Getallenkennis - niveau 6de leerjaar

1. Omkring ALLE getallen die deelbaar zijn door 4.  

98

106   

116      

126       

130    

192      

196      

312      

3188     

3378

 

2. Iemand heeft 11 op 15. Reken zijn/haar procent uit tot op 1 cijfer na de komma.

 

3. Teken een rooster met 16 gelijke vierkanten van 2 cm op 2 cm. Kleur 62,5 % in het lichtgroen.       

 

4. Teken een lijnstuk van 10 cm lang en noteer op de juiste plaats:    

0,60

8/25      

75%

 

5. Rangschik van groot naar klein.

2/50

3/40

7/125

8/500

5/7

 

6. Omcirkel alle getallen die exact twee delers hebben. M.a.w. omkring de getallen met enkel zichzelf en één als deler.

67

88

3 

101

85

177 

221

174

337 

3333

 

7. Schets acht cirkelschijven. Verdeel elke schijf in 3 gelijke delen. Kijk goed en schrijf op hoeveel keer één derde in 8E gaat.  ........... keer.

 

8. Schrijf tweemaal één cijfer op de stippen zodat het getal dat je bekomt deelbaar is door 2 èn door 9.      

5.......3 9.......2

 

9. Schuif in het getal 4,725 de komma twee rangen naar rechts en trek het eerste getal af van het nieuw bekomen getal. Welk getal bekom je ? 

 

10. Schrijf in één getal:  honderd en zevenentwintig miljard vierhonderd zesentwintig miljoen vijfhonderd en achttienduizend tweehonderd en achtennegenentig. (Laat een beetje plaats tussen om de drie cijfers, van rechts te beginnen).

 

11. Zet om naar een decimaal getal < 1: vierenvijftigduizend honderd en vierentachtig honderdduizendsten.

 

12. Welke breuk ligt precies in het midden tussen 7/25 en 32/100 ? Reken uit. Stel dit voor op de getallenas.

 

13. Vul alle delers aan.      {del 64} = {.......................................................................................................} 

 

14. Zet de volgende reeks om naar kommagetallen en rangschik van klein naar groot.

A=333:1000

B=33,33/100

C=3,33

D=100/33,3333...

E=3,33333....

 

15. Maak met 9, 8, 6 en 4 een zo klein mogelijk natuurlijk getal met 4 cijfers.

 

16. Schrijf zeven en een kwart miljard in cijfers.

 

17. Omkring ALLE getallen die deelbaar zijn door 4.

96

104    

106

136       

128     

184  

188      

302

308     

1378

 

18. Vul de reeks verder aan.

8

10

14

84

86

90

540

........

 

19. Waar (W) of onwaar (O) ?

Alle elfvouden zijn oneven.

 

20. Vul aan: iedere factor is een natuurlijk getal < 20.

 

21. 323 = ..........x..........

 

22. Is de som van 1011, 1012, 1013, 1014, 1015  en 1061 deelbaar door 3 ?  Waarom (niet) ?

 

23. Hoeveel is de onbekende x ?         1688  +  x  =  2228 

 

24. Rangschik van klein naar groot.

A=1/17

B=1/6   

C=1/3      

D=1/11

E=1/2

 

25. Als men van 7300,007 de komma vergeet, dan wordt het getal ................. keer zo groot/klein.

 

26. In welk van deze getallen heeft 6 de grootste waarde ?

6100

7687  

8964

9016 

41826

 

27. Zet de volgende reeks om in kommagetallen en rangschik van groot naar klein.

A=18/100

B=188%  

C=88/1000

D=118:100 

E=18,5%

 

28. Duid het getal aan met de kleinste waarde.

A=983 251

B=938 152 

C=983 215

D=938 512 

E=938 125

 

29. Schrijf het getal zeventien en een half miljard in cijfers.

 

30. Wat is het kleinste natuurlijk getal bestaande uit 4 cijfers ?

 

31. Plaats in 639 een nul tussen de 3 en de 9. Wat is het verschil tussen het oude en het nieuwe getal ?

 

32. Wat is de waarde van 1 € in Belgische frank ?    (1 € = 40,3399 BEF)

 

33. Hoeveel is 10 tot de vierde macht ?

 

