Tot Zondag ?

In de Kerk !

 

Broeders en zusters,

Vaak hoor je de bedenking maken - vooral bij jonge mensen - : "Ik wil wel naar de mis toe, maar ik begrijp er weinig of niets van". Zulke uitspraak kan natuurlijk een beleefde inkleding zijn voor tegenzin en onwil, maar vaak is ze toch heel oprecht. Er heerst grote onwetendheid over wat de mis is.

Inderdaad, de eucharistieviering is een vreemd gegeven in onze cultuur. We kennen maaltijden, maar deze is toch van een heel bijzondere aard: ze stilt immers de honger niet. Eucharistie is ook offer en daar is onze tijd nog meer allergisch aan. Er wordt voorgelezen uit oude boeken en ook de symboliek komt van heel ver uit de geschiedenis. De hele joodse en oud-christelijke achtergrond, nodig om de mis te verstaan, vereist nogal wat geheugenwerk en inleving. Bovenal is ze onbegrijpelijk voor wie geen zin heeft voor het onzichtbare en geen geloof.

Je hoeft maar te kijken naar de Emmaüsgangers.
Die hadden toch heel wat toerusting om Jezus te herkennen bij het breken van het brood. Hun geheugen was nog geheel bewoond door de herinneringen aan al wat er zoal in de voorbije week met Jezus was gebeurd; ze hadden een joodse cultuur die gewoon was het brood te breken en de beker te zegenen bij elk sabbatsmaal; ze stonden probleemloos in een traditie van religieuze maaltijden die er reeds was vanaf de tijd van de uittocht uit Egypte. Elke maaltijd was heilig, maar ze hadden bovenal groot geloof, hoop en liefde. En toch hebben ook zij tijd nodig gehad om te begrijpen. Ze hebben vragen gesteld aan de 'vreemdeling onderweg', geluisterd, geaarzeld, aangedrongen, gastvrijheid aangeboden en hem eindelijk ook herkend.
Als het voor hen al moeilijk was, hoeveel te meer dan voor ons. Maar het kan. Daarom dit 'Woord van leven' over de zondagsmis.

Het 'hoe' en het 'waarom'

Je kan de mis benaderen met je verstand en er intellectuele vragen over stellen: hoe verloopt ze, vanwaar komt ze, wat betekenen teksten en gebaren?
Dit zijn vragen naar het 'hoe' van de mis en ze zijn geheel rechtmatig. Maar al hadden alle vragen van dit soort een afdoend antwoord gekregen, dan nog is het niet zeker dat je de mis verstaat. Je kan ze alleen begrijpen met het hart, dus als je er ook begint van te houden.
Want naast het 'hoe' is er het 'waarom' van de mis. Het antwoord daarop is eenvoudig en moeilijk tegelijk: de mis is er omdat God ons graag ziet en daarom onder ons wil wonen, ons ontmoeten in zijn Zoon, gekruisigd, gestorven en verrezen. De eucharistie is het geheim van de liefde van God voor ons, het geheim van zijn verbond met ons, het laatste en het definitieve. Door de mis kunnen God en de mensen nooit meer van mekaar loskomen.

Dat verbond van liefde (en vergiffenis) tussen God en de mensen was al veel vroeger begonnen. Reeds met Noach had God een verbond gesloten, later met Abraham en ook met Mozes op de Sinaï. Maar telkens was de mens erop teruggekomen en er ontrouw aan geworden. De profeten droomden van een verbond dat niet op stenen tafelen, maar in het hart geschreven zou zijn en dat niet meer zou kunnen stukgaan.
Jezus zegt op het Laatste Avondmaal dat dat onverbreekbaar verbond er nu is in zijn bloed op het kruis. Dat horen we in elke mis, bij de consecratie van de wijn.

Je kan veel informatie bijeenzoeken over de eucharistie, de hele misliturgie uitpluizen, de viering prachtig verzorgen, ze doorzichtig maken en tot in de puntjes regelen. Maar daaruit alleen komt nog geen echt begrijpen: dit behoort immers tot het domein van het hart.
Je begrijpt de mis maar als je ervan houdt.
Wat de mis boeiend maakt, moeten we eerder zoeken aan deze zijde van het altaar, in de harten van de mensen en niet aan de overzijde bij de liturgie zelf. Er zijn immers vieringen waar echt niets speciaals gebeurt en die toch zeer geladen zijn, intens en warm. Dat ligt aan de binnenarchitectuur van de verzamelde gemeenschap, niet aan de buitenarchitectuur van de vormgeving van de liturgie.
Voor zo'n 'begrijpen met het hart' willen we nu enkele elementen aanbrengen.

De langzame weg van de liefde.

Als er één ding duidelijk is in de bijbel, dan is het dat God zijn tijd neemt om te komen, Hij bruskeert niets en doet niet alles ineens.
De tijd is Gods trouwe bondgenoot. God doet verlangen. Alle liefde doet dat trouwens: ze gebruikt de tijd als bondgenoot en als pedagoog.

Zo gaat het ook met de mis. Ze gaat langzaam vooruit naar haar climax. Je zou je immers goed kunnen voorstellen dat we gewoon samenkomen, dadelijk brood en wijn consacreren, te communie gaan en de viering afsluiten met een korte dankzegging. Het essentiële zou er toch zijn! Jawel, maar zo'n haastige zelfbedieningszaak is de mis nu eenmaal niet. De misviering is een langzaam toegroeien naar de vereniging met God in liefde.

Deze weg naar het hoogtepunt bestaat uit vier stappen.
De eerste stap is die van de kennismaking: de mens treedt aarzelend voor God en beseft wie hij is en wie God is. Het is de openingsliturgie. Het is een schroomvol aftasten, aarzelend naderen, vertrouwen geven en krijgen: "apprivoise-moi!", zei de vos tot de kleine prins: "Mag ik bij u komen?".

Dan volgt de tijd van de confrontatie en van het vis-à-vis. In de woorddienst interpelleert God de mens door zijn woord; Hij stelt zijn eisen en doet zijn beloften. Hij vraagt ook antwoord.
De Kerk geeft Hem dit wederwoord in de psalm en de voorbeden.

