MINISTERIE VAN JUSTITIE


28 NOVEMBER 2000. - Wet betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen (1)



ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :


HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.


HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van het Strafwetboek
Art. 2. In hoofdstuk X van boek I van het Strafwetboek wordt het opschrift boven artikel 100 vervangen als volgt :
« Algemene bepalingen ».
Art. 3. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 100ter ingevoegd, luidende :
« Art. 100ter. - Wanneer in de bepalingen van boek II de term « minderjarige » wordt aangewend, wordt daaronder elke persoon verstaan die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. ».
Art. 4. Artikel 347bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juli 1975 en gewijzigd bij de wet van 10 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
« Art. 347bis. - § 1. Gijzeling is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, onder meer een misdaad of een wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan.
§ 2. Gijzeling wordt gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.
De straf is levenslange opsluiting indien de gijzelaar een minderjarige is.
§ 3. Behalve in de in § 4 bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar tot twintig jaar indien binnen vijf dagen na de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering, de gijzelaar vrijwillig wordt vrijgelaten zonder dat aan het bevel of aan de voorwaarde is voldaan.
§ 4. De straf is levenslange opsluiting in de volgende gevallen :
1° indien de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij zware verminking, hetzij de dood ten gevolge heeft;
2° indien de gijzelaar lichamelijk is gefolterd. ».
Art. 5. Artikel 363 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« Art. 363. - Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een kind met een ander kind verwisselt of aan een vrouw een kind toeschrijft waarvan zij niet is bevallen.
Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar wordt gestraft hij die het bewijs van de burgerlijke staat van een kind vernietigt of het opmaken ervan verhindert.
Dezelfde straf wordt toegepast op hen die opdracht geven om de in de vorige leden vermelde feiten te plegen, indien die opdracht is uitgevoerd. ».
Art. 6. In artikel 372 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 1912, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Het eerste lid wordt aangevuld met de woorden « van vijf jaar tot tien jaar »;
2° In het tweede lid worden de woorden « of adoptant » ingevoegd tussen de woorden « in de opgaande lijn » en het woord « gepleegd »;
3° In hetzelfde lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting »;
4° Hetzelfde lid wordt aangevuld als volgt :
« Dezelfde straf wordt toegepast indien de schuldige hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer is of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft. »
Art. 7. In artikel 373 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 1912, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Het tweede lid wordt aangevuld met de woorden « van vijf jaar tot tien jaar »;
2° In het derde lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting ».
Art. 8. In artikel 375 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 1912 en gewijzigd bij de wetten van 14 mei 1937 en 4 juli 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Het derde lid wordt aangevuld met de woorden « van vijf jaar tot tien jaar »;
2° In het vierde, het vijfde en het zesde lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting »;
3° In het zevende lid worden de woorden « levenslange dwangarbeid » vervangen door de woorden « opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. ».
Art. 9. In artikel 376 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 juli 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden « levenslange dwangarbeid » vervangen door de woorden « opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar »
2° In het tweede en het derde lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting. ».
Art. 10. In artikel 377 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1912, 14 mei 1937, 18 juni 1985 en 4 juli 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden « of adoptant » ingevoegd na de woorden « bloedverwant in de opgaande lijn »;
2° In hetzelfde lid worden de woorden « ; of is hij hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer of ieder ander persoon die een gelijkaardige positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft, » ingevoegd tussen de woorden « of van het wanbedrijf » en de woorden « , dan worden de straffen »;
3° In het tweede, het vierde en het zesde lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting. ».
Art. 11. Artikel 378 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 8 april 1965, wordt vervangen als volgt :
« Art. 378. - In de gevallen omschreven in dit hoofdstuk worden de schuldigen veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31. ».
Art. 12. Artikel 378bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1989, wordt vervangen als volgt :
« Art. 378bis. - Publicatie en verspreiding door middel van boeken, pers, film, radio, televisie of op enige andere wijze, van teksten, tekeningen, foto's, enigerlei beelden of geluidsfragmenten waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van een in dit hoofdstuk genoemd misdrijf zijn verboden, tenzij met schriftelijke toestemming van het slachtoffer of met toestemming, ten behoeve van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, van de procureur des Konings of van de met het onderzoek belaste magistraat.
Overtredingen van dit artikel worden gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van driehonderd frank tot drieduizend frank of met een van die straffen alleen. ».
Art. 13. In artikel 379 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden « van vijf jaar tot tien jaar » ingevoegd tussen het woord « opsluiting » en de woorden « en met geldboete »;
2° In het tweede lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting »;
3° In het derde lid wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting » en worden de woorden « tien jaar » vervangen door de woorden « veertien jaar. ».
Art. 14. In artikel 380bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 april 1995, dat artikel 380 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in §§ 3, 4 en 5, wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting »;
2° in § 4, 1 en 4, worden de woorden « onder de zestien jaar » geschrapt;
3° paragraaf 4 wordt aangevuld met een 5, luidende :
« 5° hij die door de overhandiging, het aanbod of de belofte van een materieel of financieel voordeel ontucht of prostitutie van een minderjarige heeft verkregen. »;
4° in § 5 worden de woorden « onder de tien jaar » vervangen door de woorden « onder de zestien jaar »;
5° er wordt een § 6 ingevoegd, luidende :
