Verborgen winsten van de psychoanalyse

 

Jacques Van Rillaer [1]

 

 

Kan men objectief over psychoanalyse spreken? Niet meer dan over katholicisme of over socialisme. Men kan er slechts op een relatief objectieve wijze over spreken. Om een aanmerkelijke graad van objectiviteit te benaderen, moet men zich informeren, belangrijke feiten niet ontkennen, zich niet laten gaan in de haatÖ noch in de verering (zie kader hieronder).

 

Tekstvak: Een verwonderlijke onbekendheid
Ik ben een devote psychoanalyticus geweest (van 1967 tot 1973), nadien sceptische psychoanalyticus (van 1974 tot 1978) en uiteindelijk een afvallige (in 1979). In het begin van de jaren '80 heb ik een opleiding gevolgd in de cognitieve gedragswetenschappen die ik tot op vandaag toepas met grote voldoening. Ik betreur dat Frankrijk een van de zeldzame ontwikkelde landen is waar deze therapieŽn weinig worden uitgeoefend en dikwijls a priori in diskrediet worden gebracht. Deze eigenaardigheid volgt grotendeels uit de greep van de freudianen op het geheel van het raderwerk van de psychische gezondheid. Het heeft een verwonderlijke onbekendheid van de vooruitgang van de wetenschappelijke psychologie tot gevolg. Voor vele journalisten is er, buiten de pop-therapieŽn, slechts ťťn alternatief: de psychoanalyse of de neurowetenschappen en de ge-neesmiddelen. Aldus in Le Monde van 27-12-1996, be-sloot de voorstelling van een boek van GrŁnbaum over de psychoanalyse: "Verraadt de bijtende ironie die opborrelt op elke bladzijde van dit wijze boek het echte project van deze onderneming: de uitroeiing van de psychoanalyse en de behandeling die door Freud werd ontwikkeld, die aan de zieken geen andere keuze zou overlaten dan de antidepressiemiddelen? "Hallucinant!
In mijn boek Les Illusions de la psychanalyse [2] heb ik de rede≠nen uitgelegd waarom ik het freudisme heb opge≠geven. Men heeft me een gepassioneerde toon [3] kunnen verwijten. Deze toon is te verklaren door de buitensporige macht en de arrogantie van de psychoanalytici in mijn land (BelgiŽ) en, in het bijzonder, in mijn universiteit. Toenter≠tijd heb ik gereageerd als een inwoner die zijn buren zon≠der schaamte een verkeerde weg zou zien aanwijzen aan naÔeve buitenlanders. Ik heb met kracht willen zeggen: "Luister niet naar hen, zij vergissen zich, kijk eerder naar deze andere weg (de wetenschappelijke psychologie)". Niet publieke≠lijk zeggen wat ik had vastgesteld leek me zoals het niet verle≠nen van hulp aan personen in gevaar. De tijden zijn veranderd, ten≠minste in BelgiŽ. In het depar≠tement van psychologie van mijn universiteit, hebben de zeldzame freudianen hun verwaandheid verloren. Vandaag ben ik sereen, maar mijn mening over de psychoanalyse is niet gunstiger geworden, integendeel.

 

Toen ik Les Illusions de la psychanalyse schreef, wist ik dat de presentatie van de hoofdcasus van de psycho≠ana≠lyse, het beroemde geval Anna O., leugenachtig was. Freud had geschreven dat "de patiŽnte van al haar symp≠tomen werd bevrijd" [4]. Aan het einde van de jaren '60, heeft Henri Ellenberger, de be≠roemdste van de historici van de psychiatrie, in de psychi≠atrische kliniek van Kreuzlingen geneeskundige verslagen ontdekt, die aantonen dat dit geval in werkelijkheid een lamenta≠bele mis≠luk≠king was. Tussen het moment waarop Breuer de patiŽnte een eerste keer voor een weerstandige hoest ontving en het moment waarop hij haar naar Kreuzlingen stuurde, na anderhalf jaar behandeling "door het woord", is de psychische gezondheid van Anna alleen maar slechter geworden. De patiŽnte had het merendeel van haar symptomen behouden en was een ernstige morfino≠mane geworden (Breuer had morfine voorgeschreven tijdens zijn therapie, een detail dat in de Studies over de hysterie [5] wordt verzwegen).

