MINISTERIE VAN
SOCIALE ZAKEN, VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. - Definities
en toepassingsgebied
Art. 2. Voor de
toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :
1° patiënt : de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt, al
dan niet op eigen verzoek;
2° gezondheidszorg : diensten verstrekt door een beroepsbeoefenaar met het oog
op het bevorderen, vaststellen, behouden, herstellen of verbeteren van de
gezondheidstoestand van een patiënt of om de patiënt bij het sterven te
begeleiden;
3° beroepsbeoefenaar : de beoefenaar bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78
van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
alsmede de beroepsbeoefenaar van een niet-conventionele praktijk bedoeld in de
wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de
geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de
paramedische beroepen.
Art. 3. § 1. Deze wet is
van toepassing op privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtsverhoudingen
inzake gezondheidszorg verstrekt door een beroepsbeoefenaar aan een patiënt.
§ 2. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van
de in artikel 16 bedoelde commissie kan de Koning nadere regels bepalen inzake
de toepassing van de wet op door Hem te omschrijven in § 1 bedoelde
rechtsverhoudingen, teneinde rekening te houden met de nood aan specifieke
bescherming.
Art. 4. In de mate waarin de patiënt hieraan zijn medewerking verleent, leeft de beroepsbeoefenaar de bepalingen van deze wet na binnen de perken van de hem door of krachtens de wet toegewezen bevoegdheden. In het belang van de patiënt pleegt hij desgevallend multidisciplinair overleg.
HOOFDSTUK III. - Rechten van
de patiënt
Art. 5. De patiënt heeft, met eerbiediging van zijn menselijke waardigheid en zijn zelfbeschikking en zonder enig onderscheid op welke grond ook, tegenover de beroepsbeoefenaar recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking die beantwoordt aan zijn behoeften.
Art. 6. De patiënt heeft recht op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en recht op wijziging van deze keuze behoudens, in beide gevallen, beperkingen opgelegd krachtens de wet.
Art. 7. § 1. De patiënt
heeft tegenover de beroepsbeoefenaar recht op alle hem betreffende informatie
die nodig is om inzicht te krijgen in zijn gezondheidstoestand en de
vermoedelijke evolutie ervan.
§ 2. De communicatie met de patiënt geschiedt in een duidelijke taal.
De patiënt kan erom verzoeken dat de informatie hem schriftelijk wordt
bevestigd.
Op schriftelijk verzoek van de patiënt kan de informatie worden meegedeeld aan
een door hem aangewezen vertrouwenspersoon. Dit verzoek van de patiënt en de identiteit
van deze vertrouwenspersoon worden opgetekend in of toegevoegd aan het
patiëntendossier.
§ 3. De informatie wordt niet aan de patiënt verstrekt indien deze hierom
uitdrukkelijk verzoekt tenzij het niet meedelen ervan klaarblijkelijk ernstig
nadeel voor de gezondheid van de patiënt of derden oplevert en mits de
beroepsbeoefenaar hierover voorafgaandelijk een andere beroepsbeoefenaar heeft
geraadpleegd en de desgevallend aangewezen vertrouwenspersoon, bedoeld in § 2,
derde lid, heeft gehoord.
Het verzoek van de patiënt wordt opgetekend in of toegevoegd aan het
patiëntendossier.
§ 4. De beroepsbeoefenaar mag de in § 1 bedoelde informatie uitzonderlijk
onthouden aan de patiënt, voorzover het meedelen ervan klaarblijkelijk ernstig
nadeel voor de gezondheid van de patiënt zou meebrengen en mits de
beroepsbeoefenaar hierover een andere beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd.
In dergelijk geval voegt de beroepsbeoefenaar een schriftelijke motivering toe
aan het patiëntendossier en licht hij de desgevallend aangewezen
vertrouwenspersoon bedoeld in § 2, derde lid, in.
Zodra het meedelen van de informatie niet langer het in het eerste lid bedoelde
nadeel oplevert, moet de beroepsbeoefenaar de informatie alsnog meedelen.
Art. 8. § 1. De patiënt
heeft het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in
iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.
Deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer de
beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de
gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden.
