Klinische psychologie in ziekenhuizen

 

Lic. C. Defreyne

Klin. Psycholoog

A.Z. Maria Middelares/St. Jozef Gent

 

 

 

Evolutie

 

Psychologen en ziekenhuizen zijn een combinatie van vrij recente datum. Sinds 74 is er voor het eerst de verplichting om in psychiatrische diensten psycho­logen in te zetten. Dan blijft het lange tijd stil in de uitbouw ervan. Wel vinden we eigenlijk vrij vlug in de wetgeving een verwijzing naar de idee van psycho­lo­gische diensten Zeer frag­mentair (een halftijds voor cardiale, een deeltijds kinderoncologie, wat voor pediatrie) komen we tot waar we nu zijn. Dit fragmentaire maakt dat in realiteit de ziekenhuispsycho­loog vaak opgesplitst zit in verschillende diensten en teams en dat er vaak niet kan worden gesproken over echte psychologische diensten. We hopen in ieder ge­val dat het huidige advies een aanhef mag zijn om die fragmentering van de psychologische activiteit op te vangen.

 

Ik bespreek de evolutie van de psychologie in de wereld van het zieken­huis, hoe de psycholoog via een eerste subsidiering langs de psychiatrische afdeling, geleidelijk meer bevraagd wordend, uiteindelijk komt tot de for­mering van eigen diensten.

 

Ik zal ook proberen duidelijk maken dat die notie van psychologische dienst niet zo nieuw is en uit­ein­delijk reeds vrij lang aanwezig is in de geest van de wetgever. Maar gezien de wetgever ja­ren verzuimt hier een subsidiëring  voor te voorzien kunnen deze ideeën niet worden gereali­seerd.

 

Aanvankelijk was de Klinisch Psychologie in ziekenhuizen  zeer sterk verbonden met de Psychi­atrie. Psychologie hield zich in dat kader bijna uitsluitend bezig met de diagnostiek en behande­ling van afwij­kend gedrag. Nadien krijgen we dan de geleidelijke intrede van de klinische psycho­logie in de in de so­ma­tische zorg. De toenemende aandacht voor psychische en sociale factoren bij ontstaan en beloop van somatische stoor­nissen, heeft natuurlijk daarbij een rol gespeeld. 

 

In de ziekenhuiswereld In Vlaanderen blijkt de klinische psychologie zeer langzaam zijn eigen plaats te veroveren.

Sinds de jaren 70 zijn colle­ga’s actief in ziekenhuizen, aanvankelijk voornamelijk in de Univer­si­taire ziekenhuizen (die blijkbaar betere financiële mogelijkheden hadden)  nu in de meeste zie­kenhuizen.

Belangrijke eerste stap  hierbij is de wetgeving rond de organisatie van psychiatrische diensten die de psychologische functie voor het eerst verplicht maakt in algemene ziekenhuizen.

Spijtig genoeg koppelt men in deze visie  psycho­logen aan specifieke opnamediensten en te wei­nig als autonoom en beschikbaar voor het ganse ziekenhuis. En deze visie blijft ons hardnekkig achtervolgen.

 

Op dit moment lijkt  een overgang gemaakt. Voorheen werden psychologen zeer sterk als deel van een psychiatrische equipe gezien, steeds meer blijken artsen beroep te doen op de psycho­logische exper­tise (buiten een psychiatrisch kader om). Als antwoord op deze toenemende vraag beginnen ziekenhui­zen  dan ook de  psychologische activiteit te organiseren om  psychologen beschikbaar te kunnen stel­len voor het ganse ziekenhuis.

Het recente advies van de NRZV is een belangrijke stap hierin.

 

Maar binnen de ziekenhuizen  vinden ook andere belangrijke evoluties plaats die de manier van werken van psychologen mee gaat beïnvloeden.

 

Ziekenhuizen gaan zich meer en meer organiseren in zorgprogramma’s waarbij vaak volgens een strak stroomdiagram bepaald is op welk moment welke hulpverlener zijn zorg gaat verlenen. Die zorgprogram­ma’s lijken zich sterk te gaan ontwikkelen als autonome entiteiten in het ziekenhuis, entiteiten met hun eigen beleid en geleid door een zorgcoördinator (die vaak een verpleegkun­dige is) en een verantwoorde­lijk medicus.