 

Sedertdien heb ik andere onderzoeken gelezen betreffende de oorsprong van de ideeŽn van Freud en de ontwikkeling van zijn School. Eerst die van Roazen (universiteit van Toronto) en van Sulloway (Massachusetts Institute of Technology), vervolgens die van Crews (universiteit Berkeley) en van IsraŽls [6] (universiteit van Amsterdam), tenslotte de opmerkelijke synthese van Jacques Bťnesteau (de universiteit van Toulouse): Mensonges freudiens. Histoire díune dťsinformation sťculaire [7].  De historici, die de Freud Archieven in Washington en in Londen hebben willen raadplegen, zijn op het verbod gestoten om talrijke documenten te raadplegen, in het bijzonder een groot deel van de correspondentie van Freud. Voor sommige van deze documenten - in het bijzonder de brieven van Freud aan Breuer Ė is de toegang verboden tot in 2113, een enig feit in de wereld! Geen enkel militair geheim wordt bewaard op zo'n termijn. Het embargo op de archieven heeft natuurlijk de nieuws≠gierigheid van de onderzoekers gestimuleerd. Klaarblijkelijk hadden Freud en de zijnen ernstige dingen te verbergen. Stukken briefwisseling zijn beetje bij beetje gepubliceerd geweest. Een van de belangrijkste documenten is, in 1985, de volledige publicatie (in het Engels) geweestvan de briefwisseling tussen Freud en Fliess, door Jeffrey Masson, die toen directeur was van de Freud Archieven. Deze tekst heeft de omvang van het knipwerk en de vervormingen getoond die in de eerste uitgave werd uitgevoerd (tot nu toe, beschikt de Franse lezer slechts over deze gekuiste versie van 1950). De visie op de psycho≠ana≠lyse en op zijn stichter is radicaal veranderd. De vader van de psychoanalyse verschijnt niet meer als een integere geleerde, een moedige onderzoeker van de waarheid, maar als een zeer ambitieuze man, weinig scrupuleus, gulzig om geld te verdienen, autoritair, haatdragend, bijgelovig, paranoÔde. Hij heeft een groep van discipelen gesticht, de mentaliteit cultiverend van de vervolgde rechtvaardige. Het ergst zijn niet zijn gedragingen (tenslotte welk belang heeft de man als zijn theorieŽn geverifieerd zijn), maar de leugens betreffende het klinisch materiaal. Freud heeft gelogen wat de successen van zijn therapie betreft, hij heeft patiŽnten uitgevonden, hij heeft een kunst ontwikkeld om zonder werkelijk geobserveerde feiten te speculeren. Zijn leer is gebaseerd op een onoplosbaar mengsel van feiten, interpretaties en mystifi≠caties. De vermommingen van de werkelijkheid zijn helaas een gewoonte geworden in de psychoanalytische beweging. Onder de vervalsers die door het grote publiek het meest worden opgehemeld, is Bettelheim een beste keuze, tot onheil van de ouders van autistische kinderen [8].

 

 

Analyse van de psychoanalyse

 

Men kan de psychoanalyse op verschillende wijzen bekijken. We hebben zonet het historisch perspectief ter sprake gebracht [9]. Hier reeds zijn tegengestelde interpretaties mogelijk, vanaf de hagio≠grafische voorstelling van Ernest Jones, de trouwe leerling van Freud, tot aan de krachtige veroordelingen van een Cioffi [10], langs≠heen de gematigde positie van Webster. Laatstgenoemde sluit een zeer gedocumenteerd werk af door te zeggen: "Ondanks zijn soms minder scrupuleuze houding ten aanzien van de waarheid, blijft er dat, als Freud zijn tijdgenoten heeft willen overtuigen om de psychoanalyse te aanvaarden, dit was om geen enkel andere reden dan zijn eigen geloof erin. In die zin is de psychoana≠lyti≠sche theorie niet meer een oplichterij dan het christendom, het jodendom, de islam of eender welk ander systeem van religieus geloof." [11]

