BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
5
- 10 - 2006
DO 2005200606769
Vraag nr. 881 van de heer
Guido Tastenhoye van 9 januari 2006 (N.) aan de vice-eerste minister en
minister van Justitie :
Helpen verbergen en
steunen van illegalen.
In het dagblad De Standaard van 2 januari 2006 zegt een juriste
dat het niet verboden is om illegalen te helpen door ze te verbergen en ze
steun te verlenen, want, zo stelt ze, «als dat een daad van menslievendheid is,
kan niemand die mensen strafrechtelijk iets aanwrijven».
Bij mijn weten overtreedt een
illegaal die op ons grondgebied verblijft onze immigratiewetten, en meer
bepaald de zogenaamde vreemdelingenwet, wet van 1980 op de toegang tot ons
grondgebied, zodat het hier gaat om het plegen van een misdrijf.
1. Heeft de geciteerde juriste het
bij het rechte eind als ze stelt dat het verlenen van hand- en spandiensten
door privé-personen aan illegalen geen misdrijf is en dus niet strafrechtelijk
te vervolgen is omdat het zou gaan om een daad van menslievendheid?
2. Hoe moeten in het bijzonder
ambtenaren optreden als ze weet hebben van de aanwezigheid van illegale
personen op ons grondgebied?
Antwoord van de
vice-eerste minister en minister van Justitie van 5 oktober 2006, op de vraag
nr. 881 van de heer Guido Tastenhoye van 9 januari 2006 (N.) :
1. Op 2 september 2005 werd in het Belgisch Staatsblad de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers gepubliceerd. Via deze wet werd het artikel 77 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen («Vreemdelingenwet») aangepast aan de Europese en andere internationale rechtsinstrumenten. Dit artikel heeft betrekking op de hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf. Dit artikel maakt principieel de bestraffing mogelijk van een persoon die wetens en willens een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie helpt of bijstaat bij illegale binnenkomst, illegale doortocht of illegaal verblijf. Er wordt wel een uitzondering voorzien indien deze hulp of bijstand uit «voornamelijk humanitaire overwegingen» verleend wordt, maar het is de procureur des konings die beoordeelt of de uitzondering van tel is, dan wel of het gaat om een misdrijf.
Dit begrip moet ruim opgevat worden
en alle niet-economische en niet-criminologische doelstellingen omvatten.
2. Het illegaal verblijf van een
vreemdeling in België is een misdrijf, strafbaar met een gevangenisstraf van maximaal drie maanden
(artikel 75 Vreemdelingenwet).
Artikel 29 van het
Wetboek van Strafvordering voorziet in het algemeen in een meldingsplicht
voor ambtenaren die in de uitoefening van zijn ambt kennis heeft van een misdrijf:
« Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de
uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf,
is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij
de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd
of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle
desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. »
Met betrekking tot het misdrijf van
illegaal verblijf, wordt dit verder toegelicht in artikel 81 van de Vreemdelingenwet
van 15 december 1980. Het eerste lid somt de ambtenaren op die het misdrijf van
illegaal verblijf kunnen opsporen en vaststellen. Het tweede lid van dit artikel
verwijst naar de meldingsplicht van het wetboek strafvordering: «Zij verzamelen
de bewijzen van deze misdrijven en leveren de daders ervan over aan de
rechterlijke overheden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van
Strafvordering.»
De meldingsplicht heeft als doel
een mogelijke vervolging door de parketten mogelijk te maken. Er dient echter
vastgesteld te worden dat het «misdrijf» van illegaal verblijf in de praktijk
zelden tot nooit als dusdanig vervolgd wordt (temeer dat de betrokkenen per definitie
het grondgebied dienen te verlaten en mogelijk gerepatrieerd worden, zodat
iedere strafrechtelijke vervolging in België onmogelijk wordt). Artikel 29 van
het Wetboek van Strafvordering verliest in dit verband dan ook veel van zijn
belang.
Overigens kan de principiële
aangifteverplichting van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering hoe dan
ook niet afgedwongen worden: de wet voorziet in geen enkele sanctie in geval
van schending van deze verplichting.
Bepaalde ambtenaren moeten soms op
hetzelfde moment voldoen aan het beroepsgeheim zoals bijvoorbeeld sociaal
assistenten en psychologen. Ze zijn dus onderworpen aan twee tegengestelde
wetteksten. Aan de ene kant artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering of Sv
(zie hierboven) en aan de andere kant artikel 458 van het Strafwetboek
(Sw) die geheimhouding verplicht ten aanzien van feiten die ze in hun
hoedanigheid te weten zijn gekomen.
De rechtsleer is verdeeld over
welke artikel primeert ten opzichte van het andere.