 

Positief voor de psychologie is de erkenning dat psychologen nodig zijn in de meeste zorgpro­gram­ma’s.  Het gevaar schuilt echter in de versnippering die kan ontstaan.

 

Wanneer men een zorgprogramma strikt beschouwt als een autonome identiteit, als een kliniekje binnen de kliniek dan willen zij uiteraard een psycholoog op hun maat (naar specialisatie en me­thodiek), dan werven zij iemand aan op hun maat binnen hun beschikbare deeltijd. 

Als elk ZIJN deeltje psycholoog gaat aanwerven, voor zijn deeltijdfunctie, dan is er een weliswaar  grote psychologische aanwezigheid maar dit zal ten koste gaan van de loyauteit naar het ziekenhuis.  Een kwart‑time is nu immers minder betrokken dan een full‑time en dreigt men aldus de link met de colle­ga’s psychologen te verliezen.

Elke psycholoog hoeft zich daarenboven enkel te verantwoorden voor zijn deeltaak en hoeft zich niet met de activiteit van de andere psychologen (ik gebruik hier bewust niet het woord collega) te bemoei­en. Van vervanging bij ziekte of verlof kan aldus geen sprake zijn. 

 

Het is logischer en efficiënter een model op te zetten waarbij die verschillende psychologen van­uit vanuit de psychologische dienst mede gecoördineerd worden met de programmaver­ant­woor­delijken. De psy­chologische dienst detacheert zijn bestaffing op de verschillende zorgpro­gram­ma’s. Op die manier blijft de psychologische expertise ten volle betrokken bij de ontwikkeling van de zorgprogramma’s, profiteren de equipes maximaal van geënga­geerde psychologen en is on­der de psychologen collegiale intervisie moge­lijk.

 

 

 

Wettelijk kader

 

 

De bepaling van de psychologische staf van ziekenhuizen vinden we terug in de wetgeving ‘Erkenning van ziekenhuizen’.

 

U weet: ziekenhuizen worden door de overheid gesubsidieerd door verschillende mechanismen. Een ervan is het mechanisme van de ligdagprijs waarin per ziekenhuisbed de subsidie bepaald wordt. Deze subsidie is verschillend voor  de verschillende diensten.  Per soort bed kan de vereiste bestaffing anders zijn: intensieve zorgen vereisen meer verpleegkundige handelingen en zorg dan een psychiatrie.

 

Willen we psychologen algemeen ingezet krijgen in de verschillende diensten dan is belangrijk dat we wetgever ze voorziet in de bestaffing ervan.

 

Op heden is slechts in welbepaalde diensten is de aanwezigheid van een psycholoog echt vereist: enkel in psychiatrische diensten, sommige revalidatiedien­sten en voor palliatieve zorgen.

 

In andere situaties  had de wetgever een vreemde formulering voorzien: ‘kunnen beroep doen op een psychologische dienst’. Deze notie verscheen reeds eind de 80’er jaren bij erkenningsnormen van de vroegere diagnosecentra voor wiegendood.

Op dat moment waren er zeer zelden psychologische diensten in de ziekenhuizen, in het beste geval kon beroep worden gedaan op de psycholoog binnen de psychi­atrische equipe maar meestal bleef dit dode letter.

 

Het toont in ieder geval aan dat reeds eind van de jaren 80 de wetgever de noodzaak van psycholo­gi­sche diensten aanvoelde en in de vermelding ‘psychologische dienst’ toch reeds aangaf dat die op­dracht niet psychiatrisch was.

 

De bepaling: beroep kunnen doen op zien we  in 1998 terugkomen in de regelgeving voor Sp‑diensten (neurologie, locomotorische, cardiopul­monair, chronische).

 

Soms wordt de psycholoog vergoed via riziv‑conventies.,  zo o.m. in het geval van mucoviscidose.

 

Het probleem in de verdere evolutie lijkt me sterk een financieel probleem. De gezondheidszorg evo­lueert met meer en meer nadruk op de psychische aspecten rond pathologieën maar budgettair is er geen ruimte om hiervoor subsidiëring te voorzien.