Het derde moment is dat van het gesprek van hart tot hart: het eucharistisch hooggebed. Hier wordt niet meer verkondigt of onderricht, gesproken of geantwoord. Hier wordt alleen de liefdevolle taal van het gebed gesproken.
Hier valt niets te bezinnen, te analyseren, te bedenken; hier moet je alleen de juiste golflengte opzoeken en je daarop instellen.

Het laatste moment is het hoogtepunt van de ontmoeting: de communie. Je zou het kunnen noemen: van mond tot mond of zelfs van lijf tot lijf. Want daar raken we het Lichaam zelf van de Heer en Hij beroert het onze: We eten zijn Lichaam en drinken zijn Bloed.
De mis gaat die simpele weg van de liefde: mekaar leren kennen, zich met mekaar confronteren, met mekaar spreken van hart tot hart, "één vlees worden".

De openingsliturgie: "Heer laat mij voor uw altaar komen ..."

De Klokken.

Een kerk kan zonder klokken, de eucharistie ook. Maar dat de klokken er zijn en luiden betekent meer dan een belsignaal (het gaat beginnen).

Klokken hebben iets speciaals en zijn niet te vergelijken met een polshorloge of een luidspreker in een publiciteitskaravaan. Klokken 'roepen'. Ze zeggen op hun manier dat wij het niet zijn die beslissen om samen te komen: "ik ga ...". Iemand anders roept. We gaan naar de mis omdat we er worden gevraagd en er toe uitgenodigd worden. Want niet wij hebben God bemind, maar Hij heeft ons het eerst liefgehad toen we er nog niet eens aan dachten (cfr 1 Jo 4,10).
Klokken symboliseren iets wezenlijks in onze eredienst: Het initiatief van deze bijeenkomst ligt niet bij ons, maar bij God.

Er is meer. In kloosters is de regel: "als de klok luidt, laat je alles vallen en je gaat ...". Om op tijd te zijn? Zeker. Maar nog meer om vele malen per dag in te oefenen wat de kern is van elke roeping: "Terstond lieten ze hun netten achter en volgde Hem" (Lc 5,11).
Klokken helpen op hun manier om fundamentele christelijke houdingen van het hart aan te leren: luisterbereidheid, gehoorzaamheid, beschikbaarheid.
Daarmee begint en eindigt alles: ze zijn de sleutel van een 'marginaal' leven waar ononderbroken 'ja' wordt gezegd. "Fiat: mij geschiede naar uw woord".

Het kruisteken en de bijbelse zegenspreuk.

De mis vangt aan met het kruisteken: door allen samen gemaakt en langzaam getrokken over ons hele lichaam. Van mond tot hart en van schouder tot schouder. Dat de mis zo begint, wil heel wat zeggen: we stellen ons helemaal - geest, hart, ziel en lichaam - onder het teken van het kruis en we wijden ons toe aan de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Dat betekend meteen dat onze eucharistische bijeenkomst niet zomaar een vriendenbijeenkomst is of een samenkomst om te beraadslagen, te evalueren, te beslissen. Ze is geen meeting, ze is er zelfs niet om onze batterijen weer op te laden voor verdere actie of om samen goede voornemens te nemen.
Ze is eerst ontvangen, we laten ons met de Christus bekleden: "Wij roemen enkel op het kruis van onze Heer Jezus Christus, in wie ons heil is, ons leven en onze verrijzenis, door wie we verlost en gered zijn". (Intrede van Witte Donderdag).

Bij de aanvang van de mis kijken we op naar Christus' kruis. We gaan dus niet voor de spiegel staan om onszelf te bezien. Onze identiteit komt van de Gekruisigde. Hij is het ook die onze gemeenschap maakt tot wat ze is. Niet wij. We gaan binnen in Jezus' lijden, dood en verrijzenis, helemaal van hoofd tot hart en van schouder tot schouder. Meer nog, we gaan binnen in de Drieëenheid, want ook Jezus is er niet voor zichzelf, als een op zichzelf staande profeet. Hij leidt ons verderop naar zijn Vader en de heilige Geest. Het kruisteken bekleedt ons met een bijzondere naam: de naam van de Vader, de Zoon en de Geest.

De priester antwoordt op onze toewijding aan de naam van de Vader, de Zoon en de Geest, met de woorden: "De genade van Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen". Meteen wordt zo de hemel opengetrokken; we vertoeven in de vreugde en tederheid van Jezus' doopsel in de Jordaan: "Gij zijt mijn welbemind kind". Wat de Vader toen tot Jezus zei, zegt Hij in ons doopsel ook tot elk van ons. Dat is ook de betekenis van het kruisteken.

"En met uw geest" is ons antwoord aan de priester. Dat is niet zomaar een woord. Het betekent dat we Hem herkennen als drager van de 'geest'. Hij is geen gewoon leider, geen animator met veel of minder talent en competentie. Hij is de Christus die zich met de doek heeft omgord, om in ons midden rond te gaan en ons te dienen, zoals Jezus heeft gedaan op het laatste avondmaal. "En met uw geest" is erkenning en aanmoediging.

Zo is de toon gezet van bij de aanvang van de viering. Door het kruisteken en de hooggestemde openingsdialoog is het meteen duidelijk: het gaat hier niet om een onderonsje, om een society-uur, om een gewoon 'beraad' of 'overleg'. Het gaat om de dialoog in liefde tussen God en de mens die langzaam op gang komt, maar duidelijk is aangezet: God komt tot ons om ons tot Hem te brengen.

De dubbele 'belijdenis' : de heiligheid van God - onze zondigheid.

"Broeders en zusters, belijden wij onze zonden, bekeren wij ons tot God ..." Wat een ontnuchterend woord voor wie nog maar pas binnen kwam! Is het wel op zijn plaats in deze faze van kennismaking, van aarzelend exploreren, van pril contact?

Toch wel. Vooreerst omdat het niet alleen staat: het wordt gevolgd door een woord van vergeving en goedheid. Trouwens verderop staat er "om deze heilige eucharistie goed te kunnen vieren". We zijn er dus al zeker van dat God ons niet zal vastpinnen op onze schuld, maar ons nu al uitzicht geeft op het 'vieren van zijn mysteriën'. Er is een uitweg uit de tunnel van de schuld naar het licht van de 'heilige geheimen'. Daarenboven is dit een moment van waarheid: wij zijn zondig en God is heilig. Een liefdesdialoog moet altijd vanuit de waarheid starten. In de waarheid staan is de grondhouding van het hele christelijk leven. Daarom begint ook de mis hiermee.

