|
Dienst klinische psychologie
als zorgvloer
Stilaan is overal doorgedrongen,
alvast theoretisch, wat de wereldgezondheidsorganisatie reeds in 1948
verklaarde: ‘Gezondheid is niet alleen de afwezigheid van ziekte of gebrek,
maar is ook een situatie van volledig fysiek, psychisch en sociaal
welbevinden’. Ook is steeds duidelijker geworden en geaccepteerd dat er een
intense interactie is tussen de fysische, de psychische en de sociale
component van gezondheid.
Sedert de jaren zestig van de
vorige eeuw werden er sociaal assistenten voorzien in de algemene
ziekenhuizen. Stilaan kwamen er ook psychologen. In veel gevallen maakten
ze hun intrede via de psychiatrische afdelingen en werd er ook op hen
beroep gedaan vanuit andere entiteiten. De manier waarop hun aanwezigheid
georganiseerd was (of vaak juist niet 'georganiseerd' was) en is kan zeer
verschillend zijn van ziekenhuis tot ziekenhuis. Soms zitten ze verspreid
op verschillende afdelingen, soms zijn ze geïntegreerd in een eigen
psychologische dienst. Enkele jaren geleden was er een evolutie op gang
gekomen naar organisatie binnen een eigen dienst. In die periode verscheen
ook het advies
van de Nationale Raad van Ziekenhuisvoorzieningen over de psychologische
functie. De oprichting van een “psychologische functie” die aan alle
ziekenhuizen zou opgelegd worden in het kader van de algemene
erkenningsnormen van de ziekenhuizen, was baanbrekend. Zoals we in vorig
nummer besproken hebben werd dit advies van de NRZV in grote mate bekrachtigd
door het recente advies
van de Hoge gezondheidsraad.
Maar vandaag is de evolutie niet
eenduidig. Er zijn ziekenhuizen die recent het initiatief namen een eigen
psychologische dienst op te starten met diensthoofd incluis. Er zijn echter
ook ziekenhuizen die een andere weg op gaan. Dat heeft alles te maken met
de herstructureringen die er momenteel overal bezig zijn. Men wil van de
zuilen af en men wil multidisciplinaire zorgvloeren maken. Een paar jaar
geleden was het 'in' om te zeggen dat men de structuren zou 'kantelen'. In
sommige ziekenhuizen is men volop de weg opgegaan van divisies en clusters
en oprichten van eigen kliniekjes… naast elkaar. Op heel wat plaatsen komt
men daarvan terug. Men kan niet tegelijkertijd beweren dat schaalvergroting
van de ziekenhuizen een noodzakelijkheid is en ondertussen in elk
ziekenhuis een lappendeken maken van afzonderlijke koninkrijkjes. Waar men
op de ene plaats aan communicatie wint, verliest men die op een andere
plaats. De ene soort vergadering maakt plaats voor een andere soort
vergadering. Overleg is er hoe dan ook nodig met het geheel. Het toespelen
van financiële verantwoordelijkheid aan de afzonderlijke entiteiten maakt
dat men daar soms zijn 'stuks' personeel gaat opeisen. Het steeds meer
toekennen van personeelsbevoegdheden aan de personen die ook het proces
besturen, heeft soms iets weg van de terugkeer naar de Roi Soleil. Het
zogezegd 'kantelen' leek wat revolutionair en het woord 'multidisciplinair'
verspreidt een parfum van democratie, maar de uitkomst druipt in een aantal
gevallen van de weemoed naar het ancien régime.