We zien de overheid dan ook om de hete brij heen dansen: de noodzaak voor psychologische activiteit kan niet worden ontkend maar men kan die om budgettaire redenen niet betalen.

 

Eind de 90’er jaren beleven we een wildgroei van de cardiochirurgie, een vrij dure specialiteit. Deze wild­groei poogt men te beteugelen door de cardiochirurgie te koppelen aan cardiorevalidatie waarin dan wel een psycho­loog voorzien wordt.

Om te  besparen op de cardio-chirurgie blijken psychologen wel inzetbaar,  voor nieuwe uitbreidingen als palliatieve wordt aanvankelijk geen subsidie voorzien.

 

Rond palliatieve hadden we een aantal besluiten over hoe die functie in het ziekenhuis gerea­li­seerd diende te worden. Pas sinds 2001 wordt voor palliatieve  effectief een psycholoog gesubsidieerd

 

 

Hier en daar wordt in de wetgeving rond ziekenhuisdiensten de inzet van psychologen vereist, het pro­bleem is dat deze inzet sterk fragmentair is en dat die voor psychologen nergens een ruimer kader gaat bieden.

De aanvankelijke noties over psychologische diensten worden sporadisch herhaald maar tot op heden zelden concreet ingevuld.

De uitvoering van huidig advies kan deze impasse doorbreken.

 

Kijken we even in welke besluiten de psychologen nu wel inbegrepen zijn.

 

 

Psychiatrie

 

Voor de psychiatrische diensten in algemene ziekenhuizen, de zgn. A-diensten werden de beslui­ten in 1974 gemaakt, hierin is – en dit voor de eerste keer- de aanwezigheid van een psycholoog verplicht.

 

In de bestaffing is er sprake van 2 equipes,  ‘medisch‑psycho‑sociale ' en een verpleegkundige. Uit die opdeling kunnen we stellen dat de psycho­loog buiten de verpleegkundige equipe valt. Toch gaan veel ziekenhuizen verkeerdelijk de psycholoog onder het toezicht van het verpleeg­kundig departement plaatsen, een visie die nefast is voor de autonomie van de psycholoog.

 

De bestaffing is tweeledig: enerzijds wordt gesteld  per 30 bedden moet er minstens een halftijds psy­choloog zijn.

Daarnaast is er de mogelijkheid extra keuzes te maken uit verschillende disciplines waard­oor de psy­chologische bestaffing kan verhoogd worden. In de realiteit heeft iedere PAAZ minstens een full-time psycholoog.

 

Over wat de psycholoog moet doen en hoe het team moet functioneren vinden we in de wet niets, uiteraard hanteert men een medisch model met arts als eindverantwoordelijke. De psy­choloog staat meestal in voor de psychodiagnostiek en de psychotherapie en superviseert het team in hun psychothe­rapeutische aanpak.

 

En tot ver in de jaren 90 blijft dit de voor ziekenhuizen de enige mogelijkheid om psychologen gesubsidieerd in te zetten.


 

 

Kinderoncologie:

 

Sinds 1998, via het ministerieel besluit van Min De Galan, kunnen ook psychologen gesubsi­di­eerd worden voor kinderoncologische diensten.

 

Het besluit stelt immers dat deze diensten moeten beschikken over een

       een verpleegkundige ploeg,

       een psychosociale ploeg,

       een pedagogische ploeg

  en een logistieke ploeg

 

Het besluit houdt  de mogelijkheid in psychologen in te zetten in de psycho­sociale ploeg  nemen maar is eigenlijk zeer beperkt.

Toch is deze subsidiëring bijzonder ondermaats: niet alleen is ze slechts berekend op residen­tiële patiënten (er wordt gemeten per bed), ze is ook vaag in zijn omschrijving: psychoso­ciale ploeg.

Ook de maatschappelijk werkers vallen hieronder, en dus kan men de psychologen vervangen door anderen (mogelijk ook goedkoper). Verpleegkundigen, psychologisch assistenten, opvoe­ders kunnen allen in die psychosociale opdracht werken.

