De toekomstige historici die het geïnstitutionaliseerd bedrog willen verklaren dat doorgaat onder de naam van 'Theorie' zullen zeker een centrale plaats moeten toekennen aan de invloed van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Hij is een van de vetste spinnen in het hart van het web van verwarde niet-helemaal-denkbare-gedachten en evidentie-vrije beweringen van onbeperkte omvang dat theorrhea-beoefenaars hebben geweven tot hun versie van de menswetenschappen. Veel van het dogma dat de kern uitmaakt van de hedendaagse Theorie kwam van hem: dat de betekenaar domineert over de betekenis; dat de wereld van woorden de wereld van dingen creëert; dat het 'Ik' een fictie is gebaseerd op een geoedipaliseerde onderhandeling bij de overgang van spiegelstadia naar symbolische stadia; enz.
Hij verkoos psychoanalyticus te zijn waar hij in plaats van diagnoses op punt te stellen, hij ze kon opleggen. Hij klampte zich vast aan Marguerite Pantaine, een tragisch wanende vrouw die had geprobeerd om een bekende actrice te doden. Voor een jaar, waren hij en Marguerite, volgens Roudinesco, 'onafscheidelijk'. (Als gevangene had ze geen keus.) Het uitgebreide verhaal dat hij over haar heeft gebrouwen werd de basis van een volledige theorie van de zieke ziel en vormde zijn doctorale thesis. In de grote traditie van de psychoanalyse, 'luisterde hij', zegt Roudinesco, 'naar geen andere waarheden dan deze die zijn eigen hypothesen bevestigden'. Meer bepaald, was de waarheid dat wat zijn hypothese bevestigde: in haar geval, 'hij projecteerde niet alleen zijn eigen theorieën over waanzin bij vrouwen maar ook zijn eigen fantasieën en familieobsessies'. Voor deze ziel-verkrachting werd aan Lacan de doctoraatstitel toegekend en zijn reputatie was gemaakt. Tot het eind van haar dagen, bleef Marguerite bitter boos om het gebruik dat hij van haar had gemaakt. Met goede reden: de gekke theorieën van Lacan, gedeeltelijk ontleend aan Salvador Dali, verlengden waarschijnlijk haar opsluiting. Om belediging aan de kwetsuur toe te voegen, 'leende' hij al haar geschriften en foto's en weigerde om er een van terug te geven.
Lacan publiceerde verder weinig eigen gevalstudies. In plaats daarvan, recycleerde hij enkele van Freuds bekende gevallen, in zijn nastreven van het doel dat hij belijdde om de waarheid van Freuds ideeën te herstellen die naar zijn mening belasterd was door de freudianen. Niet gebonden door de feiten, was hij vrij om te zweven en die grote, ontestbare en duistere ideeën te verkondigen – die zelfs voor Melanie Klein te moeilijk waren om te begrijpen – die hem een internationale superster maakten en die gekoesterd worden door zijn aanhangers en fundamenten zijn voor theorrhetici. Zijn doctrine – een mengelmoes van vaak niet erkende ontleningen van schrijvers wiens discipline hem vreemd was, gegoten in ontleend jargon en ondoorzichtige neologismen – waren Rorschach inktvlekken waarin om het even wat zou kunnen gelezen worden. Lancans ideeën waren geïsoleerd tegen kritische evaluatie door zijn schrijfstijl, waarin, volgens Roudinesco, 'een dialectiek tussen aanwezigheid en afwezigheid alterneerde met een logica van ruimte en beweging'.