Dan volgt de schuldlitanie. Er kan ook stilte zijn of een Confiteor. Je zonden uitspreken is immers moeilijk in een ritueel te vangen.
Het zondebesef en de belijdenis zoeken die uitdrukking die het meest authentiek is op dat ogenblik. Er wordt heel wat vindingrijkheid aan de dag gelegd bij het formuleren van de schuldlitanie. Maar vaak valt het op hoe moralizerend die kan zijn. Ze gaat steevast over 'ik' en 'ons'. Ze zou meer moeten kijken in de richting van de Vader, de Christus, de Geest. "Heer, Gij die de rouwmoedigen troost, ontferm u over ons ..." - "Christus, Gij die gekomen zijt voor de zondaars ...". In de dubbele belijdenis (onze schuld - Gods vergiffenis) moet het eerste niet overbenadrukt worden.

Gloria.

Plot slaat de boetestemming om in uitbundige vreugde: het Gloria. Alles schijnt te kantelen. Is dit zo verwonderlijk? Natuurlijk niet. Op het einde van alle parabels van de barmhartigheid bij Lucas keert steevast het refrein terug dat er meer vreugde was "omwille van één zondaar die zich bekeert dan om negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben". (Lc 15,7). Ook de verloren zoon heeft zijn feest; hem worden het beste kleed en de ring gegeven en voor hem wordt het vetgemeste kalf geslacht.

Het Gloria van de mis functioneert als 'verzoeningslied'. Het zingt van de toenadering tussen hemel en aarde ("in de hoge ... op aarde") tussen God en de mens ("Eer aan God ... vrede aan de mensen"). Het lied start onder het motto van 'Gods welbehagen', de tedere liefde en ontferming voor alle mensen. Verder is het centrale stuk een hymne aan Christus-Verlosser: "Gij die wegneemt de zonde der wereld, ontferm u over ons ... Gij die wegneemt de zonde der wereld, aanvaard ons gebed ... Want Gij alleen zijt de heilige ...".

Het openingsgebed.

Het openingsgebed sluit de faze 'kennismaking' af: het vat samen. De oude naam van het openingsgebed: 'collecte', betekent verzamel-gebed. In de collecte wordt 'samengenomen'. Hoezo? "Het gaat er eerst om dat elke gelovige in de kerk zijn hart tot eenheid brengt : naar God, voor Hem en in Hem. Hij spant het losse weefsel van zijn ziel wat aan, raapt al zijn energie bijeen vanuit de verstrooiing, brengt zijn opstandigheid en zijn twijfels tot rust en doet de stem en tegenstem van zijn egoïsme zwijgen"
Want om te vorderen op de weg van de liefdesdialoog moeten we tot eenheid gebracht worden in ons binnenste. Maar nog op een andere wijze is het openingsgebed 'verzamel-gebed'. De priester bundelt al de verspreide gebedsintenties van de gelovigen, om er één kerkelijk gebed van te maken tot de Vader, door de Zoon en in de heilige Geest. Het is daarom niet goed dat een collecte al te gedetailleerd zou zijn; ze moet passen op al de zo uiteenliggende vragen van de aanwezigen: "Heer, omdat wij niet eens weten wat we behoren te vragen, legt Gij de ware vragen in ons hart, opdat wij, door te vragen wat Gij ons wilt geven, door U overvloedig verhoord zullen worden".

De woordliturgie : de confrontatie.

Na de wederzijdse kennismaking volgt de confrontatie of het vis-à-vis. Het is een stap verder om in de waarheid te gaan staan. God laat zich kennen in de bijbel en de mens luistert.
Daarna antwoordt hij eerbiedig en schroomvol: met een psalm. De mens vindt immers geen ander afdoend antwoord op het Woord van God dan datzelfde woord van God. God wordt toch het best aangesproken met zijn eigen woorden.

De woorddienst van de mis is opgebouwd als een tweegesprek, een dialoog. De volgorde van het spreken is hier van groot belang: God spreekt altijd eerst. Hij alleen is immers woord-bekwaam. De mens kan alleen antwoorden. Niet hij heeft het woord, alleen het wederwoord.
Dit is typisch christelijk.
Heidenen spreken God zomaar aan: ze sturen hun gebed hemelwaarts en eisen een antwoord. Zo deden de profeten van Baal op de Karmel bij Elia, een hele dag lang: God wakker maken en Hem goed stemmen door hun offers (cfr 1 K 18,20-40).
Geheel anders gaat het in de bijbel: God begint het gesprek. "In den beginne was het woord bij God en het was God ...". (Jo 1,1).

Deze voorrang van God in het spreken komt goed tot uiting als men de woorddienst bekijkt. Eerst staat de lezing, dan komt het antwoord. Normaal kent de zondagsliturgie drie lezingen: één uit het Oude Testament, één uit de Handelingen, de Openbaring of de brieven van het Nieuwe Testament en tenslotte één uit de Evangelies. De Kerk antwoordt met een psalm na de eerste lezing, een Alleluia-roep na de tweede. Na het evangelie en de homilie volgt de geloofsbelijdenis, het credo.

Bij de eerste twee lezingen gaat men zitten. Een banale houding zo te zien. En toch! Gaan zitten om te luisteren is, in onze cultuur, niet zo'n vanzelfsprekende houding meer. Hoeveel mensen gaan er eens voor neerzitten? Spreekt men in de gezinsspiritualiteit niet van 'de plicht zich neer te zetten bij mekaar'? Het zittend luisteren naar de bijbel tijdens de eucharistie is van diezelfde orde: tijd maken om zich kwetsbaar op te stellen voor wat de andere te zeggen heeft en het hem laten zeggen. Dat soort 'zitten' is ook een oefening in waarheid.