Het epistemologisch perspectief is gekend. Het is dat wat ik heb aangenomen in Les Illusions de la psychanalyse. Men kan hier Popper, Eysenck, GrŁnbaum aanhalen. De eerste heeft goed getoond hoe hetfreudiaans systeem het mogelijk maakt om eender welk feit dat in tegenspraak is te weerleggen, tenminste in de klinische praktijk. Voor Popper, maakt deze onweer≠leg≠baar≠heid van de psychoanalyse een pseudo-wetenschap. Eysenck en GrŁnbaum vertrekken van het idee dat een reeks verklaringen van de freudiaanse theorie geformuleerd kunnen worden op een manier dat ze toetsbaar/weerlegbaar worden. Bijvoorbeeld, Freud schrijft: "De intellectuele minderwaardigheid van zoveel vrouwen, die een onbetwistbare realiteit is, moet toegeschreven worden aan de inhibitie van het denken, inhibitie vereist voor de seksuele verdringing" [12]. Een toetsbaar gevolg is dat hoe meer vrouwen seksueel bevrijd zijn, hoe intelligenter ze worden. Over het geheel genomen, tonen de proefonder≠vindelijke onderzoeken aan dat de specifiek freudiaanse verklaringen bijna zonder wetenschappelijke waarde zijn [13].

We stappen hier over naar een "gedragsanalyse". We onderzoeken welke de determinanten kunnen zijn van de gedragingen van de beoefenaars van de psychoanalyse en van hun cliŽnten. Wij beperken ons echter tot een functionele analyse. Een klassieke gedragsanalyse houdt rekening met zes variabelen: (a) de omgeving van het gedrag en de voorafgaande stimuli, (b) de cognitieve processen, (c) de affecten, (d) de acties, (e) de toestand van het organisme en (f) de geanticipeerde gevolgen van het gedrag. [14] Wij centreren ons op de zesde variabele en antwoorden op de vraag: wat zijn de geheime winsten van de psychoanalyse? Onder "geheime" verstaan we: alleen maar begrepen door een minderheid van personen. De ruimte ontbreekt ons voor een uitvoerige inventaris.

 

 

Kleine therapeutische winsten

 

Tijdens de eerste jaren van zijn loopbaan, heeft Freud altijd verzekerd genezingen te bekomen. In 1896, verklaart hij de specifieke oorzaak van de hysterie ontdekt hebben: het is altijd de verdringing, in het onbewuste, van seksuele ervaringen ondergaan in de kinderjaren. De patiŽnten, zegt hij, herinneren zich geen enkele van deze ervaringen, maar het volstaat dat zij erin slagen om zich de scŤnes te herinneren om genezen te zijn. Freud verklaart dat zijn ontdekkingen berusten op 18 gevallen die met successen werden behandeld [15]. De publicatie in extenso van de brieven van Freud aan Fliess Tekstvak: Een grove leugen

Het ergste is niet de kwestie van het aantal, maar de be-wering van de therapeutische successen. Door nader on-derzoek van de correspondentie van Freud stelt men duidelijk vast dat zijn resultaten en deze van andere analytici maar matig waren en dat sommige patiŽnten verslechterden naarmate de kuur vorderde. Eťn bekentenis tussen andere. In een brief aan Freud, legt Jung uit hoe hij de psychoanalyse tegenover belagers heeft verdedigd: "Ik heb het als voorzichtiger beschouwd om me niet te veel te steunen op het therapeutische succes, anders zal men snel materiaal verzameld hebben in staat om aan te tonen dat het therapeutische resultaat zeer slecht is, hetgeen eveneens kwaad aan de theorie zou doen" (4-12-1906). Omstreeks 1910 was het algemeen bekend dat de resultaten van de psychoanalyse echt niets spectaculairs hadden. Vanaf die periode vermindert Freud zijn verklaringen betreffende de doeltreffendheid van de psychoanalyse en onderstreept hij steeds meer haar "wetenschappelijk" belang.
toont aan dat het om een enorme bluf gaat. In die periode heeft Freud sinds maanden bijna geen patiŽnten. Op het moment zelf waarop hij zijn "ontdekkingen" publiceert, vertrouwt hij aan Fliess toe dat niet ťťn enkele behandeling afgelopen was! Verschillende historici van het freudisme hebben deze leugen gevonden [16].

