materie, die door evolutie zover gevormd is, dat deze zelf het stoffelijke kan gaan begrijpen.
Als dat zo is, bepaalt God dan niet deze ordening en hebben wij dus geen vat op deze gebeurtenissen?
Dan staat het lot van de mens reeds vast vóór zijn geboorte.
Is dat niet zo, dan staat geest werkelijk bóven materie en blijft deze nog na het afsterven van het lichaam verder bestaan.

Welke argumenten tonen het bestaan van God aan, een God van liefde en trouw, zoals deze volgens het christendom beleden wordt?
1. Ieder mens heeft ergens diep in zich een 'gevoel' van wat goed en wat kwaad is: het geweten.
De beslissing ligt bij hemzelf.
2. Wanneer we de evolutie van het universum, meer bepaald van het wereldgebeuren nagaan, dan kunnen we een bepaalde 'richting' gewaar worden.
En waar een richting is moet er ook een 'richter' zijn.
3. Ieder mens heeft wel eens een persoonlijke religieuze ervaring opgedaan waaraan hij zelf geen logische verklaring kan geven: een visioen, een droom, een bepaalde gebeurtenis, een voorgevoel,...

Het aantonen van het bestaan van een gekromd heelal, waar tussen tijd en ruimte een onderlinge band bestaat die afhankelijk is van massa en energie, kan een God suggereren, die boven dat alles staat: een God die alles weet en zelf alles is, maar die ons een zekere vrijheid van beslissen laat, misschien slechts in onze eigen ogen.
Het is een merkwaardig verschijnsel dat een mens, die zich van dit alles niet bewust is, die als het ware leeft van de ene dag op de andere, meestal op discussies over geloof gaat antwoorden:
"Wat doet dat er toe? Laat ons er het beste van maken voor de tijd dat we te leven hebben."
Er is immers een wijze uitspraak die zegt: "Wie God zoekt zal niet gelukkig zijn en Hem nooit vinden. Wie zich echter blindelings aan God toevertrouwt, heeft Hem reeds gevonden."

Terug.


2. Is God te bewijzen?
Velen verlangen naar een bewijs voor het bestaan van God. Dat verlangen is echter even dwaas als wanneer iemand het bewijs voor het bestaan van het licht zou willen leveren. Als we onze ogen openen, zien we niet het licht, maar de dingen zoals ze beschenen worden door het licht. Zo zien wij God ook niet, terwijl alles er in het licht van God anders uit gaat zien. Het moet daarom niet zozeer gaan om bewijzen, als wel om aanwijzingen en aspecten.
Honderden jaren hebben de mensen gepoogd te bewijzen dat God bestaat. Sommige van de argumenten die men gebruikte, kunnen worden teruggevoerd tot de Griekse filosofie.

A. Het ontologische bewijs
Het ontologische bewijs werd voor het eerst geponeerd door Anselmus (1033 - 1109).
Het uitgangspunt van de redenering is de definitie van God als het hoogste dat men zich kan denken.
Als dit denkobject niet bestaat, is een ander, wel bestaand denkobject groter. Dan zou het denkobject van God niet meer het allergrootste zijn. Besluit: God bestaat.
Deze bewijsvoering heeft in haar verschillende vormen de filosofen tot vandaag toe geboeid.
De theologen daarentegen hebben er nooit voor gevoeld. Maar tegenwoordig beschouwen ook de meeste filosofen het als een schijnbewijs, op zijn best een stukje abstracte logica. Logisch kan de definitie dus juist zijn, maar heeft ze nog een raakvlak met de werkelijkheid?

B. Het kosmologische bewijs
Dit bewijs gaat uit van een Eerste Oorzaak van alle dingen. Niets van wat wij zien is zijn eigen oorzaak. Al wat wij ervaren heeft oorzaken die buiten zichzelf liggen en aan zichzelf voorafgaan.
Als er geen Eerste Oorzaak zou zijn die zijn eigen oorzaak was en uiteindelijk de oorzaak van alle volgende oorzaken, dan zou het hele causale proces nooit op gang zijn gekomen.
Daarom is er een Eerste Oorzaak, die wij God noemen.

C. Het teleologische bewijs
Het teleologische bewijs neemt, in tegenstelling tot het kosmologische bewijs, de kennelijke planmatigheid en doelgerichtheid van de dingen in de wereld in ogenschouw, met name van de levenloze voorwerpen, die zelf geen intelligentie bezitten. Levenloze dingen dienen een doel buiten zichzelf, en zoals een horloge een horlogemaker veronderstelt, zo verwijst de klaarblijkelijkheid van ontwerp doel van de dingen naar een doelbewuste Schepper.