 

 

Oncologie

 

Blijven we bij het veld van de oncologie. Min. Tavernier stelde vorig jaar  de normen vast waar­aan een zorgprogram­ma oncologie moet voldoen. Het heeft sterke gelijkenissen met dit rond pal­liatieve.

 

Voor dit zorgprogramma moet men kunnen beroep doen op zowel een pluridisciplinair psychosociaal supportteam (bestaande uit een Klinisch psycholoog en een maatschappelijk werker) als op een psychiater. De benaming psycholoog garandeert mij dat er geen anders geschoolden voor worden gebruikt.

 

Het feit dat men naast deze equipe beroep moet kunnen doen op een psychiater wijst er toch op dat psycholoog en psychiater hier een verschillende opdracht kunnen heb­ben.

 

Het gaat wel over support, eigenlijk komt hier de eigenheid van de psycho­logische discipline niet tot uiting, immers de supporttaak is een taak die hij deelt met de palliatief verplegenden, de rui­mere pal­liatieve bestaffing, de pastoraal en sociaal werkers.

 

Ook dit besluit kwam op een moment van geringe budgettaire ruimte dus voorzag de wetgever een kunstgreep die eigenlijk  de geest ervan onder­groef door te stellen dat men voor het pluri-disciplinair psychosociaal sup­port team (dat niet gesubsidieerd wordt), beroep kan doen op  het (wel gesubsidi­eer­de) palliatieve team. Men moet het hebben, maar men kan het evengoed niet hebben.

 

 

 

Palliatieve

 

Voor een goed begrijpen van deze wetgeving moeten we drie zaken onder­scheiden: de pallia­tie­ve functie is verplicht voor ieder ziekenhuis maar dit betreft geen direct werken met patiënten, de sp‑diensten pal­liatieve betref­fen de palliatieve eenheden en zijn er uiteraard niet in ieder zieken­huis, de mobiele equipes zijn er van recentere datum en zijn de eigenlijke palliatie­ve support‑teams.

 

Sinds 1997 moet ieder  ziekenhuis een palliatieve functie hebben en dit was aanvankelijk niet veel meer dan een multidisciplinair team, waarin wel een psycholoog, dat moest zorgen voor een palliatief klimaat in het zieken­huis. Het betrof dus geen echte werking enkel een adviesorgaan. Een psycho­loog moest hierin participeren maar werd niet gefinancierd.

 

Daarnaast zijn er ook normen voor palliatieve diensten, die gelden dan uiteraard voor die ziekenhuizen die een dergelijke verpleegeenheid hebben. Voor de Sp‑dienst palliatieve moest men kunnen beroep doen op een consulent-psycholoog.

 

Die situatie kon uiteraard niet blijven duren, ziekenhuizen dienden psycho­logen te hebben voor hun palliatieve functie maar dienden dit met eigen middelen te financieren.

 

In Feb. 2002 komt Minister Aelvoet met de subsidiëring van een palliatieve equipe per ziekenhuis dit onder de vorm van een zgn. “Mobiele equipe”.

Daarin minstens een halftijds equivalent psycholoog.

 

Na de psychiatrie en de cardiorevalidatie vormt dit een derde golf van aanwerving van psychologen in ziekenhuizen.

 

 

Cardio-revalidatie

 

De regelgeving rond cardio-revalidatie dateert van 96 en vormt de 2° grote aanwervingsgolf van psycho­lo­gen in ziekenhuizen. Ziekenhuizen die cardiochirurgie willen doen kunnen dit enkel indien ze ook de cardiorevalidatie voorzien en precies hierin moet een halftijds psycholoog zitten.

 

De financiering hier gebeurt met een enveloppe‑systeem waarbij men een budget krijgt per  pluri‑disci­plinaire revalidatie-sessie. Ook de psycholoog kan dergelijke sessies scoren.

 

Psychologen worden hier vooral ingezet vanuit de visie dat een gedragsverandering in gezonder richting het lange termijnsucces gaat verhogen.

 

Daarnaast staan ze  ook op de afdeling zelf dit om patiënten zowel als hun familie te begeleiden rond de operatie.

 

Deze groep cardi­o‑psychologen was de eerste grote groep psychologen die buiten de psychiatrische equipes ging werken.

