Draas

Lui in de wieg met zijn oogjes gesloten en zijn armpjes levenloos, half gebogen naast het kleine rompje. Dood, kon je wel denken wanneer je hem zag. Vergiftigd, juist zijn laatste stuiptrekking gehad. Ik boog mij voorover en wreef zacht over zijn neusje. Het kamertje van onze kleine zag wit. Witte muren, witte maan, witte wieg, het sneeuwde buiten. Alleen de nacht gaf een andere kleur aan de kamer. Het wiegje stond eenzaam in het midden van het kamertje. Buiten een oude bureau(mooi voor het raam genesteld) uit mijn jeugd stond er niets in mijn voormalige massageruimte. Ik nam het onschuldig wezentje onder zijn armpjes en hief hem voorzichtig uit zijn wieg. Ik legde hem in mijn armen en begon zacht rond zijn wiegje te dansen. Een slavisch deuntje vloog rond in mijn hoofd. Prakeliaratische bezin therapie. Zoals bv. Ik kakte terwijl ik hakte, bar bor blirok nog noldreks gezwijm. De kleine leek geirriteerd. Ik stopte mijn betoog. Het oostblok ritme vloog door de muur, ging in de kelder. Perste zich in een afvoerbuis richting riool. Zacht gejammer klonk slijtend in de diepte. Mijn voeten vielen stil. De dans koelde af, werd zelfs kil. Ik stond stil in een apart universum. Draasje kneep zijn ogen open. Een smakelijk lachje blonk op zijn lippen. kralende oogjes, de kaakjes in bolletjes op zijn wang. Ik stopte met dansen en keek gerustgesteld in zijn stralende kijkgaten. Ik begon zacht met mijn armen de wiegen, Draasje stopte met lachen. Plots, zonder waarschuwing. Ik verschoot van het kleine baasje zijn gedaanteverwisseling, zijn smakelijk lachje werd een droge pruimmond. De oogjes zo koud als een koelcel in een vleesfabriek. "Wat is er Draasje, dwaasje, heb ik iets verkeerd gedaan, mijn klein lieverdje". De vingertop van mijn wijsvinger schuurde zacht over zijn onschuldig kaakje. Een rimpeling in zijn miniatuur lippen wezen op een herboren glimlach. Een zucht van opluchting ging door mijn lijf. "Wat ben jij toch een suikerkoekje". Zacht kittelde mijn hand op Draas zijn buikje. Hij lachte uitbundig en wriemelde in mijn handen. Zijn handjes spelend met mijn vooruitgestoken kin. Buitenaardse klanken, zo mooi, kwamen er uit de zuigeling zijn mondje. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen. Plots, alsof het plafond op mijn hoofd viel. Een strenge blik overschaduwde zijn gelukkige oogjes. Diep keek hij in mijn ogen, ik voelde mij bedreigd door het kleine monstertje. Ik haalde mijn hand van zijn buikje. Hij begon weer te lachen en te wriemelen. Mijn kin terug in zijn kleine grijptangen. Zo vlug als het gekomen was kwam het weer terug. Een kwade blik scheen in mijn koplampen. Ik begon verstijfd te geraken. Van de schrik of van de verbazing. Ik twijfelde. Hij bleef kijken, hij stopte niet. En dan weer. Een glimlach als nooit te voren, maar deze keer kwaadaardiger. Alsof hij mijn gevoelens doorzag. Venijnig kneep hij in mijn kin. "Aaaah". Ik verschoot van zijn kracht. "Wat doe je nu". "Stoute Draas". Zijn ogen werden zo koud als een winternacht in Rusland. Zijn handjes vielen van mijn kin. Ik legde hem terug in zijn wiegje. In een versnelde pas liep ik naar de deur. Ik struikelde over de poot van het wiegje. Met een halve saldo ging ik naar beneden. Een kraak in mijn nek. Een second en dan niks meer.



Draas den dwaas


Met een argwanende blik uit zijn linkeroogbol probeert hij de affectie
rusteloos in het rond te smijten.

Draas zijn chaotische kronkelingen reiken hersenloos naar de kluwen van de haveloze verstijfde tepel.

Haar vlezige vrucht slijpt beklemmend zijn gebotvierde traan, angst schemert door haar bezield lijf.



De zeis en het brein in samenspraak met het bezeten ei.


Het brein lijmt de schedel van het ei aan het kuiken bezeten door de breekbaarheid van de zeis.

Het kuiken uit het ei trapt op de schedel van het brein,
glijdt uit op de scherpte van de zeis.
Wordt bot en breekt als ijs.



Een hoofd,

een stenen tapijt.

Gewurgd betonnen relaas,
in zijn hoofd een ijzeren plaat.

Diesel relaas, dwaas geraas.
Vloeiende kosmos leen mij sinterklaas.



Het gewicht brak het begrip.

De aap zag het licht.

De balans bracht rede tot het geflip.
Het virus verslond het licht, strooide teer in mijn aangezicht.

Krioelde misvormde lip, plant zijn ogen in zijn gebit.