D. Het morele bewijs
Dit vraagt naar de bron van onze morele waarden.
Hoe komt de mens aan zijn onderscheidingsvermogen met betrekking tot goed en kwaad?
Ook atheïsten en agnostici komen op voor eerlijkheid en recht.
Maar de materie kent geen moraliteit. In een zuiver materialistische wereld zijn er geen normen; zij die over de macht beschikken, bepalen wat goed en fout is. Het morele bewijs beroept zich op het gevoel voor zedelijke waarden waar de mensen blijk van geven en dat, of zij dit nu erkennen of niet, wijst op het bestaan van een persoonlijke, zedelijke Schepper, die in onze zedelijke natuur gevoel voor recht en voor plicht tegenover anderen heeft ingeplant.
De tweede en de derde bewijsvorm hebben een zekere aantrekkelijkheid, maar zij missen bewijskracht. Geen van beide bewijst de God van het christelijk geloof of van eender welk ander geloof. Ze laten verscheidene vragen onbeantwoord: Hoe weten wij dat de Eerste Oorzaak en de grote Ontwerper één en dezelfde zijn als de drie-enige God van het christelijk geloof?
Beide bewijzen veronderstellen een zekere onderliggende eenheid in de wereld, maar kunnen wij het als vaststaand beschouwen dat alle oorzaken en alle evidenties van planmatigheid en doelgerichtheid terug te voeren zijn tot één enkel begin?
En wat te zeggen van het bestaan van het kwaad en van het duidelijke gebrek aan harmonie in de wereld? Als God de Eerste Oorzaak van alles is, is Hij dan ook de oorzaak van het kwaad?
Sinds Charles Darwins De oorsprong der soorten (1859) moet de vraag onder ogen worden gezien: hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van de schepselen zelf voor hun aanpassing aan hun omgeving en dus voor hun karakterstructuur? Deze vraag maakt zelfs de eerste drie bewijzen vrijwel krachteloos.
Evenmin als het kosmologische en het teleologische is het morele bewijs doorslaggevend voor het bestaan van God. Maar alle drie vestigen zij onze aandacht op hetzelfde feit: wij zijn als schepselen niet volstrekt onafhankelijk. Ons bestaan in de wereld roept vragen op, waar deze wereld zelf geen antwoord op heeft.
Jezus heeft nooit geprobeerd te bewijzen dat God bestaat, maar zijn leer vooronderstelt bij zijn hoorders wat Calvijn een 'zintuig voor God' genoemd heeft. Dit gevoel voor God is iets wat alle mensen eigen is. Daardoor is het mogelijk dat de prediking van het evangelie gehoor vindt.
Paulus trachtte niet Gods bestaan af te leiden uit de natuur. Eerder is het zo dat de natuur ons op haar manier op God wijst. Wij moeten God niet verwarren met iets uit de schepping. Het tweede, derde en vierde bewijs schieten tekort als het erom gaat de God van het christelijk geloof te bewijzen: rationele bewijsvoering kan dat uiteindelijk niet. Maar zij trekken onze aandacht op enkele van de meest fundamentele vragen die ons bestaan in de wereld oproept. Het christelijk geloof in de Schepper beantwoordt aan ons diepste gevoel voor God. Op een wijze als geen ander geheel van overtuigingen ooit heeft gedaan, stelt het ons in staat de wereld waarin wij leven te doorzien en zin te geven aan de evidentie van oorzakelijkheid, doelgerichtheid en zedelijke waarden die wij allen om ons heen waarnemen.

Terug.


3. Het Godswezen.
Wanneer de Heilige Schrift moet zeggen wie God is, spreekt zij niet met abstracte en ingewikkelde begrippen. De bijbel spreekt over God in allerlei beelden, soms zelfs in zeer menselijke (antropomorfe) uitdrukkingen. In de psalmen vinden wij bijvoorbeeld: · 'Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
· Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind, mijn schild, mijn behoud en bescherming' (Ps. 18,2-3).
Natuurlijk weet ook de Heilige Schrift, dat men van God geen beeld kan en mag maken, want Hij is uniek en onvergelijkelijk. Om uit te drukken dat God verheven is boven al het wereldlijke en menselijke, noemt de bijbel Hem op vele plaatsen de Heer. Hij is de Heer-God, de Heer van alle heren, de heerser over de hele wereld. Het wezen van God is heiligheid en heerlijkheid, die duidelijk worden in zijn liefde die in Jezus Christus openbaar is geworden.

Terug.