 

De cardio‑psycholoog heeft in zijn taak zelden met psychiatrie te maken, zijn werking stemt hij af op de cardioloog, de cardiochirurg en de revalidatie‑arts.

 

 

 

Revalidatie

 

Rond revalidatie is er meer goed nieuws.

 

Zeer recent is er de verplichting om bij de revalidatie van rugpijnpatiënten psychologen te gaan inscha­kelen. Het besluit terzake, van juni laatstleden stelt dat men bij de revalidatie van rugpijn­patiënten, de rugschool dus, een beroep moet kunnen doen op de ‘functie psychologie’. Dit is de eerste verwijzing in de wetgeving naar de ‘psychologische functie’

 

Verder leest men in het besluit dat patiënten voor en na de behandelreeks geëvalueerd worden en hier wordt de psycholoog ingeschakeld. Spijtig genoeg geeft het besluit de psycholoog weinig autonomie gezien hij  welbepaalde schalen moet gebruiken.

 

Positief in ieder geval de verwijzing naar de psychologische functie op het niveau van de instelling, het  gaat dus over de psycholoog van het ziekenhuis, niet over de psycholoog van de revalidatiedienst.

 

 

 

Pediatrie

 

En dan keren we weer even in de tijd terug, naar 1992 en we vinden er  een besluit wat positief lijkt voor de ziekenhuispsychologie maar wat opnieuw faalt in de realisatie ervan. Een mooie verpakking voor een arme inhoud.

 

Een eerste maatregel van toenmalig minister Colla betrof het kindvriendelijk karakter van de instellingen. In ieder ziekenhuis zou er een multidisciplinair team moeten komen die de kindvrien­delijkheid van de instelling moet bewaken. De psycholoog moet hier deel van uitmaken. Dit be­sluit ligt wat in de lijn van het besluit rond team voor de palliatieve cultuur, er moest een psycholoog zijn maar men verzuimt die te financieren.

 

In een andere maatregel worden wel nieuwe functies geschapen: iemand voor de spel­begelei­ding en iemand voor de psychosociale opvang.

 

Colla voorzag wel voor de psychosociale opvang psychologen maar zijn voorgestelde finan­cie­ring, op A1 niveau,  doorkruiste deze plannen. 

 

Uiteraard staat het ziekenhuizen vrij hoger geschoolden aan te nemen maar dan moet de meerkost zelf worden gefi­nancierd.

 

 

 

Reproductieve geneeskunde

 

In 1999 komt er dan het K.B. betreffende reproductieve geneeskunde wat de verplichting inhoudt om de psychologische begeleiding van die patiënten te gaan voorzien.

Dit moet gebeuren door daartoe gekwalificeerde hulpverleners.  Spijtig genoeg wordt er niet gezegd welke dat wel zijn.

 

 

 

 

De ziekenhuispsycholoog: profiel

 

Als we kijken naar de plaats van tewerkstelling, en voor de Belgische gegevens baseren we ons op een (verouderde) studie van de BFP, dan zien we dat de meeste ziekenhuispsychologen toen werkten binnen de psychiatrische ziekenhuizen.

 

Sindsdien hebben de psychologen in algemene ziekenhuizen een serieuze inhaalbe­weging gemaakt: de cardiorevalidatiediensten namen uitbreiding met telkens een psycholoog hierin, voor pediatrie kwamen er enkele psychologen  nadien werden de palliatieve equipes met psychologen versterkt.

Het loont de moeite om de studie te maken maar als we kijken naar dit ziekenhuis dan was ik in 1993 de enige psycholoog, nu zijn we met 4.

Zeer zeker gaat het overwicht nu naar psychologen die werken in algemene ziekenhuizen.

 

Wanneer we het hebben over ziekenhuispsychologen, dan hebben we het steeds over Universitair Geschoold psychologen, de ziekenhuiswet spreekt over een Licentiaat rond de psychiatrie, sinds de titelbescherming gebruikt men de beschermde naam psycholoog.

De meeste ziekenhuispsychologen blijken, volgens die BFP‑studie over een bijkomende ­(post‑ graduaat‑opleiding) te beschikken, vaak een psycho-therapieopleiding. Ziekenhuis­psycho­logen zijn dus doorgaans hoog opgeleid, zeker bevoegd om behan­delingen in te stellen en uit te voeren.

