Hoorzitting in de Commissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke Hernieuwing

19 maart 2003

Dhr Patrick De Meulemeester, Nederlandstalige co-voorzitter van de expertenwerkgroep klinische psychologie.

 

 

 

Hooggeachte Dames en Heren Volksvertegenwoordigers,

Geachte collega’s - beoefenaars en opleidingsverantwoordelijken van gezondheidszorgberoepen,

 

 

Ik spreek hier vandaag vanuit mijn ervaring als Nederlandstalige co-voorzitter van de expertenwerkgroep klinische psy­chologie. Deze werkgroep is representatief gevormd in de - u wellicht bekende - 3 x 7 samen­stel­ling: 7 vertegenwoordigers van de betrokken Belgische universitaire faculteiten, 7 vertegenwoor­digers van de Nederlandstalige verenigingen van clinici, en 7 van de Franstalige klinische verenigingen. De werkgroep presenteerde u in juni vorig jaar de consensusnota m.b.t. de uit­oefening van de klinische psychologie.

Ik ben klinisch psycholoog  met meer dan 15 jaar werkervaring in zowel de ambulante geestelijke gezondheids­zorg als in het algemene ziekenhuis: op de psychiatrische dienst én op somatische afdelingen. Ik ben ook psy­cho­therapeut, volgde de post­graduate opleiding gedragstherapie in Vlaanderen en ook het volledige opleidings­traject bij de Nederlandse Vereniging voor Groepspyschotherapie in een groepsdynamisch-analytisch kader.

Sinds 1999 verricht ik beleidswerk in het ziekenhuis. Ik volgde daarvoor de gespecialiseerde academische studie in Beleid en Management van Gezondheidszorg aan de K.U.Leuven. Op dit ogenblik ben ik algemeen coördinator – directeur van de ziekenhuisassociatie Kinderpsychiatrisch Centrum Genk, een psychiatrische zieken­huisentiteit op de campus van een algemeen ziekenhuis. Ik ben dus vertrouwd met verschillende werk­settings vanuit verschillende perspectieven.

 

In mijn betoog behandel ik de volgende drie punten:

1°) argumenten voor een wettelijke regeling van de klinische psychologie

2°) een evaluatie van het wetsontwerp betreffende de uitoefening van de klinische psychologie, klinische orthopedagogie en klinische seksuologie (2222/001) met de resp. amendementen (2222/002)

3°) een evaluatie van het wetsontwerp betreffende de uitoefening van de psychotherapie (2224/001)

 

 

1  Argumenten voor een wettelijke regeling

 

1.1  De klinische psychologie is een moeilijk en complex vak waarvan de uitoefening de nodige verantwoorde­lijkheid vraagt en eisen stelt. Een kwalitatieve vorming dient aan de basis van dit beroep te liggen. Universitaire faculteiten leiden reeds decennia klinisch psychologen op. Bijscholing en het volgen van recente literatuur blijft een continue opdracht voor elke klinisch psycho­loog.

De kwaliteit en deontologie dienen goed bewaakt te worden. De meldingen bij de deontologische commissie van de BFP-FBP getuigen van de mogelijke problemen op het terrein. Klinisch psychologen zijn erg bezorgd om deontologische problemen en zijn bereid hun plichten hieromtrent op te nemen. Een wettelijk kader, bij voorkeur met uitgewerkte deontologische regels, zal patiënten meer rechtszekerheid kunnen bieden.

 

1.2  De klinische psychologie is een gerespecteerd en gewaardeerd beroep dat sterk vertegenwoordigd is in de huidige gezond­heidszorg, zij het met grote plaatselijke verschillen. Wanneer psychologen nu zouden stoppen actief te zijn in de gezondheidszorg zou menig zorgsysteem niet meer functioneren. Regelgeving en een statuut zijn noodzakelijk, niet alleen als garantie voor kwalitatieve zorg voor de patiënt, maar ook als waarborg voor de toegankelijkheid van deze vorm van hulp.

Zonder wettelijk statuut riskeert onze discipline de connotatie op te roepen “niet ernstig, want niet erkend”. Net deze patiënten voor wie de zorg dient aangevuld te worden met een psychologisch perspectief hebben de onder­steunende connotatie van erkend beroep nodig om deze benadering te kunnen aanvaarden.

De toegankelijkheid is verder beperkt doordat de vraag duidelijk het aanbod overschrijdt, maar meest opvallend zijn de grote plaatselijke verschillen. Ondanks erkenningsnormen en de opname van de klinisch psycholoog in multidisciplinaire equipes is er op menige werkplek nog steeds geen aanbod op dit gebied. Er zijn ziekenhuizen met 10 tot 20 actieve psychologen, er zijn ook ziekenhuizen zonder psycholoog. Ambulante consultatiemoge­lijkheden blijven ondermaats. Het zijn juist de sociaal zwakste patiënten die minder goed hun weg vinden in het aanbod van gezondheidszorg en bij toegankelijkheidsproblemen kwetsbaar zijn in het vinden van de meest gepas­te verstrekker.

