|
Ceci est une
pipe ?
Deze week nog heeft minister Demotte in de
Kamercommissie Volksgezondheid herhaald dat de klinisch psychologen op
autonome wijze hun beroep zullen kunnen uitoefenen. We citeren:
“De grote lijnen van het project kunnen
als volgt worden samengevat.
Het project stelt de lijst op met de
drie categorieën van geestelijke gezondheidsberoepen die als dusdanig
erkend worden en waarvan de beoefenaars gerechtigd zijn op autonome wijze
hun beroep te beoefenen. Ten eerste, de geneeskundige beroepen: het gaat
hier om de erkenning van geneesheer-specialisten in geestelijke gezondheid,
zijnde de psychiatrie, de neuropsychiatrie en de kinderpsychiatrie.
Ten tweede, de beroepen van klinische
psychologie, klinische seksuologie en klinische pedagogie, waarvan de
beoefenaars houders moeten zijn van erkende universitaire dipoma’s in de
materie, met inbegrip van stage.
Ten derde, de beroepen van
psychotherapie waarvan de beoefenaars aan verschillende voorwaarden inzake
vorming en ervaring moeten voldoen.
Het project erkent vervolgens enkele
beroepen als assistenten in de geestelijke gezondheid, voor zover zij hun
beroepsactiviteit uitoefenen in het gebied van de geestelijke gezondheid.
Tot slot bepaalt het project een
aantal belangrijke principes, zoals bijvoorbeeld het feit dat het project
geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van de geneesheren in de geestelijke
gezondheid en dat het een hoge raad voor de geestelijke gezondheidszorg zal
oprichten.”
Gedurende bijna veertig jaar heeft men
gezegd dat de klinisch psychologen onwettige uitoefening doen van de
geneeskunde omdat in de Wet
op de gezondheidszorgberoepen staat:
"Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde,
het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de
voorwaarden, gesteld bij lid 1 van deze paragraaf [= diploma van arts
bezitten], niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt
voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het
onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en
gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of
uitvoeren van een behandeling van een fysische of psychische, werkelijke of
vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting."
Als men de
bedoeling heeft om klinisch psychologen autonoom te laten gezondheidszorgen
toedienen, zou men logischer wijze verwachten dat de wetsontwerpen dan ook
de wetgeving terzake aanpassen. In het wetsontwerp
Aelvoet-Tavernier/wetsvoorstel Vandenberghe
e.a. was dat via de formulering “Zonder afbreuk te doen aan het begrip
geneeskunst wordt beschouwd als uitoefening van de klinische
psychologie….” waardoor een uitzondering gemaakt werd op het begrip
geneeskunde. Zoals we in een vroeger
artikel van De Maere schreven is de structuur van KB78 opgebouwd dat
vertrokken wordt van het monopolie van de artsen op de gehele
gezondheidszorg en dat er dan uitzonderingen gemaakt worden voor de andere
beroepen, hetzij als autonome beoefenaars, hetzij als personen die in
opdracht en onder toezicht handelen. Een dergelijke formulering vinden we
niet terug in het wetsontwerp
Demotte dat voorligt. In het wetsontwerp staat dat de uitoefening van
een geestelijk gezondheidsberoep het gewoonlijk verrichten is van
handelingen die een of meerdere van de volgende domeinen tot doel hebben:
de preventie, het onderzoeken, het opsporen, het stellen van een diagnose
van psychisch of psychosomatisch lijden bij mensen, en hun behandeling of
begeleiding. Er staat niet dat het preventie, onderzoek, opsporing,
diagnostiek, behandeling of begeleiding tot doel heeft. Er staat alleen dat
het dit domein tot doel heeft, wat het geval is voor elke paramedicus. Er
staat ook niet dat het gaat om de autonome uitoefening. Ook later in de
tekst staat niet dat de klinisch psycholoog autonoom mag preventie,
onderzoek, opsporing, diagnostiek, behandeling of begeleiding doen. Er
staat dat hij autonoom mag in de geestelijke gezondheidszorg werken en we
weten ondertussen wat de definitie is van geestelijke gezondheidszorg. De
competenties die nu gereserveerd zijn voor de beoefenaars van de geneeskunde
staan daar niet bij. Vanuit de definitie van geneeskunde blijft het dus
onwettige uitoefening van de geneeskunde terwijl nergens zwart op wit staat
dat de klinisch psycholoog bijvoorbeeld autonoom diagnostiek en behandeling
mag doen. Als er wetgeving nodig is om mensen rechtszekerheid te geven dan
zou het toch mooi meegenomen zijn als in de wetteksten te lezen zou zijn
wat men zegt dat erin staat. In het wetsvoorstel Vandenberghe e.a. staat
dat we autonoom alle aspecten van ons beroep mogen uitoefenen en er wordt
reeds vier jaar uitgebazuind dat dit paramedicaliserend is. Nu wordt door
de hoogste politiek verantwoordelijken gezegd dat de klinisch psychologen
hun beroep autonoom zullen mogen uitoefenen, maar we vinden
het niet terug in de voorgelegde teksten. Wat is het nu ‘Ceci n’est pas
une pipe’ of ‘Ceci est une pipe’ ?
