Het freudisme en de rationalismen

 

door Jacques Van Rillaer [1]

 

 

 

Herwerkte tekst van een conferentie gegeven voor de Union rationaliste van Lyon op 21 oktober 2006 en aan het Laboratoire de zézétique van Grenoble op 23 maart 2007. [2]

 

 

 

Een dertigtal jaar geleden organiseerde René Zazzo, een van de meest eminente psychologen van de twintigste eeuw, een colloquium van de Union Rationaliste over het thema "Psychoanalysen en rationalisme". De bijdragen werden gepubliceerd in Raison Présente in 1978. In de titel van het colloquium stond het woord "psychoanalysen" in het meervoud. Zazzo legde in zijn uiteenzetting de nadruk op "de diversiteit van psychoanalytische scholen".

 

In de bijdrage die volgde op deze van Zazzo, gebruikte Didier Anzieu de term "psychoanalyse" in het enkelvoud, als synoniem van "freudisme". In zijn uiteenzetting met de titel "Rationaliteit in de theorie en in de praktijk van de psychoanalyse", begon hij met te zeggen dat "Freud zijn leven lang een fundamenteel rationalistisch man was" (p. 9). Vervolgens bracht hij de jungiaanse psychoanalyse ter sprake, om ze onmiddellijk af te kammen voor de ogen van de rationalisten waartoe hij zich richtte. Hij zei: "Freud is fundamenteel rationalistisch geweest. Als men de eerste splitsing wil voor de geest roepen die er geweest is in de psychoanalytische wereld, dan is het deze die zich voordeed tussen Freud en Jung. En het is belangrijk te preciseren dat los van de devaluatie van de seksualiteit door Jung, deze een occultist, vegetariër en mysticus was. Dit profiel – hoe vluchtig ook — is lijnrecht in tegenstelling met dit van Freud en toont voldoende aan dat Jung gedoemd was tot de marginaliteit wat betreft de psychoanalyse opgevat als een wetenschap" (p. 11)

 

Deze presentatie van Anzieu is een typisch staaltje van de manier waarop de freudianen de geschiedenis van de psychoanalyse maken. Anzieu selecteert en interpreteert feiten op een manier om te doen geloven dat Freud een waarachtige "wetenschap" heeft gecreëerd en dat hij er de incarnatie van was. Deze hagiografische presentatie nodigt uit tot minstens vier opmerkingen::

 

1. De eerste splitsing in de freudiaanse saga is niet de uitsluiting van Jung in 1913, maar, twee jaar eerder, deze van Adler die dan samen met andere psychoanalytici van de eerste generatie de "Vereniging voor het vrij psychoanalytisch onderzoek" oprichtte. De doelstelling van deze vereniging die concurrentieel was aan deze van Freud, luidde in de woorden van Adler het "respecteren van de fundamentele principes van het wetenschappelijk onderzoek", met name het feit van "niet gebonden te zijn door bepaalde formules en niet verhinderd te worden om te zoeken naar nieuwe oplossingen." (geciteerd door Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 123)

 

2. Jung "devalueerde" de seksualiteit niet. Hij weigerde eenvoudigweg om elke mentale stoornis door de seksualiteit uit te leggen, wat Freud deed in die tijd en waarmee hij doorging tot het einde van zijn leven. Moet eraan herinnerd worden dat, vanaf 1896, deze schreef dat "het belangrijkste resultaat waarop men uit komt als men de analyse op een consequente wijze voortzet, deze is: van welk geval en van welk symptoom men ook vertrekt, men eindigt onvermijdelijk in het domein van de seksuele ervaring" (1896b, p.434). In zijn laatste boek, drieënveertig jaar later, herhaalde hij: "De neurotische symptomen zijn in alle gevallen ofwel de vervangende bevrediging van een seksuele tendens, ofwel maatregelen om deze te belemmeren of tenslotte, wat het frequentst voorkomt, een compromis tussen de twee" (1940, XVII, p. 112).

 

3. Anzieu onderlijnt dat Jung "occultist" en "vegetariër" was. Dat Jung vegetariër was, is ongetwijfeld van weinig betekenis. Dit is in elk geval geen kenmerkende trek van irrationalisme. Bovendien was Freud, zoals veel andere "psys" van zijn tijd, geïnteresseerd in het occultisme en is hij heel zijn leven een bijgelovig man geweest. Over de kwestie van het bijgeloof bij Freud en zijn interesse voor het occultisme, verwijs ik naar het zeer goed gedocumenteerd boek van Jacques Bénesteau, Mensonges freudiens, die daaraan een lang hoofdstuk wijdt (2002, p. 101-120).

 

4. Tenslotte is het al te eenvoudig om van het freudisme een "wetenschap" te maken en de andere vormen van psychoanalyse als irrationeel en "marginaal" te beschouwen. Wanneer hij de breuk van Freud met Jung –die hij als "mystisch" kwalificeert- te berde brengt, stelt Anzieu de eerste voor als een echte rationalist. Van naderbij beschouwd, als men Freud vergelijkt met Adler, de eerste dissident –waarvan Anzieu zich hoedt zich het bestaan te herinneren- kan men zeggen dat de theorie van Freud eerder aan de romantische filosofie en het irrationalisme verwant is, terwijl deze van Adler verwant is aan de filosofie van de Verlichting en aan het rationalisme. Dit is de conclusie van de beroemdste van de geschiedschrijvers van de psychiatrie, Henri Ellenberger, na een minutieuze vergelijking van de twee theorieën (1970/1974, p. 538).

 

Ik zou hier de volgende ideeën willen ontwikkelen: Freud dacht van zichzelf dat hij een rationalist was. In zekere zin was hij het ook, namelijk in zijn kritiek op de religieuze overtuigingen. Zijn verlangen naar rationalisme heeft hem evenwel niet behoed tegen het gebruik van pseudo-wetenschappelijke methoden. Per slot van rekening heeft het freudisme bijgedragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van irrationaliteit en heeft ze het vertrouwen in het belang van de wetenschappelijke methode ondermijnd.

 

 

 

1. "Freudisme" en "psychoanalyse"

 

Alvorens deze punten te ontwikkelen, verklaar ik me nader over het gebruik van het woord "freudisme", eerder dan "psychoanalyse". Dit is een leerzame kwestie om te oordelen over de graad van wetenschappelijkheid van het freudiaanse denken. Het citaat van Anzieu is er een goede inleiding voor. Freud is vanaf 1886 begonnen met wat wij vandaag "psychotherapie" noemen. Hij heeft zijn activiteit eerst aangeduid met de uitdrukkingen "hypnose", "psychische behandeling" » (Psychische Behandlung) en "behandeling van de ziel" (Seelenbehandlung). Hij heeft vervolgens gesproken over "geestelijke analyse" en "psychologische analyse" (1895). Is het nodig eraan te herin­neren dat deze laatste uitdrukking deze is van een Fransman, Pierre Janet, die ze gebruikte vanaf het eind van de jaren 1880, om de gedetailleerde studie van het leven van een individu aan te duiden. Wanneer Freud, in 1896, voor het eerst het woord "psycho-analyse" gebruikt, inspireert hij zich zeer waarschijnlijk op de uitdrukking "analyse psychologique" van Janet. Bijzonder belangrijk feit is dat hij met dit woord "het onderzoeksprocédé van J. Breuer" bedoelt (1896a, p. 416). Immers, tot in de jaren 1910, werd de term "psychanalyse" gebruikt om verschillende vormen van psychotherapieën aan te duiden die geconcentreerd waren op de woorden van de patiënten en, meer bepaald, de methode die werd toegeschreven aan Joseph Breuer. Bijvoorbeeld, de Zwitserse psychiater Ludwig Frank heeft, in 1910 in München, een werk gepubli­ceerd met de titel Die Psychanalyse, waarin hij kritiek leverde op "de afwijking" die de psychoanalyse van Freud vormt ten opzichte van de echte psychoanalyse, deze van Breuer. Frank verweet Freud namelijk het belang dat aan de seksuele factor wordt toegekend (zie Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 116).

 

Merken we op dat Frank en andere Duitstalige Zwitserse psychiaters zoals Auguste Forel en Dumeng Bezzola, "Psychanalyse" schreven zonder "o" en enigszins spotten met Freud die de regels niet scheen te kennen om woorden met Griekse stam samen te stellen. Immers in het Duits zoals in het Frans zegt men niet "psychoiater", maar "psychiater", en zeg men niet "psychoasthenie", maar "psychasthenie" (id;, p; 95). Men moet dus zowel in het Duits als in het Frans zeggen "Psychanalyse" en niet "Psychoanalyse".