Op verzoek van de patiënt of van de beroepsbeoefenaar en met de instemming van
de beroepsbeoefenaar of van de patiënt, wordt de toestemming schriftelijk
vastgelegd en toegevoegd aan het patiëntendossier.
§ 2. De inlichtingen die aan de patiënt verstrekt worden, met het oog op het
verlenen van diens toestemming bedoeld in § 1, hebben betrekking op het doel,
de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiënt
relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de
tussenkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de financiële gevolgen.
Ze betreffen bovendien de mogelijke gevolgen ingeval van weigering of
intrekking van de toestemming, en andere door de patiënt of de
beroepsbeoefenaar relevant geachte verduidelijkingen, desgevallend met inbegrip
van de wettelijke bepalingen die met betrekking tot een tussenkomst dienen te
worden nageleefd.
§ 3. De in § 1 bedoelde informatie wordt voorafgaandelijk en tijdig verstrekt
en onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten voorzien in § 2 en § 3 van
artikel 7.
§ 4. De patiënt heeft het recht om de in § 1 bedoelde toestemming voor een
tussenkomst te weigeren of in te trekken.
Op verzoek van de patiënt of de beroepsbeoefenaar wordt de weigering of
intrekking van de toestemming schriftelijk vastgelegd en toegevoegd aan het
patiëntendossier.
De weigering of intrekking van de toestemming heeft niet tot gevolg dat het in
artikel 5 bedoelde recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking jegens de
beroepsbeoefenaar ophoudt te bestaan.
Indien de patiënt toen hij nog in staat was de rechten zoals vastgelegd in deze
wet uit te oefenen, schriftelijk te kennen heeft gegeven zijn toestemming tot
een welomschreven tussenkomst van de beroepsbeoefenaar te weigeren, dient deze
weigering te worden geëerbiedigd zolang de patiënt ze niet herroept op een
moment dat hij in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen.
§ 5. Wanneer in een spoedgeval geen duidelijkheid aanwezig is omtrent de al dan
niet voorafgaande wilsuitdrukking van de patiënt of zijn vertegenwoordiger
zoals bedoeld in hoofdstuk IV, gebeurt iedere noodzakelijke tussenkomst van de
beroepsbeoefenaar onmiddellijk in het belang van de gezondheid van de patiënt.
De beroepsbeoefenaar maakt hiervan melding in het in artikel 9 bedoelde
patiëntendossier en handelt van zodra dit mogelijk is overeenkomstig de
bepalingen van de voorgaande paragrafen.
Art. 9. § 1. De patiënt
heeft ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden
en veilig bewaard patiëntendossier.
Op verzoek van de patiënt voegt de beroepsbeoefenaar door de patiënt verstrekte
documenten toe aan het hem betreffende patiëntendossier.
§ 2. De patiënt heeft recht op inzage in het hem betreffend patiëntendossier.
Aan het verzoek van de patiënt tot inzage in het hem betreffend
patiëntendossier wordt onverwijld en ten laatste binnen 15 dagen na ontvangst
ervan gevolg gegeven.
De persoonlijke notities van een beroepsbeoefenaar en gegevens die betrekking
hebben op derden zijn van het recht op inzage uitgesloten.
Op zijn verzoek kan de patiënt zich laten bijstaan door of zijn inzagerecht
uitoefenen via een door hem aangewezen vertrouwenspersoon. Indien deze laatste
een beroepsbeoefenaar is, heeft hij ook inzage in de in het derde lid bedoelde
persoonlijke notities.
Indien het patiëntendossier een schriftelijke motivering bevat zoals bedoeld in
artikel 7, § 4, tweede lid, die nog steeds van toepassing is, oefent de patiënt
zijn inzagerecht uit via een door hem aangewezen beroepsbeoefenaar, die ook
inzage heeft in de in het derde lid, bedoelde persoonlijke notities.
§ 3. De patiënt heeft recht op afschrift van het geheel of een gedeelte van het
hem betreffend patiëntendossier, tegen kostprijs, overeenkomstig de in § 2 bepaalde
regels. Ieder afschrift vermeldt dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk
is.
De beroepsbeoefenaar weigert dit afschrift indien hij over duidelijke
aanwijzigingen beschikt dat de patiënt onder druk wordt gezet om een afschrift
van zijn dossier aan derden mee te delen.