We moeten
onderscheid maken tussen de problematiek rond de definitie van de klinische
psychologie en de globale problematiek van beroepsautonomie zonder de
‘uitzonderingsformule’ naar de geneeskunde toe. Op dit laatste vlak is er
een precedent. In de wet
op de niet-conventionele praktijken, die overigens een afzonderlijke
wet is, wordt ook de ‘uitzonderingsformule’ niet gehanteerd. Daarin
staat: “niet-conventionele praktijk : het gewoonlijk verrichten van
handelingen die tot doel hebben de gezondheidstoestand van een menselijk wezen
te bevorderen en/of te bewaken, met inachtneming van de in deze wet
opgenomen voorschriften en voorwaarden. Als niet-conventionele praktijken
worden bij deze wet beschouwd : - de homeopathie, de chiropraxie, de
osteopathie en de acupunctuur; - de praktijken waarvoor, met toepassing
van § 4, een kamer wordt ingesteld;” Het is nuttig om de memorie van
toelichting en de tekst die
aan de basis lag van het tweede advies van de
Raad van State te lezen. Uit dit laatste lichten we volgende passage:
“Een niet-conventionele praktijk wordt inhoudelijk omschreven als «de
gebruikelijke verrichting (lees : het gewoonlijk verrichten) van
handelingen die tot doel hebben iemands gezondheid te verbeteren en/of
te beschermen». Die omschrijving is
zo ruim, dat ze slaat op handelingen die onder het vigerende recht
beschouwd moeten worden als behorend tot de uitoefening van de geneeskunde,
de tandheelkunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde
of een paramedisch beroep. Het opschrift van het ontwerp bevestigt zulks.
Het gaat met andere woorden om praktijken die eveneens geregeld worden in
het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening
van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de
geneeskundige commissies. Het «niet-conventioneel» karakter van de
praktijken bestaat er dan in, blijkens de definitie van het ontwerp, dat ze
beoefend worden «met inachtneming van de in deze wet opgenomen voorschriften
en voorwaarden». Hieruit moet afgeleid worden dat de beoefenaar van een
van de hiervoor genoemde praktijken de keuze heeft : ofwel stelt hij de
desbetreffende handelingen met inachtneming van de bepalingen van de
ontworpen wet, ofwel houdt hij zich aan de bepalingen van het koninklijk
besluit nr. 78. In het eerste geval beoefent hij een niet-conventionele
praktijk, in het andere geval een conventionele praktijk.“
Is het dan de
bedoeling van de minister om iets soortgelijks uit te bouwen naar de geestelijke
gezondheidszorg toe ? Gaan we naar een soort situatie, dan nog binnen KB78
zelf, zoals we hebben voor de niet-conventionele praktijken, namelijk
handelingen die eigenlijk vallen onder de wet op de geneeskunde maar die
“geestelijke gezondheidszorg” worden op basis van de voorschriften en
voorwaarden bepaald in een afzonderlijk hoofdstuk van dezelfde wet? Tot
hiertoe werden in KB78 beroepen gereglementeerd. Nu zouden dus eerst
soorten praktijk gereglementeerd worden en daaraan dan beroepen gekoppeld.
Betreffende de niet-conventionele praktijken was de definitie misschien wel
overlappend met die van geneeskunde, maar behalve een paar handelingen
van osteopaten liggen de praktijken wel uit elkaar. Betreffende de
geestelijke gezondheidszorg is dat toch wel anders. Wordt de diagnostiek
van een Alzheimer dan geestelijke gezondheidszorg als het een psychiater is
die het doet en geneeskunde als het een neuroloog is ? Zal de ergotherapeut
die een cva patiënt behandelt dan onder Hoofdstuk II vallen als hij de
arm traint en onder hoofdstuk III als hij die patiënt opvangt wanneer deze
begint te huilen omwille van zijn stukgeslagen toekomstplannen ? Er zullen
zoveel nieuwe kunstmatige lijnen getrokken worden. De interne consistentie
van KB78 komt onder grote druk. Waarom het toch allemaal zo onnodig
ingewikkeld maken ? Er
bestaat maar één gezondheid en één gezondheidszorg.
Als Belgen de kampioenen van het
compromis zijn, moet misschien eens onderzocht worden of een denkpiste met
enerzijds het wetsvoorstel Vandenberghe met dan later een regeling van de
psychotherapie als speciale beroepstitel voor gezondheidszorgberoepen en
anderzijds de toevoeging van enkele psychotherapeutisch gerichte kamers
binnen de wetgeving op de niet-conventionele praktijken een oplossing kan
bieden…Groepen die
nu de medici en de universiteiten als hun vijanden beschouwen, kunnen zich
misschien vinden binnen de niet-conventionele praktijken.
Het laatste
woord is hierover nog niet geschreven…..
|