BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
COMMISSIE VOOR DE SOCIALE ZAKEN
dinsdag 8-11-2005 namiddag
Samengevoegde vragen van
- mevrouw Greta D'hondt aan de
minister van Werk over "het medisch toezicht op stagiairs" (nr. 8679)
- de heer Guy Hove aan de minister
van Werk over "de bescherming van de stagiairs" (nr. 8761)
Greta D'hondt (CD&V): Mijnheer de minister, ik
kan een deel van mijn vraag al overslaan omdat ondertussen het KB wel al in het
Belgisch Staatsblad verschenen is. Een eerste reeks van vragen over of ik het
wel goed had gelezen in en begrepen uit de pers en vaktijdschriften kan ik dus
overslaan. Het gaat dus inderdaad over dat KB van 30 september dat in het
Belgische Staatsblad van begin oktober gepubliceerd is. Naast wat ik kan lezen dat
erin staat en dat een goede verbetering is, meen ik toch te moeten vaststellen,
mijnheer de minister, dat in het KB – in mijn vraag zei ik zou staan maar na
lezing staat het er ook niet in – drie dingen nog niet in staan, namelijk ten
eerste, dat er een derdebetalersysteem zou komen waarbij het Fonds voor
Beroepsziekten de kosten van het medisch onderzoek door de school zou betalen,
ten tweede, dat de verplichting zou wegvallen om altijd een medisch onderzoek
te doen voor –18-jarigen en ten derde, dat ook het verplicht medisch onderzoek
voor beeldschermwerk zou worden afgeschaft. Ik vraag dus of het inderdaad zo
zou zijn dat daar nog nieuwe bepalingen bijkomen.
Er is echter nog een aantal
knelpunten in deze regeling voor medisch toezicht voor stagiairs, mijnheer de
minister. Ik heb ze in mijn vraag opgesomd en ik overloop ze hier even. Het
zijn er een zestal.
Ten eerste, de arbeidsgeneesheren
van de scholen – dat is toch een bekommernis – kunnen niet altijd de omstandigheden
op de stageplaatsen goed inschatten. Zij zijn ook niet aangesteld om op de
arbeidsplaats arbeidsgeneesheer te zijn maar wel op de school. Zou men terzake
niet beter kunnen veralgemenen en bepalen dat de preventiedienst van de
werkgever deze zaken zou uitvoeren?
Ten tweede, bestaat niet het risico
dat externe diensten die nu voor die stagiairs aan gereduceerde tarieven moeten
werken misschien ook gereduceerde diensten zullen leveren. Hebt u garanties dat
dit niet zal gebeuren?
Ten derde, de aanvullende
onderzoeken, ook in dit nieuwe KB, blijven nog altijd ten laste van de
werkgever waar de stagiair te werk gesteld wordt.
Ten vierde, mijns inziens is er nog
altijd geen regeling voor arbeidsplaatsen waarvoor periodieke onderzoeken
moeten gebeuren. Wij hebben die wel voor de onderzoeken bij aanwerving, de
jaarlijkse onderzoeken en dergelijke maar niet voor de periodieke onderzoeken.
Ten vijfde, er is de toch nogal
aberrante regeling voor eenmanszaken. Iemand van de school moet dus een
risico-evaluatie ter plekke gaan doen in een eenmanszaak. Vragen rijzen over de
kostenbaten terzake.
Ten zesde, nog geen van de
aangekondigde regelingen – maar die dus ondertussen verschenen zijn en per
omzendbrief werden uitgevoerd – zijn reeds in het Belgisch Staatsblad
verschenen. Dat is ondertussen dus al wel gebeurd.
Mijnheer de minister, heb ik het wat
de vijf eerste punten betreft bij het rechte eind of deelt u mijn mening niet
dat het nog knelpunten zijn, die moeten worden opgelost. De twee andere punten
zijn nog niet opgenomen in het KB, maar moeten wel op wetgevend vlak geregeld
worden.
Guy Hove (VLD): Mijnheer de minister, mijn
vraag sluit nauw aan bij die van mevrouw D’hondt. Het betreft een nogal onwaarschijnlijk
vervolgverhaal wanneer we rekening houden met de vele opeenvolgende wetgevingen
die aan het onderwerp werden gewijd. Men kan er niet omheen dat heel wat
onduidelijkheid bestaat over de bescherming van stagiairs, meer in het
bijzonder inzake medisch toezicht.
