|
Wetgeving en
rechtszekerheid
De klinisch
psychologen streven naar een wettelijke regeling van hun beroep. Hiervoor
zijn er verschillende motieven:
- Het is een stap
in de formalisering van de nieuwe visie op wat gezondheid is. (“Health is a state of complete
physical, mental, and social well-being and not merely the absence of disease
or infirmity.”)
- Het biedt
meer garanties voor de patiënt.
- Binnen een gezondheidszorg die steeds
juridischer wordt is het billijk dat klinisch psychologen die met
ethische en wetenschappelijke nauwgezetheid hun beroep uitoefenen ook
legaal in orde zijn.
- Een wettelijke regeling is een
voorwaarde voor een verdere organisatorische en maatschappelijke uitbouw
van het beroep.
In volgend artikel willen we verder ingaan
op het derde motief, dat van de rechtszekerheid van de klinisch psycholoog
zelf.
Toen in 2001, na het advies van
de Hoge Raad van Geneeskunde het voorontwerp van de wet Aelvoet werd
omgevormd naar een formulering waardoor de klinisch psychologen nog slechts
zouden kunnen autonoom werken bij problemen en dienden samen te werken met
artsen bij pathologie, stond heel het land op stelten. Het woord
"paramedicalisation" was niet van de lucht (de APPPsy was hiervan
de grote boodschapper en die boodschap hielden ze nog jaren aan nadat het
wetsontwerp Aelvoet werd bijgestuurd zodat het hoegenaamd niet meer
paramedicaliserend was).
Er waren effectief twee grote
bezwaren in te brengen tegen de toenmalige versie van het voorontwerp van
wet:
- Niet in alle pathologie is er
een belangrijke biologisch component die de problematiek buiten het
autonome competentiegebied van de psycholoog plaatst.
- Men kan de rechtszekerheid van de
klinisch psycholoog niet afhankelijk stellen van het gedrag van de patiënt
(namelijk of deze effectief de nodige arts gaat opzoeken).
Na kritiek van de sector en van
de Raad van State is het voorontwerp van wet van Aelvoet dan omgevormd in volgende
zin:
- "Om de mogelijkheid van
somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten..."
- "...draagt de
beroepsbeoefenaar op elk moment de verantwoordelijkheid te beslissen of de
patiënt uitgenodigd moet worden om een arts te consulteren."
Met andere woorden:
- wanneer is het
"nodig" een arts erin te betrekken? wel als er mogelijkheid is
van somatische problematiek
- moet er samenwerking zijn ? Neen, het advies moet gegeven worden
een arts te raadplegen.
In het ontwerp
Aelvoet (nu wetsvoorstel Vandenberghe)
weet de klinisch psycholoog wanneer hij niet meer alleen kan handelen,
maar wordt de strafbaarheid van de klinisch psycholoog niet in handen
gegeven van de patiënt die het al dan niet vertikt om een arts op te
zoeken.
Wat zien we nu bij
het wetsvoorstel Mayeur,
gepromoot door diezelfde APPPsy ?
Het autonome werken van de
beroepsbeoefenaar in de geestelijke gezondheidszorg "IMPLICEERT, zo
nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse
beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn."
Er staat niet "met de andere
beroepsbeoefenaars die zorg verlenen aan de betrokken patiënt", maar
wel "met beroepsbeoefenaars die in de gezondheidszorg actief
zijn".
Er staat niet dat er
"gestreefd wordt naar een samenwerking" maar "impliceert
samenwerking"
Er staat nergens wat
"nodig" is. Maar we weten ondertussen wèl dat het geneesherencorps
samenwerking noodzakelijk vindt bij ALLE pathologie en we weten ook wie
door de rechtbanken wordt aangesteld als deskundige.
Er staat "zo de patiënt erom
verzoekt". Als de patiënt er niet om verzoekt, of dit zelfs weigert,
wordt de psycholoog dan verondersteld een verklaring te laten tekenen waarop
staat dat het advies om een arts te bezoeken gegeven werd, maar dat de
patiënt daar niet op in gaat ? Welke therapeutische relatie zal dat geven ?
De combinatie van
gedrag van meerdere mensen (samenwerking) met een dubbele bijkomende
voorwaarde geeft een onwerkbaar aantal mogelijkheden die het moeilijk maakt
om nog zekerheid te hebben dat men juridisch gedekt is in zijn
handelen. Bij Vandenberghe is het
duidelijk: Alls er mogelijks somatische problematiek is, moet uit het
dossier blijken dat de klinisch psycholoog het advies gaf een arts te
raadplegen. De psycholoog oordeelt en handelt en draagt daar de
verantwoordelijkheid en de gevolgen voor. De strafbaarheid van de psycholoog
hangt alleen van zijn eigen gedrag af; niet van de arts, niet van de patiënt. Bij Mayeur zit dat veel complexer: In
alle gevallen waar er samenwerking met een arts had moeten zijn en er
geen was, is er een fout tenzij men kan aantonen dat de patiënt er niet om
verzocht (ook al zegt hij achteraf eventueel het omgekeerde). De strafbaarheid
van de psycholoog hangt hier af van het gedrag van de andere beoefenaar(s),
van de patiënt en in de beoordeling of het "nodig" was van de
beoordeling van de persoon die als deskundige wordt aangesteld. En volgens
de wet Mayeur is het dus mogelijk dat de deskundige oordeelt dat pathologie
zonder enige somatische problematiek de tussenkomst van een arts nodig
maakt.
De
vraag luidt: welke zelfstandige klinisch psycholoog zal nog autonoom durven
werken met een wetgeving Mayeur die zo vaag is? Uiteindelijk zal men in de
paramedische rol kruipen om zich juridisch in te dekken. De APPPsy zou
plots de grote promotor van het paramedisch statuut kunnen worden ! De
wet Mayeur laat de zelfstandig werkende klinisch psycholoog met een grote
rechtsonzekerheid achter.
De formulering uit het
wetsvoorstel Vandenberghe is dus veel duidelijker:
"Om de mogelijkheid van
somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten draagt de beroepsbeoefenaar
op elk moment de verantwoordelijkheid te beslissen of de patiënt uitgenodigd
moet worden om een arts te consulteren. "
Wil men daar in navolging van het
wetsvoorstel Gilkinet/Gerkens aan toevoegen :
"Die
uitoefening impliceert, zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking
tussen de diverse beroepsbeoefenaren die aan de patiënt gezondheidszorgen
toedienen.", dan kan dit alleen bijdragen tot een intensere
multidisciplinaire zorg.
In het wetsvoorstel Mayeur staan er nog
staaltjes van rechtsonzekerheid, zoals dit:"Voor elk van die beroepen
gelden de al dan niet op schrift gestelde gedrags- en beroepsregels die
door de vertegenwoordigers ervan zijn opgesteld." Dit grenst aan het
lachwekkende; een wet die zegt dat de niet op schrift gestelde
beroepsregels van de vertegenwoordigers dienen gerespecteerd te worden. Dat
is geen wetgeving, dat is willekeur. Van rechtszekerheid gesproken.
|