De helse zielenknijper

 

Raymond Tallis [1]

 

 

Dit is een recensie van Elizabeth Roudinescoís Jacques Lacan & Co.: A History of Psychoanalysis in France, 1925Ė1985, vertaald door Jeffrey Mehlman en gepubliceerd in London door Free Associations Books in 1990. Het is de vertaling van het tweede en laatste deel van Roudinesco's geschiedenis van de Franse psychoanalyse, die gepubliceerd was door Editions du Seuil in 1986, onder de titel La Bataille de cent ans: histoire de la psychanalyse en France, 2. Tallisís recensie verscheen als ĎThe Shrink from Hellí in The Times Higher Education Supplement, 31 October 1997, p. 20. [2]

 

 

 

De toekomstige historici die het geÔnstitutionaliseerd bedrog willen verklaren dat doorgaat onder de naam van 'Theorie' zullen zeker een centrale plaats moeten toekennen aan de invloed van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Hij is een van de vetste spinnen in het hart van het web van verwarde niet-helemaal-denkbare-gedachten en evidentie-vrije beweringen van onbeperkte omvang dat theorrhea-beoefenaars hebben gewe≠ven tot hun versie van de menswetenschappen. Veel van het dogma dat de kern uitmaakt van de hedendaagse Theorie kwam van hem: dat de bete≠kenaar domineert over de betekenis; dat de wereld van woorden de wereld van dingen creŽert; dat het 'Ik' een fictie is gebaseerd op een geoedi≠paliseerde onderhan≠de≠ling bij de overgang van spiegelstadia naar symbolische stadia; enz.

 

De Engelse vertaling van deze biografie door ťťn van zijn discipelen is daarom een gebeurtenis van het hoogste belang. Het is hartverscheurende lectuur, maar niemand die aan studenten lacaniaanse literatuuropdrachten geeft over feminisme, het zelf, kinderontwikkeling, maatschappij of het leven, zou deze ervaring mogen bespaard blijven.

 

Lacan is geboren in 1901 in een rijke middenklassefamilie en volgde een opleiding als arts. Hij werd eerst aangetrokken tot de neurologie maar spoedig verliet hij dit omdat de problemen van de patiŽnten te zeer 'routine' waren, zoals zijn biograaf (die duidelijk sympathiseert met zijn ge≠brek aan medeleven) verklaart. Als Elizabeth Roudinesco's verslag nauwkeurig is, moet hij een knoeiboel gemaakt hebben van zijn eerste gevals≠presentatie aan de Sociťtť Neurologique: zijn patiŽnt, zegt ze, had ver≠moede≠lijk pseudobulbaire stoornissen van het ruggenmerg Ė een neuro≠lo≠gische onmogelijkheid. (De onschuld waarmee Rou≠dinesco allerlei klinische stommiteiten vermeldt, is voor een medicus bijzonder storend bij de lectuur van dit boek.) Het ver≠laten van de neurologie was duidelijk een wijze stap in zijn carriŤre. Jammer genoeg, hoewel het hem ontbrak aan alle noodza≠kelijke kwaliteiten om een mediocre arts te worden (b.v., vriendelijkheid, gezond verstand, nederigheid, klinische scherpzinnig≠heid en stevige kennis) verliet Lacan de geneeskunde niet helemaal, enkel zijn wetenschappelijke basis.

 

Hij verkoos psychoanalyticus te zijn waar hij in plaats van diagnoses op punt te stellen, hij ze kon opleggen. Hij klampte zich vast aan Marguerite Pantaine, een tragisch wanende vrouw die had geprobeerd om een bekende actrice te doden. Voor een jaar, waren hij en Marguerite, volgens Roudinesco, 'onafscheidelijk'. (Als gevangene had ze geen keus.) Het uitgebreide verhaal dat hij over haar heeft gebrouwen werd de basis van een volledige theorie van de zieke ziel en vormde zijn doctorale thesis. In de grote traditie van de psychoanalyse, 'luisterde hij', zegt Roudinesco, 'naar geen andere waarheden dan deze die zijn eigen hypothesen bevestigden'. Meer bepaald, was de waarheid dat wat zijn hypothese bevestigde: in haar geval, 'hij projecteerde niet alleen zijn eigen theorieŽn over waanzin bij vrouwen maar ook zijn eigen fantasieŽn en familieobsessies'. Voor deze ziel-verkrachting werd aan Lacan de doctoraatstitel toegekend en zijn reputatie was gemaakt. Tot het eind van haar dagen, bleef Mar≠guerite bitter boos om het gebruik dat hij van haar had gemaakt. Met goede reden: de gekke theorieŽn van Lacan, gedeel≠telijk ontleend aan Sal≠vador Dali, verlengden waarschijnlijk haar opsluiting. Om belediging aan de kwetsuur toe te voegen, 'leende' hij al haar geschriften en foto's en weigerde om er een van terug te geven.