Twee jaar later verzekert Freud de verklaring en de behandeling ontdekt hebben van de neurasthenie - die men vandaag de depressie of de dysthyme stoornis noemt. De oorzaak zou steeds, zonder uitzondering, masturbatie zijn. Hij verzekert dat het volstaat om de patiŽnten ertoe aan te zetten om "normale seksuele relaties aan te gaan" opdat de neurasthenie zou ver≠dwij≠nen. Hij rechtvaardigt zijn verklaringen door "meer dan 200 gevallen gezien op consultatie" [17]. Ook dit keer tonen de brieven aan Fliess aan dat Freud liegt: hij haalt een aantal patiŽnten aan dat absoluut niet met het reŽle aantal overeenstemt (zie de omkaderde tekst hiernaast). [18]

 

Anderzijds, aangezien de aanval de beste verdediging is, ver≠zaakt Freud aan "de therapeutische hardnekkigheid" en waar≠schuwt voor "de wil om te genezen". Zijn discipelen hebben in koor het verzaken aan de furor therapeuticus hernomen. In lacaniaanse taal: "De psychotherapie voert terug tot het ergste... Het is niet de moeite om het psychische te behandelen. Freud dacht dat ook. Hij was van mening dat men zich niet mocht onder druk zetten om te genezen " [19]

Tijdens zijn laatste jaren is Freud steeds meer bescheiden geweest wat de therapeutische kracht van de psychoanalyse betreft. Hij schrijft bijvoorbeeld dat de analyticus zich ertoe beperkt om te analyseren en dat de genezing slechts een bijkomende winst is [20], of nog: "Over het algemeen, wordt onze therapie gedwongen om zich ertoe te beperken om sneller, zekerder, met minder uitgaven, de goede afloop te brengen die, in gunstige omstandigheden, zich spontaan zou voorgedaan hebben" [21].

 

Men heeft tot 1952 moeten wachten voor een psycholoog van de universiteit van Londen, Hans Eysenck, de kwestie op weten≠schappelijke wijze zou behandelen. Door studies te verzamelen betreffende meer dan 7000 patiŽnten die door hun huisarts of door "eclectische" psychotherapeuten werden behandeld en betreffende de evolutie van 760 patiŽnten die met psychoanalyse werden behandeld, stelde hij vast dat twee derde verbeterde na 2 jaar, ongeacht de behandeling. Dit soort onderzoek werd tientallen keren hernomen in de Angelsaksische landen en van het Noorden van Europa. Bijna alle onder≠zoeken tonen aan dat, rekening houdend met de kosten in tijd en dus in geld, de psy≠cho≠analyse een veel minder efficiŽnte "therapie" is dan de ge≠drags- en cognitieve therapieŽn - met name voor de angststoor≠nissen - en dan de geneesmiddelen - in het bijzonder voor de bipolaire stoornissen en de psychotische stoornissen. In het "freudiaanse Frankrijk" [22], het land met het meest psychoanalytici per inwoner, werd, bij mijn weten, nooit een vergelijkende studie gepubliceerd. Alle debatten over de effecten van de psychoana≠lyse blijven beperkt tot gevalstudies, theoretisch discours en voorbarige beweringen.

 

 

Verleidelijke winsten voor de geanalyseerden

 

Het merendeel van de psychoanalytici verachten "de gedragingen" die laten lijden en kwalificeren ze als "symptomen".

Zij slagen er vaak in om hun patiŽnten deze wijze van spreken te laten overnemen. Zo schreef Pierre Rey, na afloop van tien jaar van dagelijkse zittingen van analyse bij Lacan, dat zijn sociale fobieŽn - "het symptoom" waarvoor hij met de kuur was begonnen - niet was verdwenen: "Dit toegeven vandaag doet me glimlachen: ik ben nog altijd even fobisch. Maar intussen, heb ik met mijn fobieŽn onderhandeld. Ofwel plaats ik me niet meer in de positie ze te ondergaan ofwel, ze beschouwend als het ongeluk van een lege tijd, onderga ik ze, wat moet ik anders doen, met de verveelde berusting die externe fataliteiten oproepen." [23]

Als de "symptomen" blijven bestaan, welk zijn de voordelen die de patiŽnten uit soms eindeloze kuren halen? In het geval van Rey Ė die de hoofdredacteur van Marie Claire was -, is het antwoord eenvoudig."Kreten, geblokkeerd achter mijn schild van hartelijke welwillendheid, ontsprongen mij in een verschrikkelijke opwinding. Derhalve wist iedereen waaraan zich te houden betreffende de gevoelens die ik hun toedroeg. Wanneer ik liefhad was het voor eeuwig. Wanneer ik haatte voor eeuwig, wachtte men niet langer om het te vatten." [24]