Want er zijn veel karikaturen van het 'van aangezicht tot aangezicht' in onze samenleving. Je kan bij iemand gaan zitten en hem laten praten ("Zeg maar op, ik doe toch anders ..."); of om hem te betrappen ("Ik vind wel je zwakke plek ..."); of om hem naar zijn hand te zetten; of gewoon zoals op de bus - noodgedwongen - omdat er elders geen plaats was.
Zittend luisteren naar het woord Gods in de mis is totaal anders: het is opvoedend, uitzuiverend, corrigerend voor al de verkeerde 'luister-' momenten uit het dagelijks leven. Het is een oefening in het laten uitspreken van de andere tot hij geheel uitgesproken is en niet meteen komen aandraven met "ja maar ...".

Na elke lezing laat men best een klein moment van stilte. Het woord Gods heeft tijd nodig om door te dringen. God is niet als een producer van een radioprogramma die pal na elk stukje interview, driftig de gitaren loslaat, opdat het toch allemaal niet te zwaar zou overkomen.
God is niet bang van de stilte.

En mijn vragen dan?

Steevast laat de liturgie eerst de bijbel aan het woord. En dan gaat het nog niet eens om een stuk dat wij uit de Schrift hebben gekozen. De lezing is vastgelegd en ze is in het liturgisch leesboek opgenomen. Maar waarom heeft God altijd het eerste woord?

Vaak hoort men zeggen: ik zou eerst zelf wel eens de priester willen ondervragen, hem mijn problemen voorlegen, het hebben over mijn twijfels en mijn aarzelend geloof. Maar hij begint altijd eerst! Waarom van de woorddienst geen discussie gemaakt, over en weer?
Inderdaad, de Kerk laat altijd eerst God aan het woord. Niet omdat ze God ongevoelig waant voor de vragen van de mens. Maar omdat ze denkt dat God de goede vragen stelt, de echte en zelfs de meest actuele. Als de liturgie maar zou antwoorden op vragen die wij voorleggen, is het risico groot dat we opgesloten blijven in onze problematiek die vaak niet eens de dringendste en de grondigste is. Op onze beperkte vragen zou God maar met beperkte antwoorden kunnen aankomen. Zo wordt onze horizon heel eng. Het zou zich allemaal beperken tot karige berekening zonder veel uitzicht op verder.
God kan ons veel meer geven dan dat wat we Hem nu denken te vragen.

Het is goed dat we hier niet zelf kiezen: de woorddienst is er immers om ons Gods anders-zijn te laten voelen. Want zonder die afstand zou er ook geen dialoog zijn. Alleen maar een monoloog.

De eerste lezing : hoe het vroeger gesteld was met het volk van God.

We lezen (behalve tussen Pasen en Pinksteren) altijd eerst uit het eerste verbond. Waarom niet dadelijk met het evangelie begonnen? Dat is toch het definitieve woord! Moeten we van zover onze aanloop nemen?

Precies: onze aanloop nemen. God laat zich langzaam kennen. Hij laat er veel tijd over gaan. Om onzentwil, want wij zijn niet bekwaam om Hem in een keer te vatten. Gedurende eeuwen heeft God ons moeten 'africhten' zoals een valkenier zijn vogel. Om zijn laatste Woord te kunnen spreken in Jezus, moesten er heel wat voorlaatste woorden aan voorafgaan. Jezus zelf is het laatste Woord uit een zin waarvan Hij niet de aanvang is. Als al die gerechtigen uit het eerste verbond zo lang hebben kunnen wachten op hun Messias, waarom kunnen wij dan niet wachten op een stukje evangelie, de tijd nl. van één blad bladzijde Oud Testament?

Wat meer is: Israëls geschiedenis in het eerste verbond is de onze. Ze kent dezelfde ingrediënten: zoeken en vluchten, naderen en weglopen, aanbidden en verloochenen, trouw zijn en overspelig. Zo ook het nieuwe Israël.
Op dat stuk is er niet veel veranderd.
De mensen zijn dezelfde. Alleen is de Christus definitief en méér dan al de profeten.

Na de lezing is het aangewezen het even stil te maken. Echte woorden worden uit de stilte geboren: ze stijgen op uit de stilte zoals de morgenzon uit de zee. "Het woord wordt uit de stilte geboren, zo natuurlijk, ongemerkt dat het erop lijkt dat woorden slechts de ommezijde van de stilte zijn, hun andere kant. Inderdaad het woord is de verso van de stilte en de stilte de verso van het woord"
Ook hier is de liturgie een stuk contracultuur.
Voor ons is het normale het gerucht - het achtergrondgeluid - en de stilte is de uitzondering; voor de liturgie is het omgekeerd.

De stilte is tenslotte ook de stilte van het oordeel: we stellen ons onder de uitspraak van God en we zwijgen. Hier wordt gezagvol gesproken, geoordeeld.

De psalm.

Eerst daarna kunnen we antwoorden op wat God ons heeft gezegd. En dan nog niet eens met onze eigen woorden, maar met een psalm: de tussenpsalm. Waarom? In het psalter vind je alle antwoorden die passen op welk spreken van God ook. De gamma in volledig: psalmen juichen en klagen, loven en danken, smeken en schreien, spreken voor en halen herinneringen op.
Ze kunnen hooggestemd zijn en soms ergerend. Hun stembereik is extreem: het gaat van klagen tot juichen, van schreeuwen tot fluisteren.

Er is nog een andere reden voor de psalm. Het is dezelfde Geest die Gods woord heeft geïnspireerd en die ook ons antwoord draagt.
Woord en wederwoord hebben dus dezelfde auteur. Dan is het ook gewaarborgd dat ze precies op elkaar zijn afgestemd. Ze schieten niet naast mekaar heen en er moet nauwelijks worden bijgestuurd. Want wie kan beter antwoorden op God dan Hijzelf?

Er is nog een andere reden: Jezus heeft de psalmen gebeden en ze tot zijn gebed gemaakt, dag en nacht. Hij heeft ze geleerd bij Maria en in de synagoge. Hij heeft ze gebeden in de olijfhof en op het kruis. Wanneer we psalmen bidden, treden we binnen in zijn gebed. Is Hij niet woord en antwoord tegelijk?