4. De verborgen God.
Hoe ver reiken al deze beschouwingen? Blijkbaar is God geen pasklaar antwoord op onze vragen.
God is een diep mysterie. Hij is geen voorwerp, dat men zoals andere voorwerpen zou kunnen constateren. God bestaat niet op de wijze, zoals de dingen en ook de mensen in de wereld bestaan.
Hij is niet ergens 'daarboven'. Zijn mysterie omvat ons van alle kanten. Daarom is Hij ook niet een 'God-gatenopvuller', die slechts aan de grenzen van de menselijke kennis op het toneel verschijnt.
De bijbel noemt Hem de verborgen God, die in het ontoegankelijk licht woont. Als eindige wezens kunnen wij de Oneindige, die alles omvat, nooit of te nimmer begrijpen.
Wij kunnen dit mysterie van God ook niet afleiden uit het mysterie van ons wezen. God is geen maaksel van de mens, geen zelfgemaakte afgod, geen vervulling van onze eigen wensen en verlangens. God is pas dan werkelijk goddelijk, wanneer zijn mysterie dieper en groter is dan het mysterie van de mens.
Ten aanzien van het mysterie van God moeten onze menselijke voorstellingen van God wel telkens weer opnieuw schipbreuk lijden. Wij moeten daarom steeds opnieuw op pad gaan en ons geloof telkens weer verdiepen.
Hoe meer een mens bezig is God te zoeken, des te minder zullen alle tot nu toe gegeven antwoorden hem als bevredigend voorkomen. In de bijbel is het meest indrukwekkende voorbeeld hiervan de figuur van Job. De zwaarste slagen van het noodlot hebben hem getroffen, hij heeft alles verloren: zijn goederen, zijn familie, zijn eigen gezondheid. Hij kan God niet meer begrijpen en twist met Hem.
Tenslotte echter moet hij erkennen: met God kan men niet redetwisten, God kan men niet doorgronden. De grote mystici spreken over de 'donkere nacht' waarin de mens door de godservaring wordt binnengeleid. Deze nacht is het verblindend licht van God, dat onze ogen verduistert, omdat zij daarvoor te zwak zijn.
Omdat God een bovenmate groot mysterie is, kan de mens Hem ook ontkennen. Hij kan aan het mysterie, dat zich in het mysterie van het eigen leven aan hem voordoet, andere namen geven.
Hij kan het op de meest uiteenlopende manieren benoemen: alomvattende natuur; materie die zich nog in het stadium van wording, gisting en voortbrenging bevindt; naamloos en zinloos niets, zodat ons leven verzinkt in de bodemloze leegte en eindigt in de woestenij van het niets. God is dus niet slechts een antwoord, maar ook een vraag aan ons. Hij vraagt ons, hoe wij het mysterie van ons leven willen verstaan: als hoop op een toekomstige voleinding die wij zelf tot stand moeten brengen, als gril van het noodlot, als vluchtige ademstroom van het niets of als geschenk, dat voortkomt uit de volheid van het zijn en naar onze volheid terugverlangt. De gelovige is ervan overtuigd dat alleen het mysterie van God beantwoordt aan het mysterie van de mens en hij gelooft, dat daarvoor argumenten aan te voeren zijn. Tenminste is hij de overtuiging toegedaan, dat alle argumenten die tegen het godsgeloof worden ingebracht, niet steekhoudend zijn en ook rationeel ontzind kunnen worden. Maar alle argumenten, voor en tegen, zijn ten aanzien van het steeds grotere mysterie van God niet meer dan een gegronde uitnodiging tot het geloof.
God is geen ‘probleem’ en mensen die het beschouwende leven leiden - zoals monniken - hebben uit ervaring geleerd dat men God niet kan kennen zolang men probeert het ‘godsprobleem’ op te lossen.
Proberen het godsprobleem op te lossen is zoiets als proberen zijn eigen ogen te zien. Men kan zijn eigen ogen echter niet zien, omdat men daar juist mee kijkt. God nu is het licht waardoor wij zien: niet een helder bepaald ‘object’ dat God heet, maar al het andere in Hem, de onzichtbare Ene. God is dus de Ziende en het Zien zelf, maar Hij wordt op aarde niet gezien. In de hemel is Hij de Ziende, het Zien en de Geziene, dit is Degene die Ziet, in wie wij zien en Die door ons gezien wordt.
God zoekt zichzelf in ons, en de dorheid en het verdriet in ons hart is het verdriet van God die in ons onbekend blijft, die zich nog niet in ons herkent, omdat wij niet durven geloven en vertrouwen in de ongelooflijke waarheid dat Hij kan wonen in ons, uit vrije keuze, uit voorkeur.

Terug.


5. Gods persoonlijkheid.
God is. Maar hoe moeten wij ons Hem voorstellen? De vraag is niet alleen van academische aard, omdat als de voorstelling die wij ons van Hem maken, fundamenteel verkeerd is, het wel een onware God, een afgod kan zijn die wij aanbidden. En wat wij aanbidden, vormt ons. Wij zijn geneigd iets over te nemen van het karakter van wat wij aanbidden: geld, plezier, succes, God of iets anders.
Als wij dus God willen aanbidden, moeten wij ons Hem voorstellen zoals Hij is. Anders zal het verkeerd gevormde beeld onze motieven vertekenen en een misvormende invloed hebben op onze persoonlijkheid.
Welke voorstelling moeten wij ons dus van God maken? Welke zijn Zijn voornaamste eigenschappen? Sommige ervan delen tot op zekere hoogte de mensen met Hem.
Dit maakt het ons mogelijk een voorstelling van Hem te vormen. Maar de eigenschappen, die God met ons deelt, zijn niet geheel gelijk aan die van ons, want onze woorden zijn ontoereikend om zijn volkomenheid uit te drukken. God heeft een wil en wij hebben een wil; God heeft lief en wij hebben lief; God kan haten en wij kunnen haten. Maar Gods wil, Gods liefde en Gods haat zijn niet precies dezelfde als die van ons. In elk geval moeten wij proberen te ontdekken in welke opzichten Gods eigenschappen met die van ons overeenkomen en in welke zij verschillen.
Bovendien heeft God eigenschappen die geen enkele overeenkomst vertonen met wat dan ook in het heelal. Die zijn voor ons veel moeilijker te begrijpen, zelfs wanneer ze ons worden beschreven.
Maar zij kunnen in beeld gebracht worden en ze vormen een wezenlijk deel van wat God maakt tot wat God is.

Terug.