 

Tot ongeveer 1910 had Freud geen bezwaar tegen het gebruik van het woord "psychanalyse" –met of zonder "o"- door andere psychotherapeuten dan hij. Wanneer hij in 1909 uitgenodigd werd om te spreken aan de Clark Universiteit, begon hij zijn presentatie met te zeggen: "Het is niet aan mij dat de verdienste toekomt –indien het er een is- om de psychoanalyse te hebben laten ontstaan. Ik heb niet deelgenomen in het begin. Ik was nog student, in beslag genomen door de presentatie van mijn laatste onderzoeken, toen een Weense arts, Dr Joseph Breuer, voor de eerste keer dit procédé toepaste op een jong meisje dat aan hysterie leed (1880-1882). Wij moeten ons dus eerst met de geschiedenis van deze zieke en haar behandeling bezighouden" (1910a, p. 3).


Is Freud een bescheiden man, die toegeeft dat hij slechts een concept van Breuer verder uitwerkt? Geenszins. Moet eraan herinnerd worden dat hij zichzelf proclameerde tot de auteur van de derde grote intellectuele revolutie van de Mensheid, na deze van Copernicus – de "kosmologische krenking"- en die van Darwin – de "biologische krenking". Freud heeft over zichzelf gezegd dat hij aan de Mensheid "de meest voelbare van de narcistische blessures" heeft toegebracht: de "psychologische krenking", namelijk de demonstratie dat "het ik geen baas is in eigen huis" (1917b, p. 11). Als hij in 1909 nog verklaarde dat Breuer de ontwerper is van de psychoanalyse, dan is dat omdat het de opvatting was van zijn collega's en waarschijnlijk ook de zijne. In de jaren 1910, wordt Freud steeds meer bekend en steeds meer gecontesteerd, ook door dichte collega's en vrienden, zoals Adler, Jung en Stekel. Het is in die periode dat hij zich zal inzetten om de term "psychoanalyse" tot zijn eigendom te maken en om te verschijnen als de soevereine meester van een nieuwe discipline, de enige die kan beslissen over haar inhoud. Terwijl hij in 1909 verklaarde "Het is niet aan mij dat de verdienste toekomt de psychoanalyse te hebben laten ontstaan", zal hij in 1914 schrijven: "De psychoanalyse is mijn creatie. Gedurende tien jaar was ik de enige die er zich mee bezig hield. […] Niemand kan beter weten dan ik wat psychoanalyse is, waarin ze verschilt van andere methodes van onderzoek van het psychische leven en wat met haar naam bedoeld moet worden" (1914, p. 44). Terwijl hij enkele jaren voordien vertelde dat de behandeling van Anna O door Breuer de eerste toepassing was van de psychoanalyse, onderstreepte Freud voortaan wat zijn methode differentieerde van die van Breuer. In gesprekken met vrienden die hij toen betrouwbaar achtte, namelijk Jung en Ferenczi, doet hij alles om Breuer in diskrediet te brengen en gaat zelfs tot het onthullen dat Anna O helemaal niet genezen was geweest ! (zie Ellenberger, 1970; Borch-Jacobsen, 2005; Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 123).

 

In 1909 sticht Forel, professor psychiatrie te Zürich, de Internationale Vereniging voor medische psychologie en psychotherapie, met de bedoeling om de psychotherapie met wetenschappelijke oriëntatie te bevorderen en te vechten tegen de magnetiseurs en de kwakzalvers. Hij stelt voor aan Freud en Jung om daaraan mee te doen. Freud reageert erop door het jaar erop zijn eigen Internationale Vereniging voor Psychoanalyse op te richten om de "wilde analytici" tegen te houden. Hij verklaart bij die gelegen­heid: "De psychoanalyse kan niet in boeken geleerd worden en ze kan zeker slechts gevonden worden ten koste van grote offers van tijd, inspanningen en succes."  (1910b, p. 124) "Het is niet aangenaam, noch voor mij, noch voor mijn vrienden en medewerkers om het recht op uitoefening van een medische techniek te monopoli­seren. Maar tegenover de gevaren die de te verwachten praktijk van "wilde" psychoanalyse tot gevolg heeft voor de zieken en voor het belang van de psychoanalyse, bleef ons niets anders te doen. […] Feitelijk was het vooral aan de belangen van de psychoanalyse (la cause), veel meer dan aan deze of gene zieke, dat de wilde analytici schade toebrachten."(idem, p. 125)   Letten we goed op de laatste zin: met het stichten van zijn vereniging had Freud minder de bezorgdheid om de patiënten te beschermen, dan zijn "cause", tegen de "wilde psychoanalytici", dit wil zeggen deze die hijzelf niet de toelating had gegeven om de titel van psychoanalyticus te dragen. Hij wilde voor zijn profijt de term "psychoanalyse" monopoliseren die eveneens gebruikt werd door zijn collega's die niet dezelfde theorie, noch dezelfde techniek hadden als hij.

 

Voor zover ik weet heeft Janet, die de uitdrukking "psychologische analyse" heeft bedacht en die wist wat een wetenschappelijke geest is, nooit verklaard dat hij alleen kon codificeren wat men met deze uitdrukking bedoelt. Frederik Van Eeden en Albert Van Renterghem, de Nederlandse artsen die de eersten schijnen te zijn om het woord "psychotherapie" gebruikt te hebben (Ellenberger, 1970/1974, p. 625), hebben niet verklaard dat niemand, beter dan zij, kon weten wat psychotherapie is en wat met die naam aangeduid moet worden. Men kan zich moeilijk inbeelden dat August Comte die het woord "sociologie" heeft bedacht (in 1830), zou verklaard hebben dat hij de enige was die de macht had om het gebruik van deze term te reglementeren.

 

Vanaf de jaren 1910 hebben Freud en de leerlingen die trouw gebleven waren alles gedaan om te maken dat het woord "psychoanalyse" enkel de freudiaanse leer zou aanduiden. Dit belette niet dat de term zal gebruikt worden door andere psys om het onderzoek aan te duiden naar psychologische verklaringen van gedrag, sociale fenomenen en culturele realisaties. In 1920 was Ernest Jones, een van de leerlingen die nog steeds trouw was aan de meester, daarover diep bedroefd. Hij schreef naar het Geheim Genootschap (bedoeld om op de freudiaanse orthodoxie toe te zien en samengesteld uit vijf betrouwbare discipelen verenigd rond Freud): "Op basis van verscheidene verslagen die ik onlangs kreeg van Amerika en van lectuur van recente literatuur, spijt het me te moeten zeggen dat ik een zeer slechte indruk heb van de toestand aldaar. Alles en om het even wat gaat door voor psychoanalyse, niet alleen het adlerisme en het jungisme, maar om het even welke soort volks- of intuïtieve psychologie. Ik betwijfel of er zes personen zijn in Amerika die zouden kunnen zeggen wat het essentieel verschil is tussen Wenen en Zürich, ten minste op een duidelijke manier." (geciteerd in Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 435) Recent schreef Robert Wallerstein, de voorzitter van de Internationale Vereniging voor Psychoanalyse: "Wij leven in een wereld van toenemende psychoanalytische verscheidenheid, een wereld van veelvoudige (en uiteenlopende) psychoanalyses, met grenzen afgebakend op conceptueel uiteenlopende wijze, wat het natuurlijk moeilijk maakt om een algemeen onderscheid tussen psychoanalyse en psychotherapie te maken. "(idem, p. 439)

 

Wat kunnen we besluiten betreffende het gebruik van het woord "psychoanalyse" ?

1. Bij het grote publiek, maar ook bij een aantal psys, betekent dit woord ongeveer om het even welke psychotherapeutische praktijk. In de engere betekenis betekent het elke opvatting volgens de welke er een Ander binnenin ons is en alleen zij die psychoanalytici heten zijn bevoegd het te openbaren. Voor de orthodoxe freudianen kan "psychoanalyse" alleen slaan op de theorie en de praktijk gebaseerd op freudiaanse teksten, terwijl al de rest slechts ontaarde of onjuiste concepten zijn.

2. Gezien de vele betekenissen van het woord "psychoanalyse", is het verkieslijker om termen zoals "freudisme", "lacanisme",  "kleinisme", enz. te gebruiken dan de algemene term.  "Psychoanalyse" en "freudisme" zijn niet meer synoniem dan "christendom" en "rooms-katholiek". De uitgever van de collectie "Que sais-je?" heeft er goed aan gedaan om enerzijds "La psychanalyse" en anderzijds "Le freudisme" te publiceren. Hier zal ik me ertoe beperken om over het freudisme te spreken. Er zal nauwelijks gesproken worden over Jung, Adler, Stekel, Rank, Ferenczi en anderen, waarvan de theorieën en methodes perfect "psychoanalyse" kunnen genoemd worden hoewel ze in mindere of meerder mate verschillen van deze van Freud. Immers, zij doen ook "psychologische analyses", ook zij verklaren dat er een "Andere" in ons zit, die zij alleen kunnen begrijpen en openbaren. Het freudisme is slechts een van de ontelbare vormen van psychoanalyse.

3. Doorheen de strijd van Freud om het gebruik van een woord te monopoliseren, stellen we vast dat Freud geen rationalist lijkt te zijn in alle betekenissen van het woord. Alvorens aan te geven in welke betekenis hij en zijn leerlingen rationalisten zijn en in welke betekenis ze het niet zijn, moeten we de verschillende betekenissen van deze term in herinnering brengen.