De krachtigste steun voor zijn doctrines, was echter de aura die hem omringde. Lacan was een knappe dandy en, als vele fysiek aantrekkelijke psychopaten, kon hij onvoorwaardelijke liefde bevelen. Hij exploiteerde dit tot het uiterste tot steun van zijn grenzeloze honger naar rijkdom, bekendheid en seks. Hij hield zijn discipelen, die 'hem als een god aanbaden en zijn leer als een heilig schrift behandelden', in constante vrees voor excommunicatie: de afwezigheid van Lacan was een ontologische catastrofe gelijk aan de afwezigheid van God. Iedereen die geveld werd door de toverspreuken van de Meester legde zijn kritische zin opzij. Hij rechtvaardigde zijn intellectueel terrorisme doordat hij door vijanden werd omringd die hij moest bestrijden. Één partij van vijanden die hij opvallend niet bestreed was de Duitse bezettingsmacht tijdens de tweede wereldoorlog. Hoewel hij in Frankrijk bleef, regelde hij zijn zaken zodanig dat hij volledig veilig en volledig comfortabel was. Hij voelde, volgens een bewonderaar, Jean Bernier, dat 'de gebeurtenissen waarmee de geschiedenis hem dwingend confronteerde geen effect zouden moeten hebben op zijn manier van leven, zoals past bij een superieure geest'. Als arts had hij vele voorrechten en hij maakte er ten volle gebruik van.
De belangrijkste slagen van zijn leven leverde hij dus in vredestijd, namelijk het meest met de Internationale Psychoanalytische Vereniging (IPA) waaruit hij uiteindelijk in 1963 werd uitgestoten. Lacan stelde deze breuk voor als het gevolg van een ideologisch conflict tussen de oude school en de progressieve echte freudianen vertegenwoordigd door hemzelf. Eigenlijk ging het over zijn hebzucht. Hij moest de patiëntenstroom maximaliseren om zijn kwistige levensstijl te financieren. (Hij stierf als multimiljonair.) Hij begon om zijn zittingen te verkorten, zonder een pro rata vermindering van prijs, tot nauwelijks tien minuten. Jammer genoeg, de freudiaanse theorie legt de minimumlengte van een zitting vast op 50 minuten. Lacan werd daarom herhaaldelijk gewaarschuwd door de IPA. Volgens Roudinesco, gaf hij verscheidene lezingen aan de Société Psychanalytique de Paris stellend dat de kortere zittingen een heilzaam gevoel van frustratie en separatie bij de patiënt veroorzaakten, 'de overdrachtsrelatie veranderend in een dialectiek' en ‘het onbewust verlangen reactiverend'. Bovendien, loog hij tegenover de IPA over de duur van zijn zittingen. Hoewel hij zich dubbel indekte werd hij berispt en ging hij eruit.
Volgens het principe van credo ut intelligam geloofden zijn discipelen hem nog steeds wanneer hij, in zijn laatste jaren, manifest leed aan multi-infarct dementie. Hij werd geobsedeerd door een bepaalde mathematische figuur genoemd de Borromeaanse knoop, waarin hij de sleutel zag tot het onbewuste, tot de seksualiteit en de ontologische situatie van de mensheid. Zijn quasi-wiskundige pseudo-logische fantasieën – het hoogtepunt van de vracht cultuswetenschap van zijn school – voorgesteld in eindeloze seminaries, waren een kwelling voor zijn congregatie die ontzettend leed onder haar onvermogen om er zin aan te geven. Ze voelden zich hun Meester onwaardig. Zelfs zijn episoden van afasie, te wijten aan ministrokes, werden genomen voor 'interpretaties', in de technische betekenis van uitdrukkend 'de latente betekenis van wat de analysand heeft gezegd en gedaan'. Toen hij, tegen het einde, doof werd en zijn reacties zelfs los stonden van wat tegen hem werd gezegd, veroorzaakte dit voortgezette discussies onder zijn aanhangers over de betekenis van zijn woorden en daden. Zelfs wanneer, in zijn laatste jaar, Lacan er met zijn geest niet meer bij was, werd hij nog naar vergaderingen gebracht 'om te wettigen wat in zijn naam werd gedaan' en 'suggestibele mensen hoorden hem spreken door zijn stilte'.