 

1.3. De wettelijke regeling is ook van belang voor de klinisch psycholoog zelf. In een gezondheidszorg waarin de juridische aspecten steeds meer op de voorgrond treden, is het ook maar billijk dat klinisch psychologen die met ethische en weten­schappelijke nauwgezetheid hun beroep uitoefenen ook legaal in orde zijn.

 

1.4  De klinisch psychologen zijn een beroepsgroep met een goed ontwikkelde beroepsidentiteit. Psychologen werkzaam in de gezondheidszorg voelen zich “klinisch psycholoog”. Psychologen zijn ook professioneel geor­ganiseerd en vertegenwoordigd in een overkoepelende federatie. Deze federatie bestaat reeds 23 jaar en is een aanspreekpunt voor de sector en voor derden. Zij wordt op Europees niveau als dusdanig erkend: er is een inten­se samenwerking met de Europese Federatie, de EFPA.

Het bestaan van een representatieve organisatie en een eenvormige beroepsidentiteit waarborgen bijgevolg dat een wettelijke regeling geen dode letter blijft.

 

 

 

2. Evaluatie van het wetsontwerp betreffende de uitoefening van de klinische psychologie, klinische orthopedagogie en klinische seksuologie (2222/001) met de resp. amendementen (2222/002)

Dit wetsontwerp wordt duidelijk gesteund door de Nederlandstalige klinisch psychologen en door een meer­der­heid van de Franstalige. De gelijktijdige regeling van de klinische seksuologie en de klinische orthopedagogiek wordt gezien als een goede zaak.

Sommige Franstalige collega’s bleven in het wetsontwerp onvoldoende garanties vinden voor een evenwichtige samenwer­kingsrelatie met de arts. Er was een duidelijke consensus over de wijze waarop de klinisch psycho­loog autonoom functioneert op zijn eigen domein en de manier waarop hij horizontaal samenwerkt met de ande­re disciplines in wederzijds respect voor ieders competentie. Dit werd ook gezamenlijk beschreven in de con­sensusnota van 20 juni 2002. In de evaluatie na de zomer over de mate waarin het wetsontwerp hiervoor de no­dige garanties bood, bleven verschillende meningen bestaan.

Aan de grond van deze verschillen in interpretatie ligt ongetwijfeld een verschillende professionele context. Ik kan de bezorgd­heid begrijpen van deze collega’s die werken in een gezondheidszorgpraktijk waar het medisch-technische overheerst of waar de integratie van psychosociale en biologische aspecten afwezig is. Men vreest dat het inschrijven van de klinische psychologie in hoofdstuk 1 van K.B. nr. 78 de klinische psychologie op­neemt in het ‘medische kamp’. Nogal wat van deze afwijzende psychologen werken in de ambulante geestelijke gezondheidszorg waar de moeizaam verlopende samenwerking met andere actoren van de gezondheidszorg reeds decennia lang één van de knelpunten blijft. Zij zien minder het belang van een vermel­ding van de klinische psychologie in het eerste hoofdstuk, omdat zij ervan uitgaan met iets anders bezig te zijn.

Men heeft een uitweg gezocht in het creëren van een apart hoofdstuk voor de psychosociale beroepen, onder­scheiden  van de medische beroepen. Tegen de achtergrond van een definitie van gezondheid als bio-psycho-sociaal bepaald (zoals de Wereld­gezondheidsorganisatie aanhoudt), is dit wetenschappelijk achterhaald. Meer nog, deze splitsing is destructief voor de patiënt omdat ze lijkt terug te gaan op een Cartesiaans dualisme tussen psyche en soma. Terwijl toch vast staat dat elk psychisch lijden een somatische uiting kent en elke somatische ziekte psychische aspecten. Ondertussen is bekend dat de keuze van de hulpverlener door de patiënt dikwijls wordt bepaald door de beleving van diens lijden of ziekte en door de definiëring ervan door de patiënt of zijn omgeving.

Patiënten zijn gebaat met een gezondheidszorg die de biologische, psychische en sociale aspecten zo veel mogelijk integreert, hetzij in de praktijk van elke individuele beoefenaar, hetzij door samenwerking tussen verschillende beoefenaars, gelijktijdig dan wel opeenvolgend. Gezondheidszorgstructuren dienen deze integra­tie zoveel mogelijk te bevorderen. Door het onder­scheid tussen medische en psychosociale beroepen wettelijk te verankeren, creëert men een structureel schot. Dit is net het tegenovergestelde van wat wordt beoogd.

