|
Wie steunt er nog het
wetsontwerp Demotte ?
Op 16 maart 2006 was er in de Senaat een discussie
over de stand van zaken op vlak van het wetgevend werk inzake de wettelijke
regeling van de nieuwe gezondheidszorgberoepen en de uitoefening van de
psychotherapie. De afwezige minister Demotte liet weten dat hij vermoedelijk
op 26 april een conferentie zal beleggen waarop alle betrokken verenigingen
en beroepsgroepen hun standpunt kunnen verdedigen. Er werd gesteld dat
vooral over het statuut en de opleiding van de psychotherapeuten de
meningen verdeeld blijven.
Het is inderdaad zo dat er grote
meningsverschillen zijn inzake het statuut en de opleiding van de
psychotherapeuten. In die context is het bedroevend vast te stellen dat een
officieel orgaan zoals de Hoge Gezondheidsraad maandenlang werkt aan een advies
inzake de wettelijke regeling van de psychotherapie en dat de schrijvers
van het wetsontwerp
dit gewoon naast zich neer leggen als een vodje papier.
Maar er is veel meer aan de hand dan een meningsverschil over
de opleiding en het statuut van de psychotherapeuten. Het hele concept van
het wetsontwerp deugt niet. Het ontwerp gaat uit van een cartesiaanse
opsplitsing van ziel en lichaam en dat is een wetenschappelijk
achterhaald concept. Verder leidt het tot enorme overlappingen in de wetgeving
omdat beroepen die reeds wettelijk geregeld zijn, opnieuw wettelijk
geregeld worden binnen een andere soort praktijk. Verder worden er nieuwe
kunstmatige en onwerkbare scheidingslijnen gecreëerd, die de kwaliteit van
de zorgverlening niet bevorderen. Tenslotte is het ook vanuit puur wetgevingsstandpunt
een denkpiste die leidt tot interne inconsistenties in KB78 zelf.
Wat er verder nog allemaal op aan te merken is vanuit het
standpunt van de klinisch psychologen werd in vroegere
artikels reeds besproken. Zie ook het KlinPsy-dossier over het Statuut.
Zoals in vorig
nummer van De Maere te lezen was hebben nu ook de psychoanalysten, die
mee aan de wieg stonden van het wetsvoorstel Mayeur, grotendeels
overgenomen in het wetsontwerp Demotte, hun troepen opgeroepen om petities
te schrijven tegen het ontwerp.
De artsen hielden zich vorig jaar opvallend stil, toch in de
media, hoewel het ontwerp hen minstens zo fel raakte als de psychologen.
Dit jaar hebben ze dan heel duidelijk gemaakt dat ze het helemaal niet zien
zitten met het ontwerp. De brief
die Dr Moens van de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten schreef naar
de voorzitster van de Senaatscommissie sociale zaken laat aan duidelijkheid
niet te wensen over.
Hoewel theoretische bezwaren in te brengen zijn tegen de stelling dat in het ontwerp
geestelijke gezondheid wordt afgesplitst van gezondheid (lijkt eerder dat
geestelijke gezondheidszorg afgesplitst wordt van geneeskunde), is te
merken dat de artsen net zoals de psychologen aanstoot nemen aan de
voorbijgestreefde opsplitsing van ziel en lichaam. Het moet voor huisartsen
die de hele dag door geconfronteerd worden met psychische problemen nogal
hemeltergend overkomen plots te moeten lezen dat ze op dat vlak quantité
négligeable zijn.
Ook de artsen maken terecht de opmerking dat het wetsontwerp
leidt tot inconsistenties binnen KB78. Art2 dat de uitoefening van de
geneeskunde regelt via een negatieve definitie moet onvermijdelijk botsen
met de nieuwe artikels die in hetzelfde KB de geestelijke gezondheidszorg
definiëren.
Hun opmerking dat er een reeks beroepen opnieuw dienen
gedefinieerd te worden sluit aan bij de opmerkingen die de psychologen formuleerden.
Het is voor de psychologen die niet alleen intensief met psychiaters, maar
ook met andere artsen willen samenwerken een goede zaak dat er vanuit het
artsensyndicaat bezwaar gemaakt wordt tegen de regelgeving in artikel
quinquiesdecies-2 die de psycholoog tot psychiatersknecht herleidt.
Terecht merken de artsen ook op dat in het ontwerp ook ethische
kwesties geregeld worden. Dit ligt niet in de lijn van KB78 en wekt
verwondering vermits in de senaat een Wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad
voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen en
tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de
werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen ingediend werd.
De artsen stellen zich de vraag of de bevoegdheidsafbakening
tussen het federale en de gemeenschapsoverheden gerespecteerd wordt door
opleidingsinhouden te bepalen. Men kan verdedigen dat dit juist uit respect
is voor die afbakening. Vermits de federale overheid geen bevoegdheid heeft
inzake de opleidingen moet ze wel de erkenningsvoorwaarden inhoudelijk
bepalen. Dat is ook zo voor de wettelijke regeling van de klinische psychologie;
juist omdat het federale ministerie van volksgezondheid geen bevoegdheid
heeft in de opleiding van psychologen volstond het niet om in het
wetsontwerp te schrijven dat men master in de klinische psychologie moest
zijn. Het gemeenschapsministerie van onderwijs zou immers kunnen beslissen,
om budgettaire of andere reden, om de studieduur te veranderen en dat zou
kunnen als gevolg hebben dat de nodige competentie niet verworven is. In
België zou het kunnen betekenen dat de opleiding in het ene landsgedeelte
een jaar langer duurt dan in het andere landsgedeelte.
Al bij al is duidelijk dat de kritieken van de artsen in grote
mate overlappen met deze van de klinisch psychologen. Wat is het draagvlak
dan nog van het wetsontwerp ? Wellicht wordt de minister nog gesteund door
een aantal therapeutenverenigingen en een reeks opleidingsinstituten.
Deze hebben allemaal grote financiële belangen bij de verkoop van opleidingen
die ze dan liefst zo breed mogelijk toegankelijk maken terwijl ze voor het
werkgebied van de ‘afgestudeerden’ zoveel mogelijk een monopoliepositie
proberen te veroveren. Men zou socialisme toch anders kunnen invullen zoals
bijvoorbeeld betaalbare kwaliteitszorg voor iedereen.
De klinisch psychologen kunnen alleen maar
hopen dat de artsen het compromis-voorstel
van de derde weg grondig willen doornemen. Vanuit de studie van hun
bezwaren op het ontwerp Demotte kan gehoopt worden dat ze dit een beter
voorstel zullen vinden.
|