34. Schrijf 12 tienduizendsten in cijfers. Hoeveel nullen telt dit kommagetal?

 

35. Omkring alle getallen die deelbaar zijn door 4.

46

114    

116

146       

128     

186  

184      

312

318     

1368

 

36. Welke van onderstaande getallen is honderdvijf duizendsten ?

105

0,0105

0,00105

1000,105

105,1000

0,01050105

 

37. Is de som van 1001, 1002, 1003, 1004, 1005 en 1006 deelbaar door 9 ?        

(Vul aan en schrap wat niet past)

 

38. Vul aan: elke faktor moet een priemgetal zijn.       65 = ..........  x ..........

 

39. Vul aan: elke faktor moet een priemgetal zijn.       111 = ..........  x ..........

 

40. Kleur 60 % van een lijnstuk van 12 cm in het lichtblauw.       

 

41. Schets twee cirkelschijven. Verdeel elke schijf in 8 gelijke delen. Kijk goed en schrijf op hoeveel keer één achtste in 2 gaat.  ............ keer. 

 

42. Vul aan: elke faktor moet een priemgetal zijn.       183 = ..........  x ..........

 

43. Welke breuk ligt precies in het midden tussen 1/5 en 2/5 ?                                    

 

44. Rangschik van klein naar groot. Noteer de bijhorende letter op de stippellijn.

A=3/40

B=9/25      

C=7/5

 

45. Vul aan: {del 68} = {..................................................................................}    

 

46. Vul aan met waar (W) of vals (V).                 Alle priemgetallen zijn oneven.     

 

47. Noteer in een kommagetal: duizend en achttien honderdduizendsten.     

 

48. Schrijf  7/8 als procent. Reken hiernaast uit. Opgaande deling! Laat geen enkel cijfer vallen!

 

49. Schuif in het getal  472,5 de komma twee rangen naar links en trek het nieuwe getal af van het eerste getal. Welk getal bekom je ?

 

50. Schrijf in één getal  honderd en negenentwintig miljard vierhonderd zevenentwintig miljoen zeshonderd en achttien duizend zevenhonderd en negenentachtig. (Laat een beetje plaats tussen om de drie cijfers, van rechts te beginnen). 

 

51. Hoeveel is de onbekende x ?                  1784  -  x  =  2224    

 

52. Omkring alle priemgetallen.  

65

82

121

111

5

77  

102    

29

39

91

 

53. Teken een lijnstuk van 15 cm lang en noteer op de juiste plaats. (10cm=100%)   

A=0,45

B=3/20      

C=125%

 

54. Welke van onderstaande getallen is honderdvijf duizendsten ?

A=1/19

B=1/16

1/5

D=1/25 

E=1/33

 

55. Welk getal is 100 maal zo klein als 7,2 ?

 

56. Rond 76,8 af tot het dichtstbijgelegen tiental.

 

57. Welk getal ligt het dichtst bij 0,73 ?

A=0,737

B=0,735

C=0,734

D=0,727 

E=0,725

 

58. Aan welke breuk is 3 gehelen en 1/4 gelijk ?

 

59. Welk deel is 25 van 125 ?

 

60. 2/7 van een lijnstuk is 25 cm. Dit lijnstuk is ............. cm lang.

 

61. 3/5 deel van een getal is 15. Het getal is ................

 

62. 7/15 van een touw is 35 m. Dat touw is ............... meter lang.

 

63. Iemand heeft 14 op 40. Dit is ............... %.

 

64. Wat is hetzelfde als 3:15 ?

A=15/3

B=5

C=3

D=3/15 

E=15/100

 

65. Het omgekeerde van de breuk 16/15 is ...............

 

66. Aan welke onderstaande bewerking is 5/6 gelijk?

A=6:5

B=5x6

C=6-5

D=6x5

E=5:6 

 

67. 40% van een figuur is gearceerd. Dat is ...................

A=1/5

B=40/100

C=40/10

D=0,20 

E=0,40%

 

68. 5% van 180 kan men ook schrijven als ...............