« § 6. Hij die ontucht of prostitutie van een minderjarige bijwoont, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot tweeduizend frank. ».
Art. 15. Artikel 380quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 augustus 1948 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 1995, wordt artikel 380bis.
Art. 16. In artikel 380quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 maart 1995, dat artikel 380ter wordt, worden in de §§ 1 en 2 de woorden « met een direct of indirect winstoogmerk » geschrapt.
Art. 17. Artikel 381bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, dat artikel 381 wordt, wordt vervangen als volgt :
« Art. 381. - De misdrijven bedoeld in de artikelen 379 en 380, §§ 3 en 4, worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank en de misdrijven bedoeld in artikel 380, § 5, worden gestraft met opsluiting van zeventien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank, indien ze daden betreffen van deelneming aan de hoofdbedrijvigheid of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet. ».
Art. 18. Artikel 382 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 26 mei 1914, 21 augustus 1948, 28 juli 1962, 8 april 1965 en 13 april 1995, wordt vervangen als volgt :
« Art. 382. - § 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 379 en 380 worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31.
§ 2. De rechtbanken kunnen tegen de personen die wegens een misdrijf bepaald bij artikel 380, §§ 1 tot 3, veroordeeld worden, het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot drie jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een onderneming van vertoningen, een zaak voor verhuur of verkoop van visuele dragers, een hotel, een bureau voor verhuur van gemeubileerde kamers of appartementen, een reisbureau, een huwelijksbureau, een adoptieinstelling, een instelling waaraan de bewaring van minderjarigen wordt toevertrouwd, een bedrijf dat leerlingen en jeugdgroepen vervoert, een gelegenheid voor ontspanning of vakantie, of een inrichting die lichaamsverzorging of psychologische begeleiding aanbiedt, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, uit te baten of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn.
In geval van een tweede veroordeling wegens een misdrijf bepaald in artikel 380, §§ 1 tot 3, kan het verbod voor een termijn van een jaar tot twintig jaar worden uitgesproken.
In geval van een veroordeling wegens een misdrijf bepaald bij de artikelen 379 en 380, §§ 4 en 5, kan het verbod voor een termijn van een jaar tot twintig jaar worden uitgesproken.
§ 3. Zonder rekening te houden met de hoedanigheid van natuurlijke persoon of rechtspersoon van de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder, kan de rechtbank de sluiting bevelen van de inrichting waar de misdrijven zijn gepleegd, voor een termijn van een maand tot drie jaar.
Wanneer de veroordeelde eigenaar, uitbater, huurder noch zaakvoerder is van de inrichting, kan de sluiting enkel worden bevolen indien de ernst van de concrete omstandigheden dit vereist, en dit voor een termijn van maximaal twee jaar, na dagvaarding van de eigenaar, de uitbater, de huurder of de zaakvoerder op vordering van het openbaar ministerie.
De dagvaarding voor de rechtbank wordt in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn, overgeschreven ten verzoeke van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.
De dagvaarding vermeldt de kadastrale omschrijving van het betrokken onroerende goed en identificeert de eigenaar ervan in de vorm en volgens de sanctie bepaald in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913 houdende wijzigingen in de hypotheekwet en in de wet op de gedwongen onteigeningen en regelende de herinrichting van de bewaring der hypotheken.
Iedere in de zaak gewezen beslissing wordt in de kant van de overgeschreven dagvaarding vermeld op de wijze bepaald in artikel 84 van de hypotheekwet. De griffier doet de uittreksels en de verklaring dat er geen rechtsmiddelen aangewend zijn aan de hypotheekbewaarder toekomen.
§ 4. Artikel 389 is van toepassing op deze bepaling. ».
Art. 19. Artikel 382bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de kinderpornografie, wordt artikel 382ter van dat Wetboek.
Art. 20. Artikel 382bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, wordt vervangen als volgt :
« Art. 382bis.- Onverminderd de toepassing van artikel 382 kan elke veroordeling wegens feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379 tot 380ter, 381 en 383 tot 387, gepleegd op de persoon van een minderjarige of met zijn deelneming, de ontzetting meebrengen van het recht om, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar :
1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
2° deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
3° een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging.
Artikel 389 is van toepassing op deze bepaling. ».
Art. 21. In artikel 383bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 379 en 380 wordt hij die zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter voorstellen waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld, tentoonstelt, verkoopt, verhuurt, verspreidt, uitzendt of overhandigt, ze met het oog op de handel of de verspreiding vervaardigt of in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank. »;
2° in § 3 wordt het woord « dwangarbeid » vervangen door het woord « opsluiting »;
3° in § 5 worden de wooden « Artikel 382 is van toepassing » vervangen door de woorden « De artikelen 382 en 389 zijn van toepassing ».
Art. 22. In artikel 384 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juni 1926, worden de woorden « In het geval van het vorige artikel » vervangen door de woorden « In de gevallen bedoeld in artikel 383 ».
Art. 23. In artikel 385 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 mei 1912, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord « kind » wordt vervangen door het woord « minderjarige »;
2° het woord « tegenwoordigheid » wordt vervangen door het woord « aanwezigheid ».
Art. 24. In artikel 386bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1962, dat artikel 387 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « beneden achttien jaar » geschrapt;
2° het tweede lid wordt geschrapt.
Art. 25. Artikel 386ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juli 1962, dat artikel 388 wordt, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 388. - In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31.
In geval van veroordeling op grond van artikel 386, eerste lid, of artikel 387 en indien het misdrijf gepleegd is bij het exploiteren van een boekhandel, een antiquariaat, een handel in fotoartikelen of in materiaal vereist voor de totstandkoming van iedere soort van visuele drager of een onderneming van vertoningen, kan de sluiting van de inrichting worden bevolen voor een maand tot drie maanden.
In geval van een tweede veroordeling wegens een van de in het tweede lid bedoelde feiten, gepleegd binnen een termijn van drie jaar na de eerste veroordeling, kan de sluiting worden bevolen voor drie maanden tot zes maanden.