6. Eigenschappen die God met ons deelt.
God is persoonlijk. Dit houdt in, dat Hij zich zijn eigen existentie bewust is, dat Hij overwegingen kent, dat Hij vrij beslist. Hij is een intelligent zedelijk wezen, niet zomaar een abstract idee, een 'iets' dat op de een of andere manier fatalistisch inwerkt op het heelal.
Hij handelt en spreekt omdat Hij dat verkiest te doen. Alle zedelijke deugden behoren tot God. Jezus heeft laten zien dat God goed is, liefdevol, vergevend, barmhartig, genadig, heilig, getrouw, rechtvaardig; dat Hij vrede sticht, bijstand biedt, meedogend in onze noden voorziet; dat Hij de dingen leidt volgens Zijn eigen volmaakte wil.
Daar God volstrekt rechtvaardig is, is Hij vertoornd op de zondaars vanwege hun zonden, want licht verdraagt geen duister. Met jaloersheid ziet Hij hoe degenen die Hem toebehoren zich van Hem afkeren of in toewijding te kort schieten. Al deze eigenschappen treffen wij in zekere mate ook bij de mensen aan: ook wij kunnen barmhartig, trouw, medelevend, boos en jaloers zijn.
Wat maakt deze eigenschappen bij God anders dan ze bij ons zijn? Het is dat zij in God volmaakt en onbeperkt aanwezig zijn, niet aangetast door de zonde. God is volkomen goed.
Alles wat Hij is, doet en zegt is goed; Hij kan niet anders dan goed zijn.
God heeft lief. Zozeer dat de bijbel kan zeggen: God is liefde. Anders dan de onze faalt Zijn liefde nooit. Zijn vergevingsgezindheid verschilt wezenlijk van de onze. Wanneer wij vergeven, weten wij dat ook wij gezondigd hebben; maar wanneer God vergeeft, doet Hij dat omdat Hij altijd de gekrenkte partij is en nooit zondigde.
De bijbel vertelt ons dat God gevoelens van gramschap kent tegen alle zonden en zondaars.
Maar anders dan bij ons is Zijn toorn niet het gevolg van een gepikeerd zijn. Zijn toorn is een wezenlijk aspect van Zijn gerechtigheid. Hij moet wel vertoornd zijn op zonden en zondaars.
Als Hij er onverschillig tegenover zou staan, zou Hij in strijd zijn met Zijn eigen heiligheid.
Dit betekent niet dat Gods boosheid onpersoonlijk is, zinnebeeld slechts van zijn gerechtigheid.
Ze is heel persoonlijk, maar zonder wraakzucht, willekeur of gebrek aan beheersing; Zijn jaloersheid is volstrekt gerechtvaardigd omdat Hij God is, die rechtmatig aanspraak maakt op onze toewijding.
Onze jaloezie is daarentegen te vaak het gevolg van ons verlangen iets te behouden waarop wij geen recht kunnen doen gelden.
Nog belangrijker is, dat wij meestal liefhebbend óf boos, vergevingsgezind óf jaloers zijn, ons van falende mensen distantiëren óf hen barmhartigheid betonen; niet beide tegelijk. God kent zulke beperkingen niet. Hij kan niet anders zijn dan meedogend en heilig. In zijn gevoelens voor een zondigend mens zullen Zijn liefde en toorn altijd onvermijdelijk samengaan. Om te begrijpen hoe dit mogelijk is, moeten we enkele andere van zijn eigenschappen nader bezien.

Terug.


7. Eigenschappen die alleen God heeft.
Er zijn een paar dingen, die alleen van God gezegd kunnen worden. Alleen God is onafhankelijk.
Alles en iedereen is voor zijn bestaan van Hem afhankelijk. Hij is echter in geen enkel opzicht van hen afhankelijk. Hij leeft leven uit zichzelf en Hij is de bron van alle leven in het universum; Hijzelf echter heeft geen oorzaak. Hieruit volgt dat God geen verandering kan ondergaan: zijn leven niet, zijn wezen niet, zijn wijze van handelen niet, zijn doelstellingen niet.
Zelfs zijn Zoon verandert niet. Daarom kan men op God volstrekt bouwen.
Het is van groot belang Gods onveranderlijkheid niet verkeerd te begrijpen. Ze betekent niet, dat Hij geen gemoedsbewegingen kent. De bijbel toont ons een God die blijk geeft van zeer diep gevoelen.
Ze betekent evenmin dat de wijze waarop Hij met mensen en volken omgaat geen ander beeld kan gaan vertonen. Ze betekent wel, dat Gods omgang met ons altijd gebaseerd zal zijn op hetzelfde: op wat Hij is.

Terug.