 

 

 

2. De rationalismen

 

Het Dictionnaire historique de la langue française van Alain Rey (1992) leert ons dat het woord "rationalist" in het begin, in de XVIde eeuw, duidde op een arts die een redenering volgde, in tegenstelling tot de "proefondervindelijke" arts wiens praktijk zich liet leiden door persoonlijke ervaring zonder rationele formulering. De term wordt in de XVIIIde eeuw opnieuw geïntroduceerd als aanduiding voor "een denker of een theorie die beweert enkel te steunen op de rede".

Vandaag heeft het woord "rationalisme" meerdere betekenissen. Ik stel voor om er vijf te onderscheiden.

 

1. In zijn breedste betekenis duidt deze term de overtuiging aan dat de rationele reflectie het beste middel is om geldige kennis te verwerven. Dit soort rationalisme sluit geen andere vormen van kennis uit, zelfs niet het religieus geloof, maar deze worden als minder zeker beschouwd. Volgens deze betekenis zijn een behoorlijk percentage van de intellectuelen rationalisten.

 

2. Een andere vorm van rationalisme bestaat erin te denken dat de rationele reflexie het enige middel is om zekere kennis te verkrijgen en dat de zintuiglijke gegevens slechts een voorlopig of vervormd zicht op de waarheid leveren. Dit type van rationalisme werd op uitstekende wijze vertegenwoordigd door René Descartes. Hij verzet zich tegen het empirisme of tegen het empirisme volgens dewelke de valide kennis essentieel berust op observatie en zintuiglijke ervaring. John Locke is een vertegenwoordiger van dit standpunt. Karl Popper heeft voorgesteld om dit soort rationalisme "intellectualisme" te noemen (1966/1979, p. 153). Merken we op dat dit intellectualisme zich niet principieel afzet tegen religieuze overtuigingen. Aldus beweerde Descartes, door het gebruik van zijn rede, zijn eigen bestaan te bevestigen ("Ik denk, dus ik besta"), maar ook die van God.

 

3. Een derde vorm van rationalisme bestaat uit het denken zonder enig respect voor de geopenbaarde waarheden en de allerheiligste tradities. Hij is synoniem van atheïsme of antireligieuze houding.

 

4. Een moderne vorm van rationalisme ziet het wetenschappelijk onderzoek als het enige middel om bewezen kennis te produceren. Hij is synoniem van "positivisme" of van "sciëntisme ".

 

5. Een vijfde opvatting is deze die Popper "het kritisch rationalisme" noemde (1966/1979, p. 153-173) en die overeenkomt met de opvatting van de Unions rationalistes van vandaag, bijvoorbeeld in Frankrijk en in België. Dit rationalisme is in feite de houding van de wetenschapper die probeert om zoveel mogelijk problemen op te lossen door beroep te doen op redenering, op systematische observatie en het experiment, maar die steeds blijft openstaan voor kritiek en herbevraging. De "kritische" rationalist is van mening dat de vooruitgang van de kennis samenwerking en confrontatie van ideeën veronderstelt. Hij voegt eraan toe dat, opdat de confrontatie van theorieën vruchtbaar zou zijn, het belangrijk is om regels te eerbiedigen, meer bepaald: men moet zich onthouden van het gebruik van "immuniserende strategieën" die een theorie beschermen tegen elk risico op weerlegging.

 

In het kort, we kunnen op zijn minst vijf vormen van rationalisme onderscheiden: het rationalisme in de brede betekenis (dat eenvoudigweg de superioriteit van de rede bevestigt), het intellectualisme (als epistemologie tegengesteld aan het empirisme), het atheïsme, het sciëntisme en het kritisch rationalisme (dat samenvalt met de echte wetenschappelijke ingesteldheid). Aldus kan men rationalist zijn op verscheidene wijzen. Men kan het zijn in een sector van het bestaan en niet in een ander.

 

 

 

3. In welke zin is het freudisme rationalistisch ?

 

Freud is rationalistisch in de vier eerste betekenissen wie we onderscheiden hebben. Hij is het niet in de vijfde.

 

1. Freud is in sterke mate geïnspireerd door filosofen zoals Schopenhauer, von Hartmann en Nietzsche, die een centrale plaats toekennen aan verlangens, instincten en onbewuste krachten. Voor hem "zijn de mensen zeer weinig toegankelijk voor rationele verantwoordingen, ze zijn volledig gedomineerd door hun driftmatige wensen" (1927, p. 370, tr. p. 188). Niettemin zag hij in de rede de voornaamste hoop voor de toekomst van de mensheid. Hij schreef in 1933: "Het intellect of de rede is een van de krachten waarvan men het recht heeft een integrerende invloed op de mensen te verwachten. (…) Onze beste hoop voor de toekomst is dat het intellect – de weten­schap­pelijke geest, de rede - na harde strijd komt tot de alleenheerschappij in het menselijk zieleleven." (1933, p. 185, tr. p. 256)

 

Anderzijds ligt de wijze waarop Freud de psychotherapie uitoefent in de lijn van "een rationalistisch" perspectief van de mens. Ze is gebaseerd op twee stellingen: psychische stoornissen zijn steeds het gevolg van onbewuste processen; om ze te doen verdwijnen volstaat het om ze te "analyseren" en hun betekenis te ontcijferen. Freud schreef bijvoorbeeld in de Vorlesungen zur Einleitung in die Psychoanalyse: "Ik wil met Breuer bevestigen wat volgt: telkens we te maken hebben met de aanwezigheid van een symptoom, kunnen we eruit concluderen dat er bij de patiënt bepaalde onbewuste processen bestaan die de betekenis van het symptoom bevatten. Maar het is ook noodzakelijk dat deze betekenis onbewust is opdat het symptoom zich zou voordoen. Vanuit bewuste processen ontwikkelen er zich geen symptomen; zodra de onbewuste processen in kwestie bewust worden, moet het symptoom verdwijnen. U merkt hier meteen een toegang voor de therapie, een weg om de symptomen te doen verdwijnen. Het is langs deze weg dat Breuer inderdaad zijn hysterische patiënte heeft verholpen, dit wil zeggen ze heeft bevrijd van haar symptomen; hij vond een techniek om bij haar de onbewuste processen die de betekenis van het symptoom bevatten, bewust te maken, en de symptomen verdwenen;"(1917a, p. 288s, tr. p. 289).

 

Onderstrepen we echter het pessimisme van Freud wat betreft de mogelijkheid om de toestand te veranderen van het merendeel van hen die lijden aan psychologische stoornissen. Terwijl Adler bijvoorbeeld werken schreef om iedereen te helpen die beter wilde leven, geloofde Freud niet in de mogelijkheid van belangrijke veranderingen buiten zijn lange en dure techniek.

 

2. Freud is een rationalist in de eerste betekenis van de term. Hij is het ook in de tweede betekenis. Hij is volgens het vocabularium van Popper een "intellectualist". Hij en zijn leerlingen hebben weliswaar niet opgehouden te herhalen dat zijn theorie op empirische "feiten" is gebouwd, dat hij geen verwachtingen had voorafgaand aan zijn klinische observaties. In werkelijkheid heeft Freud zeer snel de grondslag van zijn theorie gevormd, zoals we ons kunnen herinneren op basis van de lectuur van filosofen, zoals Schoppenhauer, en van informatie verkregen van artsen, namelijk Wilhelm Fliess en Joseph Breuer.

 

Vanaf het begin van zijn loopbaan als "psy", heeft Freud veel meer een theoretisch schema toegepast dan hij zich zonder a-priori aan het beluisteren van zijn patiënten heeft gezet. Dat is het wat onafhankelijke historici – dit wil zeggen die niet horig waren aan de psychoanalytische beweging – zoals Ellenberger (1970), Frank Sulloway (1979 ; 2005), Mikkel Borch-Jacobsen en Sonu Shamdasani (2006) duidelijk vastgesteld hebben. Het is ook het voornaamste verwijt verwoord door de collega's van Freud tijdens zijn leven. Reeds in 1901 verweet zijn vriend Wilhelm Fliess hem voor een "gedachtelezer (Gedankenleser) die bij de andere slechts zijn eigen gedachten las" (geciteerd in Freud, 1950, p. 358). Enkele jaren later schreef de beroemde psychiater en seksuoloog Albert Moll: "Mijn indruk is dat Freud en zijn leerlingen de gevalstudies baseren op de theorie van Freud en niet de theorie op de gevalstudies" (geciteerd door Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 177). William James, de grote psycholoog van Harvard, schreef in 1909, nadat hij Freud had gehoord aan de Clarck University: "Freud en zijn leerlingen zullen zeker enig licht werpen op de menselijke natuur, maar ik geef toe dat hij op mij persoonlijk de indruk maakte van een man die geobsedeerd was door zijn idee-fixen." (id.)