In geval van een derde veroordeling wegens dezelfde feiten, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar na de tweede veroordeling, kan de definitieve sluiting worden bevolen. In dit laatste geval kunnen de hoven en rechtbanken bovendien tegen de veroordeelden het verbod uitspreken om een boekhandel, een antiquariaat, een handel in fotoartikelen of in materiaal vereist voor de totstandkoming van iedere soort van visuele drager, een onderneming van vertoningen of een of meer handelszaken of ondernemingen als hier bedoeld, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, te exploiteren of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn.
Wanneer de veroordeelde eigenaar, uitbater, huurder noch zaakvoerder is van de inrichting, kan de sluiting enkel worden bevolen indien de ernst van de concrete omstandigheden dit vereist. In dit geval is artikel 382, § 3, tweede tot vijfde lid, van toepassing.
Artikel 389 is van toepassing op deze bepaling. ».
Art. 26. Artikel 389 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 28 oktober 1974, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
« Art. 389. - § 1. De tijd van de ontzetting uitgesproken met toepassing van de artikelen 378, 382, § 1, 382bis en 388, eerste lid, gaat in op de dag van de veroordeling met uitstel of op de dag dat de veroordeelde zijn gevangenisstraf heeft ondergaan of dat zijn straf verjaard is ingeval hiervoor geen uitstel is verleend en, in geval van vervroegde invrijheidstelling, op de dag van zijn invrijheidstelling voorzover deze niet herroepen wordt.
Niettemin heeft het op grond van artikel 382, § 2, uitgesproken verbod zijn gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstrek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden.
§ 2. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of arrest dat een verbod of ontzetting uitspreekt met toepassing van de artikelen bedoeld in § 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 3. De sluiting uitgesproken overeenkomstig de artikelen 382, § 3, en 388 heeft haar gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden .
§ 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of arrest dat de sluiting van een inrichting beveelt met toepassing van de artikelen bedoeld in § 3, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met geldboete van duizend frank tot vijfduizend frank of met een van die straffen alleen. ».
Art. 27. Het opschrift van boek II, titel VII, hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek, dat artikel 391 bevat, wordt vervangen als volgt :
« Hoofdstuk VIII. - Dubbel huwelijk ».
Art. 28. In hetzelfde Wetboek worden de artikelen 405bis en 405ter ingevoegd, luidende :
« Art. 405bis.- In de hierna bedoelde gevallen, indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, zijn de straffen de volgende :
1° in de gevallen bedoeld in artikel 398, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete van zesen-twintig frank tot honderd frank;
2° in de gevallen bedoeld in artikel 398, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank;
3° in de gevallen bedoeld in artikel 399, eerste lid, zijn de straffen gevangenisstraf van vier maanden tot vier jaar en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank;
4° in de gevallen bedoeld in artikel 399, tweede lid, zijn de straffen gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank;
5° in de gevallen bedoeld in artikel 400, eerste lid, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;
6° in de gevallen bedoeld in artikel 400, tweede lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;
7° in de gevallen bedoeld in artikel 401, eerste lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;
8° in de gevallen bedoeld in artikel 401, tweede lid, is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;
9° in de gevallen bedoeld in artikel 402 is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;
10° in de gevallen bedoeld in artikel 403 is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
11° in de gevallen bedoeld in artikel 404 is de straf opsluiting van zeventien jaar tot twintig jaar.
Art. 405ter. - In de gevallen bepaald in de artikelen 398 tot 405bis, indien de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op een minderjarige of op een persoon die, uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, of door enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige of de onbekwame, of door een persoon die hen onder zijn bewaring heeft, of door een persoon die occasioneel of gewoonlijk samenwoont met het slachtoffer, wordt het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. »
Art. 29. Artikel 409 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
« Art. 409. - § 1. Hij die eender welke vorm van verminking van de genitaliėn van een persoon van het vrouwelijk geslacht uitvoert, vergemakkelijkt of bevordert, met of zonder haar toestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie jaar tot vijf jaar.
De poging wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar.
§ 2. Indien de verminking uitgevoerd wordt op een minderjarige of met een winstoogmerk, is de straf opsluiting van vijf jaar tot zeven jaar.
§ 3. Indien de verminking een ongeneeslijk lijkende ziekte of een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
§ 4. Wanneer de verminking zonder het oogmerk om te doden, toch de dood ten gevolge heeft, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
§ 5. Is de in § 1 bedoelde verminking op een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte is om in zijn onderhoud te voorzien, uitgevoerd door zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, of door enige andere persoon die gezag heeft over de minderjarige of de onbekwame, of door een persoon die hen onder zijn bewaring heeft, of door een persoon die occasioneel of gewoonlijk samenwoont met het slachtoffer, dan wordt het minimum van de bij de §§ 1 tot 4 bepaalde straffen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. »
Art. 30. In artikel 410 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1912, 31 maart 1987 en 24 november 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
« Indien de schuldige, in de gevallen omschreven in de artikelen 398 tot 405, de misdaad of het wanbedrijf pleegt tegen zijn vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn, wordt de minimumstraf bedoeld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting. »;
2° het tweede lid wordt geschrapt;
3° in het derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt het woord « ook » geschrapt.
Art. 31. Boek II, titel VIII, hoofdstuk III, van hetzelfde Wetboek, dat de artikelen 423 tot 433 bevat, wordt vervangen door een hoofdstuk III dat de artikelen 423 tot 432 bevat en als opschrift heeft :
« Hoofdstuk III. - Aantasting van de persoon van minderjarigen, van onbekwamen en van het gezin.
Afdeling 1. - Verlaten of in behoeftige toestand achterlaten van kinderen of onbekwamen