 

Recent blijkt de specialisatie meer en meer te gaan doorwegen. De speciali­satie komt de laatste jaren steeds vroeger en meer fragmentair. Waar men vroeger ijver­de voor een algemene psy­cho­therapie opleiding - en vandaar dit toepaste op het specialisatie als bijv. cardiopsychologie - blijkt men nu vaak deze algemene psychot­herapieopleiding over te slaan en zich bijvoorbeeld uitsluitend te be­kwamen in het palliatieve werk.  Wanneer een psycholoog uitsluitend onder een zorgprogramma gaat ressorteren kan men dit ook verwachten, het diensthoofd van een zorgprogramma zal opleiding in dit deelterrein eerder toejuichen dan een algemene opleiding.

 

Deze opsplitsing in specialisaties kan in de toekomst een hinderpaal zijn wanneer we streven naar een psychologische dienst per ziekenhuis. Immers de PAAZ‑psycholoog staat in zijn manier van werken ver af van de pallia­tief psycholoog.

 

Toch ben ik er van overtuigd dat men die 2 krachten dient en kan verzoe­nen; Enerzijds de speci­alisatie die maakt dat men deskundigheid verwerft binnen een multidisciplinaire behandelequipe (zij het PAAZ, zij het cardia­le) en anderzijds  de collegiale samenwerking binnen de groep psy­chologen wat ruimte biedt voor interdisciplinaire intervisie en wat anderzijds een ruimere psychologische inbreng garandeert.

 

Dit betekent een model waarbij de psychologen vanuit een psychologische equipe gedetacheerd worden op diverse afdelingen en behandelsettings, dat ze zich hier optimaal integreren maar dat ze hierbij ook hun eigenheid als psycholoog niet ver­liezen en erover waken dar de psycholo­gi­sche dienst in de organi­satie van het ziekenhuis zijn noodzakelijke inbreng kan hebben.

 

 

 

De ziekenhuispsycholoog: Taken

 

De taken ven de psycholoog verschillen niet zoveel van die van de andere psychologen zij het dat het milieu, het ziekenhuis met zijn  somatisch denkpatroon hier sterk een stempel op zet.

 

Artsen verwachten vlugge en duidelijke adviezen en houden eraan dat alles gecoördineerd wordt door de behandelende arts.

Diagnostiek is een van de hoofdopdrachten van het ziekenhuis en ook psychologen ontsnappen hier niet aan.

 

Psychologen worden ook ingezet in behandeling en begeleiding in diverse vorm

 

Uiteraard is de psycholoog, als gedragsdeskundige op afdelingen waar hij frequenter mee sa­men­werkt zeer betrokken op de teamsfeer en gezamenlijke aanpak. Met de euthanasiewetgeving waarbij het ganse ver­pleegkundig team betrokken wordt in de beslissing tot euthanasie kan hier een bijkomende opdracht liggen voor de psycholoog.

 

We zien dat de psycholoog vrij autonoom en specialistisch  werkt binnen zijn terrein, toch mag hij de sterke van de multidisciplinaire aanpak niet missen

 

Binnen dit ziekenhuis pogen we 2 bewegingen aan elkaar te koppelen, de integratie van alle psy­cholo­gen in een psychologische dienst wat voordelen heeft zowel op kwaliteitsverhoging onder meer door de mogelijkheid van interdis­ciplinaire intervisie als op meer praktischer aspecten van vervanging bij afwezig­heid en opvangen van spoedeisende interventies. Dit pogen we te integreren met een visie van interne specialisatie en toewijzing aan equipes waarbij de psycholoog in zijn aanpak naar patiënten toe opti­maal kan profi­teren van de voordelen van een multidisciplinaire teamwerking.

 

 

 

De Toekomst

 

 

Op dit moment zijn er enkele voorstellen die evolueren naar een definitieve vorm, enkele ervan kunnen een serieuze impact hebben op de werking van de ziekenhuispsycholoog.

 

Het lobbywerk van het  PAAZ‑overleg Vlaanderen, een belangengroep van ziekenhuispsychi­a­ters, resulteerde in een advies van de nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen rond Liaison psychiatrie. Uiteraard suggereert men uitbreiding van de psychologische bestaffing, toch benaderen we het voorstel best met de nodige reserves.