A=de helft van 180

B=0,05 van 180

C=0,5 van 180

D=1/5 van 180 

E=1/50 van 180

 

69. Wat is de helft van een vierde van 380 ? 

A=95

B=47,5

C=45

D=85 

E=180

 

70. Wat moet je betalen als je 20% korting krijgt op 110 BEF ?

A=90 BEF

B=130 BEF

C=132 BEF

D=88 BEF 

E=100 BEF

 

71. 75% van 240 + het dubbele van 845 - de helft van 70 + (-45) = ...............

 

72. 60% van 600 - 18% van 1000 + 24 x 12 = ...............

 

73. 125 % van 80 + de helft van het dubbele van 49 = ...............

 

74. 99% van 6000 - 18 x 12 + de helft van een gros = ...............

 

75. Als 100% 2000 knikkers vertegenwoordigt, dan zijn 1700 knikkers nog ...............% waard.

 

76. Op een dag zijn 20% van de 120 arbeiders ziek. Hoeveel % komt werken ?

 

77. 18 bolletjes zijn 75%. Hoeveel bolletjes zijn 125% ?

 

78. De oppervlakte van een weide is 800 m². De lengte is 20 m. Hoe lang is de breedte ?

 

79. De oppervlakte van een ruit is 10 cm². De grote diagonaal is 2 cm. Hoelang is de kleine diagonaal ?

 

80. Ik betaal voor een boek 60 % van de oorspronkelijke prijs van 540 BEF. Hoeveel heb ik betaald ?

 

81. 25% van 740 is ............... meer dan 95.

 

82. Aan welk decimaal getal is 14/25 gelijk ?

 

83. 0,63 ligt het dichtst bij

A=2/3

B=3/5

C=3/4

D=5/8

E=7/8

 

84. 25% is gelijk aan

A=0,04

B=0,25

C=125

D=2500

E=25

 

85. Waaraan is 62,5% gelijk ?

A=0,265

B=0,625

C=37,5%

D=62,5%

E=6,25%

 

86. Waaraan is 15% gelijk ?

A=3/20

B=1/8

C=2/7

D=5/30

E=0,015

 

87. 0,65 is hetzelfde als..............

A=3/5

B=13/20

C=2/3

D=5/6

E=6/5

 

88. 0,75 x 24 = .......... x 24

A=0,075

B=3/4

C=4%

D=7,5

E=75/100

 

89. Wat is de grootste waarde ?

A=15/4

B=5/2

C=2

D=18/6

E=17/8

 

90. Wat is de grootste waarde ?

A=0,09

B=0,7

C=3/4

D=72%

E=0,603

 

91. 0,4 van 200 = .......... van 200

A=1/4

B=1/40

C=1/400

D=4

E=40%

 

92. Wat ligt het dichtst bij 1 ?

A=0

B=2

C=1/2

D=1/3

E=1/4

 

93. Welke van deze getallen is deelbaar door 20.

A=87 510

B=87 530

C=87 560

D=87 590

E=88 510

 

94. Welke van de volgende getallen is een veelvoud van 18?

A=9

B=38

C=118

D=162

E=218

 

95. Geef alle delers van 64.

 

96. Hoeveel eenheden moet ik bij 7217 voegen, zodat het bekomen getal zou deelbaar zijn door 4 ?

 

97. Wat is het verschil tussen 587 en 758 ?

 

98. Hoeveel is het dubbele van 27 + 4 x 3 - 6 x 2 ?

 

99. Welk getal is 12 maal zo groot als 12 ?

 

100. Hoeveel is 27 x het dubbele van nul ?

 

101. Hoeveel is het achtste deel van 726 ?

 

102. Neem  twee en een halve keer de helft van een vierde van 144 eieren. Ik neem ............... eieren.

 

101. Omkring ALLE getallen die deelbaar zijn door 5.  

98

105   

116      

126       

130    

0    

196      

312      

3188     

3378

 

102. Iemand heeft 9 op 15. Reken zijn/haar procent uit.

 

103. Teken een rooster met 24 gelijke vierkanten van 2 cm op 2 cm. Kleur 62,5 % in het lichtgroen.       

 

104. Teken een lijnstuk van 20 cm lang en noteer op de juiste plaats:    

0,60

8/25      

75%

 

105. Rangschik van klein naar groot.

2/50

3/40

7/125

8/500

5/7

 

106. Omcirkel alle getallen die zeker drie als deler hebben. 

67

88

3 

101

85

177 

221

174

337 

3333

 

107. Schets acht rechthoeken. Verdeel ze in 4 gelijke delen. Kijk goed en schrijf op hoeveel keer één vierde in 8E gaat.  ........... keer.