 

Lacan publiceerde verder weinig eigen gevalstudies. In plaats daarvan, recycleerde hij enkele van Freuds bekende gevallen, in zijn nastreven van het doel dat hij belijdde om de waarheid van Freuds ideeŽn te herstellen die naar zijn mening belasterd was door de freudianen. Niet gebonden door de feiten, was hij vrij om te zweven en die grote, ontestbare en duistere ideeŽn te verkondigen Ė die zelfs voor Melanie Klein te moeilijk waren om te begrijpen Ė die hem een internationale superster maakten en die ge≠koes≠terd worden door zijn aanhangers en fundamenten zijn voor theorrhetici. Zijn doctrine Ė een mengelmoes van vaak niet erkende ontleningen van schrijvers wiens discipline hem vreemd was, gegoten in ontleend jargon en ondoorzichtige neologis≠men Ė waren Rorschach inktvlekken waarin om het even wat zou kunnen gelezen worden. Lancans ideeŽn waren geÔsoleerd tegen kritische evaluatie door zijn schrijfstijl, waarin, volgens Roudinesco, 'een dialectiek tussen aanwezigheid en afwezigheid alterneerde met een logica van ruimte en beweging'.

 

De krachtigste steun voor zijn doctrines, was echter de aura die hem omringde. Lacan was een knappe dandy en, als vele fysiek aantrekkelijke psychopaten, kon hij onvoorwaardelijke liefde bevelen. Hij exploiteerde dit tot het uiterste tot steun van zijn grenzeloze honger naar rijkdom, bekendheid en seks. Hij hield zijn discipelen, die 'hem als een god aanbaden en zijn leer als een heilig schrift behandelden', in constante vrees voor excommunicatie: de afwezigheid van Lacan was een ontologische catastrofe gelijk aan de afwezigheid van God. Iedereen die geveld werd door de toverspreuken van de Meester legde zijn kritische zin opzij. Hij rechtvaardigde zijn intellectueel terrorisme doordat hij door vijanden werd omringd die hij moest be≠strijden. …ťn partij van vijanden die hij opvallend niet bestreed was de Duitse bezettingsmacht tijdens de tweede wereldoorlog. Hoewel hij in Frankrijk bleef, regelde hij zijn zaken zodanig dat hij volledig veilig en volledig comfortabel was. Hij voelde, vol≠gens een bewonderaar, Jean Bernier, dat 'de gebeurtenissen waarmee de geschiedenis hem dwingend confronteerde geen effect zouden moeten hebben op zijn manier van leven, zoals past bij een superieure geest'. Als arts had hij vele voorrechten en hij maakte er ten volle gebruik van.

 

De belangrijkste slagen van zijn leven leverde hij dus in vredestijd, namelijk het meest met de Internationale Psychoanalytische Vereniging (IPA) waaruit hij uiteindelijk in 1963 werd uitgestoten. Lacan stelde deze breuk voor als het gevolg van een ideolo≠gisch conflict tussen de oude school en de progressieve echte freudianen vertegenwoordigd door hemzelf. Eigenlijk ging het over zijn hebzucht. Hij moest de patiŽntenstroom maxi≠maliseren om zijn kwistige levensstijl te financieren. (Hij stierf als multimiljonair.) Hij begon om zijn zittingen te verkorten, zonder een pro rata vermindering van prijs, tot nauwelijks tien minuten. Jammer genoeg, de freudiaanse theorie legt de minimumlengte van een zitting vast op 50 minuten. Lacan werd daar≠om herhaal≠delijk gewaarschuwd door de IPA. Volgens Roudinesco, gaf hij verscheidene lezingen aan de Sociťtť Psy≠chanaly≠tique de Paris stellend dat de kortere zittingen een heilzaam gevoel van frustratie en separatie bij de patiŽnt veroorzaakten, 'de over≠drachts≠relatie veranderend in een dialectiek' en Ďhet onbewust verlangen reactiverend'. Bovendien, loog hij tegenover de IPA over de duur van zijn zittingen. Hoewel hij zich dubbel indekte werd hij berispt en ging hij eruit.