§ 4. Na het overlijden van de patiënt hebben de echtgenoot, de wettelijk
samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede
graad van de patiënt, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar,
het in § 2 bedoelde recht op inzage voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd
en gespecifieerd is en de patiënt zich hiertegen niet uitdrukkelijk heeft
verzet. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage in de in § 2, derde
lid, bedoelde persoonlijke notities.
Art. 10. § 1. De patiënt
heeft recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer bij iedere
tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en inzonderheid betreffende de informatie
die verband houdt met zijn gezondheid.
De patiënt heeft recht op respect voor zijn intimiteit. Behoudens akkoord van
de patiënt, kunnen enkel de personen waarvan de aanwezigheid is verantwoord in
het kader van de dienstverstrekking van de beroepsbeoefenaar, aanwezig zijn bij
de zorg, de onderzoeken en de behandelingen.
§ 2. Geen inmenging is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit
recht dan voor zover het bij wet is voorzien en nodig is voor de bescherming
van de volksgezondheid of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden
van anderen.
Art. 11. § 1. De patiënt
heeft het recht een klacht in verband met de uitoefening van zijn rechten
toegekend door deze wet neer te leggen bij de bevoegde ombudsfunctie.
§ 2. De ombudsfunctie heeft volgende opdrachten :
1° het voorkomen van vragen en klachten door de communicatie tussen de patiënt
en de beroepsbeoefenaar te bevorderen;
2° het bemiddelen bij de in § 1 bedoelde klachten met het oog op het bereiken
van een oplossing;
3° het inlichten van de patiënt inzake de mogelijkheden voor de afhandeling van
zijn klacht bij gebrek aan het bereiken van een in 2° bedoelde oplossing;
4° het verstrekken van informatie over de organisatie, de werking en de
procedureregels van de ombudsfunctie;
5° het formuleren van aanbevelingen ter voorkoming van herhaling van
tekortkomingen die aanleiding kunnen geven tot een in § 1 bedoelde klacht.
§ 3. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad regelt de Koning
de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie dient te voldoen wat betreft de
onafhankelijkheid, het beroepsgeheim, de deskundigheid, de juridische
bescherming, de organisatie, de werking, de financiering, de procedureregeling
en de gebiedsomschrijving.
HOOFDSTUK IV. -
Vertegenwoordiging van de patiënt
Art. 12. § 1. Bij een patiënt
die minderjarig is, worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet
uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of
door zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening
houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De in deze wet opgesomde rechten
kunnen door de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn
belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend.
Art. 13. § 1. Bij een
meerderjarige patiënt die valt onder het statuut van verlengde minderjarigheid
of onbekwaamverklaring worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet
uitgeoefend door zijn ouders of door zijn voogd.
§ 2. De patiënt wordt zoveel als mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen
betrokken bij de uitoefening van zijn rechten.
Art. 14. § 1. Bij een
meerderjarige patiënt die niet valt onder één van de in artikel 13 bedoelde
statuten, worden de rechten zoals vastgesteld in deze wet uitgeoefend door een
persoon die door de patiënt voorafgaandelijk is aangewezen om in zijn plaats op
te treden, indien en zolang als de patiënt niet in staat is deze rechten zelf
uit te oefenen.
De aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde persoon, verder « de door de
patiënt benoemde vertegenwoordiger » genoemd, geschiedt bij een gedagtekend en
door de patiënt en deze persoon ondertekend bijzonder schriftelijk mandaat
waaruit de toestemming van laatstgenoemde blijkt. Dit mandaat kan door de
patiënt of door de door hem benoemde vertegenwoordiger via een gedagtekend en
ondertekend geschrift worden herroepen.
§ 2. Heeft de patiënt geen vertegenwoordiger benoemd of treedt de door de
patiënt benoemde vertegenwoordiger niet op dan worden de rechten zoals
vastgesteld in deze wet uitgeoefend door de samenwonende echtgenoot, de
wettelijk samenwonende partner of feitelijk samenwonende partner.
Indien deze persoon dat niet wenst te doen of ontbreekt, worden de rechten in
dalende volgorde uitgeoefend door een meerderjarig kind, een ouder, een
meerderjarige broer of zus van de patiënt.