 

108. Schrijf tweemaal één cijfer op de stippen zodat het getal dat je bekomt deelbaar is door 2 èn door 9.      

2.......3 6.......2

 

109. Schuif in het getal 6,725 de komma twee rangen naar links en trek het eerste getal af van het nieuw bekomen getal. Welk getal bekom je ? 

 

110. Schrijf in één getal:  honderd en zevenentachtig miljard vierhonderd zesentwintig miljoen honderd en achttienduizend tweehonderd en zesennegenentig. (Laat een beetje plaats tussen om de drie cijfers, van rechts te beginnen).

 

111. Zet om naar een decimaal getal < 1: vierenvijftigduizend honderd en veertien tienduizendsten.

 

112. Welke breuk ligt precies in het midden tussen 11/25 en 86/100 ? Reken uit. Stel dit voor op de getallenas.

 

113. Vul alle delers aan.      {del 111} = {.......................................................................................................} 

 

114. Zet de volgende reeks om naar kommagetallen en rangschik van klein naar groot.

A=33:1000

B=3,333/100

C=333

D=1000/33,3333...

E=33,33333....

 

115. Maak met 9, 2, 8, 6 en 4 een zo klein mogelijk natuurlijk getal met 5 cijfers.

116. Schrijf zeven en een kwart miljoen in cijfers.

 

117. Omkring ALLE getallen die deelbaar zijn door 3.

96

104    

106

136       

128     

184  

188      

302

308     

1378

 

118. Vul de reeks verder aan.

2

4

8

10

20

22

44

........

 

119. Waar (W) of onwaar (O) ?

Alle zesvouden zijn even.

 

120. Vul aan: iedere factor is een natuurlijk getal > 10 en < 20.         209 = ..........x..........

 

121. Hoeveel verschilt de waarde van de 9 in de getallen 589 en 9425 ? 

 

122. Is de som van 1011, 1012, 1013, 1014, 1015  en 1061 deelbaar door 6 ?  Waarom (niet) ?

 

123. Hoeveel is de onbekende x ?         9688  +  x  =  2228 

 

124. Rangschik van groot naar klein.

A=1/17

B=1/6   

C=1/3      

D=1/11

E=1/2

 

125. Als men van 73,07 de komma vergeet, dan wordt het getal ................. keer zo groot/klein.

 

126. In welk van deze getallen heeft 7 de grootste waarde ?

A=7100

B=687  

C=8764

D=9076 

E=474 826

 

127. Zet de volgende reeks om in kommagetallen en rangschik van klein naar groot.

A=118/100

B=188%  

C=888/1000

D=1818:100 

E=188,5%

 

128. Duid het getal aan met de grootste waarde.

A=983 251

B=938 152 

C=983 215

D=938 512 

E=938 125

 

129. Schrijf het getal zevenentwintig en een half miljard in cijfers.

 

130. Wat is het kleinste natuurlijk getal bestaande uit 3 cijfers ?

 

131. Plaats in 639 een zeven tussen de 3 en de 9. Wat is het verschil tussen het oude en het nieuwe getal ?

 

132. Wat is de waarde van 20 € in Belgische frank ?   (1€ = 40,3399 BEF)

 

133. Hoeveel is 6 tot de vierde macht ?

 

134. Schrijf 37 duizendsten in cijfers. Hoeveel nullen telt dit kommagetal?

 

135. Omkring alle getallen die deelbaar zijn door 3.

46

114    

116

146       

128     

186  

184      

312

318     

1368

 

136. Zet de reeks logisch verder.

8

10

14

22

38

........

 

137. Is de som van 1001, 1002, 1003, 1004, 1005 en 1006 deelbaar door 3 ?        

(Vul aan en schrap wat niet past)

 

138. Vul aan: elke faktor moet een priemgetal zijn.                   77 = ..........  x ..........

 

139. Zet de reeks logisch verder.

1

5

17

53

161

........

 

140. Kleur 80 % van een lijnstuk van 12 cm in het lichtblauw.       

 

141. Schets vier cirkelschijven. Verdeel elke schijf in 8 gelijke delen.Schrijf op hoeveel keer één achtste in 4 gaat.  ............ keer. 