 

Een van de voornaamste freudiaanse legendes, die als hoeksteen dient voor het freudisme, is dat Freud zijn voornaamste ontdekkingen zou gedaan hebben dank zij zelf-observaties. Ernst Kris, die de inleiding ondertekende van de publicatie van de brieven van Freud aan Fliess, vertelt dat Freud een lange moeilijke maar zeer vruchtbare zelf-analyse deed. Kris herhaalt aldus in 1950 wat Freud en zijn leerlingen hebben beginnen verklaren vanaf de jaren 1910, toen de conflicten inzake interpretatie en theorieontwikkeling in de schoot van de groep van freudianen losbarste, en vooral na 1925, als de freudianen zullen beslissen dat, om door de Internationale Vereniging erkend te worden als "psychoanalyticus", men een leeranalyse moest volgen bij een gepatenteerd analyticus. Freud die niet geanalyseerd was, verklaarde zelf, en zijn leerlingen bevestigden het, dat hij zichzelf analyseerde, een "arbeid" waarin hij alleen bij machte was te slagen.

 

Wanneer men de moeite doet om aandachtig de brieven van Freud aan Fliess te lezen – zoals bij voorbeeld Sulloway (1979), Borch-Jacobsen et Shamdasani (2006) het gedaan hebben – stelt men gemakkelijk drie feiten vast: (a) de zelf-analyse van Freud is zeer kort geweest: zes weken (van begin oktober tot medio november 1897) en niet meerdere jaren, zoals het in de freudiaanse legende zal verteld worden; (b) deze zelf-analyse is zeer teleurstellend geweest volgens Freud zelf, tenminste als men zich houdt aan wat hij toentertijd schreef aan Fliess (zie de brief van 14 november 1897) en niet aan wat hij er publiekelijk zal over zeggen tien jaar later; (c) last but not least, Freud heeft nauwelijks nieuwe psychologische wetten "ontdekt" door zijn dromen, fantasmen, vergetelheden en symptomen te analyseren. Hij heeft in zich "het amoureus gevoel voor de moeder en de jalousie voor de vader" teruggevonden die hij gelezen had in Koning Oedipus (brief aan Fliess van 15-10-1897). Hij heeft in zich geobserveerd wat Griesinger onderwees – die hij overigens citeert (1900, p.95) – namelijk dat de droom "wensvervulling" is. Zijn ideeën over de verdringing, de vergissingen, de pathogene rol van de seksuele repressie en vele andere, deze ideeën kwamen vooral van lectuur, van cursussen die hij volgde en van conversaties. Zoals Sulloway – een wetenschapshistoricus die de geschriften van Freud in volle sympathie voor hem begon te bestuderen - zei, "deze zelf-analyse behoort tot de grootste legenden van de geschiedenis van de wetenschappen" (geciteerd door MBJ, p.39).

 

3. Freud was een rationalist in de derde betekenis van de term: hij was niet-gelovig, hij was zelfs militant atheïstisch. Op het einde van zijn leven schreef hij: "U weet dat het gevecht van de wetenschappelijke geest tegen de religieuze wereld niet geëindigd is, ze speelt zich nog steeds af voor onze ogen, in het heden. Ook al maakt de psychoanalyse gewoonlijk weinig gebruik van het wapen van de polemiek, we zullen onszelf toch niet ontzeggen om te proberen klaar te zien in dit dispuut. (1933, p. 182, tr., p. 253)

 

Freud heeft vaak gezegd dat de godsdienst een "schadelijke illusie" is. Hij verwijt hem met name om de kwade trouw, de inhibitie van het denken en de neurotische stoornissen te bevorderen. Aldus schrijft hij in Die Zukunft einer Illusion: "Wanneer het om religieuze vraagstukken gaat maken de mensen zich schuldig aan alle mogelijke oneerlijkheden en intellectuele onwelvoegelijkheden" (1927, p. 355, tr., p. 173). "Wie ertoe gekomen is om kritiekloos alle absurditeiten te accepteren die de religieuze doctrines hem aanbieden, en om zelfs de ogen te sluiten voor hun onderlinge contradicties, is niet de persoon wiens zwakheid van denken ons overmatig moet verrassen." (p. 371, tr., p. 188). In de Neue Folge der Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse herhaalt hij: "Het denkverbod dat de religie uitvaardigt ten dienste van haar zelfbehoud is niet helemaal zonder gevaar, noch voor het individu, noch voor de menselijke gemeenschap. De analytische ervaring heeft ons geleerd dat een dergelijk verbod, zelfs als ze in het begin beperkt is tot een bepaald domein, de neiging heeft om zich uit te breiden en zo een oorzaak wordt van ernstige inhibities in de levensloop van de mens. Men kan dit effect trouwens observeren in het vrouwelijk geslacht als gevolg van het verbod om zich met seksualiteit bezig te houden, al was het slechts in gedachten." (1933, p. 185, tr., p. 256)

 

De argumenten van Freud tegen de religie zijn van zeer relatief belang. Immers, men kan in dit verband zeggen wat Alfred Hoche, professor psychiatrie aan de Universiteit van Freiburg, zei in 1908 betreffende de verklaringen van Freud over de hysterie: "Het is zeker dat er nieuwe en goeie dingen zijn in de freudiaanse theorie van de hysterie; spijtig genoeg, het goede is niet nieuw en het nieuwe is niet goed." (geciteerd door Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 98). Merken we op dat Freud zich bescheiden toonde toen hij zijn analyse van de religie presenteerde. Hij schreef: "Ik heb niets gezegd dat andere meer bevoegden niet voor mij op een vollediger, krachtiger en indrukwekkender wijze hebben gezegd. […] Ik heb slechts enkele psychologische fundamenten toegevoegd aan de kritiek van mijn grote voorgangers" (1927, p. 358, tr., p. 176). We weten door een brief aan Ludwig Binswanger (22.11.1925) dat Freud in zijn jeugd "Feuerbach las met plezier en enthousiasme".

 

Zoals zijn grote voorgangers dacht Freud dat de religie beantwoordt aan een nood aan bescherming, dat ze helpt om het lichamelijke lijden en de verplichtingen opgelegd door het leven en de maatschappij te dragen, dat ze verzoent met de wreedheid van het leven, in het bijzonder met de dood. Zoals Ludwig Feuerbach, in Das Wesen des Christentums (1841), ziet hij in de religie een projectie van menselijke verlangens en een objectivering van de ideale essentie van de mens. Zoals Karl Marx,  denkt hij dat de religie zijn oorsprong vindt in de menselijke ellende. Hij schrijft: " De actie van de religieuze troost kan gelijk gesteld worden met die van een narcoticum"(1927, p. 372, tr., p. 190).

 

De originaliteit van de freudiaanse analyse van de religie is hoofdzakelijk tot volgende punten terug te brengen:

 

a) Freud gebruikt een psychologisch vocabularium om het infantiele en aliënerende karakter van de religie te kwalificeren. Hij kwalificeert haar als "universele neurose" (idem, p. 367, tr. p. 184). Soms, wanneer hij de dwingende riten benadrukt, vergelijkt hij haar met een obsessionele neurose (id.); soms, wanneer hij het "ontkennen van de wezenlijke werkelijkheid" benadrukt, vergelijkt hij haar met een psychose, meer precies met een "gelukzalige hallucinatoire confusie" (p. 367, tr. p. 185). De voornaamste verdienste van de godsdienst is, zo voegt hij eraan toe, "dat ze vrijstelling geeft van de taak om een persoonlijke neurose te ontwikkelen" (id.).

 

b) Freud dacht dat als het religieus geloof zich gemakkelijk ontwikkelt, dat het is omdat er in de menselijke soort "historische" sporen genetisch zijn overgedragen. Hij postuleert dat aan het begin van de geschiedenis van de Mensheid, ten tijde van de primitieve horde, de zonen rebelleerden tegen de vader – die het oorspronkelijke beeld van God zal worden -, dat ze hem gedood hebben en dat ze vervolgens onder elkaar een pact sloten om zijn wil te respecteren (1927, p. 365s). Volgens hem zijn de religies, vanaf het totemisme tot het christendom, gebaseerd op deze oorspronkelijke zonde: de opstand tegen de Vader.

 

Merken we hier op dat Freud, om psychologische stoornissen te verklaren, steeds gezocht heeft naar herinneringen uit de kindertijd – herinneringen aan reële of zich voorgestelde gebeurtenissen. Om de "universele neurose" te verklaren, gebruikt hij hetzelfde principe. Tot op het einde van zijn leven zal hij zeggen dat de religie haar compulsief karakter te wijten heeft aan een "historische waarheid": de geschiedenis van de primitieve menselijke familie (Freud, 1939).