Een voorbeeld: een vriendin telefoneert hem herhaaldelijk om een boek terug te krijgen dat zij hem heeft geleend. Rey vindt het niet terug. In antwoord op een nieuw verzoek, snauwt hij haar toe: "Luister, oude zeug, die strontvod van een oud boek van jou heb ik in de plee geworpen. Nu verwittig ik je. Als je me nog eens opbelt, breek ik je nek ! Ik wil je stem niet meer horen, nooit meer !" [25] Aldus heeft de analyse hem toegelaten om grondig zijn verlangens uit te leven. Hij besluit: "Inzake ethiek is er slechts ťťn principe: het in gang zetten van het verlangen. De rest is literatuur." [26]

Een van de specifieke winsten van de kuren is de desinhibitie van het egoÔsme en de narcistische vervoering. Voorts kan men er de affectieve bevrediging in vinden die het merendeel van de psychotherapieŽn brengen: het plezier om beluisterd te worden, begrepen, gedeculpabiliseerd. Het heeft vaak een relatie van fascinatie en onderworpenheid tot gevolg. Het verschijnsel werd reeds aan het begin van de 19e eeuw door de magnetiseurs, onder de naam van "rapport magnťtique " beschreven. Deze voorvaders van de psychotherapie hadden, bij talrijke patiŽnten, de dispositie vastgesteld om te geloven dat de therapeut over bovennatuurlijke krachten beschikte, wat bevorderend was voor het verlangen naar contacten met de therapeut, de ontwik≠keling van een echte amoureuze hartstocht en een totale onderge≠schikt≠heid [27]. Janet [28] en vervolgens ook Freud heeft eveneens de infantiele gehechtheid onderstreept waarvan een patiŽnt ten opzichte van zijn therapeut kan getuigen. Freud legt het uit als "een overdracht" van gevoelens die oorspronkelijk ervaren werden tegenover de ouders en bekent dat het een machtig suggestief middel is. Hij schrijft: "De patiŽnt, die geacht wordt niets anders te zoeken dan een oplossing voor de conflicten die hem doen lijden, ontwikkelt een bijzondere belangstelling voor de persoon van de arts. Alles wat betrekking heeft op deze persoon schijnt voor hem belangrijker te zijn dan zijn eigen zaken [... ] Voor zover de overdracht positief is, bekleedt hij de arts met autoriteit, omvormt hij zijn communicaties en interpretaties in geloofspunten. [... ] In onze techniek, hebben wij de hypnose slechts opgegeven om de suggestie te herontdekken onder de vorm van overdracht [... ] Wij geven toe dat onze invloed hoofdzakelijk op de overdracht, derhalve op de suggestie berust." [29]

Er zijn nog andere winsten... [30]

 

 

 

Wezenlijke winsten voor de psychoanalytici

 

De psychoanalytische praktijk is een gemakkelijke en zeer winstgevende activiteit. Wanneer hij zijn methode voorstelt, schrijft Freud dat "zij veel gemakkelijker is om toe te passen dan men het zich voorstelt bij zijn beschrijving" [31]. Hij verklaart dat "de regel van de vlottende aandacht", die de manier bepaalt waarop de psychoanalyticus luistert, "het mogelijk maakt om een inspanning op het gebied van aandacht te besparen die men elke dag slechts gedurende enkele uren zou kunnen handha≠ven" [32]. Een illustratie van deze gemakkelijkheid: de eerste patiŽnte van Freud, Emma Eckstein, is zelf psychoanalyticus geworden, zonder enige andere opleiding dan de divan [33].