Tenslotte behoeden de psalmen ons voor al te kortademig bidden en voor humeurigheid. Ze breken ons narcisme open. Op droevige dagen legt de liturgie makkelijk een jubel op onze lippen; op blijde dagen vaak een boete- of klaaglied. Zo wordt ons bidden onttrokken aan het besloten ik: het wordt kerkelijk. Want hoe droef we ook zijn, de Kerk is nooit zonder vreugde. Er zijn altijd ergens mensen blij. Hoe opgetogen we ook zijn, de Kerk is nooit zonder smart: er zijn altijd plaatsen in de Kerk waar wordt getreurd. Psalmen zijn wegen tot ontzelving. Is dat precies niet het wezen van het gebed? "Niet mijn wil geschiede, maar de uwe".

De tweede lezing : hoe het nu gesteld is met het Volk van God.

De tweede lezing heeft het over ons: over de christelijke gemeenschappen. Ze is genomen uit de Handelingen of uit de brieven. Het is het epos van de jonge Kerken met hun problemen, afwijkingen, spanningen en conflicten, met hun vragen en behoefte aan leiding.

Paulus is daarbij meestal de gids; hij doet alles wat een leider doen moet: observeren, uitleggen, aanmoedigen, terechtwijzen, bemoedigen. Het is de taal van de liefde van een vader, meer dan van een pedagoog. "Gij hebt vele pedagogen", zegt hij, "maar slechts één vader en dat ben ik".

Bij het luisteren naar de tweede lezing kijken we in een spiegel: het is een voorafbeelding van onze geschiedenis. De vroege christen gemeenschappen met hun zonde en genade zijn niets anders dan het avontuur van ons vallen en opstaan.

Na de lezing wordt het weer stil. Dan staan we recht om op te gaan naar het evangelie.
Daar zullen we Gods Zoon zelf ontmoeten in zijn woord. Daarom zingen we nu al meteen: "Alleluia", dit is "God zij lof".

Het evangelie : Christus zelf in de gedaante van zijn woord.

Het evangelie is eigenlijk niet zomaar een derde lezing. Niet enkel omdat het hier gaat om het definitieve spreken van God dat alle ander spreken conditioneert. Maar nog veel meer omdat het geen dode tekst betreft, maar wel een levende persoon: de Christus. Als het evangelie in de liturgie wordt voorgelezen, zegt het Concilie, wordt er niet enkel een boodschap gebracht of een stuk leer: de Heer zelf spreekt op een mysterieuze manier tot zijn Kerk. Het evangelie is niet alleen tekst maar stem.

Dat blijkt ook uit andere dingen. In tegenstelling met de andere lezingen blijven we nu niet neerzitten: we staan recht om iemand tegemoet te gaan. We dragen licht en wierook aan, de antieke tekenen van verwelkoming voor een hoge gast. We zeggen na de lezing niet in de derde persoon: "God zij dank". Maar wel "Lof zij u Christus!". We spreken Hem rechtstreeks aan: Hij is er dus.

Wie 's zondags het evangelie beluistert, moet op zoek gaan naar de passus of het woord dat voor hem is bedoeld en dat hij de hele week door zal meedragen. Het hele evangelie bevat zoveel dat we het niet helemaal in ons kunnen opnemen; we moeten selecteren en vragen: wat zegt de Heer mij vandaag? In de homilie zal de priester uitzoeken wat de Heer aan de hele gemeenschap vandaag te zeggen heeft. Om dat te vinden heeft hij kennis, ondervinding en genade van staat. Het is zijn charisma.
Maar wat de Heer mij te zeggen heeft, spreekt de heilige Geest alleen tot mij, diep in het hart. Daarom moet ik aandachtig, gelovig, onbevooroordeeld en geduldig luisteren.

De homilie.

Na het evangelie trekt de levende Heer zich in de stilte en verborgenheid terug. Het is alsof Hij ten hemel is opgevaren. Niet om ons als wezen achter te laten, maar opdat we het cenakel zouden binnengaan. De heilige Geest "zal ons nu alles in herinnering brengen, wat Hij heeft gezegd en ons doen begrijpen waar het over gaat" (cfr Jo 14,26).

Dat is de tijd van de homilie. De priester moet daarom geen grote of welsprekende toespraak houden, geen les van exegese geven, geen actieplan voorleggen of een aanklacht houden, geen tegenstrijdig debat op gang brengen of er een familiair onderonsje van maken. Hij moet alleen de heilige Geest helpen om zijn werk te doen in de harten. Dat veronderstelt een vertrouwelijk spreken om de ontroering van de bijbeltekst die eerst over hemzelf is gekomen, op heel de gemeenschap over te brengen, zoals een zomerwind glijdt over een korenveld. Wie zo de homilie houdt, stelt telkens weer vast dat ook het talenwonder van Pinksteren zich hernieuwt: iedereen verstaat hem van groot tot klein, geleerd of ongeletterd.

De priester moet er vooral voor zorgen zich terug te trekken in de stilte om de Geest verder te laten spreken. Want hij heeft niet het laatste woord. Dat wordt gehoord in het fluisteren van de Geest tijdens de korte luwte na de homilie. Daarom moet een homilie niet eindigen met een retorische klap op de vuurpijl, noch op een sterk woord om indruk te maken of met een startschot voor de actie zodat ieder al op het puntje van zijn stoel gaat zitten om aan de slag te gaan. De preek moet inleiden op de stilte en op het geheim van brood en wijn dat nu komt.

Dit stille cenakelgebeuren wordt afgesloten met de geloofsbelijdenis, het Credo. Zo hoort het ook. Want toen Petrus op Pinksteren naar buiten trad uit het cenakel, bracht hij er drieduizend tot het geloof en het doopsel. Het bidden van het Credo is geen individuele daad: het is een daad van de hele Kerk. Daarom is het niet aangewezen dat we hier ons aarzelend geloof uitspreken in een variantformule. Hier hoort het volle en gave geloof van de hele Kerk thuis, uitgedrukt in het Credo van de Kerk. Natuurlijk overschrijdt dit langs alle zijden ons gebrekkig individueel geloof.

De voorbeden.

De gemeenschap is nu stilaan op weg naar de vereniging met haar geliefde Heer, naar het ontmoeten 'van hart tot hart' in het eucharistisch hooggebed en het 'van lijf tot lijf' in de communie.