8. De onbegrensde God.
Zowel Gods majesteit als ons worstelend pogen te verstaan wat Hij over zichzelf geopenbaard heeft, komt voort uit het feit dat Hij de grenzen van onze ervaring te boven gaat. God is naar zijn wezen zonder beperking.
Wij mensen daarentegen zijn beperkt naar tijd (we zijn geboren, leven en sterven in een bepaalde periode van de geschiedenis), naar plaats (als ik hier ben, ben ik nergens anders aanwezig), naar macht (er is veel wat ik niet kan), naar kennis (we kunnen nooit alles weten) en nog zoveel meer.
God is in dit alles onbegrensd.
Hij wordt niet begrensd door tijd: zijn Rijk is eeuwig. Ons tijdsbegrip hangt samen met de beweging van de sterren en hemellichamen die God schiep. Maar God wordt door dit systeem niet gefixeerd.
Hij heeft het ingesteld, dus Hij staat er boven. Ons probleem is dat wij nauwelijks kunnen begrijpen wat het inhoudt boven de tijd te staan. Het betekent zeker niét dat God statisch is; de God van de bijbel staat in actieve relatie tot het heelal dat Hij schiep. Wij zijn in de tijd geschapen, en wanneer God zich openbaart, zal dit dus in historisch verband gebeuren, in termen van 'vóór' en 'na'. Jezus werd geboren, stierf en verrees in de tijd, op een aanwijsbaar ogenblik in de geschiedenis.
Het brengt ons in verwarring: de eeuwige, tijdloze God heeft zich aan ons in de tijd willen openbaren, omdat wij uitsluitend binnen dit kader in staat zijn tot begrijpen. En als wij het al moeilijk vinden te begrijpen wat het inhoudt dat God boven de tijd staat, hoeveel moeilijker is het dan niet voor ons te bevatten hoe de eeuwige God zich aan ons kan openbaren in de tijd. Er steekt niets in dat onlogisch klinkt, maar er steekt veel in dat zich aan ons begrip onttrekt.
God wordt evenmin begrensd door de begrenzingen van plaats.
Hij is, zoals de theologie het uitdrukt, 'omnipresent' of alomtegenwoordig. Het is onmogelijk zich voor God te verbergen of Hem te ontvluchten. Hij is in alle dingen.
Maar dit wil niet zeggen dat Hij zich niet soms op een bepaalde plaats aan de mensen openbaart.
In het Oude Testament heeft God ontmoetingen met zijn volk op bijzondere plaatsen. Wanneer Hij zich toornig van hen terugtrekt, maakt Hij het hun onmogelijk Hem te ontmoeten of te ervaren; maar zelfs dan kunnen zij aan zijn tegenwoordigheid niet ontkomen. In het Nieuwe Testament komt God tot zijn volk op de meest menselijk-persoonlijke manier: in zijn Zoon Jezus Christus.
Wanneer Jezus in Galilea is, is Hij niet in Jeruzalem of Jericho. Hij is aan ruimtelijke beperkingen onderworpen. Terwijl God tijdloos is, komt Hij ons in de geschiedenis tegemoet, en terwijl Hij alomtegenwoordig is, komt Hij tot ons in zijn Zoon Jezus. Jezus leefde in een bepaald land, Palestina, en ontmoette verschillende mensen op verschillende plaatsen. Ook vandaag komt God tot ons in zijn heilige Geest daar waar wij zijn.
Gods macht is onbeperkt: Hij is, zoals de theologie het uitdrukt, 'omnipotent' of almachtig.
Hij kan alles, wat in zich mogelijk is en niet in strijd is met zijn oneindige volmaaktheid, door zijn wil alleen voortbrengen, veranderen en vernietigen. Maar van dit feit, waar in bijbel veelvuldig wordt op gewezen, is vaak een verkeerde voorstelling gegeven. In de middeleeuwen waren er professoren die hun studenten voor theologische raadsels stelden, in de trant van: beschikt God over het vermogen om een steen zo zwaar te maken, dat Hij hem zelf niet kan optillen? Een bevestigend antwoordt zou inhouden dat God de steen niet kon optillen, en een ontkennend dat Hij zo'n steen niet kon maken.
In feite is het een strikvraag, die vraagt of God iets kan doen wat met zichzelf in tegenspraak is.
Het is dan ook geen serieuze vraag naar de grenzen van Gods kunnen, maar een vraag die zelf vragen oproept naar de grenzen van een logisch vraagstelling.
God kan niet iets doen wat een inbreuk betekent op zijn eigen karakter of wat een van zijn beloften schendt. Als christenen zeggen dat God almachtig is, bedoelen zij gewoon dat Hij geen innerlijke zwakheid of onmacht kent. Hij kan doen wat Hem behaagt, maar wat Hem behaagt, zal altijd in overeenstemming zijn met zijn wezen.
God is ook niet beperkt in kennis: Hij is 'omnisciënt', alwetend. Dit houdt in dat God niet alleen weet wat er gebeurt, maar ook dat Hij alle meningen en gedachten kent. Hij kent de toekomst evenzeer als het verleden en het heden - misschien omdat Hij boven de tijd staat zoals wij die kennen en niet gebonden is aan de structuur van verleden, heden en toekomst, die ons leven bepaalt.
Sommige eigenschappen, zoals zijn eeuwigheid, zijn heel moeilijk naar hun wezen te vatten.
Nog moeilijker wordt het wanneer wij erkennen dat deze God zich genadig tot ons neerbuigt om ons te ontmoeten zoals we zijn: kleine, zondige mensen, gebonden door tijd en plaats en door de beperkingen van kennen en kunnen. Het is bijzonder moeilijk over Gods tijdloosheid diep na te denken. Maar nog moeilijker is het te vatten hoe deze tijdloze God ons in de geschiedenis tegemoet kwam en ons gehoor geeft in de wisselwerking van echte persoonlijke verhoudingen.
Het is heel moeilijk Gods onbeperkte macht, zijn volstrekte soevereiniteit te begrijpen.
Maar moeilijker nog valt te verstaan hoe deze soevereine God, die doet wat Hij wil, zinvolle relaties met ons, zijn schepselen kan onderhouden zonder ons te degraderen tot robots ofwel zonder zijn eigen soevereiniteit prijs te geven. Toch kunnen deze zelfde begripsproblemen ons ook verder helpen.
Als we ze enigszins kunnen ontwarren, kan dat ons helpen enkele van onze eerdere vragen te verklaren.