In een kuur, oefent de psychoanalyticus drie soorten activiteiten uit: luisteren met vlottende aandacht; regelmatig uitzenden van "mhms" (om de klant te verzekeren dat hij goed wordt beluisterd en om hem uit te nodigen verder te "associŽren" in de richting die hij gekozen heeft); af en toe interpretaties geven. De freudiaanse ontcijfering is zeer eenvoudig: hij bestaat voor een groot deel in het versnijden van "betekenaars" (als de patiŽnt zegt: " Ne me prenez pas au mot "[Neem me niet op mijn woord], hoortde analyticus: "Ne me croyez pas homo" [Denk niet dat ik een homo ben]) en in het opsporen van symbolische of analoge betekenissen (de angst voor slangen, is het in het Onbewuste de angst voor de penis) [34]. Het ligt binnen het bereik van iedere middelmatig begaafde persoon, die enkele boeken over psychoanalyse heeft gelezen. Wanneer de klant vervelende vragen stelt, volstaat het ze te retourneren ("Waarom stelt u deze vraag?", "Wat heeft dat te betekenen ? "). Kritiek en tegenkanting worden als "weerstanden", "loocheningen" of uitdrukkingen van "een vijandige overdracht" geÔnterpreteerd. Ze stellen nooit de analyticus in vraag. Zodra de psychoanalyse succes had, hebben talrijke personen ze beoefend zonder de studies van psychologie noch van psychiatrie gevolgd te hebben. In 1922 heeft Freud gereageerd op de toename van analytici die niet door hem werden gecontroleerd, door, als erkenningsvoorwaar≠de door zijn Vereniging, de verplichting van "een persoonlijke analyse" (Selbstanalyse) onder zijn leiding of die van een trouw gebleven discipel in te stellen [35]. In die tijd behandelde Freud bijna geen patiŽnten meer [36]. Hij had begrepen dat de voornaamste winst van zijn methode in "de didactische" analyses berustte: de leerling-analytici hebben geen grote problemen, zij komen altijd op tijd, betalen tot op de laatste cent en worden ijverige discipelen. Een groot aantal van de eerste discipelen van Freud, Karl Abraham bijvoorbeeld, werden niet geanalyseerd en lijken nooit gedacht te hebben dat dit noodzakelijk was. Freud zelf had zich kunnen laten ana≠lyseren door een collega, maar, voor zover ik weet, is daar nooit over gesproken. De Freudianen schuiven twee rechtvaar≠digingen naar voor betreffende de nutteloosheid van de didactische analyse van de Meester: hij was geniaal en hij heeft een zelf-analyse gedaan - een procedure die ontoereikend en die voor om het even welk ander menselijk wezen zelfs gevaarlijke wordt geacht.

De eerste didactische analyses die door Freud werden uitgevoerd, die van Ferenczi bijvoorbeeld, duurden slechts enkele uren. Vanaf de jaren '20 zijn zij steeds langer geworden: 12 jaar voor Dorothy Burlingham (waarvan de oudste zoon, geanalyseerd door Anna Freud, zich zal vergiftigen gelegen in haar bed); 16 jaar voor Ruth Mack-Brunswick (die voortijdig aan drugver≠slaving zal sterven) [37]. Men begrijpt dat heel wat "didactische" analytici hard en luid schreeuwen dat de voornaamste erken≠ningsvoor≠waarde voor de psychoanalytische verenigingen de didactische analyse en geenszins een universitair diploma is, zoals de psychiatrie of de psychologie. De priester teruggekeerd tot de lekestaat, de leraar van filosofie op zoek naar succes en een beter loon, de maatschappelijk werker die promotie zoekt..., zijn allemaal welkom bij de didactici die hun, na enkele honderd≠tallen of duizenden uren van didactiek, de zolang benijde titel van analyticus toekennen. Enkele jaren later, zullen deze op hun beurt "opleiders" kunnen worden...

Ik ontken het belang niet, voor een psychotherapeut, om te leren om zijn eigen gedragingen te observeren en te veranderen, vooral deze die kunnen interfereren in zijn praktijk [38]. Ik stel alleen maar vast dat de freudiaanse didactiek voor deze die de macht hebben in de analytische verenigingen, de voornaamste "winst" zijn geworden die er is en dat er duidelijk misbruiken zijn in de huidige praktijken.

Ik vermeld kort een laatste winst voor de analytici die universitaire posten nastreven. In het merendeel van de Franse en Franstalige Belgische universiteiten, vereist het opmaken van een verhandeling van psychiatrie of psychologie geenszins een proefondervindelijk onderzoek. Het maken van een tekst, ver≠trek≠kend van een freudiaanse tekst volstaat om te promoveren tot professor. Zo gaat het niet meer in de Angelsaksische landen. Men begrijpt derhalve dat het onderwijs van de psychiatrie en de klinische psychologie daar volkomen verschillend geworden zijn van bij ons.