 

Het advies pleit ervoor om in ieder ziekenhuis een liaison‑psychiatrische equipe  te voorzien die consultatief gaat werken met patiënten op somati­sche diensten.

 

Het advies cultiveert de verouderde visie als zou de psycholoog enkel onder supervisie van een psychiater kunnen werken. Want het  voorstel gaat het geheel van psychologische activiteiten in ziekenhuizen onderbrengen in de psychiatrische zorg en onder leiding en supervisie van de liaison‑psychiater. Paramedischer kan niet.

Sterker nog psychologen die zich nu reeds een plaats verwierven buiten de psychiatrie  worden losgetrokken uit hun samenwerkingsverband om dezelfde activiteit verder te doen onder de liaison‑psychiater.  Wat is er voor psychiatrisch aan cardiale of interne patiënten of wat heeft de psychiatrie dat de psychologie hier niet buiten kan?

 

Dit voorstel is op maat van de psychiater gemaakt en uiterst zwak naar psychologen toe: het gaat nergens de bestaffing van die diensten expliciteren, de psycholoog is een van de disciplines waaruit kan worden gekozen. 

 

Het valt te betreuren dat onze BFP binnen de gezondheidsdialogen ervoor pleite dit voorstel te gaan realiseren.

 

Het advies rond liaison‑psychiatrie moet nu nog gerealiseerd (in wetteksten gegoten, financiering voorzien) door de minister. Op hetzelfde stadium van realisering maar van recenter datum situ­eert zich het advies inzake de psychologische functie. Coll. Allemeesch gaat hier dadelijk verder op in.

 

Een andere mogelijkheid om psychologen in ziekenhuizen in te zetten bestaat erin hen op te ne­men in zgn. diensten patiëntenbegeleiding waar ze samen met hulpverleners van andere disci­pli­ne (meestal zijn dat dan soci­aal en  pastoraal werkers) de vage taak “begeleiden” uitoe­fen­en.  De voorstellen rond palliatieve en oncologie gaan sterk in die richting.

 

In dit model wordt de psychologische activiteit quasi gelijkgesteld met die van de andere disci­pli­nes, eventueel kan men de psycholoog beschouwen als de hoogst gespecialiseerde en dus de­gene die in te zetten is bij de meest com­plexe problematiek.

 

Alhoewel dit model een oplossing kan bieden bij de vraag waar de psycholoog zich organisa­to­risch bevindt voelen de meeste ziekenhuispsychologen niets voor de praktische aspecten van dit model. Het begeleidingswerk is toch vaak verschillend van een gestructureerde systematische psychotherapeutische aanpak. Ook de diagnostische taak van de gespecialiseerde psycholoog vervaagt in dit model. Persoonlijk hebben we de ervaring dat het zeer moeilijk is om in ziekenhui­zen die met dit model werken het specifiek psychologische te detecteren.

 

Binnen de commissie Bio‑ethiek van de Senaat werkt men aan enkele wetsvoorstellen rond ferti­liteit. Allen hebben ze ongeveer dezelfde strek­king: men poogt de psychologische impact van de interventies in te schatten, men poogt te evalueren hoe de draagkracht is en men poogt de psy­cholo­gische gesteldheid van de patiënt en zijn omgeving te begrijpen. Tot zover steunen we uiteraard dit voorstel. Ondanks het gegeven dat psychologen nu reeds werken binnen de fertiliteitklinieken specifiek met deze opdracht  geeft het wetsvoorstel die opdracht aan psychiaters. Met ons reageerde ook de vereniging van gynaecologen hiertegen, ook zij pleiten ervoor psycho­lo­gen hier in te schakelen..

 

 

En dan is er het belangrijke wetsontwerp wat de psychologen inschrijft in de wet op de uitoefe­ning van de gezondheidszorgberoepen.

Inderdaad, de spijtige wette­lijke realiteit is dat wij op dit ogenblik ons beroep illegaal uitoefenen. Enkel artsen mogen diagnoses stellen en behandelingen uitvoeren en dit is nu net wat wij doen, wij stellen vast wat er psychologisch aan de hand is en ontwerpen hierrond een behandelings­plan. Artsen vragen ons ook dit te doen.

