|
KB78 en de psychologen
In België zijn
er een aantal Koninklijke Besluiten die een nummer dragen. Dat zijn
volmachtwetten. Zo is er het bekende KB78 dat in 1967 uitgevaardigd werd
na de artsenstaking. De titel was toen “Koninklijk besluit nr 78
betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de
paramedische beroepen en de geneeskundige commissies”. Ondertussen is het
aantal disciplines dat in de gezondheidszorg werkt uitgebreid en luidt de
titel: “Koninklijk besluit nr 78 betreffende de uitoefening van de
gezondheidszorgberoepen”. Om KB78 te raadplegen gaat u best naar Juridat. In het
eerste veldje naast “Juridische aard” kiest u voor “Koninklijk Besluit” en
in het tweede veldje naast “Nummer” typt u het getal 78. U drukt dan op de
knop “Opzoeking” en er worden twee resultaten gevonden. U kunt die twee
resultaten zien als u op “Lijst” drukt en daar kunt u dan het gewenste document
aanklikken. Eén document betreft de Duitse vertaling en het tweede is dat
wat we nodig hebben.
In de loop van de jaren is de titel veranderd, maar de basisstructuur is
gebleven. Het komt er eigenlijk op neer dat men eerst zegt dat de volledige
gezondheidszorg het terrein is van de artsen en dan gaat men uitzonderingen
maken voor de andere beroepen. Het is uiterst belangrijk dit in het
achterhoofd te hebben bij de evaluatie van de toegekende autonomie in de beroepsuitoefening
wanneer later op het jaar wellicht de ontwerpteksten over de wettelijke regeling
van de zogenoemde “geestelijke gezondheidszorgberoepen” dienen beoordeeld
te worden.
Wat staat er in KB78 ? “Art. 2. §
1. Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma
bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in
overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden
en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan
vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 7, § 1
of § 2 niet vervult.
Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het
gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden,
gesteld bij lid 1 van deze paragraaf, niet vervult, van elke handeling die
tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk
wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen
van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het
instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysische of psychische,
werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting.”
En dan volgen de uitzonderingen:
- “§ 2. Bij afwijking van § 1 van dit artikel, zijn….. [en dan gaat het over
de vroedvrouwen]
- “Art. 3. Bij afwijking van § 1 van artikel 2, mag niemand de
tandheelkunde uitoefenen die niet……”
- “Art. 5. (§ 1. De Koning kan, (overeenkomstig de bepalingen van artikel
46bis), de voorwaarden vaststellen waaronder de geneesheren, op eigen
verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, personen die een paramedisch
beroep uitoefenen kunnen belasten met het verrichten van bepaalde
handelingen die de diagnose voorafgaan of de toepassing van de behandeling
aangaan of de uitvoering van maatregelen van preventieve geneeskunde
betreffen.
De Koning kan eveneens, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel
46bis, de voorwaarden vaststellen waaronder de in het voorgaande lid
bepaalde handelingen kunnen worden opgedragen aan personen die bevoegd zijn
om de verpleegkunde uit te oefenen.”
- “Art. 21bis. § 1. In afwijking van artikel 2, § 1, en zonder de betekenis
van het begrip "de geneeskunde", bepaald in dit artikel, te
beperken, mag niemand de kinesitherapie uitoefenen die niet houder is van
een erkenning afgegeven door de Minister tot wiens bevoegdheid de
Volksgezondheid behoort.”
Er zijn dus twee soorten uitzonderingen: Vooreerst disciplines zoals
vroedvrouwen, tandartsen en kinesitherapeuten die ‘bij afwijking’ autonoom
bepaalde handelingen mogen stellen. Verder zijn er de paramedici
en de verpleegkundigen die onder verantwoordelijkheid en toezicht van de
arts bepaalde handelingen mogen stellen.
Had men in Art 2 geschreven ‘artsen moeten opleiding x gevolgd hebben en
mogen handelingen a, b, c, enz
stellen’ was het allemaal veel eenvoudiger geweest. Dan kon men ook voor de
andere beroepen zeggen wat de opleidingsvoorwaarden zijn en wat de bevoegdheden
zijn. Wegens die negatieve definitie van Art 2 blijft men met de
moeilijkheid zitten voor elk nieuw beroep dat men wil reglementeren. Daarom
staat er in het wetsvoorstel Vandenberghe
e.a., dat een herneming is van het wetsontwerp Aelvoet (reeds
gecontroleerd door de Raad van State), “§ 4. Zonder afbreuk te doen aan het
begrip geneeskunst wordt beschouwd als uitoefening van de klinische
psychologie: het gewoonlijk verrichten van autonome handelingen die tot
doel hebben de preventie, het onderzoeken, het opsporen, het stellen van
een diagnose van psychisch of psychosomatisch lijden bij mensen, en hun behandeling
of begeleiding.” Er zijn groepen die beweren dat hierdoor aan artsen het
recht wordt gegeven om de klinische psychologie te beoefenen. Met dergelijke
verklaringen bewijzen ze alleen dat de KB78 nog nooit gelezen hebben. Als
wetsvoorstellen of ontwerpen niets veranderen aan Art2 (en wie durft dat ?)
en geen uitzonderingsformule gebruiken kan dat twee dingen betekenen: ofwel
dat men geen autonome beroepsuitoefening geeft aan de nieuwkomer ofwel dat
opmerkingen kunnen verwacht worden vanwege de Raad van State wegens gebrek
aan samenhang van de verschillende artikels.
Klinisch psychologen hebben op dit ogenblik wettelijk gezien geen
gezondheidszorgberoep. Het is niet voldoende dat ze na een wettelijke
regeling wèl gezondheidszorgen mogen toedienen. Het is altijd een eis
geweest dat ze hun eigen beroep autonoom kunnen uitoefenen en dàt zal
duidelijk moeten uit de teksten blijken.
Tot slot nog
iets over de hoofdstukken van KB78. Hoofdstuk I handelt over de uitoefening
van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde. Hoofdstuk Ibis handelt
over de uitoefening van de kinesitherapie. Hoofdstuk Iter handelt over de
uitoefening van de verpleegkunde. Het wetsvoorstel Vandenberghe e.a.
voorziet Hoofdstukken Iquater, Iquiquies en Isexies voor respectievelijk de
uitoefening van de klinische psychologie, de klinische seksuologie en de
klinische orthopedagogiek. Hoofdstuk II behandelt de uitoefening van de
paramedische beroepen en Hoofdstuk IIbis regelt een aantal kwesties zoals
bijzondere beroepstitels enz. Hoofdstuk III behandelt de geneeskundige
commissies. Hoofdstuk IV behandelt de strafbepalingen en tuchtmaatregelen.
Hoofdstuk IVbis handelt over de aanpassingen aan de Europese wetgeving en tenslotte bevat Hoofdstuk V nog een
reeks algemene bepalingen. Het wetsvoorstel Mayeur,
Burgeon en Lambert wil een nieuw “HOOFDSTUK
III : uitoefening van de beroepen in de sector van de geestelijke gezondheidszorg”
invoegen (uiteraard met verschuivingen van het huidige hoofdstuk III, enz.
) We hebben elders
reeds geschreven wat we daarover vinden.
|