 

De ontmythologisering van de religie, teweeggebracht door Freud, heeft zonder twijfel een belangrijk impact gehad op heel wat westerse intellectuelen en zeker op de psychoanalytici. In mijn universiteit, die een katholieke universiteit is, heeft de psychoanalyse gefunctioneerd als het paard van Troje van het atheïsme. Als ik student was in de jaren 60, waren de autoriteiten wantrouwig ten opzichte van het freudisme, maar vanaf de jaren 70, was heel de klinische psychologie en de psychiatrie in handen van de psychoanalytici. De collega's filosofen en zelfs de theologen interesseerden zich meer en meer in de psychoanalyse of werden zelf psychoanalytici. In de vereniging voor psychoanalyse waarvan ik deel uitmaakte – de Ecole freudienne de Belgique-, werd de godsdienst regelmatig beschimpt en vervolgens in diskrediet gebracht. Vandaag de dag is het percentage psychoanalytici dat een religieus geloof belijdt miniem. Nadat hij Die Zukunft einer Illusion had gepubliceerd, schreef Freud: "Ik wil de analyse verdedigen tegen de artsen en tegen de priesters. Ik zou haar graag willen toevertrouwen aan een corporatie die momenteel niet bestaat, een lekencorporatie van zielzorgers die geen arts moeten zijn en het recht niet zouden hebben om priester te zijn." (Brief aan Pfister, 25-11-1928). Hij zou wellicht opgetogen zijn te constateren dat zijn werk bijgedragen heeft tot de erosie van het religieus geloof. De rationalisten kunnen er zijn voornaamste glorietitel in zien.

 

Leidt de freudiaanse manier van interpreteren, steeds gericht op het ontmaskeren van infantiele herinneringen en primitieve driften, noodzakelijk tot het atheïsme? Geenszins. De freudiaanse hermeneutiek kan steeds iets en het tegendeel bewijzen. Wie zijn vertrouwen wil bewaren zowel in Freud als in God, heeft de volle vrijheid om te denken dat Freud het genie van de psychologie is die zich slechts vergist heeft betreffende de kwestie van de religie en dit omdat hij niet op een serene wijze een belangrijke gebeurtenis uit zijn kinderjaren heeft kunnen verwerken, die hijzelf vertelt in de Traumdeutung:

" Ik moet ongeveer tien of twaalf jaar geweest zijn toen mijn vader me begon mee te nemen op zijn wandelingen en met mij begon te converseren over zijn opvattingen en over de dingen in het algemeen. Om me te tonen hoezeer mijn tijd beter was dan de zijne, vertelde hij mij op zekere dag het volgende: " Eens, toen ik jong was, in het land waar jij geboren bent, ging ik op een zaterdag uit in de straat, goed gekleed en met een gloednieuwe bonten muts. Een christen kwam voorbij en plots gooide hij mijn muts in het slijk, terwijl hij riep: Jood, ga van de stoep af! – En wat hebt u gedaan? – Ik heb mijn muts opgeraapt, zei mijn vader met gelatenheid. Dat leek me niet erg heldhaftig vanwege de grote en sterke man die me bij de hand hield. Tegenover deze scène, die me niet beviel, stelde ik een ander die veel meer conform was aan mijn gevoelens, de scène waarin Hamilcar voor het huisaltaar zijn zoon liet zweren dat hij zich op de Romeinen zou wreken. Sedertdien nam Hannibal in mijn fantasmen een grote plaats in. "(1900, p. 203, tr. p. 175).

 

Voor een christelijke psychoanalyticus, volstaat het om zich op dit verhaal te baseren om te stellen dat de visie die Freud opbouwde over de religie een "rationalisatie"" was voor zijn haat tegen het christendom. De psychoanalytici leggen trouwens dikwijls de bezwaren tegen hun leer uit door de "haat". Herinneren we ons, bij wijze van voorbeeld, dat Elisabeth Roudinesco, de voornaamste pleitbezorger van het freudisme in Frankrijk, haar boekje waarin ze probeerde te antwoorden op de 830 bladzijden van het Livre noir de la psychanalyse, de titel gaf "Pourquoi tant de haine?"

 

Wanneer een christen psychoanalyticus de uitspraken van Freud over de religie interpreteert als niets anders dan de expressie van een wraak die teruggaat tot de kindertijd, dan redeneert hij volledig in overeenstemming met de principes van de psychoanalyse. Freud is dan de Carthaagse oorlogsvoerder die ten aanval getrokken is tegen Rome, hoofdstad van het christendom, om zijn vader te wreken. Merken we echter op dat deze interpretatie meer kadert in de adleriaanse psychoanalyse (waar machtshonger de basismotivatie is) dan in de freudiaanse (waar de seksuele drift de basismotivatie is).

 

Hoe het ook zij, deze "psychologische analyse" of psychoanalyse" is volledig in overeenstemming met de strategie die door Freud ten overstaande van zijn opposanten werd aangenomen, te weten: het discrediteren van hun observaties en theorieën door "onbewuste", infantiele of neurotische, motivaties in te roepen. Het eerste voorbeeld is, historisch gezien, dit van Adler. Om zijn opvatting te verdedigen tegen die van Adler, verwijst Freud niet naar precieze feiten, maar stelt zich tevreden met te zeggen dat Adler "de onbewuste krachten onderschat". Hij schrijft: "Als hij zo handelt, dan gedraagt hij zich zoals al onze zieken en zoals ons bewust denken in het algemeen, namelijk beroep doen op wat Jones de "rationalisatie" noemde, teneinde de onbewuste beweegreden te kunnen ontkennen" (1914, p. 96). In private kring rekende hij met de theorie van Adler af met een veel doortastender etikettering van zijn auteur. Hij schreef bijvoorbeeld aan James Putman: "Adler is een boosaardige paranoïde persoon" (geciteerd door Borch-Jacobsen & Shamdasani, 2006, p. 131).

 

De tactiek van het psychiatriseren werd door de psychoanalytici gebruikt vanaf het begin van de Beweging. In Les illusions de la psychanalyse heb ik vier pagina's (1960, p. 64-67) gewijd aan voorbeelden van "diagnostiek" door Freud toegekend aan dissidente leerlingen (Adler, Stekel, Jung, Bleuler, Hirschfeld) en aan psychiaters of psychologen die kritiek uitten (Bratz, Morton Prince, Hellpach en anderen). Ik beperk me er hier toe om enkele van deze etiketten aan te halen: homoseksuele weerstand, obsessionele ambivalentie, onbewust pervers, paranoïde ik, affectieve imbeciliteit, arrogante domheid, homoseksueel gekibbel, grootheidswaan, volkomen gek.

 

Zeker, het is interessant om de psychologische en politieke drijfveren of de historische en sociale contexten van een theorie te analyseren. Dat laat toe om het ontstaan van een theorie uit te leggen, maar niet om de graad van wetenschappelijkheid te evalueren. De wetenschappelijke waarde van een theorie komt enkel tot stand door empirische verificaties van de testbare implicaties. Bijvoorbeeld, men kan de alomtegenwoordigheid van het thema van de seksualiteit in de freudiaanse theorie uitleggen door het feit dat Freud, vanaf 1893 leed aan belangrijke seksuele frustraties, maar alleen de systematische observaties laten toe om deze theorie te valideren of te weerleggen.

 

Freud had de wijsheid om te schrijven (één keer, lijkt me) dat "het feit dat een leer psychologisch gedetermineerd is geenszins zijn wetenschappelijke geldigheid uitsluit" (1913, p. 407). In feite hebben hijzelf en zijn leerlingen voortdurend dit elementair epistemologisch principe met voeten getreden, tot op vandaag. In 1997 leverden de reacties op het verschijnen van Impostures intellectuelles, van Sokal en Bricmont verbluffende voorbeelden. Zo "argumenteerde" Philippe Sollers in een interview van de Nouvel Observateur getiteld "Antwoord aan de imbecielen": "Hun privé-levens zijn een onderzoek waard: Waarvan houden ze? Welke reproducties hangen er aan hun muren? Hoe is hun vrouw? Hoe komen al deze mooie abstracte verklaringen tot uiting in het dagelijkse en seksuele leven? "(geciteerd in Sokal & Bricmont, 1999, p. 24).

 

4. Freud is nog een rationalist in de vierde betekenis van de term. Volgens hem is wetenschap het enige middel om ware kennis te produceren. Lacan heeft zeer terecht dit kenmerk van de freudiaanse gedachte benadrukt. Hij schrijft: "Wij zeggen, in tegenstelling tot wat er geleuterd wordt over een zogenaamde breuk van Freud met het sciëntisme van zijn tijd, dat het dit sciëntisme zelf is die Freud heeft geleid, zoals zijn geschriften ons aantonen, om de weg te openen die voor altijd zijn naam draagt. Wij zeggen dat deze weg zich nooit heeft losgemaakt van de idealen van dit sciëntisme" (1966, p. 857).