Minister Aelvoet poogde dit te regulariseren door ons een autonome be­roepsuitoefening te ga­ran­deren via een inschrijving in het artikel 1 van die wet waar we naast artsen en apothekers stonden maar waar we logischer­wijs een beperkt activiteitenterrein kregen, nl. de psychologie.

Onze auto­nomie was gegarandeerd en intervenieerden we in het somatische veld dan dienden we dat te doen in samenwerking met een arts. Deze relatie was een horizontale, collegiale relatie.

 

Vreemd genoeg werd hiertegen vanuit onze eigen beroepsgroep zwaar geprotesteerd met het spijtige gevolg dat de groene Ministers dit niet tijdens hun legislatuur konden realiseren. Een spijtig gevolg ook voor de ziekenhuispsycholoog want hier kregen we de kans onze autonome beroepsuitoefening wettelijk erkend te zien.

 

Deze problematiek wordt ook binnen de huidige regering verder gezet zij het met een andere visie. Vanuit de PS was er de visie om de psycholoog met nog andere beroepen als psycho­the­rapeut, logopedist, opvoeder enz een apart hoofdstuk te geven in deze wet. Onze autonomie blijft nog steeds gegarandeerd maar het lijkt me dat in die constructie onze hiërarchische positie naar de artsen toe onduidelijker wordt. De psychiater blijft immers ressorteren onder de artsen in het 1° hoofdstuk en de huidige andere hoofd­stuk gaan  telkens over gesuperviseerde beroepen (verpleegkundigen en paramedici).

 

Ondertussen slaagde onze federatie er wel in om via de senaat het oorspronkelijke Aelvoet voorstel terug in te dienen met senator Vanden­berghe. Over meerdere partijen heen wordt hiervoor ook een consensus bereikt.  Belangrijke factoren uit de geestelijke gezondheidszorg schaar­­den zich reeds achter dit voorstel maar de PS blijft hun voorstel handhaven. En die PS is een regeringspartij.

 

 

De meeste ziekenhuispsychologen werken in loondienst, dit betekent dat zij een vooraf bepaald loon krijgen. Het barema in ziekenhuizen is geba­seerd op het overheidsbarema wat gerelateerd is aan de opleiding. Ik moet hier een recente, zeer betreurenswaardige evolutie vermelden. Sinds korte tijd blijken veel ziekenhuizen psychologen als zelfstandige te gaan inzet­ten. Zelfs in dien­sten waarvoor ze hiervoor de volle loonkost worden terugbetaald.  Uiteraard krijgt de zelfstandige slechts een fractie van dit bedrag doorbetaald. In een van de toonaangevende Gentse zieken­huizen blijkt dit voor paramedici standaard te gelden, recent zijn ze dit ook gaan doen met hun psycholoog voor cardio‑revalidatie en we bemerken dat ziekenhuizen uit onze periferie die psy­chologen moeten aanwerven voor hun palliatieve werking dit ook doen met zelfstandigen.  Naar mijn mening is dit niet correct, de psycholoog wordt voor een beperkte pathologie aang­eworven en krijgt niet de gelegenheid zijn expertise open te stellen voor de totaliteit van het ziekenhuis (suggereert dit geen schijnzelfstandigheid), anderzijds is het een beperken van de functie van psycholoog gezien het accent komt te liggen op direct patiëntencontacten en minder op de team­werking.

 

 

Het lijkt duidelijk dat een goede regeling van de psychologische activiteit in het ziekenhuis zich op­dringt.

De wetgever kan niet omheen de realiteit dat de psychologie van de patiënt zijn ziekteproces mede­bepaalt en omgekeerd.

Spijtig genoeg ontbraken vaak voldoende financiële middelen om deze kwestie voor eens en voor altijd te regelen en zocht men zijn heil bij zeer beperkte maatregelen (een klein deeltje psy­chologie bij bepaalde pathologieën).

Het realiseren van het advies zoals het gemaakt werd kan een oplossing bieden voor een aantal financiële en organisatorische problemen die er nu zijn.