 

142. Zet de reeks logisch verder.

1

6

31

156

781

........

 

143. Welke breuk ligt precies in het midden tussen 1/7 en 2/7 ?                                    

 

144. Rangschik van klein naar groot. Noteer de bijhorende letter op de stippellijn.

A=5/40

B=4/25      

C=4/5

 

145. Vul aan: {del 76} = {..................................................................................}    

 

146. Vul aan met waar (W) of vals (V).                 Alle zesvouden zijn ook drievouden.     

 

147. Noteer in een kommagetal: duizend en achttien honderdduizendsten.     

 

148. Schrijf  7/8 als procent. Reken hiernaast uit. Opgaande deling ! Laat geen enkel cijfer vallen!

 

149. Schuif in het getal  47,25 de komma twee rangen naar links en trek het nieuwe getal af van het eerste getal. Welk getal bekom je ?

 

150. Schrijf in één getal  honderd en vijfentwintig miljard vierhonderd zevenentwintig miljoen zeshonderd en achttien duizend vijfhonderd en negenentachtig. (Laat een beetje plaats tussen om de drie cijfers, van rechts te beginnen). 

 

151. Hoeveel is de onbekende x ?                  1452  -  x  =  2224    

 

152. Omkring alle priemgetallen.  

165

182

2121

1011

575

777  

6102    

8829

919

991

 

153. Teken een lijnstuk van 20 cm lang en noteer op de juiste plaats. (10cm=100%)   

A=0,45

B=3/20      

C=125%

 

154. Rangschik van groot naar klein ?

A=1/19

B=1/16

1/5

D=1/25 

E=1/33

 

155. Welk getal is 1000 maal zo groot als 7,2 ?

 

156. Rond 156,8 af tot het dichtstbijgelegen tiental.

 

157. Welk getal ligt het dichtst bij 0,75 ?

A=0,737

B=0,735

C=0,734

D=0,747 

E=0,725

 

158. Aan welke breuk is 7 gehelen en 3/4 gelijk ?

 

159. Welk deel is 125 van 625 ?

 

160. 6/7 van een lijnstuk is 144 cm. Dit lijnstuk is ............. cm lang.

 

161. 3/5 deel van een getal is 33. Het getal is ................

 

162. 9/15 van een touw is 54 m. Dat touw is ............... meter lang.

 

163. Iemand heeft 27 op 40. Dit is ............... %.

 

164. Wat is hetzelfde als 15:3 ?

A=15/3

B=5

C=3

D=3/15 

E=15/100

 

165. Het tegengestelde breuk 16/15 is ...............

 

166. Aan welke onderstaande bewerking is 5:6 gelijk?

A=6:5

B=5x6

C=6-5

D=6x5

E=5/6 

 

167. 55% van een figuur is gearceerd. Dat is ...................

A=1/55

B=55/1000

C=55/10

D=0,55 

E=0,55%

 

168. 50% van 180 kan men ook schrijven als ...............

A=de helft van 180

B=0,05 van 180

C=0,5% van 180

D=1/5 van 180 

E=1/20 van 180

 

169. Wat is de helft van een vierde van 320 ? 

A=400

B=20

C=40

D=80 

E=180

 

170. Wat moet je betalen als je 40% korting krijgt op 120 BEF ?

A=48 BEF

B=96 BEF

C=72 BEF

D=172 BEF 

E=80 BEF

 

171. 75% van 360 + het dubbele van 85 - de helft van 70 - (-45) = ...............

 

172. 80% van 600 - 18% van 500 + 24 x 1,5 = ...............

 

173. 150 % van 80 + de helft van de helft van 49 = ...............

 

174. 75% van 6000 - 18 - 12 + de helft van een gros = ...............

 

175. Als 100% 3000 knikkers vertegenwoordigt, dan zijn 1700 knikkers nog ...............% waard.

 

176. Op een dag zijn 25% van de 120 arbeiders ziek. Hoeveel arbeiders komen werken ?

 

177. 18 bolletjes zijn 45%. Hoeveel bolletjes zijn 180% ?