Maar christenen hebben de aangeboren reflex om op de drempel van hun hoogste geluk plots om zich heen te gaan kijken naar de anderen. Zijn ook de anderen wel gelukkig? Het geluk van de christen is immers nooit geestelijke 'cocooning'. Daarom komen nu de voorbeden. We gaan voorspreken voor de hele wereld. Want het beste middel om iets voor onszelf te bekomen, is dat we het eerst vragen voor de anderen. Een broertje dat aan moeder een stuk snoep vraagt voor zijn zusje, krijgt er natuurlijk zelf ook een. Zo gaat het wellicht ook bij God.

Er zijn veel goede pogingen om de voorbeden actueel, treffend, mobiliserend te maken. Maar al ons pogen mag ons niet blind maken voor de netten waarin we kunnen verstrikt raken. Inderdaad, vaak zijn onze voorbeden te lokaal, te moraliserend, soms beschuldigend of te belerend. Voorbeden zijn er niet om de 'leer' uit de homilie nog eens onder gebedsvorm over de gemeente te gieten. Afgezien van het feit dat zo'n homilie al bedenkelijk is, is het niet eerlijk de mensen nog eens subtiel te beleren en hen te vragen dat ze niet alleen eerbiedig luisteren, maar alles volmondig beamen en het tot God als gebed opsturen.
Sommige voorbeden gaan verder: ze spellen God bijna de les en schrijven Hem soms al het wat en het hoe van de verhoring voor. Andere voorbeden getuigen soms van een dergelijke zelfverzekerdheid en actiedrift dat men zich kan afvragen: wordt hier nog wel iets aan God gevraagd? "We doen het zelf wel!" - "We weten wel beter!".

Goede voorbeden zijn universeel gericht en discreet geformuleerd: schroomvol. Ze suggereren de noden en geven zelf niet aan hoe ze op te lossen. Ze laten God vrij en vuren ons vertrouwen aan. Ze vermijden al te lokale vragen en details: alsof we van God alleen maar dit of dat en niet alles moeten krijgen!
Er is trouwens een liturgische 'orde' voor de voorbeden: eerst voor de Kerk, dan voor de verantwoordelijken van de wereld, dan voor de grote noden: armen, zieken, vluchtelingen, verdrukten, enz. Tenslotte ook voor de lokale eucharistische gemeenschap.

Intermezzo : de offerande.

Dit is een scharniermoment: alles wisselt. Men verlaat de lezenaar en de zetel van de celebrant en gaat naar het altaar. Men zit of staat niet meer, maar men brengt in stoet de offergaven, op weg naar het hart van de eucharistie.
De priester neemt de leiding van het gebeuren, de gemeenschap beaamt. Ook de hele dialogale sfeer van de woorddienst maakt plaats voor een intense gebedssfeer: de ogen worden uit de kring weggericht naar omhoog en het hart verlaat de beslommeringen. Straks wordt er alleen nog gebeden en naar God gekeken.
Ook de voorwerpen waarrond de viering wordt opgebouwd, wijzigen. Het is niet meer het boek, maar brood en wijn op de altaartafel. Eerst komt de offerstoet. Men brengt brood aan en wijn en alles wat bij het altaar thuishoort: licht en linnen, bloemen en de liefdegaven van de gemeenschap voor de armen. Dit aanbrengen heeft geen louter utilitaire waarde (de tafel toebereiden). Het is hoogst symbolisch: de offerstoet suggereert de offerbereidheid van het hart.

Maar er steekt nog een tweede symboliek onder: die van de schepping. God neemt dingen uit zijn schepping om ons het eucharistisch Lichaam en Bloed van zijn Zoon te schenken. De offerande is ook een lofzang op de schepping als voorspel en humus van de verlossing. Ook de arbeid van de mens wordt hierbij betrokken. Want brood en wijn zijn geen pure natuurgegevens die men zomaar 'en vrac' vindt. Het zijn cultuurgegevens die door de mens zijn gemaakt. De offerstoet is ook een lofzang op arbeid en cultuur.

De twee zegenspreuken over brood en wijn verwoorden dit alles prachtig; van schepping naar verlossing: "Gezegend zijt gij God, Heer van al wat leeft, uit uw milde hand hebben wij het brood ontvangen, aan U dragen wij op de vrucht van de aarde, het werk van onze handen, maak het voor ons tot brood van eeuwig leven".

Hetzelfde staat nogmaals in het gebed over de gaven. De type-formule is altijd deze: "God, onze Schepper, Gij hebt ons alles gegeven: brood en wijn en al wat we nodig hebben om te leven. We geven U dit alles dankbaar terug. Maak deze gaven tot het Lichaam en Bloed van uw Zoon en maak van onze arbeid en heel ons leven een geestelijke offerande voor U".

Intussen heeft de priester de gemeenschap uitgenodigd om te bidden: "Bidt broeders en zusters ...".

Het Eucharistisch hooggebed : van hart tot hart.

Dit is het hart van de eucharistie. Hier is alleen nog gebed. Men noemt het hooggebed, want de Kerk heeft er geen groter noch belangrijker dan dat.

Ook elders in de eucharistie is er al veel gebeden. Maar dit soort bidden was gevat in een kader van voorlezing, onderricht of uitleg, lyrische reactie, aansporing, belijdenis. Hier niet. Het is puur gebed dat niet meer wordt onderbroken. Het richt zich helemaal en uitsluitend tot God, zelfs niet tot de aanwezige mensen. De priester kijkt niet meer rond in de kring: hij kijkt naar God en spreekt met Hem alleen. Ook wanneer hij zich aan een verhaal begeeft, is het nog tot God gericht: "Op de avond voor zijn lijden en dood, nam hij brood, sloeg de ogen op naar U zijn almachtige Vader, dankte U ...".