In het KB van 30 september 2005,
waarnaar mevrouw D’hondt verwezen heeft, wordt de regelgeving met betrekking
tot de bescherming van de stagiairs grondig aangepast. Vroeger volstond het dat
stagiairs werden onderzocht door de schoolarts. Het KB van 21 september 2004
heeft aan die regeling reeds een wijziging aangebracht. Volgens dat KB was
alleen de arbeidsgeneesheer bevoegd om stagiairs te onderzoeken. De kosten van
het onderzoek vielen ten laste van de werkgever. Het is de werkgever bij wie de
stagiair voor het eerst wordt tewerkgesteld, die de kosten op zich diende te nemen.
De volgende werkgevers zijn in principe vrijgesteld van die kosten. Indien de
stagiair aan een ander risico wordt blootgesteld, moet er wel een nieuw
geneeskundig onderzoek volgen. Vraag is wie bepaalt wanneer en of het ander een
risico is.
Dat KB werd opnieuw gewijzigd. In
het meest recente KB staat dat de stagiairs moeten langsgaan bij de
geneeskundige dienst van de school en de werkgever waar de stagiair zijn eerste
stage loopt waarvoor een onderzoek is vereist, zal een factuur ontvangen van de
geneeskundige dienst om een derde van de kostprijs te betalen, momenteel
ongeveer 33 euro.
Dat KB is op 1 september 2005 in
werking getreden. Het is niet denkbeeldig dat het in de praktijk zeer moeilijk
zal worden om stagiairs te vinden die nog geen stage hebben gedaan. Vele werkgevers
zullen immers de voorkeur geven aan stagiairs die reeds op een andere plaats
stage hebben gelopen, zodat ze de kostprijs van het medisch onderzoek kunnen
ontlopen. Bovendien blijkt dat de organisatie in de praktijk niet altijd
efficiënt verloopt. Bepaalde bedrijfsgeneeskundige diensten van scholen worden
met wachtlijsten geconfronteerd. Soms kan de stagiair pas na drie maanden stage
onderzocht worden.
Mijnheer de minister, graag verneem
ik of de regeling die thans is uitgewerkt in het meest recente KB, de
definitieve regeling?
Ten tweede, hoe zullen de
bedrijfsgeneeskundige diensten van de scholen een en ander precies moeten
factureren?
Ten derde, waarom wordt geen
regeling uitgewerkt waarbij de scholen op het einde van het jaar de factuur
opsturen naar alle werkgevers.
Ten slotte, mijnheer de minister, ik
dring aan op een duidelijke regeling. Studenten lopen stage. Denk maar aan de
sector van de ziekenhuizen en rusthuizen. Zij vragen voor eens en voor altijd
een duidelijke regeling in de materie.
Minister Peter Vanvelthoven: Zoals
u ondertussen hebt kunnen vaststellen werd het KB door de Koning ondertekend en
op 13 oktober gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Ik wil eerst opmerken
dat het, behoudens een tijdelijke noodmaatregel in het schooljaar 2003-2004,
nooit volstaan heeft dat de schoolarts het medisch onderzoek van stagairs deed.
Het was altijd een arbeidsgeneesheer die de onderzoeken diende te verrichten.
Wat de grond van de zaak betreft kan
ik het volgende zeggen. Het is inderdaad zo dat de problemen rond het medisch
toezicht van stagiairs reeds enkele jaren ‘out of control’ waren. De verwarring
leidde in vele gevallen tot de weigering van werkgevers om nog stageplaatsen
aan te bieden, of tot het dreigen daarmee. Het gevolg is dan inderdaad dat jongeren
geen werkervaring kunnen opdoen en meteen hun toekomstige
werkgelegenheidskansen zien verminderen.
Het KB van vorig jaar, dat langdurig
paritair werd onderhandeld in de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming, voorzag
in een aanzienlijke reductie van het aantal onderzoeken en van de kostprijs.
Dat bleek, paradoxaal genoeg, olie op het vuur te zijn. Een aantal werkgevers
dacht, zeer ten onrechte, dat zij met een reeks nieuwe verplichtingen werden
geconfronteerd, terwijl het een duidelijke vermindering was van de tot dan toe
niet steeds correct nageleefde verplichtingen.