Art. 423. - § 1. Zij die een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is om zichzelf te beschermen, op om het even welke plaats verlaten of doen verlaten, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
§ 2. Indien de verlating een ernstige verminking van de in § 1 bedoelde persoon of een ongeneeslijk lijkende ziekte of het volledig verlies van het gebruik van een orgaan ten gevolge heeft, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank of met een van die straffen alleen.
§ 3. Indien de verlating de dood van de in § 1 bedoelde persoon ten gevolge heeft, worden de schuldigen gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
Art. 424. - Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig frank tot zeshonderd frank of met een van die straffen alleen, onverminderd, indien daartoe grond bestaat, de toepassing van strengere strafbepalingen, worden gestraft :
De vader of moeder of de adoptanten die hun kind in behoeftige toestand achterlaten, ook al wordt het niet alleen gelaten, die weigeren het weer bij zich te nemen en weigeren zijn onderhoud te betalen als zij het aan een derde hebben toevertrouwd of als het bij rechterlijke beslissing aan een derde is toevertrouwd.
In geval van een tweede veroordeling wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van de eerste, kunnen de straffen worden verdubbeld.
Afdeling II. - Onthouden van voedsel of verzorging aan minderjarigen en aan onbekwamen
Art. 425. - § 1. Zij die een minderjarige of een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, opzettelijk voedsel of verzorging onthouden, in dusdanige mate dat zijn gezondheid in het gedrang wordt gebracht, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank of met een van die straffen alleen.
§ 2. Indien het onthouden van voedsel of verzorging een ongeneeslijk lijkende ziekte, het volledige verlies van het gebruik van een orgaan of ernstige verminking ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
§ 3. Indien het opzettelijk onthouden van voedsel of verzorging, zonder het oogmerk om te doden, toch de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Art. 426. - § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen, onverminderd, indien daartoe grond bestaat, de toepassing van strengere strafbepalingen, worden gestraft zij die de bewaring hebben van een minderjarige of van een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, het onderhoud van het kind of van de persoon in dusdanige mate nagelaten hebben dat zijn gezondheid in het gedrang wordt gebracht.
§ 2. Indien de nalatigheid de dood veroorzaakt van de minderjarige of van de persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank.
Afdeling III. - Bepaling aan de afdelingen I en II gemeen
Art. 427. - In de gevallen omschreven in de artikelen 423, 425 en 426, wordt de minimumstraf gesteld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting indien de schuldige de daden tegen zijn vader, moeder, adoptanten of andere bloedverwanten in de opgaande lijn heeft gepleegd.
Hetzelfde geldt indien de schuldige, de vader, de moeder of de adoptant is van het slachtoffer dan wel elke andere persoon die gezag over het slachtoffer heeft of de bewaring ervan heeft.
Afdeling IV. - Ontvoering en verberging van minderjarigen
Art. 428. - § 1. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, ontvoert of doet ontvoeren, zelfs als de minderjarige zijn ontvoerder vrijwillig is gevolgd.
§ 2. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, ontvoert of doet ontvoeren door geweld, list of bedreiging.
§ 3. Indien de ontvoerde minderjarige wordt onderworpen aan lichamelijke folteringen, is de straf tien jaar tot vijftien jaar opsluiting.
§ 4. De straf is opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien de ontvoering of de gevangenhouding van de ontvoerde minderjarige, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft.
§ 5. Indien de ontvoering of de gevangenhouding de dood ten gevolge heeft, is de straf opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.
Art. 429. - Met dezelfde straffen als de dader van de ontvoering wordt gestraft hij die een minderjarige van wie hij weet dat hij is ontvoerd, bij zich houdt.
Art. 430. - In de gevallen bedoeld in de artikelen 428 en 429, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 428, §§ 3 tot 5, is de straf gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd frank tot vijfhonderd frank indien, binnen vijf dagen na de ontvoering, de ontvoerder of de persoon bedoeld in artikel 429 de minderjarige vrijwillig heeft teruggegeven.
Afdeling V. - Niet-afgeven van kinderen
Art. 431. - Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank of met een van die straffen alleen worden gestraft zij aan wie een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar is toevertrouwd en hem niet afgeven aan de personen die het recht hebben hem op te eisen.
Indien de schuldige deze minderjarige meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben hem op te eisen of deze minderjarige onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen.
Art. 432. - § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van deze straffen alleen worden gestraft :
de vader of moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de rechtsvervolging, tegen dit kind ingesteld uit kracht van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of betreffende de jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid het heeft toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan kan de gevangenisstraf tot drie jaar worden verhoogd.
§ 2. Indien de schuldige het minderjarige kind meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben het op te eisen of het minderjarige kind onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank, of met een van deze straffen alleen.
Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan is de gevangenisstraf minstens drie jaar.
§ 3. Wanneer over de bewaring van het minderjarige kind mocht zijn beslist, hetzij gedurende het verloop of ten gevolge van een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, hetzij in andere bij de wet bepaalde omstandigheden, dan worden de straffen bepaald in de §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
§ 4. Indien over de bewaring van het minderjarige kind een aan de rechtspleging door onderlinge toestemming voorafgaande minnelijke schikking is getroffen, worden de straffen bepaald in §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die, vanaf de datum van de overschrijving van de echtscheiding door onderlinge toestemming, het minderjarige kind onttrekt of poogt te ontrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing of de minnelijke schikking is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan hen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
Art. 32. Artikel 433 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 33. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 458bis ingevoegd, luidende :
« Art. 458bis. - Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integrieteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen. ».


HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering
Art. 34. Artikel 10ter van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, wordt vervangen als volgt :
« Art. 10.ter. - Eenieder kan in Belgiė vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan :
1° een van de misdrijven bepaald in de artikelen 379, 380, 381 en 383bis, §§ 1 en 3, van het Strafwetboek;
2° een van de misdrijven bepaald in de artikelen 372 tot 377 en 409, van hetzelfde Wetboek, indien het feit werd gepleegd op een minderjarige;
3° een van de misdrijven bepaald in artikel 77bis, §§ 2 en 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en in de artikelen 10 tot 13 van de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren. ».
Art. 35. In artikel 21bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° De woorden « In de gevallen bedoeld in de artikelen 372, 373, 375, 379, 380 en 380bis van het Strafwetboek » worden vervangen door de woorden « In de gevallen bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 van het Strafwetboek »;
2° Het artikel wordt aangevuld met een nieuw lid, luidende :
« In geval van correctionalisering van een misdaad bedoeld in het vorige lid, blijft de verjaringstermijn van de strafvordering, die welke is bepaald voor een misdaad. ».

 


HOOFDSTUK IV
Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering

Art. 36. In artikel 28quinquies, § 2, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden « het proces-verbaal van » vervangen door de woorden « de tekst van »;
2° De paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
« Wanneer het een minderjarige betreft en wanneer blijkt dat deze het gevaar loopt dat de kopie hem wordt ontnomen of hij het persoonlijke karakter ervan niet kan bewaren, kan de procureur des Konings hem de mededeling ervan weigeren, bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
In dat geval kan de minderjarige, vergezeld door een advocaat of een justitieassistent van de dienst slachtofferonthaal van het parket, een kopie van de tekst van zijn verhoor raadplegen. Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze raadpleging uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
In het geval bedoeld in het vierde lid en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het derde lid, kan de procureur des Konings beslissen dat een kosteloze kopie van de tekst van het verhoor van de minderjarige aan de advocaat van deze laatste medegedeeld wordt. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier. ».
Art. 37. In artikel 57, § 2, van hetzelfde Wetboek, opnieuw opgenomen bij de wet van 12 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden « het proces-verbaal van » vervangen door de woorden « de tekst van »;
2° De paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
« Wanneer het een minderjarige betreft en wanneer blijkt dat deze het gevaar loopt dat de kopie hem wordt ontnomen of hij het persoonlijke karakter ervan niet kan bewaren, kan de onderzoeksrechter hem de mededeling ervan weigeren, bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
In dat geval kan de minderjarige, vergezeld door een advocaat of een justitieassistent van de dienst slachtofferonthaal van het parket, een kopie van de tekst van zijn verhoor raadplegen. Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de onderzoeksrechter, bij een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze raadpleging uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
In het geval bedoeld in het vierde lid en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het derde lid, kan de onderzoeksrechter beslissen dat een kosteloze kopie van de tekst van het verhoor van de minderjarige aan de advocaat van deze laatste medegedeeld wordt. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier. ».
Art. 38. § 1. In het opschrift van hoofdstuk VIIbis, boek I, van hetzelfde Wetboek, opnieuw opgenomen bij de wet van 13 april 1995, worden de woorden « of getuige » ingevoegd tussen het woord « slachtoffer » en het woord « zijn ».
§ 2. In artikel 91bis van hetzelfde Wetboek, opnieuw opgenomen bij de wet van 13 april 1995 en vernummerd bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden « of getuige » worden ingevoegd tussen het woord « slachtoffer » en de woorden « is van de feiten »;
2° de woorden « artikelen 372, 373, 375, 379, 380 en 380bis van het Strafwetboek » worden vervangen door de woorden « artikelen 347bis, 372 tot 377, 379, 380, 380bis, 380ter, 383, 383bis, 385, 386, 387, 398 tot 405ter, 409, 410, 422bis, 422ter, 423, 425, 426 en 428 van het Strafwetboek. ».
§ 3. De artikelen 92 tot 101 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 20 mei 1990, worden opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
« Art. 92. - § 1. De procureur des Konings of de onderzoeksrechter kan de audiovisuele opname bevelen van het verhoor van minderjarigen die het slachtoffer zijn van de in artikel 91bis bedoelde misdrijven of daarvan getuige zijn, met hun toestemming.
Indien de minderjarige minder dan twaalf jaar oud is, is het voldoende hem hierover in te lichten.
§ 2. De audiovisuele opname van het verhoor van minderjarigen die slachtoffer of getuige zijn van andere misdrijven dan die bedoeld in § 1, kan worden bevolen in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden, met hun toestemming.
Indien de minderjarige minder dan twaalf jaar oud is, is het voldoende hem hierover in te lichten.
Art. 93. - Het opgenomen verhoor van de minderjarige wordt, afhankelijk van het stadium waarin de procedure zich bevindt, verricht door een magistraat van het openbaar ministerie, door de onderzoeksrechter of door een politieambtenaar die bij name door een van hen aangewezen wordt.
Art. 94. - Het opgenomen verhoor van de minderjarige vindt plaats in een speciaal daartoe aangepaste ruimte. De personen die toegelaten kunnen worden om de opname bij te wonen zijn de verhoorder, de in artikel 91bis bedoelde persoon, een ld of leden van de technische dienst en een psychiater- of psycholoog-deskundige.