 

178. De oppervlakte van een weide is 600 m². De lengte is 20 m. Hoe lang is de breedte ?

 

179. De oppervlakte van een ruit is 20 cm². De kleine diagonaal is 5 cm. Hoelang is de grote diagonaal ?

 

180. Ik betaal voor een boek 80 % van de oorspronkelijke prijs van 760 BEF. Hoeveel heb ik betaald ?

 

181. 35% van 740 is ............... meer dan 1505.

 

182. Aan welk decimaal getal is 16/125 gelijk ?

 

183. 0,65 ligt het dichtst bij

A=2/3

B=3/5

C=3/4

D=5/8

E=7/8

 

184. 25% is gelijk aan

A=0,25

B=0,025

C=1,25

D=250

E=2,5

 

185. Waaraan is 87,5% gelijk ?

A=0,785

B=0,825

C=0,875

D=0,875%

E=8,25%

 

186. Waaraan is 15% gelijk ?

A=7/30

B=1/8

C=1/15

D=3/20

E=0,015

 

187. 0,85 is hetzelfde als..............

A=8/5

B=85/20

C=0,85%

D=85%

E=8/5

 

188. ......... x 24 = 0,75 x 24 

A=0,075

B=3/4

C=4%

D=7,5

E=75/100

 

189. Wat is de kleinste waarde ?

A=15/4

B=5/2

C=2

D=18/6

E=17/8

 

190. Wat is de kleinste waarde ?

A=0,09

B=0,7

C=3/4

D=72%

E=0,603

 

191. 0,04 van 200 = .......... x 200

A=4

B=1/4

C=1/40

D=4%

E=40%

 

192. Wat ligt het dichtst bij 0,5 ?

A=0

B=2

C=1/5

D=1/3

E=1/4

 

193. Welke van deze getallen is deelbaar door 30 (door 3 èn door 10).

A=88 510

B=87 530

C=87 560

D=87 590

E=87 510

 

194. Welke van de volgende getallen is een veelvoud van 9?

A=12

B=38

C=118

D=218

E=162

 

195. Geef alle delers van 72.       {.................................................................}

 

196. Hoeveel eenheden moet ik bij 7211 voegen, zodat het bekomen getal zou deelbaar zijn door 4 ?

 

197. Wat is het verschil tussen -587 en 758 ?

 

198. Hoeveel is het dubbele van 27 + 4 x 4 - (6 x 22) ?

 

199. Welk getal is 12 maal zo groot als 144 ?

 

200. Hoeveel is 93 keer het dubbele van nul ?

 

201. Hoeveel is het zesde deel van 7026 ?

 

202. Neem anderhalve keer de helft van een vierde van 288 eieren. Ik neem ............... eieren.

 

203. Iemand heeft 14 op 15. Reken zijn/haar procent uit tot op 2 cijfers na de komma.

 

204. Teken 6 gelijke vierkanten van 2 cm op 2 cm. Kleur 37,5 % in het paars.

 

205. Teken een lijnstuk van 20 cm lang en noteer op de juiste plaats    (20cm = 100%)

0,80

7/20      

95%

 

206. Rangschik van groot naar klein.

46/50

37/40

100/125

400/500

20/750

 

207. Omcirkel alle getallen die exact twee delers hebben. M.a.w. omkring de getallen met enkel zichzelf en één als deler.

165

182

12 

1113

195

177 

1021

174

137 

13

 

208. Schets zes cirkelschijven. Verdeel elke schijf in zes gelijke delen. Kijk goed en schrijf op hoeveel keer één zesde in 6E gaat.  ........... keer.

 

209. Schrijf tweemaal één cijfer op de stippen zodat het getal dat je bekomt deelbaar is door 2 èn door 9.      

9.......3 9.......2

 

210. Schuif in het getal 8,775 de komma twee rangen naar rechts en trek het eerste getal af van het nieuw bekomen getal. Welk getal bekom je ?

 

211. Schrijf in één getal:  honderd en vierentwintig miljard vierhonderd zevenentwintig miljoen zeshonderd en twaalfduizend zeshonderd en achtentwintig. (Laat een beetje plaats tussen om de drie cijfers, van rechts te beginnen).

 

212. Omkring ALLE getallen die deelbaar zijn door 15 (door 5 èn door 3).  

96

104   

105      

136       

128     

184      

10

302      

310     

13 845