De oplossing die we nu aanbieden
houdt een inspanning in van de arbeidsgeneeskunde, van de
onderwijsinstellingen, van de werkgevers en van de overheid. Ze houdt het
volgende in. De werkgevers moeten het medisch onderzoek niet meer zelf
organiseren, maar mogen het voortaan toevertrouwen aan de arbeidsgeneesheer van
de onderwijsinstelling. Het vraagt weinig verbeelding om te concluderen dat dit
de meest voorkomende praktijk zal worden, behalve in een aantal grote bedrijven
waar elke dag een arbeidsgeneesheer aanwezig is. In dat geval is de kostprijs
gereduceerd tot een derde van het normale tarief voor een onderworpen
werknemer, zijnde een goede 33 euro.
De werkgever moet evenwel die 33
euro niet betalen De federale overheid heeft middelen vrijgemaakt die moeten volstaan
om, als derde betalende, die kosten voortaan op zich te nemen.
De arbeidsgeneeskundige prestaties
die via de onderwijsinstellingen worden uitgevoerd worden rechtstreeks gefactureerd
aan het Fonds voor Beroepsziekten, dat voor de betaling instaat. De betaling
gebeurt dus rechtstreeks aan de, meestal externe, preventiedienst van de
school.
De betrokken externe
preventiediensten werken zeer loyaal mee aan deze oplossing en voeren ze sedert
begin dit schooljaar reeds uit. Let wel: de aanvullende onderzoeken zoals een
bijzonder bloedonderzoek of röntgenopnamen van de longen blijven wel nog steeds
ten laste van de werkgever.
Er komt ook een wijziging in wie er
moet onderzocht worden, en wanneer. In het KB van september 2004 staat dat alle
–12-jarigen moeten worden onderzocht, om het even of ze een risico lopen of
niet. Daarnaast moeten alle oudere stagairs worden onderzocht indien de
risicoanalyse uitwijst dat dit nodig is. De stagiairs moeten enkel worden onderzocht voor de aanvang van de stage. Dat
zullen we veranderen. Min-18-jarigen die geen enkel risico lopen moeten
voortaan niet meer worden onderzocht
indien zij door de schoolarts zijn onderzocht. Een arbeidsgeneeskundig onderzoek
heeft daar geen toegevoegde waarde meer.
Indertijd, toen de schoolplicht nog
niet tot 18 jaar was, had dat wel zin.
Ook zij die enkel met het risico van
het werken met beeldschermen te maken hebben, moeten niet langer worden onderzocht
door de arbeidsgeneesheer, indien zij door de schoolarts werden onderzocht.
In een tijd waarin kinderen uren
voor het computerscherm doorbrengen, behoort een passend oogonderzoek ook tot
de logische opdrachten van de schoolarts.
Anderzijds mogen de personen die minstens
zes maanden stage lopen en daarbij aan risico’s blootstaan, jaarlijks worden
teruggezien door de arbeidsgeneesheer. Daarin was niet voorzien in het
koninklijk besluit van september 2004. Het betreft vooral stagiairs in de
gezondheidszorg.
Deze nieuwe benadering is het
voorwerp van een nieuw ontwerp van koninklijk besluit dat bij de Hoge Raad
ligt. In afwachting dat de nieuwe aanpak in het Belgisch Staatsblad verschijnt,
leg ik de aanpak reeds op via een circulaire. Dat is noodzakelijk, omdat de arbeidsgeneeskunde
wordt overrompeld door aanvragen voor medisch onderzoek. Dat wordt nog
versterkt, doordat heel wat stagiairs die eigenlijk in 2004 en nog vroeger
hadden moeten zijn onderzocht, nu pas naar het onderzoek worden gestuurd.
De overrompeling van aanvragen gaat
echter gepaard met een schaarste aan arbeidsgeneeskundigen. In dat geval is het
mijn plicht om prioriteiten te stellen. De overrompeling is dermate groot dat
het onmogelijk is om in 2005 alle stagiairs een medisch onderzoek te laten
ondergaan, vooraleer hun stage aanvangt. Daarom zal in mijn omzendbrief staan
dat het onderzoek voor een beperkte tijd mag worden uitgesteld. Het moet echter
wel worden gepland.
Voor de zelfstandigen betekent de
nieuwe aanpak dat zij niet moeten aansluiten bij een externe preventiedienst,
opdat het medisch onderzoek zou gebeuren.
Voor de risicoanalyse worden
typeformulieren ter beschikking gesteld van de werkgevers. Ingeval het om
zelfstandigen gaat, heeft men vrijwel steeds te maken met dezelfde, typische
risico’s voor het beroep. Daar wordt aanbevolen dat de stagebegeleider een
bezoek zou brengen aan zelfstandigen, wat ook vanuit pedagogisch oogpunt zinvol
lijkt. Bij die gelegenheid kan de zelfstandige worden bijgestaan voor het
invullen van de risicoanalyse of wordt nagegaan of er mogelijks andere dan de
gewone risico’s zijn. Het is me onduidelijk waarom men zoiets niet ernstig zou
noemen.