 

Geconfronteerd met inkomensverlies, richtte hij zijn eigen Franse School van Psychoanalyse op, waarover hij absolute macht had. Zijn werk, zegt Roudinesco, 'concentreerde zich op verlangen, overdracht en liefde, en die werden gefocusseerd op de persoon van Lacan zelf'. Nu kon hij zijn zittingen zo kort en zo duur maken als hij wilde. Zelfs toen ze waren ingekrompen tot een minuut of twee, zou hij nog vaak zijn kleermaker, pedicure en kapper zien terwijl hij analyses deed. In de laatste jaren bereikte het proces van inkorten zijn natuurlijk eindpunt in de 'niet-zitting', waarin 'het de patiŽnt niet toegelaten was te spreken of niet te spreken' aangezien Lacan 'geen tijd had om aan stilte te verspillen'. Met behulp van niet-zittingen bereikte hij een ge≠middelde van 80 patiŽnten op een dag in het voorlaatste jaar van zijn leven. De niet-zittingen waren misschien een verbetering ten overstaande van zittingen, waarin hij, door dementie ontremd, toegaf aan zijn slechte buien, raasde tegen patiŽnten en nu en dan stompte of aan hun haar trok.

 

De rampzalige gevolgen van zijn stijl van behandelen waren volledig voorspelbaar: zijn cliŽnten pleegden zelfmoord aan een rato dat een mens met minder robuust zelfvertrouwen zou gealarmeerd hebben. Hij beweerde dat het te wijten was aan de ernst van de gevallen die hij aannam maar het zou ook iets kunnen te maken hebben met de grillige manier waarop hij analyses startte en stopte en soms mensen die jaren onder zijn 'zorg' stonden op zeer korte termijn aan de kant zette. De briljante etnoloog Lucien Sebag pleegde zelfmoord op zijn 32-ste nadat hij abrupt uit behan≠deling ontslagen was Ė omdat Lacan met Sebags tienerdochter wilde slapen. Niet dat Dr. Lacan altijd zo gebonden was door dergelijke keurige morele scrupules. Hij koos frequent zijn minnaressen onder de analytici die in training waren (die bijkomend kwetsbaar waren omdat ze van hem afhingen voor het toelatingsbewijs noodzakelijk voor hen om praktijk te voeren als lacaniaanse analytici) en ook tussen de gewone analysanden. Om hem te verdedigen, wijst Roudinesco erop dat Lacan nooit de fysieke kant van de zaak in zijn consultatieruimten nastreefde. Men vermoedt dat dit, gezien het design van de sofa van de analyticus, eerder ingegeven was door mechanische dan door ethische beperkingen.

 

Volgens het principe van credo ut intelligam geloofden zijn discipelen hem nog steeds wanneer hij, in zijn laatste jaren, manifest leed aan multi-infarct dementie. Hij werd geobsedeerd door een bepaalde mathematische figuur genoemd de Borromeaanse knoop, waarin hij de sleutel zag tot het onbewuste, tot de seksualiteit en de ontologische situatie van de mensheid. Zijn quasi-wiskundige pseudo-logische fantasieŽn Ė het hoogte≠punt van de vracht cultuswetenschap van zijn school Ė voorgesteld in eindeloze seminaries, waren een kwelling voor zijn congregatie die ont≠zet≠tend leed onder haar onvermogen om er zin aan te geven. Ze voelden zich hun Meester onwaardig. Zelfs zijn episoden van afasie, te wijten aan ministrokes, werden genomen voor 'interpretaties', in de technische betekenis van uitdrukkend 'de latente betekenis van wat de analysand heeft gezegd en gedaan'. Toen hij, tegen het einde, doof werd en zijn reacties zelfs los stonden van wat tegen hem werd gezegd, veroorzaakte dit voort≠gezette discussies onder zijn aanhangers over de betekenis van zijn woorden en daden. Zelfs wanneer, in zijn laatste jaar, Lacan er met zijn geest niet meer bij was, werd hij nog naar vergaderingen gebracht 'om te wettigen wat in zijn naam werd gedaan' en 'suggestibele mensen hoorden hem spreken door zijn stilte'.