We zeiden dat God op zondaars toornig kan zijn, terwijl Hij hen tegelijkertijd liefheeft.
Hoewel hier de vergelijking met ouderliefde voor de hand ligt, kunnen we het ons misschien gemakkelijker voorstellen als wij bedenken dat God boven de tijd staat. Het geheimenis van Gods eeuwig, tijdloos wezen kan zeker licht werpen op sommige andere mysteries.
Hoe moeten wij antwoorden?
Het probleem dat wij met Gods unieke eigenschappen hebben, is dat onze menselijke ervaring van wat 'personen' en 'persoonlijke verhoudingen' zijn zich geheel afspeelt binnen de grenzen van tijd, ruimte, kennis en vermogen. Maar in God hebben wij te maken met een Persoon die boven al zulke beperkingen verheven is.
Het is dus begrijpelijk dat wij niet precies weten hoe wij dit kunnen
oplossen. Ons ontbreken de daartoe benodigde gegevens. Maar er zijn verschillende nuttige dingen die een christen kan doen wanneer hij of zij probeert helder na te denken over Gods natuur.
Wij moeten onze onwetendheid erkennen. Alleen wat God over zichzelf onthult, kunnen wij weten.
Om alles van God te kunnen weten zouden wij de grenzen die ons tot schepselen maken moeten overschrijden. Wij zouden God zelf moeten zijn.
Wij moeten ook aanbidden. Het is de enige gepaste reactie op de God die ons schiep en die, ondanks ons halsstarrig verzet en onze onverschilligheid, er behagen in schept zichzelf te doen kennen.
Zulk een God kan ons brengen tot een diepe verering, tot grote gedachten over Hem en over de kleine mensen, precies het tegenovergestelde van de houding die in onze wereld overheerst.
Het is van belang dat wij de problemen in het juiste licht stellen. Wij kunnen niet tot in bijzonderheden bevatten hoe God, boven de tijd uit, zichzelf openbaart en in de tijd met mensen omgaat. Maar, zoals vele geleerden naar voren hebben gebracht, is er in dit denkbeeld niets wat fundamenteel onlogisch is.
Bovenal moeten wij in de bijbel nagaan hoe Gods eigenschappen in de praktijk tot uiting komen.
Nemen wij als voorbeeld Gods onbeperkte macht: de bijbelschrijvers leiden er nooit uit af dat wij allemaal robots zijn, of dat het niet geeft wat wij doen, omdat God op de duur toch altijd zijn zin krijgt. Integendeel: de bijbel wijst op Gods almacht om zijn volk te bemoedigen en zijn vijanden te waarschuwen. Kijken wij bijvoorbeeld naar Gods alomtegenwoordigheid: de bijbelschrijvers gebruiken deze gedachte nooit alsof ze zou betekenen dat, aangezien God overal is en in alles is, een orchidee of een madeliefje deel uitmaakt van God. Dat God overal is, dient tot waarschuwing voor hen die Hem proberen te ontvluchten en tot troost en bemoediging voor hen die Hem liefhebben en zijn wil wensen te doen.
Wanneer Jezus zegt dat Hij tot het einde der tijden met zijn discipelen zal zijn, geeft Hij een belofte waarin men zich kan verheugen, een aansporing tot gehoorzaamheid, lofprijzing en evangelieverkondiging.
Wij moeten ook duidelijk zijn met betrekking tot de vraag wat Gods onbegrensde kennis in de praktijk betekent. Dat God alles weet, is in de bijbel geen duistere theorie en maakt Hem ook niet tot een soort helderziende. Maar het is van grote waarde omdat het Gods volk verzekert dat Hij nooit voor een verrassing kan gesteld worden. Hij kent en begrijpt al onze noden en verlangens.
Hij heeft weet van de meest onbeduidend schijnende bijzonderheden, van ons vallen en ons opstaan.
Wij hoeven ons dus nooit door bezorgdheid te laten overheersen. Een ander aspect van Gods alwetendheid is, dat wij Hem en zijn gerechtigheid nooit kunnen misleiden:
Hij is altijd volstrekt onpartijdig.
Twee dingen komen ons bij wat de bijbel over Gods karakter zegt helder voor ogen te staan.
Ten eerste zijn Zijn eigenschappen nooit met elkaar in conflict. Het is verkeerd een van Gods eigenschappen zo in het licht te stellen, dat andere in de schaduw blijven. Men kan bijvoorbeeld zo hoog denken van Gods grenzeloze macht, dat zijn eigenschappen als liefde, toorn en persoonlijke omgang met zijn schepselen vervagen.
Ook kan men zo lang stilstaan bij Gods Persoon zijn, dat men in feite aan zijn almacht voorbijgaat.
Sommige mensen leggen nadruk op Zijn liefde en besluiten hieruit dat zijn toorn van onpersoonlijke aard moet zijn. Soms komen zij, tegen de leer van de bijbel in, tot de slotsom dat iedereen zich tenslotte aan zulk een overvloedige liefde zal overgeven. Zo over God denken is gevaarlijk. Door met datgene wat ons minder ligt ook minder rekening te houden, vervormen wij het enige getuigenis waarover wij beschikken. Wat moeten eerlijk toegeven dat, al kunnen wij God kennen zoals Hij is, wij zonder dat wij God zijn niet alles over Hem kunnen weten. Dit houdt in dat wij ons moeite moeten geven om Hem te leren kennen zoals Hij zich heeft geopenbaard. Het is rampzalig zo over God te speculeren, dat het beeld dat wij ons van Hem vormen heel anders uitvalt dan het beeld dat Hij van zichzelf geeft.
In de tweede plaats heeft God zijn karakter niet aan ons geopenbaard om onze nieuwsgierigheid te prikkelen, maar om ons tot berouw, tot geloof en tot aanbidding te brengen. Wij moeten zeker diep nadenken over God. Hij heeft zich echter niet aan ons geopenbaard om ons verstand te bevredigen, maar om in onze vele behoeften te voorzien. God openbaart zijn mededogen met de verlorenen, zijn genade voor de schuldigen, zijn liefde aan de liefdelozen, zijn tijdloosheid aan hen die geobsedeerd worden door wat voorbij is, zijn toorn aan de weerspannigen. God is meer dan de som van zijn geopenbaarde eigenschappen. Wij kennen Hem niet volkomen, maar wat Hij van zichzelf heeft onthuld, is groots.