De risicoanalyses worden door de
onderwijsinstelling per stagiair in een farde bijgehouden. Dat is het document
waarvan de arbeidsgeneesheer van de onderwijsinstelling kennis neemt en waarop
hij of zij het medisch onderzoek zal richten.
De arbeidsgeneesheer van de
onderwijsinstelling zal tevens beschikken over de coördinaten van de
arbeidsgeneesheer van de werkgever. De arbeidsgeneesheren hebben steeds
aangeboden om rechtstreeks met elkaar contact op te nemen bij onduidelijkheden
of problemen.
Overigens kwam de procedure erop
neer dat het in feite de arbeidsgeneesheren van de werkgever zijn die aan de arbeidsgeneesheer
van de onderwijsinstelling via de risicoanalyse laten weten welke risico’s er
zijn en welke onderzoeken moeten worden uitgevoerd. Op deze wijze wordt
maximaal tegemoetgekomen aan de noodzaak voor de arbeidsgeneesheer om de
risico’s te kennen op de arbeidsplaats waar de stagiair zal terechtkomen.
Het medisch onderzoek zal dus niet
blind gebeuren, niet zonder kennis van de arbeidsplaats, maar erg zinvol en
gericht. Het toevertrouwen van het medisch onderzoek aan de arbeidsgeneesheer
van de school heeft nog een bijkomend voordeel. Alle info zit bij één
arbeidsgeneesheer in één dossier. Er is, ondanks de mogelijks opeenvolgende
stageplaatsen met verschillende werkgevers en verschillende arbeidsgeneesheren,
dan ook continuïteit in de opvolging.
Voor opeenvolgende vaccinaties van
verpleegkundigen is dat zelfs cruciaal.
De veralgemening van het
derdebetalerssysteem tot alle preventiediensten van de werkgever is niet
realiseerbaar. Het komt niet tegemoet aan de organisatorische problemen van de
werkgevers om telkens een stagiair zich aandient, de hele motor in beweging te
brengen. Dat is tijdrovend voor werkgevers en voor arbeidsgeneesheren. De
praktijk heeft overigens uitgewezen dat het ook niet gebeurt.
Er zullen allicht nog problemen
rijzen, maar ik hoop dat u het met mij eens zult zijn dat wij met het KB toch
een grote sprong hebben gemaakt. Er was tot vorig schooljaar een probleem dat
maar niet opgelost raakte. Ik meen dat het probleem nu opgelost is, na een zeer
vruchtbare samenwerking met alle onderwijsministers en de arbeidsgeneeskundige
wereld. Het systeem draait op volle toeren en ik meen dat wij het nu voort
zullen moeten verfraaien.
Greta D'hondt (CD&V): Mijnheer de minister, ik
dank u voor uw antwoord. Ik zal uw vrij omstandig antwoord rustig opnieuw lezen
en het met de betrokkenen, zowel de onderwijsinstellingen, de ondernemingen die
meestal die mensen tewerkstellen, en de arbeidsgeneesheren, opnieuw bekijken.
Uw laatste, optimistische noot – dat hiermee de problemen na zovele jaren van
de baan zijn – kwam namelijk niet overeen met de indruk die ik had, tot voor
enkele dagen althans, tijdens de gesprekken met die mensen.
Een dag en een nacht kunnen veel
doen. Ik zal het antwoord zeker met hen bekijken en daarop terugkomen, mocht
het optimisme niet gewettigd zijn. Mijnheer de minister, u zult het nog
ondervinden, overdreven optimisme wekt bij mij veeleer argwaan op dan
geruststelling.
Guy Hove (VLD): Mijnheer de minister, op mijn
beurt dank ik u voor uw zeer omstandig antwoord. Ik heb begrepen dat u ervan
uitgaat dat er een grote stap voorwaarts gezet werd, maar dat het werk nog niet
helemaal af is. Als ik u goed heb begrepen, hebt u meer bepaald erop allusie
gemaakt of vermeld dat de situatie van de stagairs in de gezondheidszorg
voorlopig geregeld wordt met een rondzendbrief, maar dat er nog een wetgevend
initiatief zal komen. Ik kijk daarnaar uit en ik zal ook graag uw antwoord nog
eens grondig nalezen.
Het incident is gesloten.