 

Toen hij in 1981 stierf, brak de totale oorlog uit onder zijn discipelen. Binnen een decennium waren er 34 verenigingen die opeisten de enige vertegenwoordiger van de ware geest van Jacques Lacan en de enige erfgenamen van zijn intellectuele eigendom te zijn. Zelfs nu, 15 jaar na zijn dood, kan deze buitengewone charlatan nog steeds de bewondering afdwingen van de kwetsbare en de lichtgelovige. Roudinesco, die toch genoeg vuiligheid opdist om Lacan tien keer te laten hangen, schijnt hem alles te vergeven omwille van zijn 'genie' als clinicus en denker. Noch stelt ze zich enige vraag over zijn fundamentele ideeŽn, hoewel ze het in de loop van een 500 pagina's lang boek versmaadt,zowel om ze op enige cohe≠rente wijze uiteen te zetten, als om er enig bewijs voor te leveren: ze heeft het te druk met splitsingen, schisma's en invloeden. Het is blijk≠baar ge≠noeg als bewijs van hun waarheid dat Lacan de doctrines verbonden heeft aan zijn naam.

 

Zijn krankzinnige erfenis leeft ook verder op plaatsen ver van deze waar hij zijn patiŽnten, collega's, maÓtresses, vrouwen, kin≠deren, uitgevers, redacteurs, en tegenstanders schade berokkende Ė in faculteiten letterkunde wiens ingezetenen nu proberen of beweren te proberen, zin te geven aan zijn volslagen ongegronde, aforistische leer en ze opleggen aan in de war gebrachte studenten. Aleister Crowley, de 20-ste Ėeeuwse denker waarop Lacan het meest gelijkt, had dat geluk niet na zijn dood.

 

De lacanianen kunnen argumenteren dat het grote gebouw van de Ecrits niet wordt ondermijnd door revelaties over zijn leven. Het denken van de Meester zou op zijn eigen verdiensten moeten beoordeeld worden. Nochtans, in afwezigheid van enige logische of empirische basis, is de auto≠riteit van het denken bijna helemaal voortgekomen uit de autoriteit van de man. De ont≠dekking dat Lacan een helse zielenknijper was is daar≠om niet onbelangrijk. De biografie van Roudinesco is bijgevolg een bevrijding voor de studenten die door onkritische leraren die het kaf niet van het koren kunnen scheiden gedwongen worden om te pro≠beren te begrijpen en zin te geven aan zijn onzin. Deze daad van bevrijding is des te meer fascinerend daar ze het werk is van een discipel en dus voor een deel onvrijwillig.

 

 

[1] Raymond Tallis volgde een opleiding als arts aan de Universiteit van Oxford en het St Thomas's Hospital. Vanaf 1987 was hij Professor en adviserend geneesheer in de Gezondheidszorg van de Bejaarden in Salford. Sinds 1997 is hij Projectleider van de Neurowetenschappen in Groot Manchester geweest, toezicht houdend op de ontwik≠ke≠ling van een neurowetenschappelijk centrum en dienst voor een populatie van drie miljoen mensen. Onder zijn talrijke medische publicaties zijn twee belangrijke handboeken - The Clinical Neurology of Old Age (1988) en Textbook of Geriatric Medicine and Gerontology (co-editie met J. Brocklehurst en H. Fillett), die nu aan zijn zesde editie toe is. Zijn research betreft beroerte, epilepsie en neurologische revalidatie. Hij is recent verkozen als Fellow of the Academy of Medical Sciences. In de loop van de laatste vijftien jaar, heeft hij uitgebreid buiten het domein van de geneeskunde geschreven. Hij heeft korte verhalen en poŽzie gepubliceerd en werd opgemerkt voor zijn kritieken van het post-Saussureaanse denken, zijn reflecties over kunst en wetenschap en zijn besprekingen van de philosophy of mind. Hij werd onlangs in The Times Education Supplement beschreven als 'ťťn van de meest intrigerende figuren in de huidige intellectuele scŤne'. Hem werd in 1997 een eredoctoraat in de Letteren toegekend door de Universiteit van Hull voor zijn bijdragen tot de letteren.

 

[2] Tallis Raymond, The Shrink from Hell, The Times Higher Education Supplement, 31 October 1997, p. 20. Herdr. in: The Raymond Tallis Reader, edited by Michael Grant, introduction and commentaries © Michael Grant 2000; chapters 1Ė16 © Raymond Tallis 2000Gepubl. op http://www.psychiatrie-und-ethik.de/ - Nederlandse vertaling: Gilbert Allemeesch

 

 

 

 

Freud op de sofa