 

Men zou hier talrijke geloofsbelijdenissen van Freud in de Rede en de Wetenschap kunnen vermelden. Ik beperk me ertoe zijn mening aan te halen betreffende een vorm van kennis die soms aanvullend, soms rivaliserend is aan de wetenschap: de filosofie. Freud schrijft op het einde van zijn leven: "Het is onaanvaardbaar te zeggen dat de wetenschap een domein is van de activiteit van de menselijke geest, en dat de religie en de filosofie er andere zijn, minstens evenwaardig aan haar, en dat de wetenschap zich helemaal niet moet mengen in de twee andere; dat ze allen hetzelfde recht hebben om aanspraak te maken op de waarheid en dat elke mens de vrijheid heeft om te kiezen vanwaar hij zijn overtuiging wil halen en waaraan hij geloof wil hechten. Een dergelijke zienswijze gaat door voor bijzonder gedistingeerd, tolerant, breeddenkend en vrij van bekrompen vooroordelen. Helaas is ze niet houdbaar, ze is deelachtig aan alle schadelijke aspecten van een volstrekt onwetenschappelijk kijk op de wereld, en staat er praktisch aan gelijk. Het is echter een feit dat de waarheid niet tolerant kan zijn, dat ze noch compromissen, noch beperkingen toelaat, dat alle domeinen van de menselijke activiteit open staan voor onderzoek en dat men onverbiddelijk kritisch moet worden wanneer een andere instantie er een stuk van voor zichzelf wil confisqueren. […] Methodologisch dwaalt de filosofie af door de waarde van de kennis van onze logische verrichtingen te overschatten en door bijvoorbeeld ook nog andere kennisbronnen te erkennen, zoals de intuïtie. En vaak is men van mening dat de scherts van de dichter (H. Heine) niet zonder grond is wanneer hij zegt over de filosoof: "Met zijn slaapmutsen en zijn kamerjas in vodden stopt hij de gaten in het bouwwerk van de wereld." (1933, p. 172s, tr., p. 244s)

 

In private kring deed hij radicalere uitspraken. Hij schreef bijvoorbeeld aan Ludwig Binswanger (1966, p. 277) dat de "filosofie een van de geschiktste vormen van sublimatie is van een verdrongen seksualiteit, niets meer".

 

5. Freud is helaas niet rationalistisch volgens de vijfde betekenis die we hebben onderscheiden. Immers, het moderne rationalisme, dat Popper "kritisch" noemt, is nauw verwant aan de wetenschap­pelijke geest zoals ze beoefend wordt door de grote meerderheid van de onderzoekers, of ze nu fysici zijn, artsen of psychologen. Deze geest wordt gekenmerkt door de zorg om met rigueur te redeneren, om helder en eerlijk te communiceren, om de eigen ideeën voor te leggen aan de kritiek van andere onderzoekers en aan het verdict van op objectieve en systematische wijze geobserveerde feiten, om niet aan de verleiding toe te geven om strategieën te gebruiken die immuniseren tegen elke weerlegging en om de moed te hebben om door geobserveerde feiten weerlegde hypothesen in de vuilnisbak te gooien. Freud en het merendeel van de freudianen kenmerken zich zelden door deze geest.

 

Freud heeft ongetwijfeld epistemologische gedachten gepubliceerd die in de richting gaan van een open rationalisme, in het bijzonder in de laatste van de Neue Folge der Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse (1933). Wanneer men evenwel onderzoekt hoe hij in de praktijk te werk ging, eerder dan zich te houden aan enkele mooie verklaringen, dan stelt men vast (a) dat hij oneerlijk is geweest wanneer hij sprak over zijn therapeutische resultaten, (b) dat hij onophoudelijk beroep deed op immuniserende strategieën en (c) dat hij zich gedroeg als leider van een dogmatische leer eerder dan als een onderzoeker die ermee instemt om op serene wijze te dialogeren met collega's die bezwaren formuleren.

 

(a) Een van de voornaamste verwijten die Freud te maken zijn is dat hij gelogen heeft over de effecten van zijn methode. Hij heeft herhaaldelijk geschreven dat Anna O, de eerste patiënte die een psychoanalytische behandeling genoot, genezen was van "al" haar symptomen. Vandaag weten we dat de therapie een lamentabele mislukking geweest is, opgesmukt tot onverhoopt succes. De patiënte die kwam consulteren bij Breuer voor een nerveuze hoest, kwam na anderhalf jaar van "behandeling door het woord" tevoorschijn als helemaal van streek, morfinomane, en gedwongen om in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven, waar ze verschillende jaren zal blijven (Ellenberger, 1970; Borch-Jacobsen, 2005). De geschiedenis van het freudisme begint met een grote leugen, volledig bewust, en zet zich verder met een lange reeks van andere leugens, van leider Freud en talrijke leerlingen, Bruno Bettelheim bijvoorbeeld (zie Pollack, 2005).

 

Jacques Bénesteau heeft een werk van 400 bladzijden gepubliceerd over het onderwerp: Mensonges freudiens. Histoire d’une désinformation séculaire. Het is opmerkelijk dat praktisch het enige antwoord dat E. Roudinesco, de mediatieke geschiedschrijfster van de psychoanalyse, heeft kunnen formuleren tegen dit boek is dat het "antisemitisch" is. Eerste element van haar argumentatie: Bénesteau (2004, p. 189s) citeert auteurs die verklaren dat het antisemitisme in Wenen ten tijde dat Freud er zijn beroep uitoefende, veel minder belangrijk was dan men gewoonlijk vertelde. Tweede element: Bénesteau schrijft dat de psychoanalytici "overal zijn" [momenteel in Frankrijk]. Maar, benadrukt Roudinesco, de antisemieten gebruikten precies deze uitdrukking –"Ze zijn overal"- om over de Joden te spreken. "Dus", Bénesteau is een antisemiet. Omdat de logica van deze redenering niet bij alle lezers in het oog springt, preciseert Roudinesco dat het om een "gemaskeerd" antisemitisme gaat ! Als psychoanalytica is ze natuurlijk deskundig in het ontsluieren van wat onbewust of gemaskeerd is in de ogen van de leek.

 

Het belangrijke hier is dat Roudinesco niet zegt dat Bénesteau liegt wanneer hij spreekt over de freudiaanse leugens. Zijzelf erkent, verlegen, freudiaanse "arrangementen" met de waarheid. Bijvoorbeeld, betreffende Anna O., schrijft ze in Pourquoi la psychanalyse ?  : "Als ze niet van haar symptomen genezen was, werd ze wel degelijk een andere vrouw" (1999, 930). Wat een behendigheid in het gebruik van het eufemisme….

 

In feite geven alle "onafhankelijke" historici van het freudisme vandaag toe dat Freud gelogen heeft over zijn therapeutische resultaten. Ze spreken alleen verschillende oordelen uit over deze realiteit. Men kan deze leugens op verschillende wijzen beoordelen. Sommigen hebben excuses gevonden voor hem. Richard Webster, bijvoorbeeld, beëindigt zijn indrukwekkend werk door te zeggen: "Ondanks zijn houding soms minder scrupuleus te zijn ten aanzien van de waarheid, blijft dat, als Freud zijn tijdge­noten heeft willen overtuigen om de psychoanalyse te aanvaarden, het om geen andere reden was dan zijn eigen geloof erin. In die zin is de psychoanalyse niet meer een bedrog dan het christendom, de islam, het jodendom of gelijk welk ander systeem van religieus geloof" (1998, p. 490). Anderen, zoals Han Israëls (Universiteit Amster­dam) of Frederik Crews (Universiteit Berkeley) aarzelen niet om van "charlatanisme" te spreken. Als psycholoog, denk ik dat de essentiële vraag niet de moraliteit van Freud is, maar de waarde van zijn theorie. Maar uiteindelijk berust zijn theorie op de klinische praktijk en op zijn zelfanalyse. Vandaag lijken deze twee pijlers meer op romans dan op rigoureuze wetenschap. De freudiaanse constructie is op zand gebouwd.

 

Freud hoopte op de Nobelprijs voor geneeskunde. Hij heeft de Goetheprijs voor literatuur gekregen. Het is fout te geloven dat de psychoanalyse een wetenschap is in de rigoureuze betekenis van de term. Zoals Richard von Kraft-Ebing, de beroemde Weense psychiater en seksuoloog, het in 1896 begrepen had, de theorie van Freud is een "wetenschappelijk sprookje". Reeds in 1925 verklaarde Aldous Huxley dat "de psychoanalyse een van de mooiste specimens van pseudo-wetenschap is die ooit door de menselijke geest is ontworpen" (vert. in 2005, p. 406).

 

(b) Men zou kunnen naar voor schuiven dat Freud een beetje de feiten heeft gearrangeerd om een methode te promoten die uiteindelijk waardevol is, zelfs als ze minder effectief is dan hij beschreef in het begin van zijn carrière. Dan stelt zich nog het fundamenteel probleem van het misbruik van het concept van het "onbewuste" en de concepten die eraan verbonden zijn: weerstand, verdringing, reactieformatie, ontkenning, sublimatie.

 

Sedert ongeveer drie eeuwen spreekt men over onbewuste processen. Met reden: op elk ogenblik nemen onze gedragingen deel aan processen waarover we niet nadenken of waarvan we zelfs het bestaan niet kennen (zie bvb. Van Rillaer, 2003, hdst. 7). Evenwel zouden alle psys moeten nadenken over deze waarschuwing die William James reeds in 1890 deed, in een periode dat Freud nog een illustere onbekende was: "Het onderscheid tussen onbewuste en bewuste toestanden van het psychisme is het soevereine middel om alles te geloven wat men wil in de psychologie" (1890, p.163).