We hadden dit gevaar zien
aankomen toen we in 2003 ons artikel schreven 'De dienst klinische
psychologie als ziekenhuisfunctie in het algemeen ziekenhuis'. Er werd toen
gepleit voor een synthese van de goede elementen uit het bestaande systeem
en de goede doelstellingen die men met een herstructurering wilde
nastreven. Het is evident dat het inzicht dat gezondheid bepaald wordt door
fysische, psychische en sociale factoren die dan nog eens met elkaar
interageren, goede communicatie noodzakelijk maakt binnen een multidisciplinaire
setting. En dat is iets waar het 'gekantelde' model goed in is. Maar het is
even waar dat niet elke hulpverlener in alle aspecten van zijn beroep een
specialist is, en dat hij wel eens enkele weken met vakantie gaat en dat
hij soms materiaal nodig heeft die hij niet dagelijks gebruikt en dat hij
nood heeft om zich verder te bekwamen via collega's. En het is ook waar dat
een patiënt langer leeft dan die vijf tot tien dagen dat hij opgenomen is
in het ziekenhuis, en als psychologisch wezen behoefte heeft aan
continuïteit in zijn zorg die ook psychisch en sociaal is. En in de laatst
vermelde aspecten is het nieuwe systeem niet goed.
We willen hier
enkele aspecten van een psychologische dienst toelichten die dreigen stuk
te gaan bij de herstructureringen die op heel wat plaatsen bezig zijn:
- De professionele autonomie. Een
klinisch psycholoog is een academisch gevormd autonoom gezondheidszorger.
Hij heeft zijn eigen ethiek en deontologie. En die is slechts gewaarborgd
als zijn professionele autonomie gewaarborgd is. In die nieuwe structuur
zien we dat klinisch psychologen vaak geïsoleerd aan een bepaald
zorgprogramma toegekend worden. Herhaald krijgen we klachten of
verzuchtingen van mensen die het moeilijk hebben om nog hun deontologie te
respecteren. Wat moeten ze doen: ander werk zoeken of toegeven. Waarover
gaat het? In de deontologische code van de psycholoog staat: " Uit
zorg om de privacy van personen die hij binnen een professionele context
ontmoet en bewust van de noodzaak van de toegankelijkheid van het beroep
voor allen, houdt de psycholoog zich aan absolute geheimhouding van alles
wat hij door en tijdens zijn beroepsactiviteit verneemt. Dit houdt op zijn
minst de naleving in van het verplichte Beroepsgeheim zoals bepaald in
artikel 458 van het Belgische Strafwetboek. " Welnu, er zijn psychologen die niet eens
een eigen dossier mogen aanleggen; alles wat ze noteren kan gelezen worden
door heel de afdeling. Wat moeten die mensen doen ? Veel voor zich houden
en slechts die zaken opschrijven die als gedeeld beroepsgeheim te
verantwoorden zijn. Maar anderzijds heeft de psycholoog ook de plicht om
kwaliteitszorg te leveren en hij is ook slechts een mens die niet alles kan
onthouden… Er zijn psychologen die financieel totaal afhankelijk zijn van
de arts die hen betaalt om patiënten te evalueren en interventies te
attesteren die door deze 'werkgever' worden uitgevoerd. Er zijn psychologen
die van de verpleegkundige die verantwoordelijk is voor het zorgprogramma
opgelegd krijgen welke testen ze moeten afnemen en hoe. Het is uiteraard
niet de bedoeling om hier de artsen en zorgcoördinatoren te beschuldigen of
te beledigen die zich respectvol opstellen tegenover de psychologen. Maar
er zijn uitzonderingen en vooral, de nieuwe structuur maakt dergelijke
situaties mogelijk.
- De opleiding door de eigen
collega's. Een arts die baas wordt van een zorgprogramma heeft minstens vijf jaar specialisatie achter
de rug en heeft zich volop ingewerkt in die specifieke zorgsector. Een
verpleegkundige die pas afgestudeerd is komt steeds terecht in een context
waarin er meerdere verpleegkundigen werken. Binnen dat team kan hij leren
van zijn oudere collega's. Psychologen die pas afgestudeerd zijn komen in
die nieuwe structuur meestal terecht in een positie waarin ze alleen staan
in hun discipline. Ze zullen wel leren van de arts en de verpleegkundige,
maar het is niet via de arts en de verpleegkundige dat ze zich verder
zullen bekwamen in hun eigen discipline. Daarvoor moeten ze een werksetting
hebben waarbinnen ze contacten kunnen hebben met andere en oudere
collega's.