De psychoanalytici leven van de illusie dat ze illusies verdrijven. Zij zijn er perfect in geslaagd om er nieuwe te creŽren, zeer rendabele.

 

 

Tekstvak: Jacques Van Rillaer, Professor van psychologie aan de universiteit van Louvain-la-Neuve en de universitaire Faculteiten St-Louis, is lid van de wetenschappelijke Raad van AFIS. In de voetnoten 2, 14 en de 38  kan men verwijzingen vinden naar twee van zijn werken en ťťn artikel.

 



[1] Science et pseudo-science (Paris), nį 261, maart 2004 Ė Vertaling: Gilbert Allemeesch

 

[2] Jacques Van Rillaer, Les Illusions de la psychanalyse, Belgique, ťd. Mardaga (verdeeld in Frankrijk door SOFEDIS), 1981, 4e ed. 1996, 415 p

 

[3] Zie bijvoorbeeld Cyril Koupernic ę A propos de Les Illusions de la psychanalyse de J. Van Rillaer Ľ, LíEvolution psychiatrique, 1982, 47 : 559-564.

 

[4] Ik zal Freud citeren door de datum van de betreffende publicatie, het volume en de pagina van het verzameld werk in het Duits te vermelden (Gesammelte Werke, Frankfurt, Fischer, 18 vols, 1940-1975). Referentie van het huidig citaat: 1925, XIV 45.

 

[5] Voor een gedetailleerde uiteenzetting betreffende de basiscasus van de psychoanalyse en het bedrog van Freud, zie bijvoorbeeld Mikkel Borch-Jacobsen, Souvenirs díAnna O. Une mystification centenaire, Paris, Aubier, 1995, 120 p.

 

[6] De lezer van SPS kan in nį 246 (april 2001) de vertaling vinden van een hoofdstuk van het boek van Han IsraŽls: De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen. [Le charlatan de Vienne. Cent ans de freudisme et de freudiens], Amsterdam, Bert Bakker, 1999.

 

[7] Bťnesteau J., Mensonges freudiens. Histoire díune dťsinformation sťculaire, Belgique, Mardaga (verdeeld in Frankrijk door SOFEDIS), 2002, 400 p. Zie de samenvatting van J. Brissonnet in Science et pseudo-science, nį 256

 

[8] Pollak R., Bruno Bettelheim ou la fabrication díun mythe, trad., Paris, Les empÍcheurs de penser en rond / Seuil, 2003, 525 p. Voorstelling door M. Bertaud in nr 260 van Science et pseudo-science (dec. 2003). Origineel: The creation of Dr. B. A biography of Bruno Bettelheim. Simon & Schuster.

 

[9] Zie naast de auteurs die hier geciteerd worden, de zeer interessante site www.psychiatrie-und-ethik, die teksten levert in het Duits, Frans en Engels.

 

[10] In 1974 publiceerde Frank Cioffi, professor aan de universiteit van Kent te Canterbury het artikel: ę Was Freud a liar ? Ľ, heruitgegeven in F. Crews (ed.) Unauthorized Freud, New York, Viking, 1998, p. 34-42. Zie vooral zijn recent werk Freud and the question of pseudo-science, Open Court, 1998, 313 p

 

[11] Le Freud inconnu. Líinvention de la psychanalyse, trad., Paris, Exergue, 1998, p. 490. Origineel: Why Freud was wrong. Sin, Science, and psychoanalysis, Harper Collins.

 

[12] 1908, VII 162 (fr. vert. in S. Freud, La vie sexuelle, PUF, 1969, p. 42).

 

[13] Eysenck, H. & Wilson, G., The experimental study of freudian theories, London, Methuen, 1973, 405 p.

 

[14] Zie bijvoorbeeld J. Van Rillaer, Psychologie de la vie quotidienne, Paris, Odile Jacob, 2003, p. 91 ŗ 148

 

[15] ę Zur Aetiologie der Hysterie Ľ, I 425-59

 

[16] Bijvoorbeeld: IsraŽls H. & Schatzman M., ę The Seduction Theory Ľ, History of Psychiatry, 1993, 4 : 23-59. - IsraŽls H., Het geval Freud. I. Scheppingsverhalen, Amsterdam : Bert Bakker, 1993, 248 p., Duitse vertaling: Der Fall Freud. Die Geburt der Psychoanalyse aus der LŁge, Hamburg, Europšische Verlaganstalt/Rotbuch Verlag. - Borch-Jacobsen M., Folies ŗ plusieurs, Paris, Les empÍcheurs de penser en rond / Seuil, 2002, p. 65-109. - Bťnesteau J., op. cit., 2002, ch. 12.