Verklaart dat niet waarom veel mensen het nu plots moeilijk krijgen om te blijven volgen.
Tot dan toe kon men luisteren, nadenken, reageren, voorbidden en meebidden. Nu is alles plots puur gebed tot God, verticaal. Er valt nog weinig bij te leren, er is niets meer te doen, heel de activiteit heeft zich teruggetrokken in de kamer van het hart. Voor doe-grage mensen zoals wij is dit een lastig moment.
Het hart moet dus mee zijn als men wil binnen treden in dit deel van de mis: van hart tot hart. Alles gebeurt van binnen, onzichtbaar. De hulpconstructies zijn weggevallen. Het is puur geloof, overgave, gegrepen zijn. Moeilijk? Ja, tenzij voor wie het hart heeft van een kind, dat nog niets kan doen en daarom alles aan zich laat doen. Wie zo'n hart heeft, leeft in het regime van de genade en niet van de werken.

Het eucharistisch hooggebed ontwikkelt zich rond de Vader, de Zoon, de Geest en de Kerk.

De Vader : Hij zij geprezen.

Het begint en eindigt met een woord tot de Vader. De prefatie is puur lofgebed tot de Vader: "Heilige Vader, eeuwige God, om recht te doen aan uw heerlijkheid, om heil en genezing te vinden, zullen wij U danken, altijd en overal door Jezus Christus onze Heer...".

Op het einde van het hooggebed keert deze lofspraak tot de Vader nog eens afsluitend terug: "Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de heilige Geest, hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen".

Zo is de lofspraak op de Vader begin en einde van het eucharistisch hooggebed. Het zit er vast ingekaderd.

De Zoon : wij gedenken.

In het hart van het hooggebed staat het verhaal van het laatste avondmaal, de instelling van de eucharistie. Daar staat de Zoon Jezus centraal. "op de avond voor zijn lijden en dood, heeft Hij het brood in zijn handen genomen en zijn ogen opgeslagen, naar U, God, zijn almachtige Vader, de zegen uitgesproken, het brood gebroken en aan zijn leerlingen gegeven met de woorden: Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt".

Over de Zoon wordt er verteld; het zijn herinneringen. Dit zijn niet louter souvenirs, zomaar een verhaal. Het blijft een gebed, want de priester blijft de Vader aanspreken ("Hij sloeg de ogen op naar U, zijn almachtige Vader"). Deze gedachtenis noemt men memoriaal. Dat betekent: het is niet voorbij, het duurt tot op heden voort en gebeurt in zekere zin nù. Als de priester brood in zijn handen neemt, de ogen opslaat, spreekt, het brood breekt en uitdeelt, doet de Christus dit voort in hem: vandaag!

De Geest : Kom ...

Voor en na de consecratie wordt er tweemaal tot de heilige Geest gebeden: de priester vraagt dat Hij zou komen. Voor de consecratie wordt de geest afgesmeekt over het brood en de wijn. Want de Kerk bezit niet enkel iets van Jezus: zijn woorden, zijn leer, zijn voorbeeld of zelfs de evangelische waarden die hij op de wereld heeft gebracht. Dat alles ware nog Jezus zelf niet

Maar de eucharistie brengt Jezus zelf, niet iets van hem. De enige die dat kan doen is de heilige Geest. Hij heeft Jezus in de schoot van Maria gevormd, door Hem is Hij opgewekt uit de dood en door Hem blijft Hij leven door alle tijden.

Daarom wordt de Geest door de priester afgesmeekt over brood en wijn, opdat ze het Lichaam en het Bloed van Christus zouden worden: "Heilig dan deze gaven, met de dauw van uw heilige Geest, dat zij voor ons worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus, onze Heer".

Na de consecratie wordt de Geest een tweede maal aangeroepen. De geconsacreerde gaven zijn er immers alleen om in ons over te gaan en daar de Christus aanwezig te brengen. De Geest bewerkt ook die aanwezigheid: Hij moet ook over ons komen. Want wij zijn het volle mystieke Lichaam van Christus, de Kerk: "Geef dat wij door het Lichaam en Bloed van uw Zoon één lichaam worden en één geest in Christus".

De Kerk : voorspreken.

Tenslotte wordt ook de Kerk vermeld in het eucharistisch hooggebed. Om ervoor te bidden. De priester vraagt om eenheid binnen de Kerk tussen de paus en de bisschoppen en het hele gelovige volk, om rust, licht en vrede voor de overledenen en om voorspoed, bevrijding en bescherming voor alle levenden. Maar de Kerk is breder dan de zichtbare Kerk: ook Maria, de apostelen en martelaren en alle heiligen worden erbij geroepen. Eens zal de hele Kerk verenigd zijn rond de troon van het Lam.

Zo is het eucharistisch hooggebed opgebouwd. Het kijkt vier richtingen uit: naar de Vader, naar Jezus, naar de heilige Geest en naar de Kerk. Het beoefent vier vormen van gebed: loven, gedenken, vragen en voorspreken.

De Communie : de totale éénwording.

Het bidden maakt nu plaats voor de symbolische gebaren. Op een gebed bij het begin (het Onze Vader) en op het einde (het slotgebed) na, hebben de gebaren en symbolen de overhand. Dat hoort ook zo: de vereniging voltrekt zich in de liefde, niet met woorden, maar met daden.

In tegenstelling met sommige andere gebedstradities die, naarmate het gebed vordert, steeds meer de weg opgaan van de spiritualisering en meer loskomen van de materie en het lichaam, gaat de eucharistie de andere weg op: ze incarneert zich meer in lichamelijkheid, in eten en drinken.

Het Onze Vader.

Alle liturgieën van Oost en West plaatsen hier het Gebed des Heren. Om twee redenen die men in het Onze Vader zelf kan terugvinden. We bidden er immers: "Geef ons heden ons dagelijks brood". Het is duidelijk dat deze vraag slaat op het voedsel dat we elke dag uit Gods hand moeten krijgen. Maar het is even klaar dat een christen niet kan horen spreken over 'dagelijks brood', zonder meteen aan de eucharistie te denken, het "ware brood uit de hemel dat voedsel is voor eeuwig leven". Maar er staat ook in het Onze Vader: "En vergeef ons onze schulden zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven". Dat herinnert ons aan Jezus' woord: "Als ge uw offer naar het altaar brengt en ge herinnert u dat uw broer iets tegen u heeft, laat dan uw offer voor het altaar staan en ga u eerst met hem verzoenen. Kom dan terug om uw offer op te dragen".