Art. 95. - De verhoorder zet aan de minderjarige de redenen uiteen waarom hij wenst over te gaan tot de audiovisuele opnamen van het verhoor en deelt hem mede dat de minderjarige te allen tijde kan vragen de opname te onderbreken. De mededeling wordt in het proces-verbaal vermeld.
Tijdens het verhoor kan de minderjarige te allen tijde vragen de opname ervan te onderbreken. Aan dat verzoek wordt onmiddellijk gevolg gegeven en in het proces-verbaal wordt daarvan melding gemaakt.
Art. 96. - Een proces-verbaal van het opgenomen verhoor wordt opgesteld binnen achtenveertig uur of onmiddellijk ingeval de verdachte van zijn vrijheid is beroofd. Behalve de vermeldingen bedoeld in artikel 47bis worden in het proces-verbaal de belangrijkste elementen van het onderhoud, en eventueel de meest relevante passages overgeschreven.
Tot de volledige en letterlijke overschrijving van het verhoor wordt overgegaan op verzoek van de onderzoeksrechter, van de procureur des Konings, van de persoon die wordt gehoord of van de partijen die in het geding betrokken zijn. In die overschrijving worden het gedrag en de uitdrukkingen van de minderjarige weergegeven. De overschrijving wordt zo spoedig mogelijk bij het dossier gevoegd.
Art. 97. - De opname van het verhoor wordt in twee exemplaren gemaakt. Beide cassettes worden als originelen beschouwd en ter griffie als overtuigingsstuk neergelegd.
Zo nodig, inzonderheid met het oog op de overschrijving of op het deskundigenonderzoek, kan een van de cassettes ter beschikking worden gesteld van de politiedienst of van de aangewezen deskundige.
Van de cassettes mag geen enkele kopie worden gemaakt.
Art. 98. - Indien het onontbeerlijk is de minderjarige opnieuw te verhoren, het verhoor aan te vullen of over te gaan tot een confrontatie, beveelt de procureur des Konings, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht bij een met redenen omklede beslissing een nieuw verhoor of de confrontatie in de vorm en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 91bis tot 97.
Art. 99. - De cassette mag enkel worden bekeken door de personen die in het kader van het gerechtelijk dossier beroepshalve betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of het vonnis, alsmede door de partijen in het geding.
De niet aangehouden inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen hiertoe overeenkomstig artikel 61ter bij de onderzoeksrechter een verzoek indienen.
Alle partijen hebben het recht om de cassette te bekijken nadat de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127 de regeling van de rechtspleging heeft gevorderd.
Art. 100. - De processen-verbaal van het verhoor en de cassettes van de opname worden overgelegd aan het onderzoeksgerecht en aan het vonnisgerecht, zulks in de plaats van de persoonlijke verschijning van de minderjarige.
Wanneer het vonnisgerecht de verschijning van de minderjarige noodzakelijk vindt om de waarheid aan de dag te brengen, kan het evenwel bij een met redenen omklede beslissing de verschijning bevelen.
Art. 101. - De cassettes kunnen bij beslissing van het vonnisgerecht vernietigd worden. In de andere gevallen worden zij ter griffie bewaard en vernietigd na afloop van de verjaringstermijn van de strafvordering of van de burgerlije rechtsvordering wanneer deze op een later tijdstip valt en, in geval van veroordeling, na de volledige tenuitvoerlegging of verjaring van de straf. ».
Art. 39. § 1. Artikel 190bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967, wordt artikel190ter van dat Wetboek;
§ 2. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 190bis ingevoegd, luidende :
« Art. 190bis. - Wat de minderjarige getuigen betreft, past de rechtbank, in voorkomend geval, de artikelen 92 tot 101 inzake het opgenomen verhoor toe.
Wanneer de rechtbank de verschijning van de minderjarige noodzakelijk vindt om de waarheid aan de dag te brengen, wordt deze verschijning bij wege van videoconferentie georganiseerd, tenzij de minderjarige de wil uitdrukt op de zitting te getuigen.
In geval van verhoor door middel van videoconferentie wordt de minderjarige gehoord in een afzonderlijk lokaal in aanwezigheid, in voorkomend geval, van de in artikel 91bis bedoelde persoon, zijn advocaat, een lid of leden van de technische dienst en een psychiater- of psycholoog-deskundige.
Wanneer de rechtbank het noodzakelijk vindt voor de sereniteit van de getuigenis, kan zij het oogcontact tussen de minderjarige en de beklaagde in alle gevallen beperken of uitsluiten.
Dit artikel is van toepassing op minderjarigen van wie het verhoor werd opgenomen met toepassing van artikel 92 en die de leeftijd van de meerderjarigheid hebben bereikt op het moment van de zitting. ».
Art. 40. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 327bis ingevoegd, luidende :
« Art. 327bis. - Wat de minderjarige getuigen betreft, past de voorzitter in voorkomend geval, de artikelen 92 tot 101 inzake het opgenomen verhoor toe.
Wanneer hij de verschijning van de minderjarige noodzakelijk vindt om de waarheid aan de dag te brengen, wordt deze verschijning bij wege van videoconferentie georganiseerd, tenzij de minderjarige de wil uitdrukt op de zitting te getuigen.
In geval van verhoor door middel van videoconferentie wordt de minderjarige gehoord in een afzonderlijk lokaal in aanwezigheid, in voorkomend geval, van de in artikel 91bis bedoelde persoon, zijn advocaat, een lid of leden van de technische dienst en een psychiater- of pycholoog-deskundige.
Wanneer de voorzitter het noodzakelijk vindt voor de sereniteit van de getuigenis, kan hij het oogcontact tussen de minderjarige en de beschuldigde in alle gevallen beperken of uitsluiten.
Dit artikel is van toepassing op minderjarigen van wie het verhoor werd opgenomen met toepassing van artikel 92 en die de leeftijd van de meerderjarigheid hebben bereikt op het moment van de zitting. »