 

Popper heeft duidelijk aangetoond dat een wetenschappelijke verklaring op zo'n wijze geformuleerd moet worden dat de observatiegegevens haar kunnen weerleggen (zonder dat dit impliceert dat het vroeg of laat zal zijn). Anderen voor hem hadden reeds begrepen dat een radicale zwakte van de psychoanalyse is dat ze altijd alles en het tegendeel kan uitleggen. Zo toonde de psycholoog Adolf Wohlgemuth in 1923 aan dat het freudisme functioneert volgens het principe "Munt, ik win. Kruis, gij verliest." (geciteerd in Borch-Jacobson & Shamdasani, 2006, p. 233).

 

Weliswaar kan men op het niveau van de theorie controleerbaar-weerlegbare stellingen isoleren. Bijvoorbeeld, Freud schreef: "De intellectuele minderwaardigheid van zoveel vrouwen, die een onbetwistbare realiteit is, moet toegeschreven worden aan de inhibitie van het denken, inhibitie vereist voor de seksuele repressie" (1908, tr., p. 42). Hij vermeldt daar twee empirische wetten die men kan testen: de intellectuele inferioriteit van de vrouwen zou "een realiteit" zijn (de wetenschappelijke psychologie heeft aangetoond dat daar niets van aan is); het gebrek aan intelligentie van de vrouwen zou te wijten zijn aan de seksuele repressie (ik betwijfel of men op een grote steekproef zou kunnen waarnemen dat wanneer seksueel zeer gecontroleerde vrouwen ertoe kompen om zich te bevrijden van hun inhibities, hun intellectuele capaciteiten automatisch zouden verhogen).

 

Op het klinisch niveau, wordt de psychoanalyse altijd "geverifieerd" en schijnt ze dus "onweerlegbaar", "niet-falsifieerbaar", wat tekenend is voor de afwezigheid van wetenschappelijkheid. Voorbeeld: de leer van het Oedipuscomplex wordt altijd "geverifieerd", welke feiten er ook worden geobserveerd. Als een jongen van zijn moeder houdt en zijn vader verafschuwt, presenteert hij een manifest Oedipuscomplex. Als een ander zijn vader aanbidt en zich agressief toont tegenover zijn moeder, dan zijn zijn Oedipale neigingen "verdrongen". In dat geval kan de analyticus zeggen, zoals Freud voor de Kleine Hans, dat de agressiviteit tegenover de moeder een "uitdrukking is van sadistische neigingen die een incestueus verlangen vertalen" en dat de affectie voor de vader een "reactieformatie" is voor het verlangen deze te doden. (Voor meer details, zie Meyer et al., 2005, p. 239-241 ; 421).

 

Freud, Adler, Stekel, Jung, Rank, Reich, Ferenczi en anderen waren clinici. Allen hebben ze theorieën ontwikkeld die elkaar tegenspraken. Alleen het wetenschappelijk onderzoek laat toe om tussen de hypothesen deze te weerhouden die het best vastzitten op de werkelijkheid. Freud heeft het belang van de experimentele methode niet erkend om te beslissen tussen hypothesen, om sommige te bevestigen en andere te weerleggen. Hij geloofde niet in het belang van de wetenschappelijke methode voor zijn discipline. Wanneer een Amerikaanse psycholoog, Saul Rosenzweig, hem resultaten van experimenteel onderzoek toestuurde die in de richting gingen van zijn theorie over de verdringing, antwoordde hij: "Ik kan niet veel waarde toekennen aan deze confirmaties, want de rijkdom van de degelijke observaties waarop mijn beweringen berusten maakt ze onafhankelijk van de experimentele verificatie. Evenwel, kan dat geen kwaad doen." Roy Grinker, die bij Freud was toen deze het document van Rosenzweig ontving, vertelt: "Freud wierp de brief woedend op de grond zeggende: "de psychoanalyse heeft geen behoefte aan experimenteel bewijs""(1958, p. 132).

 

(c) In het begin had Freud de wil om wetenschap te bedrijven. Evenwel, zodra collega's of leerlingen ideeën produceerden, verschillend van de zijne, is hij gaan verstijven in een dogmatische opstelling, weigerend om zijn opvattingen te onderwerpen aan de wederzijdse kritiek en aan het verdict van nieuwe observaties. Op het einde van zijn leven, wanneer hij de "zo talrijke dissidenties in de geschiedenis van de psychoanalyse" oprakelt, zal hij deze bekentenis doen: "Een volkswijsheid zegt dat we moeten leren van onze vijanden. Ik verklaar dat dit bij mij niet het geval is" (1933, p. 150). Tot aan het begin van de jaren 1910 probeerde Freud deel uit te maken van de wereld van de wetenschappelijke onderzoekers van de psychologie en de neurologie. In 1913 organiseerde de Duitse vereniging voor psychiatrie een congres in Breslau, waarin er vooral gesproken werd over de psychoanalyse. Professor Emil Kraepelin legde er uit dat "wat goed is in haar niet nieuw is en voornamelijk van Janet kwam" (Borch-Jacobsen & besloot Shamdasani, 2006, p. 138). Hoche die een onderzoek had gedaan betreffende de therapeutische resultaten van de psychoanalyse, besloot in zeer negatieve zin. Hij ging zover te zeggen dat de psychoanalyse dikwijls meer kwaad deed dan goed. Hij zei dat ze "een oude suggestieve techniek was in nieuwe pseudowetenschappelijke kleren" (idem, p. 137). Hij hekelde het dogmatisme en het sektarisme van de freudianen. Hij citeerde ironisch de woorden van Stekel bij de opening van een congres van psychoanalyse twee jaar voordien: "Op deze dag van viering voelen we ons als broeders van een Orde die het offer van eenieder eist ten dienste van de Gemeenschap" (idem, p. 136).

 

Reeds in 1911 weigerde Freud om naar congressen te gaan die niet exclusief psychoanalytisch waren. Hij schreef naar Pfsiter: "Het is nauwelijks mogelijk om publiekelijk een betoog te houden over de psychoanalyse. […] De debatten kunnen slechts even tevergeefs blijven als de theologische controversen ten tijde van de Reformatie" (brief van 28 mei). Het congres van Breslau betekent een bocht in de intellectuele evolutie van Freud. Vanaf dat ogenblik centreerde hij zich op de opleiding van zijn leerlingen en de ontwikkeling van een Beweging waarvan hij de leider wilde zijn. Hij behandelt dan steeds minder patiënten. Hij zet een idee van Jung op zijn rekening: de leeranalyse, die het middel wordt om zijn leer te propageren op een initiërende wijze, en om gemakkelijk zijn brood te verdienen.. Zoals Borch-Jacobsen en Shamdasami, die voor het ogenblik ongetwijfeld de best geïnformeerde geschiedschrijvers van de psychoanalyse zijn, het zeggen: "Om toegang te hebben tot de verborgen kunst van Freud, moest men weliswaar met klinkende munt betalen, maar het was ook mogelijk om deze investering te recupereren door andere leerlingen te laten betalen, die op hun beurt, enz.  Afgescheiden van de universiteit en de geneeskundefaculteiten (Freud is opgehouden met lesgeven in 1917), is de psychanalyse veranderd in een particuliere onderneming die klanten (patiënten-leerlingen-mecenassen) recruteerde op een gedereguleerde markt en zijn kaders vormde op volledig autonome en "leken" wijze, los van elke goedkeuring door universiteit of overheid. In een woord, de psychoanalyse is de firma van Sigmund Freud geworden, georganiseerd als een internationale corporatie gebaseerd op het systeem van de franchise" (Borch-Jacobsen & is Shamdasani, 2006, p. 144).

 

Vanaf de jaren 1910 is Freud een zakenman en sekteleider geworden. Niet allen die inspiratie vonden in zijn werken hebben hem gevolgd op die weg. In de Verenigde Staten zijn er psychoanalytici geweest, en nog steeds, die bezorgd zijn om de rationaliteit, zelfkritiek, eerlijkheid, wetenschappelijk­heid en openheid. In Frankrijk zou men voorbeelden kunnen aanhalen zoals Daniel Widlöcher (Paris) et Michel Marie-Cardine (Lyon), die hun dienst openstelden voor gedragstherapie en cognitieve therapie.