Toen hij in 1981 stierf, brak de totale oorlog uit onder zijn discipelen. Binnen een decennium waren er 34 verenigingen die opeisten de enige vertegenwoordiger van de ware geest van Jacques Lacan en de enige erfgenamen van zijn intellectuele eigendom te zijn. Zelfs nu, 15 jaar na zijn dood, kan deze buitengewone charlatan nog steeds de bewondering afdwingen van de kwetsbare en de lichtgelovige. Roudinesco, die toch genoeg vuiligheid opdist om Lacan tien keer te laten hangen, schijnt hem alles te vergeven omwille van zijn 'genie' als clinicus en denker. Noch stelt ze zich enige vraag over zijn fundamentele ideeën, hoewel ze het in de loop van een 500 pagina's lang boek versmaadt, zowel om ze op enige coherente wijze uiteen te zetten, als om er enig bewijs voor te leveren: ze heeft het te druk met splitsingen, schisma's en invloeden. Het is blijkbaar genoeg als bewijs van hun waarheid dat Lacan de doctrines verbonden heeft aan zijn naam.
Zijn krankzinnige erfenis leeft ook verder op plaatsen ver van deze waar hij zijn patiënten, collega's, maîtresses, vrouwen, kinderen, uitgevers, redacteurs, en tegenstanders schade berokkende – in faculteiten letterkunde wiens ingezetenen nu proberen of beweren te proberen, zin te geven aan zijn volslagen ongegronde, aforistische leer en ze opleggen aan in de war gebrachte studenten. Aleister Crowley, de 20-ste –eeuwse denker waarop Lacan het meest gelijkt, had dat geluk niet na zijn dood.
De lacanianen kunnen
argumenteren dat het grote gebouw van de Ecrits niet wordt ondermijnd door
revelaties over zijn leven. Het denken van de Meester zou op zijn eigen
verdiensten moeten beoordeeld worden. Nochtans, in afwezigheid van enige
logische of empirische basis, is de autoriteit van het denken bijna helemaal
voortgekomen uit de autoriteit van de man. De ontdekking dat Lacan een helse
zielenknijper was is daarom niet onbelangrijk. De biografie van Roudinesco is
bijgevolg een bevrijding voor de studenten die door onkritische leraren die het
kaf niet van het koren kunnen scheiden gedwongen worden om te proberen te
begrijpen en zin te geven aan zijn onzin. Deze daad van bevrijding is des te
meer fascinerend daar ze het werk is van een discipel en dus voor een deel
onvrijwillig.
[1] Raymond Tallis volgde een opleiding als arts aan de Universiteit van
Oxford en het St Thomas's Hospital. Vanaf 1987 was hij Professor en adviserend
geneesheer in de Gezondheidszorg van de Bejaarden in Salford. Sinds 1997 is hij
Projectleider van de Neurowetenschappen in Groot Manchester geweest, toezicht
houdend op de ontwikkeling van een neurowetenschappelijk centrum en dienst
voor een populatie van drie miljoen mensen. Onder zijn talrijke medische
publicaties zijn twee belangrijke handboeken - The Clinical Neurology of
Old Age (1988)
en Textbook of Geriatric Medicine and Gerontology (co-editie met J. Brocklehurst
en H. Fillett), die nu aan zijn zesde editie toe is. Zijn research betreft
beroerte, epilepsie en neurologische revalidatie. Hij
is recent verkozen als Fellow of the Academy of Medical Sciences. In de loop van de laatste
vijftien jaar, heeft hij uitgebreid buiten het domein van de geneeskunde
geschreven. Hij heeft korte verhalen en poëzie gepubliceerd en werd opgemerkt
voor zijn kritieken van het post-Saussureaanse denken, zijn reflecties over
kunst en wetenschap en zijn besprekingen van de philosophy of mind. Hij werd onlangs in The Times Education
Supplement beschreven
als 'één van de meest intrigerende figuren in de huidige intellectuele scène'.
Hem werd in 1997 een eredoctoraat in de Letteren toegekend door de Universiteit
van Hull voor zijn bijdragen tot de letteren.
[2] Tallis
Raymond, The
Shrink from Hell, The Times Higher Education
Supplement, 31 October 1997, p. 20. Herdr. in: The Raymond
Tallis Reader, edited by Michael Grant, introduction and commentaries ©
Michael Grant 2000; chapters 1–16 © Raymond Tallis 2000 Gepubl. op http://www.psychiatrie-und-ethik.de/
- Nederlandse vertaling: Gilbert Allemeesch