Indien ook een dergelijke persoon dat niet wenst te doen of ontbreekt,
behartigt de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in
multidisciplinair overleg, de belangen van de patiënt.
Dit is eveneens het geval bij conflict tussen twee of meer van de in deze
paragraaf genoemde personen.
§ 3. De patiënt wordt zoveel als mogelijk en in verhouding tot zijn
begripsvermogen betrokken bij de uitoefening van zijn rechten.
Art. 15. § 1. Met het
oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt zoals
bedoeld in artikel 10, kan de betrokken beroepsbeoefenaar het verzoek van de in
artikel 12, 13 en 14 bedoelde persoon om inzage of afschrift zoals bedoeld in
artikel 9, § 2, of § 3, geheel of gedeeltelijk weigeren. In dergelijk geval
wordt het recht op inzage of afschrift uitgeoefend door een door de
vertegenwoordiger aangewezen beroepsbeoefenaar.
§ 2. In het belang van de patiënt en teneinde een bedreiging van diens leven of
een ernstige aantasting van diens gezondheid af te wenden, wijkt de betrokken
beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, af van de
beslissing genomen door de in artikel 12, 13 en 14, § 2, bedoelde persoon.
Indien de beslissing genomen werd door een in artikel 14, § 1, bedoelde
persoon, wijkt de beroepsbeoefenaar hiervan slechts af voor zover die persoon
zich niet kan beroepen op de uitdrukkelijke wil van de patiënt.
§ 3. In de gevallen van § 1, en § 2, voegt de beroepsbeoefenaar een
schriftelijke motivering toe aan het patiëntendossier.
HOOFDSTUK V. - Federale
commissie « Rechten van de patiënt »
Art. 16. § 1. Bij het
Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Federale
commissie « Rechten van de patiënt » opgericht.
§ 2. Bedoelde commissie heeft tot taak :
1° verzamelen en verwerken van nationale en internationale informatie met
betrekking tot patiëntenrechtelijke aangelegenheden;
2° op verzoek of op eigen initiatief adviseren van de minister bevoegd voor de
Volksgezondheid met betrekking tot rechten en plichten van patiënten en
beroepsbeoefenaars;
3° evalueren van de toepassing van de rechten bepaald in deze wet;
4° evalueren van de werking van de ombudsfuncties;
5° behandelen van klachten omtrent de werking van een ombudsfunctie.
§ 3. Bij de commissie wordt een ombudsdienst opgericht. Deze is bevoegd om een
klacht van een patiënt in verband met de uitoefening van zijn rechten toegekend
door deze wet, door te verwijzen naar de bevoegde ombudsfunctie of bij
ontstentenis hiervan, deze zelf te behandelen, zoals bedoeld in artikel 11, §
2, 2°, en 3°.
§ 4. De Koning bepaalt nadere regelen inzake de samenstelling en de werking van
de Federale commissie « Rechten van de patiënt ». In de samenstelling wordt een
evenwichtige verhouding gewaarborgd tussen vertegenwoordigers van de patiënten,
van de beroepsbeoefenaars, de ziekenhuizen en verzekeringsinstellingen zoals
bedoeld in artikel 2, i, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende
de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Als
leden met raadgevende stem kunnen eveneens ambtenaren van betrokken
ministeriële departementen of overheidsdiensten worden voorzien.
§ 5. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door de
ambtenaar-generaal aangeduid door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigende-
en slotbepalingen
Art. 17. In de wet op de
ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° In titel 1 wordt een hoofdstuk V (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :
« HOOFDSTUK V. - Naleving van de rechten van de patiënt. »;
2° Er wordt een artikel 17novies ingevoegd, luidend als volgt :
Art. 17novies. Ieder ziekenhuis leeft, binnen zijn wettelijke mogelijkheden, de
bepalingen na van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de
patiënt wat betreft de medische, verpleegkundige en andere
gezondheidszorgberoepsmatige aspecten in zijn rechtsverhoudingen jegens de
patiënt. Bovendien waakt ieder ziekenhuis erover dat ook de beroepsbeoefenaars
die er niet op basis van een arbeidsovereenkomst of een statutaire benoeming
werkzaam zijn, de rechten van de patiënt eerbiedigen.