Er zijn ongetwijfeld gevallen waarin een autonome uitoefening van de klinische psychologie bemoeilijkt wordt. Zoals ik reeds aanhaalde zijn de plaatselijke verschillen in aanwezigheid en in integratie van de klinisch psycho­loog in de bestaande zorg groot, te groot ... Wij ontvingen evenwel ook zeer veel reacties van psychologen die getuigen van een vlotte en constructieve samenwerking met de andere disciplines in functie van de noden van de patiënt, tot tevredenheid van alle partijen. De collega’s die reageren tegen een niet-geïntegreerde gezondheids­zorg zijn net diegenen die het meest gebaat zullen zijn met regelgeving die de integratie bevordert: zij zullen er zich door ondersteund weten.

De eerste twee voorgestelde amendementen (2222/02) waarin een apart hoofdstuk wordt gecreëerd om het onderscheid te maken tussen medische en psychosociale beroepen, zijn bijgevolg absoluut te vermijden.

Amendement nr. 3 is terecht. De zinnen ‘onverminderd de bevoegdheid van de in artikel 2 §1 bedoelde beoefe­naars van de geneeskunde’ en ‘zonder afbreuk te doen aan het begrip geneeskunst’ zijn in feite overbodig. Even overbodig zijn evenwel de toevoegingen vermeld in amendement nr. 4. Het toevoegen van de zinnen in beide aangehaalde amendementen is geïnspireerd vanuit de vrees voor betwisting van bevoegdheden van de ene be­roepsgroep door een andere. Bevoegdheidsconflicten zijn de gezondheidszorg niet vreemd. Men valt hier ge­woon terug op de negatieve definiëringen van bevoegdheden in KB nr. 78 in plaats van te blijven bij een positie­ve definiëring zoals de memorie van toelichting vermeldt. Er zijn wellicht betere mogelijk­heden te vinden om multidisciplinaire samenwerking tussen beroepsgroepen in de gezondheidszorg te garanderen.

Amendement nr. 5 van 2222/002 komt tegemoet aan het belang waarop reeds eerder gewezen werd, nl. van een alerte bewaking van de vereiste deontologie.

 

3. Evaluatie van het wetsontwerp (2224) m.b.t. de uitoefening van de psychotherapie

 

Met betrekking tot de uitoefening van de psychotherapie wil ik eerst verwijzen naar de consensusnota die psy­chotherapie beschrijft als één van de diverse activiteiten/methodieken van de klinisch psycholoog. Het is voor psychologen een evidentie dat ook andere beroepen psychotherapeutische methoden aanwenden.

De vraag rijst in welke mate psychotherapie als een apart beroep kan worden beschouwd. Er zijn alleszins wei­nig aanwijzingen voor een duidelijke gevestigde beroepsidentiteit: organisatie ontbreekt en er zijn geen duide­lijke aanspreekpunten. Het is een zeer verscheiden veld van beroepen of groepen die psychotherapeutische me­thoden hanteren.

Personen die zijn opgeleid in de psychotherapie stellen zich doorgaans voor door zowel hun basisopleiding als hun psycho­therapeutische specialisatie te benoemen: maatschappelijk werker - psychotherapeut, psychiater - psychotherapeut, …. In plaats van de psychotherapie voor te stellen als een gezondheidszorgberoep had men overeenstemmend kunnen denken aan het voorzien van de mogelijkheid om ‘psychotherapeut’ als bijzondere beroepstitel toe te kennen naast een andere titel.

Heel wat psychologen hebben hun bezorgdheid geuit over de kwaliteitseisen van de opleiding tot psychothe­ra­peut. Zij lijken minimaal. Adequate toetsingscriteria moeten nog worden uitgewerkt. Ik verwijs daarbij graag naar het standpunt van de VVKP dat deze ochtend uitgebreid weergegeven werd door collega Karel Mampuys.

De amendementen betreffende dit ontwerp (2224/003) zijn gelijklopend aan deze van het eerder besproken ontwerp (2222/002). Wij weerhouden bijgevolg een volkomen gelijklopende evaluatie.

 

 

 

Besluit

 

Hooggeachte dames en heren Volksvertegenwoordigers,

geachte collega’s – beoefenaars of opleidingsverantwoordelijke van een gezondheidszorgberoep,

 

De knelpunten die door sommige sprekers in de loop van deze dag werden aangehaald, zijn voor ons juist een argument voor een wettelijke regeling. Met vele psychologen ben ik ervan overtuigd dat een wettelijke regeling van de klinische psychologie, de klinische seksuologie en de klinische orthopedagogiek zal bijdragen tot een humane kwalitatieve gezondheidszorg en tot een toegevoegde waarde aan de aanzienlijke financiële inspannin­gen die onze samenleving zich inzake gezondheid getroost.

 

 

 

Patrick De Meulemeester

klinisch psycholoog – psychotherapeut

 

patrick.de.meulemeester@pandora.be

 

 

 

Terug naar KlinPsy-dossier Statuut