Terug.


9. God beminnen.
God beminnen is God kennen.
God kennen is het goede kennen door met het goede één te worden. God kennen is daarom aanwezig zijn in het zijnde. Louter door zijn bestaan kent de mens God, hoe gedeeltelijk ook. We kunnen God slechts benaderen als we ons echt klein maken en ons vol vertrouwen aan Hem overgeven.
Dan zullen wij inzien dat de God van elke religie in wezen dezelfde is, namelijk een vergevende, liefhebbende God.
De aanwezigheid van de mens in de wereld is de bewuste deelneming van de mens aan het scheppingsproces. Door deze aanwezigheid bezit de mens kennis van de wereld en neemt hij de verantwoordelijkheid op voor de toestand van de wereld. In de mate dat de mens deze fysieke en morele aanwezigheid realiseert, kent Hij God.
Omdat de mens door zijn beperktheid slechts onvolkomen aanwezig is in de wereld, is zijn kennis van God en zijn liefde voor God noodzakelijk onvolledig. Elke menselijke voorstelling van God is daarom onvermijdelijk gebrekkig, elke poging hem te benaderen is onbevredigend.
Omdat de mens beschikt over het vermogen tot liefde waarmee hij in staat is het goede te doen en het goede voort te brengen, beschikt hij over een middel om zich een voorstelling van God te maken en een weg naar hem te vinden. In de mate dat hij liefdevol is, is de mens goed, 'is' hij, en kent hij God.
De beelden en voorstellingen van God die binnen alle culturen en in alle tijdperken van de geschiedenis gemaakt werden, zijn alle onvolkomen weergaven van de werkelijkheid. Al deze voorstellingen zijn waarheidbevattende mythen of concepten die diverse facetten aanwijzen van een werkelijkheid die in haar geheel méér omvat dan de menselijke geest kan vatten.
Omdat niemand de volle werkelijkheid van God kent, is geen enkele menselijke persoon of instelling in staat in de naam van God te spreken. Maar de mens die liefdevol handelt staat het dichtst bij God en drukt het best uit wat God betekent. Een betere voorstelling van God dan wat hij te tonen heeft, kan men zich niet vormen.
Elk antropomorf beeld van God, hoe naïef en ontoereikend ook, staat daarom dichter bij de werkelijkheid dan welk ander beeld of concept ook.
Daarom is de beste voorstelling van God, hoe onvolkomen ook, die van een persoon die volkomen liefheeft. Bijgevolg moet men God niet zoeken in de mathematische orde van de wereld, niet in de fysische processen die het ontstaan van het heelal gaven, niet in de schoonheid van planten en dieren, hoewel Hij in dat alles zintuiglijk waarneembaar aanwezig is, en ook niet in de abstracte filosofische constructies, hoewel die het verstand tot op zekere hoogte kunnen bevredigen, maar in een aandacht voor het innerlijke van de mens waarin Hij het duidelijkst te herkennen en te beminnen is.
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.
Als mens is het onmogelijk om een verklaring te vinden voor Gods bedoelingen. Wanneer wij ons de ene maal bewust zijn van Gods aanwezigheid, worden we even later weer geconfronteerd met zijn afwezigheid, zijn verborgenheid, zijn stilzwijgen.
Zo worden wij in ons leven heen en weer geslingerd tussen zekerheid en twijfel, tussen geloof en ongeloof. Zo groeien we in ons geloof.

Terug.

 

Naar boven.

 

 

Opnieuw geboren worden.

Er is een oud verhaal van een varken. De boer nam het varken mee in huis. Hij gaf het een wasbeurt, poetste zijn hoeven op en parfumeerde het een beetje, deed een lint om zijn nek en gaf het een plaats in het woonvertrek. Het varken zag er keurig uit. Het leek bijna een huisgenoot die in het gezelschap van mensen thuis was. Helder en fris. Een paar minuten lang was het een lust dit dier in de kamer te hebben. Totdat de deur openging. Terstond liep het varken de kamer uit op weg naar de eerste de beste modderpoel. En waarom? Omdat het innerlijk hetzelfde varken gebleven was. Zijn natuur was niets veranderd. Van buiten zag het er anders uit, maar van binnen niet.

Stelt u zich eens voor dat iemand zich op een dag voorneemt (misschien wel op oudejaarsavond) om heel godsdienstig te gaan leven. Elke zondag naar de kerk, elke dag een stuk uit de bijbel gaan lezen en minstens een kwartier bidden en volkomen eerlijk en oprecht gaan leven.
Hoe lang houdt die persoon dit vol? Een dag, een week, misschien wel een maand. Maar dan komt de ware natuur weer om de hoek kijken die dat helemaal niet wil. Er komt een moment dat die persoon weer terugrent naar het oude leven. Waarom? Omdat zijn innerlijk niet veranderd is.
Uiterlijk probeerde hij weliswaar godsdienstig te leven, maar van binnen is er nog niets veranderd.
En daarom zegt Jezus ons dat we wedergeboren moeten worden.

Wedergeboorte, wat is dat nu weer
wedergeboorte is niets anders dan dat de Geest van God in een mens komt wonen.
God zendt zijn Geest in een mens en pas dan kan een mens zich op God richten en Hem liefhebben.
Alleen dan kun je begrijpen wat God van je verlangt en kun je Gods opdrachten uitvoeren.
Pas dan begin je in te zien wat de inhoud van de Bijbel, Gods woord, betekend.
Je wilt dan meer van God weten en krijgt honger naar alles wat over Hem geschreven is.
Dan weet je waarom je op deze wereld bent en waar je straks, na dit aardse leven, naar toe zult gaan. Zolang jouw geest nog geen nieuw leven is ingeblazen, ben je niet in staat om gods bedoelingen met je leven te begrijpen. Daar is eerst een verandering, een bekering voor nodig.