 


HOOFDSTUK V. - Bepaling tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden
Art. 41. In artikel 2, derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt het 2° vervangen als volgt :
« 2° als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis van het Strafwetboek, wanneer de gijzeling voor de gegijzelden geen andere gevolgen heeft dan een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, ongeacht de leeftijd van de gegijzelde persoon; ».

 


HOOFDSTUK VI. - Bepaling tot wijziging van de wet van 29 juni 1964
betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie

Art. 42. In de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
« Art. 9bis. - Indien de inverdenkinggestelden of de veroordeelden inverdenkinggesteld of veroordeeld zijn wegens een van de feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 377 van het Strafwetboek, of wegens een van de feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd zijn op minderjarigen of met hun deelneming, winnen de bevoegde gerechten het met redenen omklede advies in van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinguenten, alvorens een probatiemaatregel op te leggen.
Indien de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of het uitstel van de strafuitvoering afhankelijk wordt gesteld van een probatiemaatregel die bestaat in het volgen van een begeleiding of behandeling, nodigt de probatiecommissie de betrokkene uit een bevoegde persoon of dienst te kiezen, na in voorkomend geval, kennis te hebben genomen van het met redenen omklede advies bedoeld in het eerste lid. Die keuze wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de commissie.
Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de probatiecommissie, binnen een maand na het begin van die begeleiding of behandeling en telkens als de dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de commissie en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling.
Het in het derde lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de commissie op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling. »

 


HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten
Art. 43. In artikel 20 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde strafbare feiten, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, worden tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden ingevoegd :
« Indien de op proef invrijheidgestelde geļnterneerd is wegens een van de feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 377 van het Strafwetboek, omvat de sociaalgeneeskundige voogdij bedoeld in het eerste lid de verplichting een begeleiding of behandeling in een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten te volgen.
De commissie nodigt de betrokkene uit een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Die keuze wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de commissie.
Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de commissie, binnen een maand na de invrijheidstelling op proef en telkens als de dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de commissie en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling.
Het in het vierde lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de commissie op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling. »
Art. 44. Artikel 20bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, wordt vervangen als volgt :
« Art. 20bis. - Het met redenen omklede advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is vereist voor de definitieve invrijheidstelling of de invrijheidstelling op proef van ieder die geļnterneerd is wegens een van de feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 377 van het Strafwetboek, of voor een van de feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 381 en 383 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd zijn op minderjarigen of met hun deelneming.
In geval van invrijheidstelling op proef kan de commissie bovendien, en zulks voor de duur van de proefperiode die zij bepaalt bij de invrijheidstelling op proef, betrokkene als voorwaarde het verbod opleggen om :
1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
2° deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
3° een activiteit toegewezen te krijgen die de betrokkene in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging. »
Art. 45. In artikel 25 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1990 en 5 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden « artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming » vervangen door de woorden « artikelen 372 tot 377 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming »;
2° het laatste lid wordt vervangen door de volgende leden :
« Het in het vierde lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de minister op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling. »