 

Helaas zijn de "irrationele" denkwijzen van het freudisme voortgezet en zelfs versterkt met Jacques Lacan en zijn leerlingen. De Parijse goeroe heeft het irrationalisme op een niveau gebracht dat Freud zonder enige twijfel zou afgekeurd hebben. Terwijl Freud zich altijd uitdrukte met de zorg om zich te laten begrijpen, heeft Lacan nooit opgehouden om zijn discours steeds meer duister te maken, zelfs voor de ingewijden (zie Buekens, 2005). Freud had de wil om aan wetenschap te doen, ondanks het feit dat het hem aan een aantal wetenschappelijke regels ontbrak, die in feite verre van algemeen begrepen waren door alle onderzoekers van zijn tijd. Lacan, hij heeft ronduit een antiwetenschap­pelijke houding bevorderd. Hij verklaarde zonder schaamte: "Geen enkel resultaat van de wetenschap is een vooruitgang. In tegenstelling tot wat men zich voorstelt, draait de wetenschap in een cirkel, en we hebben geen reden om te denken dat de mensen uit het steentijdperk minder wetenschap hadden dan wij" (1977, p. 10), "Ik concludeer dat het wetenschappelijk discours en het hysterisch discours bijna dezelfde structuur hebben" (1973, p. 36.).

 

Aldus is in een eeuw tijd, de psychoanalyse, die begonnen was als een rationalistisch project, een machtige vector geworden van irrationeel denken. In 1920 schreef de beroemde Engelse seksuoloog Havelock Ellis, waarmee Freud een vriendschappelijke correspondentie had onderhouden, reeds: "Het is jammer dat Freud vooral een sekteleider is geweest, volgens het model van de religieuze sektes" (geciteerd in Brome, p. 318). De dingen zijn niet veranderd. Met Lacan en zijn schoonzoon Jacques-Alain Miller, zijn zij zelfs aanzienlijk erger geworden.

 

Referenties

Anzieu (1978) Rationalité dans la théorie et dans la pratique de la psychanalyse. Raison présente, n° 46, p. 9-19.

Bénesteau, J. (2002) Mensonges freudiens : Histoire d’une désinformation séculaire. Wavre, Mardaga.

Borch-Jacobsen, M. (2005) La vérité sur le cas de Mlle Anna O. Dans C. Meyer et al., Le livre noir de la psychanalyse. Paris, Les Arènes, p. 25-30.

Borch-Jacobsen, M. & Shamdasani, S. (2006) Le dossier Freud. Enquête sur l’histoire de la psychanalyse. Paris, Les Empêcheurs de penser en rond.

Brome, V. (1967) Les premiers disciples de Freud. Tr., P.U.F., 1978.

Buekens, F. (2005) Pourquoi Lacan est-il si obscur ? Dans C. Meyer et al., Le livre noir de la psychanalyse. Paris, Les Arènes, p. 269-277.

Binswanger, L. (1966) Discours, parcours, et Freud. Tr., Paris, Gallimard.
Crews, F.C. (1998) Unauthorized Freud. Doubters confront a legend. New York, Londres, Viking, 301 p.

Ellenberger, H. (1970) The Discovery of the Unconscious. N.Y., Basic Books. 932 p. Tr., À la découverte de l’inconscient. Histoire de la psychiatrie dynamique. Villeurbanne, Simep, 1974, 760 p. Rééd., Histoire de la découverte de l’inconscient. Paris, Fayard, 1994.

Frank, L. (1910) Die Psychanalyse. Munich, E. Reinhardt.

Freud, S. (1895) Obsessions et Phobies. Gesammelte Werke, Fischer, vol. I, p. 345-353.

Freud, S. (1896a) L’hérédité et l’étiologie des névroses. Gesammelte Werke, Fischer, vol. I, p. 407-422.

Freud, S. (1896b) Zur Aetiologie der Hysterie. Gesammelte Werke, Fischer, vol. I, p. 425-459.

Freud, S. (1900) Die Traumdeutung. Gesammelte Werke, Fischer, vol. II-III. Tr., L’interprétation des rêves. P.U.F., 1967.

Freud, S. (1908) La morale sexuelle civilisée et la maladie nerveuse des temps modernes. Tr., La Vie sexuelle, P.U.F., 1969, p. 28-46.

Freud, S. (1910a) Ueber Psychoanalyse (Fünf Vorlesungen) (1909) Gesammelte Werke, Fischer, vol. VIII, p. 3-60.

Freud, S. (1910b) Ueber « Wilde » Psychoanalyse. Gesammelte Werke, Fischer, vol. VIII, p. 118-125.

Freud, S. (1913) Das Interesse an der Psychoanalyse. Gesammelte Werke, Fischer, vol. VIII, p. 390-420.

Freud, S. (1914) Zur Geschichte der psychoanalytischen Bewegung. Gesammelte Werke, vol. X, p. 44-113.

Freud, S. (1917a) Conférences d’introduction à la psychanalyse. Tr., Œuvres complètes, P.U.F., vol. 14.

Freud, S. (1917b) Eine Schwierigkeit der Psychoanalyse. Gesammelte Werke, Fischer, vol. XII, p. 3-12.

Freud S. (1927) Die Zukunft einer Illusion. Gesammelte Werke, Fischer, vol. XIV, p. 325-80. Tr., L’avenir d’une illusion. Œuvres complètes, P.U.F., vol. XVIII, 1994, p. 141-197.

Freud, S. (1933) Neue Folge der Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse. Gesammelte Werke, Francfort, Fischer, vol. XV. Tr., Nouvelle suite des leçons d’introduction à la psychanalyse. Œuvres complètes, P.U.F., vol. XIX, 1995, p. 83-268.

Freud, S. (1939) Der Mann Moses und die Monotheistische Religion. Gesammelte Werke, Fischer, vol. XVI, p. 101-246.

Freud, S. (1940) Abriss der Psychoanalyse. Gesammelte Werke, Fischer, vol. XVII.
Freud (1950) Aus den Anfängen der Psychoanalyse – Briefe an Wilhelm Fliess, Abhandlungen und Notizen aus den Jahren 1887-1902. London, Imago.

Freud, S. & Binswanger, L. (1995) Correspondance. Tr., Paris, Calmann-Lévy.

Freud, S. & Pfister, O. (1963) Briefe. 1909-1939. S. Fisher.

Grinker R., A philosophical appraisal of psychoanalysis. Dans J. Masserman (éd.), Science and Psychoanalysis. New York, Grune & Stratton, 1958, vol. I, p. 132.

Huxley, A. (1925) Une supercherie pour notre siècle. Tr. dans C. Meyer et al. (2005) Le livre noir de la psychanalyse. Paris, Les Arènes, p. 403-411. (Original dans les revues The Forum, p. 313-320 et The Adelphi, mai 1925).

Israëls, H. (1999) De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen. [Le charlatan de Vienne. Un siècle de Freud et de freudiens]. Amsterdam, Bert Bakker (Prometheus), 192 p.

James W. (1890) Principles of psychology, New York, Holt ; Londres, Macmillan, vol. 1.

Lacan, J. (1966) Ecrits. Paris, Seuil.

Lacan J. (1973), Télévision. Paris, Seuil.

Lacan J. (1977) Ornicar ? Bulletin Périodique du Champ Freudien, n° 12, p. 10.

Meyer, C., Borch-Jacobson, M., Cottraux, J., Pleux, D., Van Rillaer, J. (2005) Le livre noir de la psychanalyse. Paris : Les arènes, 830 p. Rééd. en poche, Collection 10/18, n° 3991, 2007, 1018 p.

Pollak, R. (2005) Bettelheim l’imposteur. Dans C. Meyer et al. (2005) Le livre noir de la psychanalyse. Paris : Les Arènes, p. 533-548.

Popper, K. (1966/1979) La société ouverte et ses ennemis. Tr., Paris, Seuil, tome 2.

Roudinesco, E. (1999) Pourquoi la psychanalyse ? Paris, Fayard.

Roudinesco, E. (2004) « Le Club de L’Horloge et la Psychanalyse : Chronique d’un antisémitisme masqué ». Les Temps Modernes, 627, p. 242-254

Sokal, A. et Bricmont, J. (1999), Les impostures intellectuelles. Ed. revue, Le Livre de Poche, n° 4267.

Sulloway, F. (1979) Freud, biologist of the mind : Beyond the psychoanalytic legend. N. Y. : Basic Books. Tr., Freud, biologiste de l’esprit. Fayard, 1981, 595 p. Rééd. 1998, 620 p.

Sulloway, F. (2005) Freud recycleur : cryptobiologie et pseudoscience. Dans C. Meyer et al. (2005) Le livre noir de la psychanalyse. Paris : Les Arènes, p. 49-65.

Van Rillaer, J. (1980) Les illusions de la psychanalyse. Wavre, Mardaga, 4e éd. 1996.

Van Rillaer, J. (2003) Psychologie de la vie quotidienne. Paris, Odile Jacob.

Webster, R. (1998) Le Freud inconnu. L’invention de la psychanalyse. Tr., Paris, Exergue.

Zazzo, R. (1978) La psychanalyse est-elle rationaliste ? Raison présente, n° 46, p. 3-8.

 

 

 

[1] Jacques Van Rillaer is Professor psychologie aan de universiteit van Louvain-la-Neuve.

      Lid van het wetenschappelijke Comité en beschermheer van AFIS.

[2] De originele tekst werd gepubliceerd op de website van het AFIS

     http://www.pseudo-sciences.org/spip.php?article763  - Nederlandse vertaling: G. Allemeesch

 

 

 

 

 

Freud op de sofa