Sommigen laten artikel 29 Sv
primeren ten opzichte van artikel 458 Sw. Voor hen kan de strijd tegen de
georganiseerde criminaliteit een beperking inhouden van het beroepsgeheim.
Anderen laten artikel 458 Sw
primeren ten aanzien van artikel 29 Sv. Hierbij houden ze rekening met de
volgende elementen.
Ten eerste hebben de twee normen
dezelfde hiërarchische rang. Ze zijn alle twee wetten en hebben betrekking op
verschillende categorieën van personen. Het probleem is er als een persoon
behoort tot beide categorieën.
Ten tweede is, op het chronologisch
niveau artikel 29 Sv ouder dan artikel 458 Sw. Vroeger werd de meldingsplicht
als een uitzondering gezien op het beroepsgeheim. Door de invoering van artikel
458 Sw werd dit niet weerhouden.
Deze verschillende elementen geven
aan dat het beroepsgeheim primeert op de meldingsplicht in de gevallen waar de
ambtenaar tussen komt als dokter, psycholoog of sociaal werker. Dit werd bevestigd door een arrest van 29 mei 1986 van
het Hof van Cassatie: «In de onderstelling dat, door een verkeerde toepassing van
artikel 29 Wetboek van Strafvordering, tuchtoverheden, onder meer die van de
Orde van Geneesheren, aan het openbaar ministerie bericht geven van misdaden of
wanbedrijven waarvan zij kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun ambt,
zou die aangifte alleen tot gevolg hebben dat het openbaar ministerie gedwongen
wordt een geheim te delen waarvan het in geen geval gewag mag maken bij de
strafvervolging, die immers, nu zij op schending van een regel van openbare
orde zou zijn gegrond, nietig zou zijn.»
In deze context kan men
bijvoorbeeld verwijzen naar artikel 36 van de OCMW-wet van 8 juli
1976 die een soort van beroepsgeheim bevat voor OCMW-medewerkers.
OCMW-medewerkers zijn principieel
verbonden aan het beroepsgeheim van artikel 458 Sw. Indien zij echter kennis
hebben van een wanbedrijf, zoals het illegaal verblijf van een vreemdeling,
geldt de zwijgplicht van artikel 458 Sw niet langer, aangezien er een wettelijke
bepaling bestaat (namelijk artikel 29 Sv) die hen verplicht die geheimen bekend
te maken.
Dit wil echter niet zeggen dat
artikel 29 Sv voor hen volle uitwerking krijgt. Het bestaan van deze wettelijke
bepaling die verplicht om bepaalde informatie bekend te maken, houdt voor
personen die principieel gebonden zijn door het beroepsgeheim enkel in dat hun
zwijgplicht verandert in een zwijgrecht (= spreekrecht), niet in een
spreekplicht.
Dit blijkt uit een arrest van het
Hof van Cassatie van 23 september 1986: «Een getuige die geroepen is om in rechte
getuigenis af te leggen over feiten die door het beroepsgeheim gedekt zijn, mag
die feiten bekend maken, indien hij oordeelt zulks te moeten doen. Hij kan niet
tot spreken gedwongen worden indien hij meent het beroepsgeheim te moeten
bewaren. Hij beoordeelt zelf de opportuniteit van zijn beslissing, zelfs indien
hij van zijn beroepsgeheim ontslagen wordt.»
Aangezien voor getuigen geroepen in
rechte eveneens een principiële spreekplicht geldt («de gehele waarheid en
niets dan de waarheid», zie artikel 75 Sv), kunnen deze vaststellingen van het
Hof van Cassatie in verband met het beroepsgeheim naar analogie uitgebreid worden
op het geval van artikel 29 Sv.
De omstandigheid dat illegale
vreemdelingen voor dringende medische hulp een beroep kunnen doen op het OCMW,
is een bijkomend argument om in dit geval het beroepsgeheim te laten primeren
op de aangifteverplichting van artikel 29 Sv. Uit de opsomming van artikel 458
Sw blijkt immers dat het beroepsgeheim bij uitstek geldt in verband met
medische aangelegenheden. Dit wordt verder toegelicht in een arrest van het Hof
van Cassatie van 23 juni 1958: «De verplichting (Desgevallend: het recht) tot
geheimhouding berust op de noodzaak het volste veiligheidsgevoel te verzekeren
aan degenen die zich aan een geneesheer moeten toevertrouwen, en aldus elke
patiënt de zorgen te verzekeren die zijn gezondheidstoestand vereist, welke de
oorzaak ervan ook zij.» Deze bekommernis, om aan elke patiënt de nodige zorgen
te verzekeren, betekent dat eveneens het recht op terugbetaling door het OCMW
door het beroepsgeheim gevrijwaard moet worden.