 


HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 20 juli 1990
betreffende de voorlopige hechtenis

Art. 46. Artikel 35 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt aangevuld met een § 6, luidende :
« § 6. Indien de voorwaarden die krachtens § 3 bepaald zijn, het volgen van een begeleiding of een behandeling opleggen, nodigt de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht de inverdenkinggestelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Die keuze wordt aan de rechter of het gerecht ter goedkeuring voorgelegd.
Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de rechter of aan het gerecht, binnen de maand na de invrijheidstelling en telkens als die dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de rechter of van het gercht en ten minste om de twee maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling.
Het in het tweede lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de rechter of het gerecht op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling. »
Art. 47. Artikel 38, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
« Het toezicht op het volgen van een begeleiding of een behandeling gebeurt overeenkomstig artikel 35, § 6. »

 


HOOFDSTUK IX. - Bepaling tot wijziging van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschapij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers
Art. 48. In artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 betreffende de vorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen bij de wet van 1 juli 1964, wordt het laatste lid vervangen als volgt :
« Het in het vierde lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de commissie op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling. ».

 


HOOFDSTUK X. - Bepaling tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 49. In artikel 92, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 3 augustus 1992, wordt de volgende wijziging aangebracht :
Het 4° wordt vervangen als volgt :
« 4° de strafzaken betreffende misdrijven bedoeld in titel VII en titel VIII, hoofdstuk III, van boek II van het Strafwetboek; ».

 


HOOFDSTUK XI. - Bepaling tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Art. 50. In artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- in § 1, eerste lid, worden de woorden « , er via doorreist » ingevoegd tussen de woorden « binnenkomt » en « of er verblijft »;
- in § 1, 2°, worden de woorden « of van zijn staat van minderjarigheid » ingevoegd tussen de woorden « precaire administratieve toestand » en de woorden « zwangerschap ».

 


HOOFDSTUK XII. - Opheffingsbepalingen
Art. 51. De hoofdstukken II en IV van titel VII van boek II van het Strafwetboek met als opschrift « Misdaden en wanbedrijven tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid » worden opgeheven.
Art. 52. De artikelen 354 tot 360bis, 364 tot 371, 401bis, 415 en 420bis van hetzelfde Wetboek en artikel 23, punt 4°, van de wet van 15 juni 1899 houdende eerste en tweede titel van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger worden opgeheven.

 


HOOFDSTUK XIII. - Inwerkingtreding
Art. 53. De hoofdstukken IV, VI, VII, VIII en IX treden elk in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 april 2001.


Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 28 november 2000.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers.
Parlementaire bescheiden :
1907 - 1998-1999 :
Nr. 1 : Wetsontwerp.
Nrs. 2 tot 6 : Amendementen.
Nr. 7 : Verslag.
Nr. 8 : Tekst aangenomen door de commissie.
Nrs. 9 tot 10 : Amendementen.
Nr. 11 : Verslag.
Nr. 12 : Tekst aangenomen door de commissie.
Nr. 13 : Amendementen.
Nr. 14 : Tekst aangenomen in pleniaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.
Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 17, 18 en 31 maart en 1 april 1999.
Senaat.
Parlementaire bescheiden.
1-1348 - 1998-1999 :
Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
2-280 1999-2000 :
Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers tijdens de vorige zittingsperiode en van verval ontheven.
Nrs. 2 tot 4 : Amendementen.
Nr. 5 : Verslag.
Nr. 6 : Tekst aangenomen door de commissie.
Nr. 7 : Amendementen.
Nr. 8 : Verslag.
Nr. 9 : Tekst aangenomen door de commissie na terugzending door de plenaire vergadering.
Nr. 10 : Tekst geamendeerd door de Senaat en teruggezonden naar de Kamer van de vertegenwoordigers.
Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 30 en 31 mei 2000.
Kamer van volksvertegenwoordigers.
Parlementaire bescheiden :
50-695 - 1999-2000 :
Nr. 1 : Ontwerp geamendeerd door de Senaat.
Nrs. 2 tot 7 : Amendementen.
50-695 - 2000-2001 :
Nr. 8 : Amendementen.
Nr. 9 : Verslag.
Nr. 10 : Tekst aangenomen door de commissie.
Nr.11 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en teruggezonden aan de Senaat.
Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 26 oktober 2000.
Senaat.
Parlementaire bescieden.
2-280 - 2000-2001 :
Nr. 11 : Ontwerp opnieuw geamendeerd door de kamer van volksvertegenwoordigers.
Nr. 12 : Amendementen.
Nr. 13 : Verslag.
Nr. 14 : Tekst verbeterd door de commissie.
Nr. 15 : Amendement.
Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 16 november 2000.


Publicatie : 2001-03-17

 

Begin tekst

 

 

KlinPsy - Wetgeving