 

[17] ę Die Sexualitšt in der Aetiologie der Neurose Ľ (1898), I 491-516.

 

[18] Voor een reeks precieze citaten, zie Van Rillaer, Les Illusions de la psychanalyse, op. cit., p. 378.

 

[19] Lacan J., ę Ouverture de la section clinique Ľ, Ornicar ?, 1977, 9 : 13

 

[20] Nebengewinn, 1923, XIII 226.

 

[21] 1926, XIV 186.

 

[22] Titel van een werk (Paris, Grasset, 1982; Origineel: Psychoanalytic politics. Freud's French Revolution, The MIT Press, 1978) van Sherry Turkle, een Amerikaans socioloog die gepoogd heeft om te begrijpen waarom de Fransen doorgingen om zo gemakkelijk te geloven in de psychoanalyse. Een van de elementen van het antwoord zou het belang zijn dat ze hechten aan het Ik en hun reageren op alles wat hun identiteit schijnt te bedreigen (bijvoorbeeld de "wetenschappelijke psychologie", gekwalificeerd als "positivistisch".)

 

[23] Rey P., Une saison chez Lacan, Paris, Laffont, 1989, p. 77 (de cursivering is van Rey).

 

[24] Ibidem, p. 156.

 

[25] Ibidem, p. 170.

 

[26] Ibidem, p. 209.

 

[27] Ellenberger H., A la dťcouverte de líInconscient. Histoire de la psychiatrie dynamique, trad., Ed. Simep (Masson), 1974, p. 67-68, 131-34. Heruitg., Histoire de la dťcouverte de líinconscient, Fayard, 1994. Origineel: The discovery of the unconscious, N.Y., Basic Books, 1970, 932 p.

 

[28] Janet P., Líautomatisme psychologique, Paris, Alcan, 1889, p. 283-290. - Líinfluence somnambulique et le besoin de direction, Revue philosophique, 1897, 43 : 113-43.

 

[29] XI p. 456, 463s, 466. Trad., Confťrences díintroduction ŗ la psychanalyse. Gallimard, 1999, p. 558, 565s, 569.

 

[30] We kunnen dat hier niet verder ontwikkelen. We willen er enkel twee vermelden: de deculpabilisatie van de passiviteit (ę Ik probeer niet anders te handelen, ik ben "in analyse", de verandering zal zich automatisch en zonder inspanning voltrekken wanneer het verdrongene bewust zal geworden zijn.Ľ) ; de bevrediging te behoren tot een kaste van super-intellectuelen, die de duurste psychotherapie kunnen betalen die er is en die de enigen zijn die kunnen doordringen tot de diepste roerselen van de ziel.

 

[31] 1904, V 7.

 

[32] 1912, VIII 377

 

[33] Masson J.M., Le rťel escamotť. Le renoncement de Freud ŗ la thťorie de la sťduction, trad., Paris, Aubier, 1984, p 17. Origineel: Masson, J.M. (1984) The assault on truth. Freud's suppression of the seduction theory. N.Y.: Farrer, Straus & Giroux.

 

[34] Freud, 1900, II 352 et 362.

 

[35] Wanneer Rank uitgesloten werd uit de Internationale Vereniging voor Psychoanalyse, hebben de analytici die hun leertherapie volgden bij hem hun leertherapie moeten overdoen bij een orthodoxe freudiaan om lid te blijven van de Vereniging (zie Bťnesteau, op. cit., p. 49).

 

[36] Lynn D. & Vaillant G., Anonymity, neutrality, and confidentiality in the actual methods of Sigmund Freud : A review of 43 cases, 1907-1939, American Journal of Psychiatry, 1998, 155, : 163-171

 

[37] Bťnesteau, op. cit., ch. 4.

 

[38] Zie Van Rillaer J., Pour des analyses personnelles chez les comportementalistes, Journal de Thťrapie comportementale et cognitive, Paris, Masson, 2000, 10 (1) : 1-3