Ieder ziekenhuis waakt erover dat alle klachten in verband met de naleving van
het vorig lid, kunnen worden neergelegd bij de in artikel 70quater bedoelde
ombudsfunctie om er te worden behandeld.
Op zijn verzoek heeft de patiënt het recht om uitdrukkelijk en voorafgaandelijk
informatie inzake de in het eerste lid bedoelde rechtsverhoudingen te ontvangen
die door de Koning wordt bepaald na advies van de in artikel 16 van de wet van
22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bedoelde commissie.
Het ziekenhuis is aansprakelijk voor de tekortkomingen, begaan door de er
werkzame beroepsbeoefenaars, in verband met de eerbiediging van de in deze wet
bepaalde rechten van de patiënt, met uitzondering van de tekortkomingen begaan
door beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie in de in het vorige lid bedoelde
informatie uitdrukkelijk anders is bepaald. »;
3° Er wordt een artikel 70quater ingevoegd, luidend als volgt :
« Art. 70quater. Om te worden erkend moet ieder ziekenhuis beschikken over een
ombudsfunctie zoals bedoeld in artikel 11, § 1, van de wet van 22 augustus 2002
betreffende de rechten van de patiënt met dien verstande dat de Koning de
voorwaarden kan omschrijven waaronder bedoelde ombudsfunctie via een
samenwerkingsakkoord tussen ziekenhuizen mag worden uitgeoefend. »
Art. 18. § 1. Het eerste
lid van artikel 10, § 2, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de
persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens,
zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998 wordt als volgt gewijzigd :
« Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 9, § 2, van de wet van 22 augustus
2002 betreffende de rechten van de patiënt, heeft elke persoon het recht om
hetzij op rechtstreekse wijze hetzij met behulp van een beroepsbeoefenaar in de
gezondheidszorg kennis te krijgen van de persoonsgegevens die betreffende zijn
gezondheid worden verwerkt. »
§ 2. Het tweede lid van artikel 10, § 2, van dezelfde wet, wordt als volgt
gewijzigd :
« Onverminderd het bepaalde in artikel 9, § 2, van voornoemde wet, kan op
verzoek van de verantwoordelijke van de verwerking of op verzoek van de
betrokkene, de mededeling gebeuren door tussenkomst van een door de betrokkene
gekozen beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. »
Art. 19. Artikel 95 van
de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wordt vervangen door
de volgende bepaling :
« Art. 95. - Medische informatie - De door de verzekerde gekozen arts kan de
verzekerde die erom verzoekt de geneeskundige verklaringen afleveren die voor
het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst nodig zijn. Deze verklaringen
beperken zich tot een beschrijving van de huidige gezondheidstoestand.
Deze verklaringen mogen uitsluitend aan de adviserend arts van de verzekeraar
worden bezorgd. Deze mag de verzekeraar geen informatie geven die
niet-pertinent is gezien het risico waarvoor de verklaringen werden opgemaakt
of betreffende andere personen dan de verzekerde.
Het medisch onderzoek, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van de
overeenkomst, kan slechts steunen op de voorgeschiedenis van de huidige
gezondheidstoestand van de kandidaat-verzekerde en niet op technieken van
genetisch onderzoek die dienen om de toekomstige gezondheidstoestand te
bepalen.
Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te
bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de
verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak.
Wanneer er geen risico meer bestaat voor de verzekeraar, bezorgt de adviserend
arts de geneeskundige verklaringen, op hun verzoek, terug aan de verzekerde of,
in geval van overlijden, aan zijn rechthebbenden.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met's Lands zegel zal worden bekleed en
door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 22 augustus 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Mevr. M. AELVOET
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
_______
Nota
(1) Stukken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers :
50-642/2001/2002 :
Nr. 1 : Wetsontwerp. - Nrs. 2 tot 11 : Amendementen. - Nr. 12 : Verslag. - Nr.
013 : Tekst aangenomen door de commissie. - Nr. 14 : Amendement.
Integraal verslag : 15 juli 2002.
Stukken van de Senaat : 2-1250-2001-2002 :
Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. - Nr. 2 : Amendementen. - Nr. 4 :
Amendement. - Nr. 6 : Beslissing om niet te amenderen.
Handelingen van de Senaat : 19 juli 2002.
Publicatie : 2002-09-26