De laatste bede van het Onze Vader wordt iets langer uitgewerkt: "Verlos ons Heer van alle kwaad ... geef vrede in onze dagen". De vrede - het bijbelse shalom - is immers het woord dat alles samenvat wat we nodig hebben: een goede relatie met God, met onszelf en met de mensen. Shalom!

Shalom : de vredewens.

Meteen staat de hele viering in het teken van de vrede. Maar welke vrede? Geen louter sentiment, geen stukje beleefdheid of goede manieren, ook geen krampachtige inspanning om zelf vrede te stichten op eigen krachten. Deze vrede hier komt van verderop: ze heeft haar bron alleen in het kruis van de Christus die 'de twee één heeft gemaakt'. Het is trouwens merkwaardig dat dit een van de enige gebeden is in de mis, dat zich uitdrukkelijk tot Christus richt: "Heer Jezus Christus, Gij hebt aan uw apostelen gezegd: Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u ... geef vrede in uw naam en maak ons één ...". Hij is onze vrede.

Daarom is de vredeswens geen vrolijk society-gebeuren, een onderonsje in het schip van de kerk. De vrede vertrekt van het altaar en van de priester. Het is immers niet onze vrede, maar Gods vrede.

Het breken van het brood.

Dit is een hoogtepunt uit de hele eucharistie, wellicht het meest symbolische gebaar. Het stond al vermeld in het instellingsverhaal bij de consecratie: "Jezus nam het brood en brak het".

Sommigen breken de hostie tijdens de consecratie. Ten onrechte want zo gaat de solemnisering van het breken van het brood bijna geheel verloren in de overrijke context van de consecratie. Men stapelt er de symbolen op.
De liturgie stelt het breken uit om ze haar hele symbolische zwaarte te geven. Het breken tijdens de consecratie zou die herleiden tot een vluchtig gebaar. Ze moet echter traag en ernstig, met verloop van tijd gebeuren. Want het gaat hier niet in de eerste plaats om een utilitair gebaar: het brood verdelen om er met velen van te kunnen eten. Het plechtig breken maakt van de eucharistie een sacrale maaltijd, onderscheiden van alle andere. Dat suggereert de vereniging van alle disgenoten rond de ene tafel van de Heer en rond het éne brood: "Daar er maar één brood is, vormen wij ook één lichaam, want we hebben allen deel aan het ene brood".
Er kan in dit breken nog een tweede symboliek schuilen. Die wordt trouwens in vele liturgieën ook uitdrukkelijk onderlijnd. Breken doet pijn.
De Christus die we tot ons nemen is 'de Dienaar gebroken om onze zonden'. De Latijnse liturgie is hier zeer discreet, maar toch zingt ze als brekingslied het Lam Gods. Dan kunnen we niet anders dan denken aan het 'paaslam dat voor ons is geslacht' en aan 'het lam dat ter slachtbank wordt geleid'. Het muzikale repertoire heeft in het Agnus Dei vaak zijn tederste accenten gelegd.

In diezelfde schroom voor het Lam gaat het nog even door als de priester het eucharistisch brood toont en zegt: "Zie het Lam Gods dat wegdraagt de zonden der wereld". Wij kunnen niets anders antwoorden dan: "Heer, ik ben niet waardig ...".

De Communie.

De communie zou moeten verlopen in de diepste eerbied en ingetogenheid. Als men zingt, kan het niet uitbundig en triomfantelijk zijn: dit is geen optocht maar een ingetogen processie.
In de praktijk is het niet zelden anders: er is veel lawaai van stoelen en schuifelende voeten, gedrum soms en ongepaste haast.

Guardini schrijft: "Wat is te communie gaan ?
Dit is geen lopen, zich haasten, maar rustig stappen; niet schuifelen of de voeten slepen, maar ze opheffen; niet gebogen gaan maar goed rechtop; niet aarzelen maar wel zichzelf beheersen.
Het is een kunst, een nobele zelfs.
Discipline en vrijheid gaan er hand in hand, kracht en bekoorlijkheid, gewilligheid en beslistheid, vuur en zelfcontrole.
Aan je lopen kan men zien hoe kalm je van binnen bent. Lopen kan mooi en vroom! Het kan een echte daad van godsdienstigheid zijn. De gelovige die eerbiedig door de kerk loopt, geeft het voorbeeld: hij stapt onder de blik van de Allerhoogste. Want we zijn niet louter mensen.
'Gij zijt van een goddelijk geslacht' zegt de Schrift
".

Hier past alleen de stilte, want het is het uur van de liefde. En die zwijgt als ze volwassen is.

Zoals elk deel van de mis, wordt ook dit afgesloten met een gebed van de priester in ons aller naam: het slotgebed. Soms om te danken, vaker nog om te vragen dat 'wat we met de mond hebben genuttigd, ook met een zuiver hart mogen ontvangen'.

Zegen en zending.

Nu breekt de eucharistieviering open naar buiten: ze wordt missionair. God gaat zegenen en zenden. Tot op dit ogenblik was er in de mis niet veel sprake van 'doen', wel van luisteren en bidden. Maar nu breekt het los: "Gaat in vrede heen ...". Inderdaad in het christendom is de contemplatie de bron van de actie, het bidden de basis van de evangelisatie, de cultus loopt uit op de praxis.

"De cultus heeft er geen nood aan naar enig ander nut te zoeken of te streven dan naar zichzelf: God te loven en zich in Hem te verheugen... Als de Kerk viert, dan mag ze dit doen met een onverdeeld gemoed, alleen maar voor God. Door zo te doen voltrekt ze niet minder een van haar wezenlijke plichten in deze wereld, al is het maar met enkelen en achter gesloten deuren. Ze is wijs genoeg om er geen 'evangelizatiemeeting' van te maken of een TV-spektakel... De eredienst moet de moed hebben zichzelf te zijn en niets dan zichzelf, discreet in de ogen van de wereld maar schitterend voor wie hem vieren, badend in de vreugde van de bruid die haar bruidegom ontmoet en achter wie beiden de deuren dichtgaan".

 

 

(+ Godfried Kardinaal DANNEELS, Aartsbisschop van Mechelen-Brussel).

 

* * *

 

Home