- Het recht van de patiënt op de
hulpverlener met de beste competentie voor zijn probleem. Als we het goed
voor hebben is heel de ziekenhuisreorganisatie toch bedoeld om de kwaliteitszorg
voor de patiënt op te voeren. Een evolutie naar aparte koninkrijkjes met
elk zijn eigen psycholoog staat daar haaks op. Zoals een arts niet in alles
kan gespecialiseerd zijn, kan een psycholoog dat ook niet. Maar als men de
enige psycholoog is van de zorgvloer moet men zijn plan trekken. Als men
alleen op een cardiologische revalidatie staat moet men competent zijn in
de opvang van mensen die een ernstige aandoening hebben, in het evalueren
van de cognitieve vermogens na een hartstilstand, in de
beroepsheroriëntatie, in de behandeling van stress- en
hyperventilatieklachten, in de aanpak van seksuele problemen, in het
begeleiden van een rookstop, in de diagnostiek en aanpak van het hele gamma
van mensen die ook een hartaandoening kunnen krijgen. Er zijn natuurlijk
wel superpsychologen, maar de meeste zijn toch niet in al die zaken
gespecialiseerd.
- De continuïteit in de
individuele zorg. Ziekenhuisopnames worden steeds korter; heel dikwijls is
dat minder dan 10 dagen. Maar mensen komen dikwijls herhaalde keren in
aanraking met het ziekenhuis; vandaag voor een gebroken been, de volgende
keer voor een leverpathologie, dan weer voor alcoholisme, dan voor een
relatieprobleem. Als al die psychologen honkvast verbonden zitten aan een
bepaalde zorgvloer, dan kunnen de patiënten iedere keer weer herbeginnen
met hun, uiteraard zelfde, verhaal. Er zijn zelfs plaatsen waar men
verschillende psychologen heeft binnen eenzelfde zorgvloer, maar op andere
afdelingen, en waar de patiënt zijn verhaal drie keer mag doen.
- Continuïteit in het zorgaanbod.
Psychologen zijn ook mensen die op vakantie gaan, die kinderen krijgen (de
meeste psychologen zijn vrouwen), enz. Als men als enige psycholoog
verbonden is aan een bepaalde zorgvloer, dan is er gewoonweg gedurende
weken soms geen psycholoog beschikbaar.
Om deze redenen hebben we reeds
in 2003 gepleit voor een model dat een oplossing bood voor de zojuist
vermelde bezorgdheden, in combinatie met goede communicatie en multidisciplinariteit.
We hebben dat toen een 'Dienst klinische psychologie als ziekenhuisfunctie'
genoemd. Het model kan men hier
nog even nalezen. Het ligt overigens volledig in de lijn van de voorstellen
van de NRZV en de Hoge Gezondheidsraad. We blijven daarbij. Maar in het
huidig jargon van de herstructurering zouden we willen spreken over de
'Dienst klinische psychologie als zorgvloer' van waaruit er
liaisonpsychologische zorg wordt geboden aan de verschillende andere
zorgprogramma's naast de eigen zorg die er, meestal poliklinisch, geboden
wordt. Deze manier van kijken naar de problematiek kan een denkkader bieden
voor een goed alternatief wanneer men de psychologen al te simplistisch wil
opsplitsen over de verschillende zorgprogramma's om er te functioneren
onder een arts en een verpleegkundige, die vaak de leiding krijgt van het
niet-medisch personeel.
Het is evident dat de psychologen
sterker zouden gestaan hebben indien het wetsontwerp Aelvoet-Tavernier niet
gekelderd was in 2003. De psychologengroep die dat gedaan heeft draagt dan
ook een verpletterende verantwoordelijkheid.
|