De noodzaak van de wedergeboorte
Hoe noodzakelijk het voor de mens is om wederomgeboren te worden zien we in het gesprek dat Jezus met de vooraanstaande leraar van Israël, Nicodemus, heeft gevoerd. Nicodemus was een oprecht en naar de mens gesproken rechtschapen man. Dat blijkt uit het feit dat hij Jezus zocht en zich een beeld trachtte te vormen wie Hij werkelijk was. Hij zocht het Koninkrijk Gods.
In dit gesprek openbaarde Jezus hem een van de belangrijkste waarheden die Hij ooit heeft onderwezen. De mens moet een geestelijke wedergeboorte hebben om God en Zijn Koninkrijk te verstaan!

En er was iemand uit de Farizeeën, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; deze kwam ‘s nachts tot Hem en zeide tot Hem: ‘Rabbi, wij weten dat Gij van God gekomen zijt als leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij God met hem is.'
Jezus antwoordde en zeide tot hem: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederomgeboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.'
Nicodemus zeide tot Hem: ‘Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is?
Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden?'
Jezus antwoordde: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees en wat uit de Geest geboren is, is Geest. Verwonder u niet, dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederomgeboren worden.
De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt of waar hij heen gaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is.' (Johannes 3:1-8)

Nicodemus moet opnieuw onderwezen worden.
Het antwoord op wat Jezus had gezegd was eenvoudig en oprecht: ‘Hoe kan dit geschieden?'
Jezus antwoordde en zei tot Hem: ‘Gij zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet?' (Johannes 3:9,10)
Eigenlijk zei Jezus: Je denkt dat je door je opleiding en afkomst heel veel van God weet, maar je snapt er nog helemaal niets van. Het was Nicodemus totaal niet duidelijk dat de mens een geestelijke dimensie bezat die verloren is gegaan.
Nicodemus was trots op het feit dat hij in Gods uitverkoren volk geboren was. Hij vertrouwde voor zijn verlossing teveel op zijn afkomst naar het vlees. Daarom ging Jezus recht op zijn doel af en trok hem de grond onder zijn voeten weg.

De dimensie die verloren ging
Met de mens is er iets verschrikkelijk mis, dat is u waarschijnlijk wel duidelijk. En als u dat nog niet helemaal duidelijk is kijkt u dan maar eens in de krant of naar het journaal. Niets anders dan moord, verkrachting, corruptie tot in de hoogste kringen, oorlogen enz.
De belangrijkste dimensie van het menselijk wezen, de geest, functioneert niet goed. En zonder dit schijnt niets anders in het leven lang goed te gaan. Maar wanneer is deze dimensie dan verloren gegaan?
Het antwoord: In de hof van Eden na de zondeval.
Toen Adam en Eva gezondigd hadden werd het contact met God verbroken. Hun ‘geestelijke antenne' functioneerde daarna niet meer. En zo is het met alle mensen die van nature uit hen zijn voortgekomen, de geestelijke dimensie ontbreekt. En zonder die dimensie kunnen wij helemaal niks van God zien en begrijpen.
En daarom maakt Jezus hier aan Nicodemus duidelijk dat de mens wederomgeboren moet worden.
Daardoor wordt de menselijke geest weer levend gemaakt en krijgt de mens er als het ware een hele dimensie bij. Pas dan kan de antenne weer op God gericht worden.

Het zesde zintuig: geloof
Wanneer een mens wedergeboren is, wordt aan zijn geest het leven teruggegeven en dan is hij in staat om God te verstaan, lief te hebben en te aanbidden op de wijze waar de nieuwe natuur naar verlangt.
En de dingen van de geestelijke wereld zijn niet langer onwerkelijk en vreemd. De Heilige Geest komt in zijn herschapen geest woning maken en begint het wezen Gods aan hem te openbaren.
Dit herstel van geestelijk leven geeft de mens terug wat Adam heeft verloren. Het wordt het zesde zintuig genoemd, het geloof.
Geloof is het gezichtsvermogen van de geest. Het bewerkt een verlangen naar God om Hem te kennen. Geloof stelt ons in staat om te vertrouwen dat wanneer God zegt, dat Hij iets zal doen, Hij het doet!
Het lichaam heeft vijf zintuigen, die de stoffelijke wereld tot een werkelijkheid maken.
Maar de diepere en ware kennis van God kan alleen door het zesde zintuig worden verkregen.
Zolang dat zintuig niet functioneert begrijpt u er helemaal niets van. (ook al gaat u misschien wel zondags 2 keer naar de kerk)
En daarom is het dat Jezus er zo de nadruk op legt dat de mens wederomgeboren moet worden.
Want zonder die wedergeboorte kan hij ‘het koninkrijk Gods niet zien', dan kan hij het niet begrijpen.
Pas na de wedergeboorte is de mens, door de inwonende Geest van God, in staat om de dingen van God te zien en te begrijpen.

Als u christen wordt, wordt u van binnen helemaal nieuw. U bent als het ware opnieuw door God geschapen. Er is een heel nieuw leven begonnen. Al dit nieuwe komt van God, die ons door Jezus Christus bij zichzelf heeft teruggebracht. (II Cor 5:17)


 

Naar boven.

Home